Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:3384

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16-07-2019
Datum publicatie
25-07-2019
Zaaknummer
05/860000-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een 47-jarige man uit Tiel voor het verkrachten en doden van een 21-jarige vrouw. De man is daarnaast ook schuldig aan brandstichting. Hij krijgt een gevangenisstraf van 18 jaar en tbs met dwangverpleging opgelegd. Bij deze zeer ernstige en gruwelijke feiten past volgens de rechtbank alleen een lange gevangenisstraf. Daarna wil de rechtbank de man niet zonder behandeling laten terugkeren in de maatschappij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/860000-18

Datum uitspraak : 16 juli 2019

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd te P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid.

Raadsman: mr. M.W.G.J. IJsseldijk, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 1 mei 2018, 10 juli 2018, 21 augustus 2018, 6 november 2018, 15 januari 2019, 9 april 2019 en 25 juni 2019.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij in of omstreeks de nacht van 31 december 2017 op 1 januari 2018 in de

gemeente Buren, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

[slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd,

door die [slachtoffer] in haar woning, al dan niet met een zwaar voorwerp, meerdere

malen, althans eenmaal, op/tegen het hoofd en/of lichaam te slaan/stompen

en/of haar (vervolgens) op haar bed te leggen en/of haar vast te binden aan

het bed en/of (vervolgens) brand te stichten in (de slaapkamer van) die

woning, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is komen te overlijden;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij in of omstreeks de nacht van 31 december 2017 op 1 januari 2018 in de

gemeente Buren, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

[slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] in haar

woning, al dan niet met een zwaar voorwerp, meerdere malen, althans eenmaal,

op/tegen het hoofd en/of lichaam te slaan/stompen en/of haar (vervolgens) op

haar bed te leggen en/of haar vast te binden aan het bed en/of (vervolgens)

brand te stichten in (de slaapkamer van) die woning, ten gevolge waarvan die

[slachtoffer] is komen te overlijden, welke doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten verkrachting,

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Meer Subsidiair

hij in of omstreeks de nacht van 31 december 2017 op 1 januari 2018 in de

gemeente Buren, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

[slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] in

haar woning, al dan niet met een zwaar voorwerp, meerdere malen, althans

eenmaal, op/tegen het hoofd en/of lichaam te slaan/stompen en/of haar

(vervolgens) op haar bed te leggen en/of haar vast te binden aan het bed en/of

(vervolgens) brand te stichten in (de slaapkamer van) die woning, ten gevolge

waarvan die [slachtoffer] is komen te overlijden;

2.

hij in of omstreeks de nacht van 31 december 2017 op 1 januari 2018 in de

gemeente Buren, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans

alleen, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of

(een) andere feitelijkhe(i)d(en), [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn hand,

althans een of meer vinger(s)/duim en/of zijn, verdachtes, penis in haar vagina en/of anus gebracht/geduwd, en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging

met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte die [slachtoffer] in

haar eigen woning meerdere malen, althans eenmaal, al dan niet met een zwaar

voorwerp, op/tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen/gestompt en/of haar (vervolgens) op haar bed heeft gelegd en/of haar aan haar bed heeft vastgebonden;

3.

hij in of omstreeks de nacht van 31 december 2017 op 1 januari 2018 in de

gemeente Buren, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (gelegen aan de [adres]

), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk open vuur in aanraking

gebracht met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan (de inboedel van)

die woning geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is

ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor (de inboedel van) die woning, in

elk geval gemeen gevaar goederen en/of levensgevaar voor een of meer

perso(o)n(en) aanwezig in naast/onder gelegen woning(en), in elk geval

levensgevaar voor een ander of anderen, te duchten was en waarbij [slachtoffer] is

komen te overlijden.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 1 januari 2018 heeft er een brand plaatsgevonden in de woning aan de [adres] te Buren.2 In de woning trof de brandweer het lichaam van [slachtoffer] aan. Zij lag met ontbloot onderlichaam op haar buik op bed. Over haar gezicht zat een transparante plastic zak en zij was met haar rechterarm met een elektriciteitssnoer vastgebonden aan het bed.3

Verdachte was die nacht samen met [slachtoffer] in haar woning. Hij heeft haar minstens twee keer met een volle wodkafles tegen haar hoofd geslagen. Vervolgens heeft hij haar aan haar voeten naar haar bed gesleept, op bed gelegd en haar met haar rechterhand vastgemaakt aan het bed.4

[slachtoffer] bleek te zijn overleden aan de gevolgen van zwaar schedel-hersenletsel en letsel aan haar kaak en aangezicht (craniocerebraal-maxillofaciaal trauma).5 Dit was veroorzaakt door stomp geweld op haar hoofd. Zij had geen overlevingskans en het is aannemelijk dat tussen de impact op het hoofd en het overlijden slechts enkele minuten tijd heeft gezeten.6

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt gesteld dat uit het dossier volgt dat verdachte heeft gehandeld in een opwelling, zodat niet bewezen kan worden dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en ook niet kan worden vastgesteld dat verdachte [slachtoffer] heeft neergeslagen om seks met haar te kunnen hebben. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van moord en gekwalificeerde doodslag, zoals onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegd. Wel acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk heeft gedood (doodslag).

Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer] heeft verkracht, nu het op grond van het dossier niet aannemelijk is dat de seksuele handelingen die nacht vrijwillig hebben plaatsgevonden.

Ook acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht (feit 3), met dien verstande dat niet bewezen kan worden dat deze brand de dood van [slachtoffer] ten gevolg heeft gehad.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten, te weten moord en gekwalificeerde doodslag. De verdediging acht wel bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag, zoals meer subsidiair ten laste gelegd.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat er seksueel contact heeft plaatsgevonden tegen de wil van [slachtoffer] . De aangetroffen sporen zeggen alleen dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden, maar zeggen niets over de eventuele onvrijwilligheid daarvan.

Ook heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder feit 3 ten laste gelegde brandstichting. Hiertoe is – kort gezegd – aangevoerd dat er geen causaal verband bestaat tussen de dood van [slachtoffer] en de brand en dat de deskundigen de oorzaak van de brand niet hebben kunnen vaststellen.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1: moord of (gekwalificeerde) doodslag

Vast staat dat [slachtoffer] als gevolg van het door verdachte toegebrachte letsel is overleden. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is hoe het handelen van verdachte gekwalificeerd dient te worden.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Zij zal verdachte daarom vrijspreken van moord (feit 1 primair).

De rechtbank overweegt verder dat – los van de vraag of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer] heeft verkracht, waarover hierna meer – in ieder geval niet bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer] heeft gedood met als doel een verkrachting voor te bereiden, gemakkelijk te maken of om hier ongestraft mee weg te komen. De rechtbank zal verdachte daarom ook vrijspreken van de onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde gekwalificeerde doodslag.

De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk heeft gedood door haar meerdere malen met een volle wodkafles op haar hoofd te slaan en zal verdachte veroordelen voor doodslag.

Feit 2: verkrachting

In twee bemonsteringen die zijn afgenomen halverwege de vagina ( [nummer 1] ) en half diep in de anus ( [nummer 2] ) van [slachtoffer] is bloed aangetroffen. In deze bemonsteringen zijn geen spermacellen aangetroffen, maar er is wel een aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van spermavloeistof.7 Voornoemde bemonsteringen zijn onderworpen aan een

Y-chromosomaal DNA-onderzoek. Het Y-chromosomale DNA-profiel van verdachte matcht met het Y-chromosomale DNA-profiel van het celmateriaal in de bemonsteringen. Dit betekent dat de bemonsteringen, naast celmateriaal van [slachtoffer] , mannelijk celmateriaal bevatten dat afkomstig kan zijn van verdachte. De resultaten van het vergelijkend Y-chromosomaal DNA-onderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer het mannelijk celmateriaal in bemonstering [nummer 1] afkomstig is van verdachte, dan wanneer het mannelijk celmateriaal afkomstig is van een willekeurig gekozen, niet in de mannelijke lijn van verdachte verwante man.8

Naast deze DNA-sporen bevat het dossier sterke aanwijzingen die, zonder andersluidende aannemelijke verklaring, wijzen op verkrachting. De rechtbank zal deze aanwijzingen hierna bespreken en afzetten tegen de verklaringen die verdachte hierover heeft afgelegd.

Grijpletsels

Op het verloop van de linker onderkaak van [slachtoffer] en haar rechterarm waren recente kneuzingen zichtbaar. Deze letsels zijn suggestief voor grijpletsels.9 De patholoog heeft verklaard dat deze grijpletsels bestonden uit kneuzingen ter grootte van een vinger en overeenkwamen met indrukken van vingers. Deze letsels kunnen ontstaan door vastgrijpen. Het letsel op de onderkaak kan zijn ontstaan door een hand om haar kaak te leggen.10

De rechtbank overweegt dat uit het voorgaande volgt dat verdachte de kaak van [slachtoffer] heeft vastgepakt. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een handeling die past bij het in bedwang willen houden van [slachtoffer] en/of het plegen van verzet door haar.

Door de verdediging is aangevoerd dat de grijpletsels ook kunnen zijn ontstaan door een vechtpartij tussen verdachte en [slachtoffer] of door het optillen op bed. Verdachte heeft echter niets verklaard over een vechtpartij. Verdachte is geconfronteerd met de verklaring van de patholoog over dit letsel en heeft verklaard dat hij [slachtoffer] niet in haar gezicht heeft gegrepen, maar dat hij haar misschien in haar gezicht heeft geslagen. Gelet op wat de patholoog heeft verklaard over het ontstaan van het letsel aan de kaak, is deze verklaring van verdachte voor het grijpletsel niet aannemelijk.

Wijze waarop [slachtoffer] is aangetroffen

Zoals vastgesteld, is [slachtoffer] aangetroffen terwijl zij met ontbloot onderlichaam op haar buik op bed lag. Zij was met haar rechterarm vastgebonden aan het bed en over haar gezicht zat een transparante plastic zak. De rechtbank concludeert dat deze omstandigheden wijzen op het onvrijwillig en onder dwang ondergaan van (anale) seksuele handelingen. Dat deze handelingen tegen de wil van [slachtoffer] hebben plaatsgevonden wordt ondersteund door het volgende.

Op de rug of op de buik?

Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] op haar rug op bed heeft gelegd.11

De patholoog heeft verklaard dat bij het hersenletsel dat [slachtoffer] had de kans groot is dat iemand binnen enkele seconden het bewustzijn verliest. Gelet op het hersenletsel acht hij het onwaarschijnlijk dat zij nog in staat was zich van haar rug op haar buik te draaien.12

De rechtbank overweegt dat hieruit volgt dat verdachte [slachtoffer] op haar buik op bed moet hebben gelegd en dat zijn verklaring op dit punt dus kennelijk leugenachtig is.

Plastic zak

Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij de plastic zak niet om het hoofd van [slachtoffer] heeft gedaan. Als alternatief scenario schetst verdachte dat de plastic zak mogelijk op het bed heeft gelegen.13 Ook deze verklaring is aantoonbaar onjuist en kennelijk leugenachtig. Dit blijkt uit het volgende.

Op de laminaatvloer in de woonkamer werd een ingedroogde poel van bloed aangetroffen. Hierin werd een sleepspoor aangetroffen van 60 à 70 centimeter. Dit sleepspoor bevond zich in de richting van de slaapkamer en stopte abrupt bij de overgang van de laminaatvloer naar het vloerkleed dat voor de banken lag. Tussen de plaats waar het sleepspoor stopte en het bed waarop het slachtoffer werd aangetroffen, werd verder geen bloedspoor meer aangetroffen. Gelet hierop en op het feit dat het slachtoffer meer dan gering bloed had verloren, wordt aangenomen dat de plastic zak is aangebracht na het toebrengen van de hoofdverwondingen en voor de verplaatsing van haar lichaam van de woonkamer naar de slaapkamer, waardoor geen bloed meer werd verloren op de vloeren van de woonkamer en slaapkamer.14

De rechtbank concludeert op grond van het vorenstaande dat verdachte de plastic zak om het hoofd van [slachtoffer] heeft aangebracht. Dit duidt erop dat verdachte het achterlaten van sporen wilde beperken.

Vastbinden

Ten aanzien van het vastbinden aan het bed heeft verdachte verklaard dat hij dit deed, omdat hij bang was dat [slachtoffer] achter hem aan zou komen. Zoals hiervoor opgemerkt heeft de patholoog verklaard dat, bij het hersenletsel dat [slachtoffer] had opgelopen, de kans groot is dat zij binnen enkele seconden het bewustzijn heeft verloren en dat het onwaarschijnlijk is dat zij nog in staat was zich op bed om te draaien. Hieruit kan worden opgemaakt dat het al helemaal onwaarschijnlijk is dat [slachtoffer] nog in staat was haar arm los te maken, op te staan en achter verdachte aan te gaan. De rechtbank acht het dan ook volstrekt ongeloofwaardig dat de reden van het vastbinden van [slachtoffer] door verdachte lag in zijn vrees dat [slachtoffer] achter hem aan zou komen. De rechtbank acht het bovendien niet aannemelijk dat verdachte een plastic zak om het hoofd van [slachtoffer] zou doen als hij dacht dat zij nog bij zou kunnen komen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het feit dat verdachte een plastic zak om het hoofd van [slachtoffer] heeft gedaan dus dat hij wist dat zij er zeer slecht aan toe was en niet in staat zou zijn achter hem aan te komen.

Conclusie

Verdachte heeft tijdens zijn eerdere verhoren telkens ontkend die nacht bij [slachtoffer] te zijn geweest. Hij is pas gaan verklaren nadat hij door de politie werd geconfronteerd met voor hem belastende onderzoeksresultaten die schreeuwden om een verklaring. Naar het oordeel van de rechtbank plaatst dit zijn verklaring reeds op voorhand in een ongeloofwaardig daglicht.

Daar komt het volgende bij. Verdachte heeft ten aanzien van de bewijsmiddelen in het dossier die erop wijzen dat hij [slachtoffer] heeft verkracht op verschillende punten ongeloofwaardige verklaringen afgelegd. Bovendien zijn de verklaringen van verdachte dat hij [slachtoffer] op haar rug op bed heeft gelegd en dat hij de plastic zak niet over haar hoofd heeft aangebracht, aantoonbaar onjuist en moeten deze verklaringen worden bestempeld als kennelijk leugenachtig. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte deze verklaringen afgelegd om de waarheid te verdoezelen. De rechtbank concludeert dat verdachte met deze leugenachtige verklaringen geen ander doel kan hebben gehad dan te verbergen dat hij [slachtoffer] heeft verkracht. De rechtbank zal deze verklaringen van verdachte dan ook bezigen voor het bewijs van de verkrachting.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de seksuele handelingen onder dwang en tegen de wil van [slachtoffer] hebben plaatsgevonden.

Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat de vraag of sprake was van een seksuele relatie tussen [slachtoffer] en verdachte in het licht van wat hiervoor is overwogen niet van belang is. Het bestaan van een seksuele relatie kan weliswaar een indicatie vormen voor vrijwilligheid tot het verrichten en/of ondergaan van seksuele handelingen, maar het kan niet zonder meer tot de conclusie leiden dat de seksuele handelingen die nacht ook met instemming moeten hebben plaatsgevonden.

Feit 3: brandstichting

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte de brand heeft gesticht. Hierover overweegt de rechtbank als volgt.

Volgens de patholoog heeft [slachtoffer] na het slaan op haar hoofd nog enkele minuten geleefd. Aan de omstandigheid dat er roetdeeltjes zijn aangetroffen achter in de mond van [slachtoffer] verbindt de patholoog de conclusie dat er minstens nog een oppervlakkige ademhaling moet zijn geweest ten tijde van de brand.15 Hieruit concludeert de rechtbank dat de brand kort na de geweldshandelingen moet zijn ontstaan.

Uit brandtechnisch onderzoek is gebleken dat de brand naar alle waarschijnlijkheid meer dan een half uur voor de aankomst van de brandweer is ontstaan.16 De brandweer was rond 05:50 uur ter plaatse.17 Hieruit volgt dat de brand vóór 05:20 uur moet zijn ontstaan.

Uit de loggegevens van de telefoon van verdachte volgt dat verdachte om 05:07:14 uur de wifi op zijn telefoon heeft uitgeschakeld en hij daarna de zaklamp van zijn telefoon heeft ingeschakeld voor de duur van 56 seconden.18 Verdachte heeft verklaard dat hij de wifi in de regel uitzet.19 De rechtbank stelt vast dat het uitschakelen van de wifi en het aanzetten van de zaklamp past bij het verlaten van de woning in het donker.

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachte de woning heeft verlaten rond het tijdstip waarop de brand is ontstaan.

Op drie plekken in de woning zijn sporen van benzine aangetroffen, te weten voor de loungebank waar een geopende groene jerrycan lag, op de overgang van de woonkamer naar de slaapkamer en op de mat in de badkamer.20 Dit is een sterke aanwijzing dat sprake is geweest van brandstichting.

Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] zelf heeft gesprenkeld met een jerrycan met benzine.

De rechtbank acht die verklaring niet geloofwaardig. De rechtbank overweegt dat je dit slechts doet met één oogmerk, namelijk het stichten van brand. Het is volstrekt onaannemelijk dat [slachtoffer] haar eigen woning, waar zij woonde met haar hond en twee katten, in brand zou willen steken. Nu het dossier geen enkele aanwijzing bevat dat er die nacht naast [slachtoffer] en verdachte nog andere personen in de woning zijn geweest, kan het niet anders dan dat verdachte met benzine heeft gesprenkeld. Het stichten van brand wijst opnieuw op de wil om sporen uit te wissen. Bij verdachte bestond dit motief. De rechtbank heeft hiervoor reeds vastgesteld dat verdachte de plastic zak om het hoofd van [slachtoffer] heeft gedaan om geen sporen achter te laten. Het in brand steken van de woning dient datzelfde doel.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht.

Niet bewezen is dat [slachtoffer] als gevolg van de brand is overleden. Wel acht de rechtbank bewezen dat door de brand gemeen gevaar ontstond voor goederen en levensgevaar voor personen die in hetzelfde appartementencomplex woonden.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 meer subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:

1.

Meer subsidiair

hij in of omstreeks de nacht van 31 december 2017 op 1 januari 2018 in de

gemeente Buren, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

[slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] in

haar woning, al dan niet met een zwaar voorwerp, meerdere malen, althans

eenmaal, op/tegen het hoofd en/of lichaam te slaan/stompen en/of haar

(vervolgens) op haar bed te leggen en/of haar vast te binden aan het bed en/of

(vervolgens) brand te stichten in (de slaapkamer van) die woning, ten gevolge

waarvan die [slachtoffer] is komen te overlijden;

2.

hij in of omstreeks de nacht van 31 december 2017 op 1 januari 2018 in de

gemeente Buren, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans

alleen, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of

(een) andere feitelijkhe(i)d(en), [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn hand,

althans een of meer vinger(s)/duim en/of zijn, verdachtes, penis in haar vagina en/of anus gebracht/geduwd, en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte die [slachtoffer]

in haar eigen woning meerdere malen, althans eenmaal, al dan niet met een zwaar voorwerp, op/tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen/gestompt en/of haar (vervolgens) op haar bed heeft gelegd en/of haar aan haar bed heeft vastgebonden;

3.

hij in of omstreeks de nacht van 31 december 2017 op 1 januari 2018 in de

gemeente Buren, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (gelegen aan de [adres]

), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk open vuur in aanraking

gebracht met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan (de inboedel van)

die woning geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is

ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor (de inboedel van) die woning, in

elk geval gemeen gevaar goederen en/of levensgevaar voor een of meer

perso(o)n(en) aanwezig in naast/onder gelegen woning(en), in elk geval

levensgevaar voor een ander of anderen, te duchten was en waarbij [slachtoffer] is

komen te overlijden.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1, meer subsidiair:

Doodslag.

Ten aanzien van feit 2:

Verkrachting.

Ten aanzien van feit 3:

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van de feiten 1 meer subsidiair, 2 en 3 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie geëist dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege (hierna: tbs met dwangverpleging) wordt opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen, althans onvoldoende, redenen zijn om tbs met dwangverpleging op te leggen. Er wordt namelijk niet voldaan aan het gevaarscriterium.

Indien de rechtbank wel tot oplegging van tbs met dwangverpleging zou komen, heeft de verdediging aangevoerd dat het van belang is dat verdachte zo spoedig mogelijk met deze behandeling kan beginnen en de gevangenisstraf dient te worden beperkt. De verdediging heeft verzocht aansluiting te zoeken bij de indicatiepunten voor moord en doodslag van het Gerechtshof Den Haag, waarbij als indicatie voor doodslag acht jaren gevangenisstraf is geformuleerd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 7 mei 2019;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 25 oktober 2018;

- een multidisciplinair rapport pro justitia van drs. [naam 1] , psycholoog, gedateerd 14 mei 2018, en van drs. [naam 2] , psychiater, gedateerd 5 juni 2018;

- een multidisciplinair rapport pro justitia van [naam 3] , klinisch psycholoog, gedateerd
2 november 2018, en van [naam 4] , psychiater, gedateerd 30 oktober 2018;

- een rapportage pro justitia van het Pieter Baan Centrum van 6 juni 2019.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft [slachtoffer] in de nacht van 31 december 2017 op 1 januari 2018 dood geslagen om vervolgens brand te stichten in haar appartement. Ook heeft hij haar op gewelddadige wijze verkracht. Doordat verdachte nauwelijks openheid van zaken heeft gegeven, is het de rechtbank niet duidelijk geworden wat er zich die nacht precies heeft afgespeeld in de woning. Wel staat vast dat de situatie op enig moment is geëscaleerd. Verdachte heeft [slachtoffer] meerdere keren met een volle wodkafles tegen haar hoofd geslagen. Ondanks het feit dat zij hierdoor zeer ernstige verwondingen had waaraan zij binnen enkele minuten moet zijn overleden, was het voor verdachte hiermee nog niet klaar. Nadat hij haar had geslagen, heeft hij [slachtoffer] naar haar bed gesleept, waarbij hij een plastic zak om haar hoofd heeft gedaan, kennelijk, zo neemt de rechtbank aan, om sporen te beperken. Hij heeft haar vervolgens op haar buik op bed gelegd en heeft haar met haar arm aan het bed vastgebonden. Ten slotte heeft hij brand gesticht om sporen uit te wissen.

Het opzettelijk benemen van het leven van een ander behoort tot de zwaarste categorie misdrijven die de wet kent. Verdachte heeft [slachtoffer] – een jonge vrouw die nog een heel leven voor zich had – het recht op leven ontnomen. Daarmee heeft hij blijk gegeven van een volstrekt gebrek aan respect voor het meest fundamentele recht van een mens.

Kort voor het overlijden van [slachtoffer] , heeft verdachte haar op gewelddadige wijze verkracht.

Door vervolgens brand te stichten heeft verdachte bovendien de veiligheid van de op dat moment aanwezige bewoners van de overige woningen in het appartementencomplex in gevaar gebracht.

Waar de start van een nieuw jaar een bijzonder en feestelijk moment had moeten zijn, kon het jaar 2018 ook voor de ouders en de broer van [slachtoffer] niet slechter beginnen. Op nieuwjaarsdag kregen zij namelijk het verschrikkelijke nieuws dat hun dochter en zus op vreselijke wijze om het leven was gebracht. Zij werden geconfronteerd met een lichaam dat door de brand was verminkt. Alleen haar gezicht was zichtbaar en zij was voor hen bijna onherkenbaar. Zij hebben vervolgens lange tijd in onzekerheid moeten leven over wat er die nacht met hun dochter en zus was gebeurd. Pas na enkele maanden heeft verdachte hierover enige openheid van zaken gegeven. Veel vragen zullen echter onbeantwoord blijven, doordat verdachte op zijn minst genomen geen volledige openheid van zaken heeft gegeven en zelfs aantoonbaar onjuist en leugenachtig heeft verklaard over bepaalde dingen.

Verdachte heeft met zijn handelen aan de ouders van [slachtoffer] , haar broer en aan verdere naaste familie, vrienden en bekenden onbeschrijfelijk veel en onherstelbaar leed toegebracht.

Daarnaast zijn dergelijke gruwelijke en gewelddadige feiten ook zeer schokkend voor de samenleving in het algemeen en brengen ze gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg.

Gelet op het gewelddadige karakter van de feiten en de onherstelbare gevolgen ervan is de rechtbank van oordeel dat alleen een zeer lange gevangenisstraf op zijn plaats is, zowel uit het oogpunt van vergelding als ter bescherming van de maatschappij. De maximale gevangenisstraf die voor deze feiten tezamen kan worden opgelegd, bedraagt twintig jaar.

Uit de hierna nader te bespreken rapportage van het Pieter Baan Centrum volgt dat de deskundigen niet hebben kunnen vaststellen in welke mate de stoornissen van verdachte van invloed zijn geweest op het plegen van de feiten. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de conclusies in het rapport in ieder geval dat de verkrachting en de doodslag verdachte verminderd kunnen worden toegerekend. In die omstandigheid ziet de rechtbank aanleiding niet de maximale gevangenisstraf op te leggen.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaar passend en geboden.

Tbs met dwangverpleging

De officier van justitie heeft daarnaast geëist dat aan verdachte de maatregel van tbs met dwangverpleging zal worden opgelegd. Hierover overweegt de rechtbank als volgt.

Een verdachte bij wie tijdens het begaan van een feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, kan op last van de rechter ter beschikking worden gesteld indien het door hem begane feit een misdrijf is dat wordt genoemd in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 1º, van het Wetboek van Strafrecht en de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel eist.

De rechtbank stelt vast dat alle bewezenverklaarde feiten misdrijven betreffen waarvoor ingevolge voornoemd artikel oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling mogelijk is.

Uit de rapportage van het Pieter Baan Centrum volgt dat bij verdachte sprake is van een licht verstandelijke ontwikkelingsstoornis, een persoonlijkheidsstoornis met veel antisociale en enige narcistische trekken en een stoornis in het gebruik van cannabis en speed. De deskundigen komen tot de conclusie dat deze stoornissen ook aanwezig waren ten tijde van het plegen van de feiten en dat deze stoornissen hebben doorgewerkt in het plegen van de verkrachting en de doodslag. De mate waarin de stoornissen hebben doorgewerkt kunnen zij, bij het ontbreken van een delictscenario, niet vaststellen. Ten aanzien van de brandstichting kunnen de deskundigen niet vaststellen of de vastgestelde problematiek heeft doorgewerkt.

Uit de rapportage volgt verder dat het risico op gewelddadig gedrag wordt ingeschat als hoog wanneer verdachte onbehandeld zou terugkeren in de maatschappij. De deskundigen adviseren daarom aan verdachte de maatregel van tbs met dwangverpleging op te leggen.

Gelet op het feit dat sprake is van een hoog recidivegevaar als verdachte zonder behandeling zal terugkeren in de maatschappij is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling noodzakelijk maakt.

De rechtbank stelt op basis van hetgeen hiervoor is overwogen vast dat is voldaan aan de vereisten voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling.

Omdat het misdrijven betreft die gericht waren tegen of gevaar hebben veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank de tbs-maatregel niet in duur maximeren.

Conclusie

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van achttien jaar met oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege – zoals geëist door de officier van justitie – passend en geboden is.

7a. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen [nabestaande 1] en [nabestaande 2] (de ouders van [slachtoffer] ) hebben zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de bewezenverklaarde feiten. Zij vorderen de volgende bedragen:

[nabestaande 1]

Reiskosten € 165,70

Immateriële schade (shockschade) € 15.000,00

[nabestaande 2]

Materiële schade (uitvaartkosten) € 10.435,13

Kosten crematie huisdieren € 120,00

Reiskosten € 165,70

Immateriële schade (shockschade) € 15.000,00

De benadeelde partijen hebben verzocht het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente daarover. Ook hebben de benadeelde partijen verzocht om naast de veroordeling van verdachte tot betaling van het voornoemde bedrag de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen [nabestaande 1] en [nabestaande 2] toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële kosten voor wat betreft de uitvaartverzorging, de bloemen, het gedenkteken en de kosten voor de crematie van de huisdieren kunnen worden toegewezen. Ten aanzien van de reiskosten heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat deze kosten door beide benadeelde partijen zijn gevorderd, terwijl aannemelijk is dat zij gezamenlijk naar alle gesprekken en zittingen zijn gegaan. Daarom dient aan beiden de helft van het gevorderde bedrag te worden toegewezen.

Met betrekking tot de door [nabestaande 1] gevorderde immateriële schade heeft de verdediging aangevoerd dat niet betwist wordt dat sprake is van shockschade en psychisch letsel. De verdediging heeft zich ten aanzien van de hoogte van de schade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Met betrekking tot de door [nabestaande 2] gevorderde immateriële schade heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering. Hiertoe is aangevoerd dat, hoewel begrijpelijk en goed voorstelbaar is dat het verlies van zijn dochter veel leed en verdriet teweeg heeft gebracht, dit nog niet betekent dat sprake is van aantasting van de persoon en geestelijk letsel als bedoeld in artikel 6:106 BW. Het psychisch letsel is, anders dan bij [nabestaande 1] , niet nader onderbouwd door stukken, zodat de schade niet voldoet aan de in de wet en jurisprudentie gestelde eisen voor toekenning van immateriële schade en shockschade.

Beoordeling door de rechtbank

Kosten voor de uitvaart

Door de benadeelde partij [nabestaande 2] is een bedrag van € 10.435,13 aan materiële schadevergoeding gevorderd, bestaande uit de kosten voor de uitvaartverzorging, bloemen en een gedenkteken. De benadeelde partij is een nabestaande van het slachtoffer en op grond van artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan degene die de kosten voor de lijkbezorging heeft gedragen, deze kosten vorderen van de aansprakelijke persoon.

De gevorderde schadevergoeding met betrekking tot deze kosten is niet betwist en bovendien is de vordering onderbouwd door middel van facturen. Het gevraagde bedrag van € 10.435,13 zal worden toegewezen.

Kosten crematie huisdieren

Door de benadeelde partij [nabestaande 2] is een bedrag van € 120,00 gevorderd, bestaande uit de kosten voor de crematie van de huisdieren van zijn dochter die als gevolg van de brand waren overleden. De kosten die [slachtoffer] , als zij die zelf had gemaakt, van de aansprakelijke had kunnen vorderen, komen op grond van artikel 6:107, eerste lid, BW voor vergoeding in aanmerking als zijnde verplaatste schade.

De gevorderde schadevergoeding is niet betwist en bovendien is de vordering onderbouwd door middel van een betaalbewijs.

Reiskosten

De benadeelde partijen [nabestaande 1] en [nabestaande 2] hebben ieder een bedrag van € 165,70 gevorderd wegens gemaakte reiskosten naar de zittingen en gesprekken met de officier van justitie.

De rechtbank overweegt dat naar vaste jurisprudentie reiskosten naar de zittingen niet kunnen worden aangemerkt als rechtstreeks door de strafbare feiten veroorzaakte schade, zodat deze kosten niet kunnen worden toegewezen als materiële schade. Nu de benadeelde partijen niet zelf hebben geprocedeerd, maar zich hebben laten bijstaan door een gemachtigde, zijn deze reiskosten ook niet als proceskosten toewijsbaar. De rechtbank zal de vorderingen op dit punt afwijzen.

De rechtbank overweegt dat reiskosten naar de gesprekken met de officier van justitie wel kunnen worden aangemerkt als rechtstreeks door de strafbare feiten veroorzaakte schade. Nu de gevorderde kosten de rechtbank ook niet onredelijk voorkomen, acht de rechtbank deze kosten à (3 x € 16,57 =) € 49,71 toewijsbaar. De rechtbank overweegt dat de reiskosten door zowel [nabestaande 1] als door [nabestaande 2] zijn opgevoerd. Nu het aannemelijk is dat zij gezamenlijk naar de gesprekken met de officier van justitie zijn gereisd, zal de rechtbank aan ieder de helft van dit bedrag toewijzen en de vorderingen voor het overige afwijzen.

Shockschade

De benadeelde partijen [nabestaande 1] en [nabestaande 2] hebben ieder een bedrag van € 15.000,- aan (immateriële) shockschade gevorderd.

De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie vergoeding van shockschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door het waarnemen van het tenlastegelegde, of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het tenlastegelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

In de onderhavige zaak staat niet ter discussie dat de benadeelde partijen een nauwe en affectieve relatie hadden met hun dochter.

Enkele dagen nadat [slachtoffer] door verdachte om het leven was gebracht, werden zij geconfronteerd met hun overleden dochter. Zij mochten haar lichaam niet zien en alleen haar ogen, neus en mond waren zichtbaar. Door de zwelling en de make-up die door een specialistisch team was aangebracht, was haar gezicht bijna onherkenbaar.

Gelet op de zeer ernstige normschending waarvan in dit geval sprake is, is de rechtbank van oordeel dat aan de eisen van rechtstreeksheid van de confrontatie met de gevolgen van de feiten minder hoge eisen dienen te worden gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank wordt in dit geval aan deze eisen voldaan. Dat hetgeen waarmee de benadeelde partijen zijn geconfronteerd een hevige schok teweeg heeft gebracht, staat naar het oordeel van de rechtbank niet ter discussie en dit is door de verdediging evenmin betwist.

De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is of als gevolg van deze emotionele schok geestelijk letsel is ontstaan. Hierover overweegt de rechtbank als volgt.

Dat bij moeder [nabestaande 1] sprake is van geestelijk letsel als gevolg van de emotionele schok volgt uit de toelichting en onderbouwing van de gevorderde immateriële schade door een behandelend psycholoog. Hieruit volgt namelijk dat bij haar sprake is van een depressieve stoornis en PTSS en dat cognitieve gedragstherapie en (na de zitting van 25 juni 2019) EMDR-therapie zal worden ingezet.

Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook vast komen te staan dat [nabestaande 1] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks immateriële schade in de vorm van shockschade heeft geleden. Alle omstandigheden in aanmerking genomen en met name gelet op de ernst van het verwijt en de ernst van het aangedane leed, begroot de rechtbank de shockschade naar billijkheid op het gevraagde bedrag.

Ook vader [nabestaande 2] heeft gesteld dat er bij hem sprake is van aantasting in zijn persoon.

[nabestaande 2] heeft het inschakelen van hulpverlening echter uitgesteld tot na de gerechtelijke procedure. Dat er bij [nabestaande 2] sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld is op dit moment nog op geen enkele wijze onderbouwd en de rechtbank kan het bestaan van geestelijk letsel dan ook niet naar objectieve maatstaven vaststellen.

Anders dan de raadsvrouw van de benadeelde partijen meent, volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 15 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:376) niet dat in een geval als het onderhavige shockschade kan worden toegekend zonder dat enige onderbouwing is geleverd ten aanzien van het bestaan van geestelijk letsel.

Het bieden van gelegenheid tot het leveren van een nadere onderbouwing op dit punt zou een onevenredige belasting vormen voor het strafproces. Gelet daarop zal [nabestaande 2] niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van zijn vordering. De benadeelde partij kan derhalve zijn vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Conclusie

Aan [nabestaande 1] wordt een bedrag van € 15.024,86 toegewezen.

Aan [nabestaande 2] wordt een bedrag van € 10.579,98 toegewezen.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de toegewezen bedragen vermeerderen met de wettelijke rente, zoals door de benadeelde partijen is verzocht.

Wat betreft de materiële schade die is toegewezen, zal de rechtbank de wettelijke rente toewijzen

  • -

    voor zover die ziet op de kosten voor de uitvaartverzorging, bloemen en een gedenkteken met ingang van 14 mei 2018, zijnde een datum gelegen in het midden tussen de verschillende betaaldata;

  • -

    voor zover die ziet op de kosten voor de crematie van de huisdieren met ingang van
    5 januari 2018;

  • -

    voor zover die ziet op de reiskosten met ingang van 19 november 2018, te weten een datum gelegen tussen de verschillende reisdata.

Voor zover het gaat om het aan [nabestaande 1] toegewezen bedrag terzake de immateriële schade zal de rechtbank de wettelijke rente toewijzen met ingang van 4 januari 2018, zijnde de dag waarop het lichaam van [slachtoffer] blijkens het dossier werd vrijgegeven.

Schadevergoedingsmaatregel

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partijen telkens de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

De rechtbank ziet aanleiding om, ondanks de hoogte van de toegewezen bedragen, aan het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel, telkens slechts één dag vervangende hechtenis te verbinden. Het is immers de vraag of verdachte in de toekomst in staat zal zijn om aan zijn betalingsverplichtingen te kunnen voldoen, gelet op de omstandigheid dat aan verdachte een langdurige gevangenisstraf, almede de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege wordt opgelegd.

8. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 37a, 37b, 57, 157, 242 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van de onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten;

 verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 meer subsidiair en onder de feiten 2 en 3 tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaren;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [nabestaande 1]

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [nabestaande 1], van een bedrag van € 15.024,86 (vijftienduizend vierentwintig euro en zesentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 15.000,00 vanaf 4 januari 2018 en over een bedrag van € 24,86 vanaf 19 november 2018 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

wijst af de vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 140,84, ingediend door de benadeelde partij [nabestaande 1];

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [nabestaande 1] , een bedrag te betalen van € 15.024,86 (vijftienduizend vierentwintig euro en zesentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 15.000,00 vanaf 4 januari 2018 en over een bedrag van € 24,86 vanaf 19 november 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 1 (één) dag hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [nabestaande 2]

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [nabestaande 2], van een bedrag van € 10.579,98 (tienduizend vijfhonderdnegenenzeventig euro en achtennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 10.435,13 vanaf 14 mei 2018, over een bedrag van € 120,00 vanaf 5 januari 2018 en over een bedrag van € 24,85 vanaf 19 november 2018 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

wijst af de vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 140,85, ingediend door de benadeelde partij [nabestaande 2];

 verklaart de benadeelde partij [nabestaande 2] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [nabestaande 2] , een bedrag te betalen van € 10.579,98 (tienduizend vijfhonderdnegenenzeventig euro en achtennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 10.435,13 vanaf 14 mei 2018, over een bedrag van € 120,00 vanaf 5 januari 2018 en over een bedrag van € 24,85 vanaf 19 november 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 1 (één) dag hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.D. Jacobs (voorzitter), mr. K.A.M. van Hoof en mr. Y.H.M. Marijs, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.I. Warringa en C. van Dam, MSc, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 juli 2019.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost- Nederland, Team Grootschalige Optreden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2018001208, onderzoek ONRAB17020 (TGO Ivoorkust), gesloten op 7 juni 2018, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 NFI-rapport brandtechnisch onderzoek, p. 134-159.

3 NFI-rapport, p. 2474-2475.

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 2215, 2217-2218.

5 Sectierapport, p. 2789.

6 Verklaring van patholoog prof. dr. [naam 5] , afgelegd ter terechtzitting van 6 november 2018.

7 NFI-rapport, p. 2797-2800.

8 NFI-rapport, p. 2802-2806.

9 Sectierapport, p. 2789.

10 Verklaring van patholoog prof. dr. [naam 5] , afgelegd ter terechtzitting van 6 november 2018.

11 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 6 november 2018.

12 Verklaring van patholoog prof. dr. [naam 5] , afgelegd ter terechtzitting van 6 november 2018.

13 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 6 november 2018.

14 Aanvullend proces-verbaal van 20 september 2018 opgemaakt door ing. [naam 6] .

15 Verklaring van patholoog prof. dr. [naam 5] , afgelegd ter terechtzitting van 6 november 2018.

16 NFI-rapport, p. 159.

17 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 94-95.

18 Proces-verbaal van bevindingen, onderzoek loggegevens, p. 1212.

19 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 2131.

20 Proces-verbaal van sporenonderzoek, p. 2359, 2363-2364; NFI-rapport, verkorte rapportage over onderzoek naar ontbrandbare vloeistoffen, naar aanleiding van een brand in Buren op 1 januari 2018, van 14 september 2018.