Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:3381

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-07-2019
Datum publicatie
25-07-2019
Zaaknummer
05/840327-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een 53-jarig inwoner van Zevenaar veroordeeld voor bedreiging van zijn ex-vrouw en voor vuurwapenbezit. De man kreeg een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van 90 dagen, en een taakstraf van 100 uur opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/840327-18

Datum uitspraak : 11 juli 2019

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
wonende aan het [woonplaats] .

raadsman: mr. D.C. Vlielander, advocaat te Utrecht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 juni 2019.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 25 april 2018, althans in de maand april 2018, in de gemeente Zevenaar,

een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk Browning, kaliber 7.65), en/of munitie van categorie III, te weten zes, althans een of meer,

patronen (van het kaliber 7.65 mm.), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd; (pkn. 05.840327.18)

2.

hij op of omstreeks 11 april 2018, in de gemeente Zevenaar, een persoon,

genaamd [slachtoffer] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] opzettelijk dreigend de woorden toe te voegen "Vieze hoer, ik maak je af",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of door opzettelijk dreigend met zijn hand een zgn. "snijbeweging" langs zijn

keel te maken ten overstaan van genoemde [slachtoffer] ;

(pkn. 05.840327.18)

3.

hij op of omstreeks 24 april 2018, in de gemeente Zevenaar,

een persoon, genaamd [slachtoffer] ,

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "Ik vermoord je" en/of "Ik snij je in stukken",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

door een dochter van genoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen:

"Ik ga je moeder in stukken snijden voor je ogen",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,

welke voornoemde bedreiging ter kennis is gekomen van genoemde [slachtoffer] ;

(pkn. 05.840327.18)

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de drie tenlastegelegde feiten. Daartoe heeft zij met betrekking tot feit 1 gewezen op de bekennende verklaring van verdachte en op het proces-verbaal van bevindingen van de in de snackbar van verdachte uitgevoerde zoeking. Ten aanzien van de als feit 2 tenlastegelegde bedreiging op 11 april 2018 heeft de officier van justitie gewezen op de aangifte en op de verklaring van [getuige 1] . Met betrekking tot feit 3 heeft de officier van justitie gewezen op de aangifte en op de door [getuige 2] bij de politie afgelegde verklaring. De officier van justitie heeft aangegeven de door [getuige 2] ter terechtzitting afgelegde verklaring, waarbij ze haar bij de politie afgelegde verklaring gedeeltelijk heeft ingetrokken, ongeloofwaardig te vinden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging vrijspraak bepleit. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van [getuige 1] (verder: [getuige 1] ) en [getuige 3] (verder: [getuige 3] ) niet als bewijsmiddel mogen worden gebruikt. In dat kader heeft de raadsman er op gewezen dat deze verklaringen telefonisch zijn opgenomen en niet door [getuige 1] en [getuige 3] zijn ondertekend, dat [getuige 1] en [getuige 3] de Turkse taal niet beheersen zodat zij de woordenwisseling niet hebben kunnen verstaan en dat zij in dienstbetrekking werkzaam zijn bij aangeefster [slachtoffer] en daardoor niet onafhankelijk kunnen verklaren.

Ook ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaring van [getuige 4] (verder: [getuige 4] ) niet als bewijsmiddel mag worden gebruikt, omdat haar verhoor niet is afgenomen met behulp van een geregistreerde tolk. De raadsman heeft verder gewezen op de ter terechtzitting door [getuige 2] afgelegde verklaring, dat haar bij de politie afgelegde verklaring onjuistheden bevat.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

Ten aanzien van het eerste tenlastegelegde feit is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en wordt daarom volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 41-42;

- het proces-verbaal onderzoek wapen, p. 66-67;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 juni 2019.

Ten aanzien van feit 2

Aangeefster [slachtoffer] (hierna: aangeefster) heeft verklaard dat zij op 11 april 2018 in haar cafetaria in Zevenaar was. Ze werd gebeld door verdachte, die meteen begon met schelden en zei “vieze vuile hoer”. Aangeefster hoorde dat verdachte heel boos was. Ongeveer drie kwartier later kwam verdachte de cafetaria binnen. Hij liep snel en dreigend op aangeefster af, en riep dingen als “vieze hoer” en “ik maak je af”. Aangeefster was erg bang, is naar de andere kant van de balie gerend en vervolgens naar buiten naar de naastgelegen zaak van haar broer.2

Van de telefonisch afgelegde verklaringen door [getuige 1] en [getuige 3] zijn op 25 april 2018 door verbalisant [naam 1] en op 26 april 2018 door verbalisant [naam 2] processen-verbaal opgemaakt. Zij hebben daarin opgeschreven wat zij [getuige 1] en [getuige 3] hebben horen verklaren. Deze verslagen zijn door genoemde verbalisanten op ambtseed vastgelegd. De rechtbank ziet daarom geen reden tot uitsluiting van het bewijs van die processen-verbaal en heeft evenmin twijfel over de betrouwbaarheid van die verslaglegging. Met andere woorden: er moet worden uitgegaan van een adequate weergave van wat [getuige 1] en [getuige 3] hebben verteld.

[getuige 1] heeft op 25 april 2018 verklaard dat zij twee weken geleden, in de Kwalitaria van aangeefster was toen verdachte opeens binnen kwam. Hij begon tegen aangeefster in het Turks te schreeuwen en hij maakte een beweging met zijn hand langs zijn keel waarmee mensen bedoelen dat ze een keel door willen snijden.3

[getuige 3] heeft verklaard dat ze op 11 april 2018 aan het werk was in de cafetaria van aangeefster, toen de ex-man van aangeefster binnen kwam stormen. Hij was aan het schelden en vloeken in het Turks. Hij was duidelijk in de richting van aangeefster aan het schreeuwen en liep ook op haar af.4

Voor zover de raadsman met het door hem vermelde taalaspect en dienstverband heeft bedoeld dat de verklaringen inhoudelijk onvoldoende betrouwbaar zijn overweegt de rechtbank het volgende. Het bestaan van een dienstverband tussen [getuige 1] en [getuige 3] enerzijds en aangeefster anderzijds, maakt op zichzelf nog niet dat de verklaringen onbetrouwbaar zijn. Verdere aanwijzingen om aan de betrouwbaarheid van die verklaringen te twijfelen, ontbreken. Ook de omstandigheid dat [getuige 1] en [getuige 3] niet konden verstaan wat verdachte in het Turks zei maakt de verklaringen niet onbetrouwbaar. De verklaringen betreffen immers vooral een beschrijving van de gebeurtenissen in de cafetaria en niet zo zeer de letterlijke inhoud van wat verdachte zou hebben gezegd.

Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte op 11 april 2018 de cafetaria van aangeefster is binnengegaan en is de rechtbank van oordeel dat verdachte toen snel en dreigend op aangeefster is afgelopen en tegen haar in het Turks heeft gescholden en geschreeuwd “vieze hoer” en “ik maak je af”. [getuige 1] en [getuige 3] hebben weliswaar niet verstaan wat verdachte zei, maar hun verklaringen bevestigen de door aangeefster beschreven dreigende situatie, doordat verdachte plotseling binnen kwam rennen, begon te schreeuwen in de richting van aangeefster en snel op haar afliep. Ook is de rechtbank van oordeel dat verdachte tegenover aangeefster met zijn hand een snijbeweging langs zijn keel heeft gemaakt. De verklaring van [getuige 1] hierover vindt steun in de door aangeefster en [getuige 3] beschreven dreigende sfeer, waar de snijbeweging naar haar aard in past. Door het optreden van verdachte was aangeefster erg bang. Zij is in de cafetaria weggelopen voor verdachte en is vervolgens naar buiten gerend. Met zijn handelen heeft verdachte aangeefster bedreigd. De rechtbank acht de bedreiging van dien aard en onder zodanige omstandigheden dat bij aangeefster in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij zou worden gedood of dat zij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.

Gelet op de aangifte, de verklaring van [getuige 1] en de verklaring van [getuige 3] , acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde bedreiging.

Ten aanzien van feit 3

Aangeefster heeft verklaard dat zij op 24 april 2018 in haar cafetaria in Zevenaar was. Ze werd gebeld door verdachte die zei dat aangeefster op moest rotten uit Zevenaar en dat hij haar anders ging vermoorden, en dat hij naar haar toe zou komen. Korte tijd later belde verdachte weer en zei hij dat hij voor de deur stond. Verdachte belde vervolgens nog een keer, en aangeefster hoorde dat hij toen tegen hun dochter zei “ik ga je moeder in stukken snijden voor je ogen”.5 Aangeefster verklaarde bang te zijn dat verdachte naar haar woning zal komen om zowel haar als haar nieuwe vriend te doden.6

[getuige 2] (de dochter van verdachte en aangeefster) verklaarde op 24 april 2018 bij de politie dat ze op die dag in de cafetaria van aangeefster zag dat verdachte belde naar de telefoon van aangeefster. Ze nam de telefoon op en hoorde verdachte zeggen “Ik kom eraan en van wie is die Duitse auto. Als zij lef heeft doet zij de deur open. Ik ga haar in stukjes snijden, ik doe dit ook gewoon voor jouw ogen.”7

Ter terechtzitting heeft [getuige 2] als getuige verklaard over diezelfde gebeurtenis. Zij heeft toen samengevat verklaard dat haar eerder bij de politie afgelegde verklaring onjuistheden bevat omdat ze destijds overstuur was en omdat ze de woorden van haar vader onjuist zou hebben vertaald. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Wat opvalt is het relatief grote tijdsverloop tussen haar verklaring bij de politie – afgelegd kort na het incident en op dezelfde dag – en de verklaring ter terechtzitting. Haar bij de politie afgelegde verklaring is erg duidelijk voor wat betreft haar waarneming. Haar stelling achteraf dat vanwege een taalbarrière tussen haar en haar vader en/of vanwege spelende emoties haar eerdere verklaring niet juist is en zij hem verkeerd moet hebben verstaan, overtuigt geenszins. Veel eerder lijkt hier – mede gelet op haar nog jong volwassen leeftijd – sprake van een mogelijk bij getuige (onbewust) spelend loyaliteitsconflict met betrekking tot verdachte (haar vader) en aangeefster (haar moeder).

Aldus ziet de rechtbank in de verklaring ter terechtzitting geen aanleiding om haar eerdere verklaring buiten beschouwing te laten. Met betrekking tot punten waarover de twee verklaringen tegenstrijdig met elkaar zijn zal de rechtbank daarom uitgaan van de bij de politie afgelegde verklaring.

[getuige 4] heeft verklaard dat ze op 24 april 2018 in de snackbar van aangeefster was toen aangeefster werd gebeld door verdachte. In het ambtsedig opgemaakte proces-verbaal van de verklaring van [getuige 4] is vermeld dat deze getuige zichzelf niet in staat achtte om in de Nederlandse taal te communiceren. Toch communiceerde de verbalisant met haar in het Nederlands, omdat er een bekende aanwezig was die de Turkse en de Nederlandse taal voldoende beheerst.

[getuige 4] heeft volgens het verslag verklaard dat zij hoorde dat verdachte tegen aangeefster zei dat zij uit Zevenaar weg moest gaan en dat hij haar ging vermoorden en in stukken snijden. Toen verdachte daarna opnieuw belde en met zijn dochter sprak, hoorde [getuige 4] verdachte tegen zijn dochter zeggen dat hij haar moeder in stukken ging snijden.8 De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan de juistheid van deze verslaglegging van haar verklaring, te minder omdat haar verklaring op belangrijke onderdelen overeenkomt met de inhoud van de verklaringen van aangeefster zelf en van [getuige 2] . De hierover gevoerde verweren worden daarom gepasseerd.

Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte op 24 april 2018 aangeefster heeft gebeld en daarbij heeft gezegd dat zij weg moest gaan uit Zevenaar en dat hij haar anders ging vermoorden, en dat hij naar haar toe zou komen. Toen verdachte nogmaals belde nam [getuige 2] op, en hoorde zowel zij als aangeefster en [getuige 4] dat verdachte zei dat hij aangeefster in stukken zou snijden. Tegen de achtergrond van de gespannen relatie tussen aangeefster en verdachte en tegen de achtergrond van de bedreiging door verdachte kort daarvoor op 11 april 2018, heeft verdachte met zijn handelen aangeefster bedreigd. De rechtbank acht de bedreiging van dien aard en onder zodanige omstandigheden dat bij aangeefster in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij zou worden gedood of dat zij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.

Gelet op de aangifte, de verklaring van [getuige 4] en de verklaring van [getuige 2] , acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde bedreiging.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 25 april 2018, althans in de maand april 2018, in de gemeente Zevenaar,

een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk Browning, kaliber 7.65), en/of munitie van categorie III, te weten zes, althans een of meer,

patronen (van het kaliber 7.65 mm.), voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

2.

hij op of omstreeks 11 april 2018, in de gemeente Zevenaar, een persoon,

genaamd [slachtoffer] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door die [slachtoffer] opzettelijk dreigend de woorden toe te voegen "Vieze hoer, ik maak je af",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,

en/of door opzettelijk dreigend met zijn hand een zgn. "snijbeweging" langs zijn

keel te maken ten overstaan van genoemde [slachtoffer] ;

3.

hij op of omstreeks 24 april 2018, in de gemeente Zevenaar,

een persoon, genaamd [slachtoffer] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "Ik vermoord je" en/of "Ik snij je in stukken",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

door een dochter van genoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen:

"Ik ga je moeder in stukken snijden voor je ogen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, welke voornoemde bedreiging ter kennis is gekomen

van genoemde [slachtoffer] ;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

“Handelen in strijd met artikel 26 eerste lid van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55 derde lid onder a van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd”

Ten aanzien van feit 2 en feit 3 telkens:

“Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van de drie tenlastegelegde feiten zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren, en tot een taakstraf voor de duur van 100 uur met aftrek. De officier van justitie heeft geen contact- of locatieverbod geëist.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht er rekening mee te houden dat verdachte het wapen puur vanwege de afschrikkende werking heeft gekocht nadat hij een aantal keren in zijn cafetaria was beroofd. Voor het geval van een veroordeling van verdachte voor de feiten 2 en 3 heeft de raadsman verzocht rekening te houden met het tijdsverloop, met het ontbreken van vergelijkbare feiten op het strafblad van verdachte, en met het feit dat verdachte sinds de datum van het laatste feit geen contact meer heeft gehad met aangeefster. De raadsman heeft bepleit aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van de tijd die hij in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Subsidiair heeft de raadsman bepleit aan verdachte een taakstraf op te leggen voor de duur van 40 uur.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en met de omstandigheden waaronder dit is begaan. Ook is rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie van verdachte, gedateerd 24 mei 2019;

- een reclasseringsadvies van 25 september 2018;

- een psychologisch rapport van [naam 3] , GZ-psycholoog, gedateerd 24 augustus 2018.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vuurwapenbezit en twee keer aan bedreiging van zijn ex-echtgenote. Het voorhanden hebben van een vuurwapen is verboden en erg gevaarzettend. Het argument dat het vuurwapen slechts ter afschrikking zou dienen, doet daar niets aan af. De bedreigingen van de ex-echtgenote vonden plaats terwijl zij aan het werk was in haar cafetaria. Op 11 april 2018 heeft verdachte haar daar opgezocht, is dreigend op haar afgelopen en heeft hij tegen haar geschreeuwd en met zijn hand een snijbeweging langs zijn keel gemaakt. Op 24 april 2018 heeft verdachte zijn ex-echtgenote telefonisch bedreigd door te zeggen dat hij naar haar toe zou komen, haar zou vermoorden en haar in stukken zou snijden. De hele situatie heeft het slachtoffer grote angst aangejaagd. De eerste keer is zij haar eigen cafetaria uit gevlucht en de tweede keer heeft zij de politie gebeld. Verdachte heeft met zijn handelen het slachtoffer ernstig onder druk gezet. Slachtoffers van bedreiging hebben vaak nog lang last van gevoelens van angst en onveiligheid.

Uit het rapport van de psycholoog volgt dat bij verdachte geen sprake is van een persoonlijkheidsstoornis. De reclassering heeft door de grotendeels ontkennende houding van verdachte beperkt verband kunnen leggen tussen de tenlastegelegde feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Zij ziet geen aanknopingspunten voor het adviseren van bijzondere voorwaarden omtrent slachtofferbescherming, en adviseert de zaak zonder reclasseringsbemoeienis af te doen.

De rechtbank houdt er bij de strafoplegging rekening mee dat het strafblad van verdachte geen vergelijkbare feiten vermeldt.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, waarvan 76 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. Daarnaast legt de rechtbank aan verdachte een taakstraf van 100 uur op. Gezien de landelijke oriëntatiepunten en de ernst van de bedreigingen komt de rechtbank tot een hogere straf dan door de officier van justitie is geëist.

7a. In beslag genomen voorwerpen

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen voorwerpen dienen te worden onttrokken aan het verkeer. De verdediging heeft zich ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overweegt dat uit het dossier blijkt dat de in beslag genomen sabel aan verdachte is teruggegeven, en dat verdachte afstand heeft gedaan van de overige in beslag genomen voorwerpen. Een beslissing van de rechtbank over de in beslag genomen voorwerpen is daarom niet meer nodig.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 285 van het Wetboek van Strafrecht, en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen;

 bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 76 (zesenzeventig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

 dat de veroordeelde zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht geheel in mindering wordt gebracht;

 een taakstraf gedurende 100 (honderd) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.F. Schuver (voorzitter), mr. C.J.M. van Apeldoorn en
mr. P.J.C. Cremers, rechters, in tegenwoordigheid van L.J.M. Visser, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 juli 2019.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [naam 4] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2018180425, gesloten op 3 mei 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 22-23.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 37.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 39.

5 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 25-26.

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 27.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 29.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 33.