Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:3354

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-07-2019
Datum publicatie
24-07-2019
Zaaknummer
C/05/356177/ KZ ZA 19-141
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Het boek ‘De Holleeders. Familiedans om een criminele erfenis’ hoeft niet uit de verkoop gehaald te worden. Dat bepaalt de kortgedingrechter. Volgens een voormalige vriendin van Willem Holleder en haar toenmalige echtgenoot staan er passages in het boek die voor hen kwetsend en onwaar zijn. De kortgedingrechter gaat hier niet in mee.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/356177 / KZ ZA 19-141

Vonnis in kort geding van 24 juli 2019

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats],

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. W.W.H. Timmermans te Arnhem,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JUST PUBLISHERS B.V.,

gevestigd te Hilversum,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. M.Ch. Kaaks te Amsterdam.

Eisers worden hierna afzonderlijk [eiser sub 1] en [eiser sub 2] genoemd en gezamenlijk aangeduid met [eisende partij] (in vrouwelijk enkelvoud).

Gedaagden worden hierna afzonderlijk Just Publishers B.V., [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] genoemd en gezamenlijk aangeduid met Just Publishers c.s. (in vrouwelijk enkelvoud).

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [eisende partij]

  • -

    de pleitnota van Just Publishers c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] zijn gehuwd geweest. Tegen het einde van dit huwelijk heeft [eiser sub 1] een affectieve relatie met Willem Holleeder gekregen.

2.2.

[gedaagde sub 2] is schrijver van het boek met de titel ‘De Holleeders’ en ondertitel ‘familiedans om een criminele erfenis’ (hierna: het boek). Het boek is in april 2019 uitgegeven door Just Publishers B.V. [gedaagde sub 3] is indirect bestuurder en aandeelhouder van Just Publishers.

2.3.

[eisende partij] komt voor in het boek, met name in hoofdstuk 24 met de titel: Schijthoer. In het boek worden de roep- en achternaam van [eiser sub 1] en haar Amsterdamse woonadres uit de tijd dat zij een affectieve relatie had met Holleeder genoemd. Ook wordt haar huidige woonplaats München vermeld, alsmede dat zij met [eiser sub 2] een dochter heeft. [eisende partij] heeft daarvoor geen toestemming verleend.

2.4.

De advocaat van [eisende partij] heeft Just Publishers c.s. op 7 juni 2019 schriftelijk gesommeerd om uiterlijk op 19 juni 2019 schriftelijk te bevestigen dat zij onder meer het drukken en verspreiden van het boek met de door [eisende partij] aangegeven passages, titel(s) en persoonsgegevens van [eiser sub 1] zullen staken/gestaakt zullen houden en dat zij dat verzoek ook zullen doen aan hun afnemers, alsmede dat zij ervoor zullen zorgen dat alle aan de boekhandel uitgeleverde en niet aan klanten verkochte/geleverde exemplaren terug worden gehaald en dat zij daarbij een rectificatie op een duidelijke zichtbare plaats op een betreffende website zal plaatsen.

2.5.

Just Publishers c.s. heeft geen gevolg gegeven aan de sommatie.

3 Het geschil

3.1.

[eisende partij] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad Just Publishers c.s.:

1. zal bevelen om het drukken en verspreiden van het boek met daarin de in de dagvaarding genoemde passages, titel(s) en persoonsgegevens van [eisende partij] te staken en gestaakt te houden, onder meer door hiertoe een schriftelijk verzoek te laten doen aan al haar afnemers, waaronder ook het Centrale Boekhuis, alsmede internet boekhandels als Bol.com en Amazone.com, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per dag, met een maximum van € 200.000,00,

2. zal bevelen om ervoor te zorgen dat zij binnen 48 uur na de betekening van het in deze te wijzen vonnis alle aan de boekhandel uitgeleverde en door de boekhandel op voornoemde datum te 9:00 uur niet aan klanten geleverde exemplaren terug zal halen onder overlegging van schriftelijk bewijs daarvan, dat laatste binnen één maand na voornoemde termijn, waarbij onder boekhandel ook wordt begrepen het Centrale Boekhuis, alsmede internet boekhandels als Bol.com en Amazone.com, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per dag met een maximum van € 200.000,00,

3. zal bevelen om ervoor zorg te dragen dat zij binnen 48 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis de rectificaties genoemd onder de randnummers 1.14 en 1.16 van de dagvaarding, althans een door de rechter in kort geding te formuleren rectificatie minimaal zes maanden op een duidelijke zichtbare plaats op hun websites:

http://justpublishers.nl/boeken/de-holleeders-familiedans-om-een-criminele-erfenis- [gedaagde sub 2] / en

https://www.misdaadjournalist.nl/

plaatsen, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per dag met een maximum van € 200.000,00,

4. hoofdelijk zal veroordelen, des dat de één betalende, de ander zal zijn gekweten tot betaling aan [eiser sub 1] van een bedrag van € 10.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van publicatie van het boek (1 april 2019) tot de dag der algehele voldoening, als voorschot op de immateriële schadevergoeding,

5. hoofdelijk zal veroordelen, des dat de één betalende, de ander zal zijn gekweten tot betaling aan [eiser sub 2] van een bedrag van € 10.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van publicatie van het boek (1 april 2019) tot de dag der algehele voldoening, als voorschot op de immateriële schadevergoeding,

alsmede Just Publishers c.s. zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na het in deze te wijzen vonnis.

3.2.

[eisende partij] legt tegen de achtergrond van voormelde feiten aan haar vordering ten grondslag dat een deel van de passages uit het boek, de titel van hoofdstuk 24 genaamd Schijthoer en het weergeven van de volledige persoonsgegevens van [eiser sub 1] in het boek onrechtmatig zijn jegens [eisende partij] De passages in het boek en voormelde titel zijn onjuist, stelselmatig op wezenlijke punten onvolledig weergegeven, misleidend en onnodig grievend en hebben een stroom aan publiciteit teweeg gebracht die afbreuk heeft gedaan aan de reputatie van [eisende partij] en die haar schade heeft berokkend. [eisende partij] heeft er belang bij dat de onrechtmatige publicatie ex artikel 6:167 BW wordt gerectificeerd. Het is aannemelijk geworden dat [eisende partij] door de publicatie van het boek in haar persoonlijke levenssfeer is aangetast en dat zij daardoor reputatieschade heeft geleden. Gezien de ernst van deze aantasting is voorshands voldoende aannemelijk dat Just Publishers c.s. in een bodemprocedure op grond van artikel 6:106 lid 1 sub c BW zal worden veroordeeld en dat betaling van een bedrag van minimaal € 10.000,00 wegens immateriële schadevergoeding aan zowel [eiser sub 1] als [eiser sub 2] redelijk is.

3.3.

Just Publishers c.s. voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Omdat [eisende partij] haar woonplaats in Duitsland heeft, zal allereerst ambtshalve worden beoordeeld of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht op het voorliggende geschil van toepassing is. Just Publishers c.s. heeft haar woonplaats in Nederland. Omdat Nederland en Duitsland lidstaten zijn van de Europese Unie, is de EEX Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van toepassing. Op grond van de hoofdregel van artikel 4 van deze verordening wordt de gedaagde partij in beginsel opgeroepen voor een gerecht van de lidstaat waarin hij of zij woont. Een grondslag voor afwijking van deze hoofdregel is niet gesteld of gebleken. Dat betekent dat de Nederlandse rechter in dit geval rechtsmacht heeft. Niet gesteld of gebleken is dat partijen een rechtskeuze hebben gedaan. Er is sprake van een vordering uit onrechtmatige daad. Op grond van artikel 4 lid 1 van de Verordening (EG) nr. 864/2007 (Rome II) is in dat geval de hoofdregel dat het recht van toepassing is van de staat op het grondgebied waarvan de gestelde schade zich voordoet. De schade heeft zich volgens de stellingen van [eisende partij] voorgedaan in Nederland, zodat op onderhavig geschil Nederlands recht van toepassing is.

4.2.

Het gaat in deze zaak om een botsing van twee fundamentele rechten, namelijk aan de zijde van Just Publishers c.s. het recht op vrijheid van meningsuiting en aan de zijde van [eisende partij] haar recht op eer en goede naam en op eerbiediging van haar persoonlijke levenssfeer. Toewijzing van de vordering van [eisende partij] heeft tot gevolg dat het recht op de vrijheid van meningsuiting wordt beperkt. Dit is op grond van artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) slechts toegestaan indien deze beperking bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving ter bescherming van de in artikel 10 lid 2 EVRM genoemde belangen, waaronder de bescherming van rechten en vrijheden van anderen. Van een beperking die bij wet is voorzien is sprake wanneer de uitlatingen in het boek onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 BW.

4.3.

Bij de beantwoording van de vraag of een publicatie onrechtmatig is, staan in beginsel twee, ieder voor zich hoogwaardige maatschappelijke belangen tegenover elkaar. Aan de ene kant het belang van [eisende partij] dat zij niet lichtvaardig door publicaties wordt blootgesteld aan voor haar ongewenste publiciteit. Aan de andere kant het belang van Just Publishers c.s. dat zij zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moet kunnen uitlaten over kwesties van algemeen belang. Bij een botsing tussen enerzijds het recht op vrijheid van meningsuiting en anderzijds het recht op eer en goede naam en op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, moet het antwoord op de vraag welke van deze beide rechten in het concrete geval zwaarder weegt, worden gevonden door een afweging van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval. Daarbij komt aan de positie van de pers bijzondere betekenis toe gelet op enerzijds de taak van de pers om informatie en ideeën van publiek belang te verspreiden en om zijn vitale rol van publieke waakhond te spelen en anderzijds gelet op het recht van het publiek informatie en ideeën te ontvangen. Bij genoemde afweging geldt niet als uitgangspunt dat voorrang toekomt aan het recht op vrijheid van meningsuiting. Voor de door artikel 8 EVRM beschermde rechten geldt hetzelfde. Dat betekent dat de toetsing in één keer dient te geschieden, waarbij het oordeel dat een van beide rechten, gelet op de ter zake dienende omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat de inbreuk op dat andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van artikel 8 lid 2 EVRM respectievelijk artikel 10 lid 2 EVRM (zie HR 18 januari 2008, LJN BB3210 en HR 5 oktober 2012, LJN BW9230).

4.4.

In dit geval gaat het om de publicatie van diverse passages in het boek, de titel van hoofdstuk 24 en het vermelden van de volledige persoonsgegevens van [eiser sub 1] . De vraag of de publicatie daarvan onrechtmatig is, zal hierna afzonderlijk aan de orde komen.

Passages in het boek

4.5.

[eisende partij] heeft gesteld dat de volgende passages ten aanzien van [eiser sub 1] onrechtmatig zijn:

Hoofdstuk 10:

“(…) [naam 1] zegt in een verhoor: (…) Toen [naam 2] eindexamen moest doen was er volgens [naam 1] een incident geweest met [naam 3] [ [eiser sub 1] , toevoeging voorzieningenrechter]: die zou van het dak willen springen. [naam 1] : “Toen moest [naam 4] ernaar toe om haar ervan af te halen.” (…) Volgens [naam 1] had [naam 3] (“schijthoer!”) dat doorgebriefd aan Willem, die daar kwaad over was: “Dat had ze nooit mogen zeggen. Met gevaar voor eigen leven. (…)”

Hoofdstuk 24:

“(…)

Aanvankelijk houdt [naam 1] zich nog een beetje in en zegt ze dat ze niks over “die vrouw” gaat zeggen, maar even later is het toch “een schijthoer” en een borderliner. “Hahaha! Die vrouw is helemaal idolaat van die man. Er zit een stekie los! Ik heb haar nog gewaarschuwd!”

[naam 3] woonde in de [adres 1] .

(…)

Tijdens een verhoor zegt [naam 1] : (…) Wim zijn vrouw moest naar de grond kijken, anders kreeg ze een klap voor d’r kop.”

(…)

In een eerdere verklaring had ze [ [eiser sub 1] , toevoeging voorzieningenrechter] gezegd dat ze “naïef en blind” was, ze vond Holleeder “gewoon een leuke en spannende man.”

(…)

[naam 1] : (…) We hebben meer meegemaakt met [naam 3] , ze wacht haar hele leven al op Wim, ik ga haar verder niet ter discussie stellen.”

(…)

[naam 1] : “Zij was een van de vrouwen die onderhouden moest worden, die een financiële waarde vertegenwoordigden. Die zorgde dat hij een woning kon huren, die was heel bruikbaar. U dwingt mij die vrouw hier voor schut te zetten. Ze heeft een beleving van een relatie die ze nooit heeft gehad. Als u mijn moeder hoort over haar, die werd knettergek, ze belde dag en nacht op. Wat mijn moeder met die vrouw heeft meegemaakt… Toen mijn nichtje eindexamen deed moest ze van het dak worden gehaald.” Janssen: “Ze zegt: ‘Dat is volkomen flauwekul, nooit gebeurd.’” [naam 1] : “Alsof ze zich dat kan herinneren in een psychose.”

(…) [naam 1] : (…) Wilt u meer horen over [naam 3] d’r borderlinesyndroom?” (…) “Hahaha! Die vrouw is helemaal idolaat van die man. Er zit een stekie los! Ik heb haar nog gewaarschuwd!”

(…) zegt [naam 5] : “Ik had echt medelijden met die vrouw, wat ze allemaal voor hem deed, ze was zo gek op die man. Het is zielig dat ze zo behandeld wordt. De laatste keer kon hij haar niet meer gebruiken omdat ze geen geld meer had. Ze heeft een motor voor hem gekocht. Ze was zo gek op hem dat ze mijn moeder belde dat ze ’t niet meer aankon, van het dak wilde springen. (…) [naam 5] : “Zielig, heel erg om aan te zien hoe hij met haar omging.”

(…)

[naam 5] zegt daarover, tijdens een verhoor: (…) Volgens [naam 3] ’s dochter ging [naam 6] soms snuiven en werd hij dan agressief. [naam 5] : “ [naam 6] heeft nooit gesnoven, ze moet naar haar eigen kijken, dat mens is knettergek. Aardig, maar knettergek. Ik moest altijd van hem naar haar, ze is nog nooit bij mij geweest, ik weet niet waar je ’t over hebt.” (…) “Ik moest die vrouwen in de gaten houden. [naam 7] ook. Als de schilder kwam, moest ik er al gaan zitten, dat ze niet alleen met de schilder was. Dan was het: ‘Ga naar [naam 3] .’ (…) Ik moest kijken of het daar gezellig was, dan kon hij naar andere vriendinnetjes.” [naam 5] vond [naam 3] “een zielig vrouwtje, het was Wim er alleen maar om te doen haar van haar geld af te halen. Het is alleen maar uitbuiten, meer niet. We hebben haar tegenover hem altijd wel lief en aardig gevonden. Wim riep over haar alleen maar ‘mafkees dit, mafkees dat…”

De relatie tussen [naam 5] en [naam 3] was wel goed, (…) Toen heb ik een sms van haar gekregen, die kan ik je laten lezen, daar lusten de honden geen brood van. Omdat zij toch de hoofdvrouw was.”

(…)”

4.6.

Vooropgesteld wordt dat in voormelde passages de uitlatingen van de getuigen [naam 1] en [naam 5] tijdens het Holleeder-proces worden beschreven. Zowel dat proces als die uitlatingen kunnen onderwerp zijn van algemeen maatschappelijk belang. Dat brengt mee dat de vrijheid van Just Publishers c.s. om de passages te publiceren, zwaar weegt. [eisende partij] heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitlatingen van [naam 1] en [naam 5] als feiten worden gepresenteerd, onjuist zijn en dat die uitlatingen geen steun vinden in het voorhanden zijnde feitenmateriaal. Het betreft volgens [eisende partij] grotendeels verklaringen van horen zeggen door [naam 1] die niet worden gestaafd door harde feiten en niet betrouwbaar zijn. De vermelding daarvan is, zo stelt [eisende partij] , niet of nauwelijks in het belang van de doelstelling van het boek, terwijl evenmin een ander doel wordt gediend en dat maakt het publiceren ervan onrechtmatig. De voorzieningenrechter volgt [eisende partij] niet in dit standpunt. De hiervoor bij r.o. 4.5. weergegeven passages betreffen immers geciteerde verklaringen van de getuigen [naam 1] en [naam 5] tijdens het Holleeder-proces. De zittingen van dit proces waren openbaar. Anders dan [eisende partij] stelt, worden voormelde passages niet gepresenteerd als feiten maar is duidelijk en uitdrukkelijk in het boek vermeld dat het gaat om uitlatingen van [naam 1] en [naam 5] tijdens het Holleeder-proces. De inhoud van die uitlatingen kunnen niet aan Just Publishers c.s. worden toegerekend. Hetgeen [eisende partij] heeft aangevoerd tegen de beweerdelijke onjuistheid van de uitlatingen van [naam 1] en [naam 5] zal daarom onbesproken blijven. Volgens [eisende partij] levert het publiceren van geruchten die door de benadeelde keer op keer zijn weersproken een onrechtmatig handelen op, ook wanneer door een journalist citaten worden weergegeven. [eisende partij] heeft daarbij gewezen op twee uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 16 mei 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2007: BA5286) en 15 april 2019 (ECLI:NL:RBAMS: 2019:2691) waarin de voorzieningenrechter de publicatie (deels) heeft verboden. In die uitspraken gaat het echter om een beschrijving van een cold case onderzoek waarbij het aanvankelijke politieonderzoek met vertrouwelijk materiaal is beschreven respectievelijk om het publiceren van uitlatingen over een persoon in de vorm van een nieuwsbericht. Dergelijke situaties zijn in het onderhavige geval niet aan de orde nu het hier juist gaat om een weergave van geciteerde verklaringen van getuigen tijdens een openbare strafzitting. Het beroep op die twee uitspraken kan [eisende partij] dan ook niet baten.

4.7.

[eisende partij] heeft verder aangevoerd dat de geciteerde verklaringen van [naam 1] en [naam 5] verkeerd zijn geciteerd zodat daarmee een onjuiste indruk wordt gewekt ten aanzien van [eiser sub 1] . Het gaat daarbij om de volgende eigen verklaring van [eiser sub 1] : “In een eerdere verklaring had ze gezegd dat ze “naïef en blind” was, ze vond Holleeder “gewoon een leuke en spannende man.”. [eiser sub 1] heeft naar eigen zeggen juist het tegendeel verklaard. Daarnaast is volgens [eisende partij] de volgende verklaring van [naam 5] verkeerd geciteerd: “We hebben haar tegenover hem altijd wel lief en aardig gevonden. Wim riep over haar alleen maar ‘mafkees dit, mafkees dat…” [naam 5] heeft volgens [eisende partij] juist verklaard dat zij en [naam 1] [eiser sub 1] altijd heel lief en aardig hebben gevonden en dat zij haar een ontzettend vriendelijke vrouw vond. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze gestelde onjuistheden niet essentieel zijn en niet gesteld of gebleken is dat deze onjuistheden het leven van [eisende partij] wezenlijk negatief beïnvloeden. De vraag of voormelde uitlatingen onjuist zijn geciteerd, wordt daarom voor de beoordeling onvoldoende relevant geacht.

4.8.

[eisende partij] heeft voorts aangevoerd dat de verklaringen niet volledig zijn geciteerd. Zo staat bijvoorbeeld in het boek: “U dwingt mij die vrouw hier voor schut te zetten.” terwijl daarna in werkelijkheid nog is gezegd: “en ik heb daar geen zin in”. Daarnaast zijn de betwistingen door [eiser sub 1] ( [naam 3] ) buiten beschouwing gelaten. [gedaagde sub 2] heeft zich volgens [eisende partij] bovendien nergens kritisch dan wel genuanceerd uitgelaten over de verklaringen van [naam 1] en [naam 5] over [eiser sub 1] . In het kader van de door [gedaagde sub 2] in acht te nemen zorgvuldigheid had van hem, zo stelt [eisende partij] , verwacht mogen worden dat hij de betwistingen door [eiser sub 1] zou hebben weergegeven, dan wel objectief onderzoek naar de beschuldigingen zou hebben verricht, dan wel wederhoor zou hebben toegepast. De voorzieningenrechter overweegt dat, anders dan [eisende partij] lijkt te veronderstellen, geen absoluut recht op wederhoor bestaat. Just Publishers c.s. heeft de vrijheid een selectie te maken van de citaten die zij wil weergeven in het boek en het feit dat zij de betwistingen aan de zijde van [eiser sub 1] niet heeft geciteerd in het boek, dan wel niet helemaal heeft overgenomen, maakt niet dat de passages daarmee onrechtmatig zijn. Evenmin rust op Just Publishers c.s. een verplichting om een objectief onderzoek te doen naar de vraag of hetgeen [naam 1] en [naam 5] hebben verklaard, juist is. Voorshands oordelend kan niet worden gezegd dat Just Publishers c.s. onzorgvuldig te werk is gegaan.

4.9.

[eisende partij] heeft aangevoerd dat ten aanzien van [eiser sub 2] de volgende passage in hoofdstuk 24 onrechtmatig is:

“Officier van justitie Sabine Tammes houdt Holleeder een telefoongesprek voor van 19 november 2004 tussen hem en [naam 3] . Haar man wil het huis verkopen. Holleeder: “Je moet tegen hem zeggen: als hij mij een brief schrijft, dat-ie ruzie met mij krijgt en dat die kale kankerhond mij niet moet beledigen (begint ineens enorm te schreeuwen). Geef me zijn nummer maar!” Even later belt hij nog een keer en krijgt hij de elfjarige dochter van [naam 3] aan de lijn: “Dag schatje.” Ze zegt dat papa de telefoon niet opneemt. Hij krijgt [naam 3] weer aan de lijn. Holleeder (schreeuwend): “Je moet luisteren als ik praat! Als hij problemen zoekt, hoeft-ie niet ver te zoeken, die kan-ie krijgen. Zeg hem dat ik geen clown van hem ben!” Daarna de dochter nog even weer. “Dag schatje. Jouw vader is een grote pisbak, ik schijt op zijn kale kop. Zeg maar tegen je vader dat Willem heel pissig is en dat ik in het weekend langskom, dan los ik het even met hem op, die kankerhond.” (…) Tammes: “U zegt ook allerlei zagen tegen de elfjarige dochter over haar vader. Is dat in de Jordaan ook gebruikelijk?” Holleeder: “Die dochter was wel wat gewend met haar vader.”

4.10.

Volgens [eisende partij] kan voormelde passage niet in de context worden beoordeeld zodat er bij de gemiddelde lezer de indruk wordt gewekt dat Holleeder [eiser sub 2] heeft bedreigd of afgeperst, dan wel daarmee dreigde. [eiser sub 2] heeft er belang bij om niet als een slachtoffer van afpersing en/of bedreiging te boek te staan en zeker niet wanneer dit niet op feiten is gebaseerd. Daarnaast wordt ten onrechte gesuggereerd dat het gebruikelijk was dat [eiser sub 2] tegen zijn dochter schreeuwt en grove bewoordingen gebruikt en worden diverse onnodig kwetsende scheldwoorden gebruikt om [eiser sub 2] te typeren waarmee hij in een kwaad daglicht wordt gesteld, aldus [eisende partij] De voorzieningenrechter stelt vast dat voormelde passage ziet op een weergave van een tijdens het Holleeder-proces afgespeeld telefoongesprek en het verhandelde ter zitting. Niet gesteld of gebleken is dat Just Publishers c.s. de opname of het verhandelde ter zitting onjuist heeft geciteerd. De bezwaren van [eisende partij] richten zich op de inhoud van de uitlatingen van Holleeder. Die inhoud kan echter niet aan Just Publishers c.s. worden toegerekend. Hetgeen [eisende partij] heeft aangevoerd tegen de beweerdelijke onjuistheid van die geciteerde verklaringen zal daarom onbesproken blijven. De conclusie is dan ook dat de hiervoor onder 4.9. weergegeven passage niet als onjuist of onrechtmatig kan worden aangemerkt.

De titel

4.11.

[eisende partij] wordt met name besproken in hoofdstuk 24 van het boek. De titel van dit hoofdstuk luidt: Schijthoer. Volgens [eisende partij] is het onjuist, onzorgvuldig en onrechtmatig om een onnodig kwetsende kwalificatie van hetgeen [naam 1] heeft verklaard uit de context te halen en als titel te kiezen waarbij [eiser sub 1] als betrokkene bij het strafproces op duidelijk zichtbare plaatsen daarmee in het boek wordt gepersonaliseerd. De voorzieningenrechter constateert dat de titels van de andere hoofdstukken van het boek merendeels een gelijke strekking hebben. Deze hoofdstuktitels zijn steeds kernachtige woorden die worden gebruikt door Holleeder en diens familieleden, waarmee [gedaagde sub 2] die familie beoogt te typeren, althans één aspect van die familie (namelijk het grof taalgebruik). Bovendien is het voor de lezer duidelijk dat de titel ziet op een uitlating van [naam 1] . In het licht van deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat de titel niet als onrechtmatig kan worden aangemerkt.

Persoonsgegevens [eiser sub 1]

4.12.

Volgens [eisende partij] is het onrechtmatig dat haar persoonsgegevens (roep- en achternaam en voormalig woonadres in Amsterdam) in het boek worden vermeld. Bij de beoordeling van de vraag of dit onrechtmatig is, wordt vooropgesteld dat [eiser sub 1] in het verleden in relatie met Holleeder zelf de media-aandacht heeft gezocht en dat zij daarbij volledig herkenbaar naar buiten is getreden. [eiser sub 1] heeft aldus eerder in de publieke belangstelling gestaan. Zij heeft nadien getuigd in het Holledeer-proces, een proces dat veel media-aandacht heeft gegenereerd. Just Publishers c.s. heeft onweersproken gesteld dat [eiser sub 1] in relatie met Holleeder in de media (waaronder in de krant Trouw en op de website www.nu.nl) met voor- en achternaam wordt genoemd. Dit alles maakt haar tot op zekere hoogte een publiek figuur. De vermelding van haar volledige naam kan in het licht van deze omstandigheden niet als onrechtmatig worden aangemerkt. Het beroep van [eisende partij] op het verbod om ongeanonimiseerde uitspraken te publiceren leidt niet tot een ander oordeel. De bedoelde richtlijnen heeft de rechtspraak voor zichzelf opgesteld en zijn uitsluitend van toepassing op de publicatie van gerechtelijke uitspraken op rechtspraak.nl. Met betrekking tot de vermelding van het voormalig woonadres van [eiser sub 1] in het boek valt zonder verdere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien waarom de vermelding daarvan onrechtmatig is aangezien [eiser sub 1] daar al geruime tijd niet meer woonachtig is.

Slotsom

4.13.

Uit het voorgaande volgt dat de afweging van de wederzijdse belangen, in het kader van artikel 10 lid 2 EVRM en artikel 6:162 BW, in het voordeel van Just Publishers c.s. uitvalt. Van onrechtmatig handelen door Just Publishers c.s. is geen sprake, zodat een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting niet gerechtvaardigd is. De vorderingen zullen derhalve worden afgewezen.

4.14.

[eisende partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Just Publishers c.s. worden begroot op:

- griffierecht € 639,00

- salaris advocaat € 980,00

Totaal € 1.619,00.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten, aan de zijde van Just Publishers c.s. tot op heden begroot op € 1.619,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2019.

lt