Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:3353

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-07-2019
Datum publicatie
24-07-2019
Zaaknummer
355215
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Kort Geding. Stichting hoeft opleiding tot Manege instructeur niet te plaatsen op lijst erkende opleidingen. Vooralsnog niet gebleken van niet onafhankelijke toetsing van opleidingen door KNHS ondanks dubbelrol van KNHS als aanbieder van opleidingen en als toetsingsinstantie van opleidingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/355215 / KG ZA 19-261

Vonnis in kort geding van 19 juli 2019

in de zaak van

de stichting

STICHTING MANEGE EN RUITER BOND,

gevestigd te Almere,

eiseres,

advocaat mr. E.F. van Hasselt te Amsterdam,

tegen

de stichting

STICHTING VEILIGE PAARDENSPORT,

gevestigd te Ermelo,

gedaagde,

advocaten mrs. T.S. Jansen en N.C. van de Meent te Amsterdam.

Partijen zullen hierna M&RB en SVP genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties

- de producties van SVP

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van M&RB

- de pleitnota van SVP.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

M&RB is in 2015 opgericht en behandelt de belangen van hippische ondernemingen. Zij vertegenwoordigt circa 40 maneges. De bestuurders van M&RB waren voorheen betrokken bij de grootste brancheorganisatie Federatie van Nederlandse Ruitersportcentra (FNRS). De FNRS heeft circa 415 leden.

2.2.

M&RB heeft een opleiding tot manege instructeur (hierna: de opleiding) ontwikkeld. De opleiding is in 2017 getoetst en gecertificeerd door het Centrum voor Post Initieel Onderwijs in Nederland (CPION).

2.3.

CPION is onderdeel van Lloyd’s Register; een wereldwijde certificerende instelling en autoriteit op het gebied van kwaliteit en veiligheid. In Nederland staat Lloyd’s Register onder toezicht van de Raad voor Accreditatie, de door de overheid aangewezen nationale accreditatieinstelling.

2.4.

SVP houdt zich bezig met de verdere ontwikkeling van het preventief beleid in het kader van ongevallen bij de beoefening van de paardensport en het voorlichten van de consument daarover. Sinds 2002 kunnen hippische accommodaties een veiligheidscertificaat aanvragen bij SVP.

2.5.

Het bestuur van SVP bestaat uit leden die nauw betrokken zijn bij FNRS en de Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie (KNHS). Alle drie de organisaties zijn gevestigd op hetzelfde adres. De KNHS en de FNRS bieden ook een opleiding tot manege instructeur aan.

2.6.

De KNHS stelt de eis dat een hippische accommodatie een Veiligheidscertificaat moet hebben als zij KNHS-wedstrijden wil organiseren of een KNHS-vereniging onderdak wil bieden. De FNRS stelt het hebben van een Veiligheidscertificaat als vereiste voor het lidmaatschap.

2.7.

Om les te mogen geven op een accommodatie met een Veiligheidscertificaat, moet een instructeur volgens SVP beschikken over een instructeursdiploma dat is opgenomen op de lijst van opleidingen van bijlage 9 van het Veiligheidshandboek. SVP vermeldt op haar website dat als ongediplomeerde instructie wordt geconstateerd, het Veiligheidscertificaat wordt ingetrokken.

2.8.

M&RB heeft vanaf 15 februari 2018 meermalen aan SVP verzocht om de opleiding op te nemen in de lijst van opleidingen van bijlage 9 bij het Veiligheidshandboek.

2.9.

Op 21 december 2018 heeft M&RB SVP gesommeerd de opleiding toe te voegen aan bijlage 9 en om diffamerende en misleidende informatievertrekking over M&RB te staken.

2.10.

SVP heeft geen gevolg gegeven aan de sommatie maar M&RB bericht dat de toetsing van de opleiding dient plaats te vinden door de KNHS volgens bepaalde erkenningsvoorwaarden.

2.11.

Bij de stukken bevindt zich een e-mailbericht van 13 september 2017 van [naam] van SVP aan [naam] , manegehouder, onder meer inhoudende:

Zoals ik al aangaf voldoen alleen de diploma’s vermeld op de bijlage welke ik toevoegde aan mijn vorige mail. Het diploma Manege instructeur staat hier niet bij wat aangeeft dat je met dit diploma geen les mag geven op een accommodatie met een veiligheidscertificaat.

2.12.

Bij de stukken bevindt zich voorts een e-mailbericht van 30 juli 2018 van [naam] aan [naam] van M&RB, onder meer inhoudende:

Ik ben in mei begonnen met de opleiding tot manege instructeur bij jullie.

Maar nu was [naam] van de fnrs vanmorgen bij ons en die attendeerde mij erop dat ik met deze opleiding niet verzekerbaar ben via stichting veilig paardrijden.

Ik schrok hier een beetje van, dus vandaar mijn mailtje aan jou. Jij kan me hier vast wel meer over vertellen.

3 Het geschil

3.1.

M&RB vordert dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis SVP veroordeelt:

1. om uiterlijk binnen twee werkdagen na betekening van dit vonnis de door M&RB

aangeboden Manege instructeur opleiding toe te voegen aan Bijlage 9 en daarop op

zichtbare wijze geplaatst te houden, althans over te gaan tot plaatsing van deze opleiding

op Bijlage 9, tenminste totdat een erkenningsprocedure via een onafhankelijke organisatie

beschikbaar komt die gelijktijdig en onder gelijke voorwaarden voor alle concurrerende

marktpartijen, waaronder de KNHS en de FNRS, wordt toegepast en die aantoonbaar

voldoet aan het door de Autoriteit Consument & Markt geformuleerde toetsingskader

betreffende erkenningsregelingen,

2. om uiterlijk binnen twee werkdagen na betekening van dit vonnis op de landingspagina

van haar website www.veiligpaardrijden.nl alsmede in het blad “Paard en Sport” een goed

leesbare verklaring te plaatsen inhoudende dat de door M&RB aangeboden opleiding

“Manege instructeur”, welke reeds positief was beoordeeld door CPION, nu is

toegevoegd aan Bijlage 9 bij het Veiligheidshandboek, en daarbij te vermelden dat deze

toevoeging als gevolg van tekortkomingen in het eerder gehanteerde certificeringsproces

helaas vertraging heeft opgelopen,

3. zich te onthouden van misleidende mededelingen met de strekking als zou de beoordeling

onder auspiciën van SVP plaatsvinden door een geaccrediteerde instelling en dat

uitsluitend door SVP “gecertificeerde” opleidingen voldoen aan maatschappelijk

relevante veiligheidseisen,

4. zich te onthouden van diffamerende en misleidende informatieverstrekking omtrent

M&RB, en de daarbij aangesloten maneges en de via haar opleidingsaanbod opgeleide

instructeurs, en uiterlijk binnen een week na betekening van dit vonnis schriftelijk te

informeren omtrent de maatregelen die haar bestuur in dat kader heeft getroffen,

5. tot betaling van een dwangsom van € 50.000,00, althans een door de

voorzieningenrechter te bepalen dwangsom, voor elke dag of deel daarvan dat SVP niet

of niet volledig voldoet aan het gevorderde onder 1, 2, 3 of 4,

6. in de kosten van dit geding,

een en ander, voor zover mogelijk, bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren.

3.2.

SVP voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de stellingen van M&RB, met name de stelling dat zij de door haar aangeboden opleiding ‘Manege instructeur’ wil vermarkten om inkomsten te genereren maar dit tot op heden door SVP wordt belemmerd.

4.2.

Het gaat in deze zaak om het volgende. M&RB onderneemt al geruime tijd pogingen om te bewerkstelligen dat haar opleiding ‘Manege instructeur’ wordt geplaatst op bijlage 9 bij het Veiligheidshandboek van SVP (hierna: bijlage 9). M&RB heeft hierbij belang omdat zowel de KNHS als de FNRS het hebben van een Veiligheidscertificaat onder bepaalde omstandigheden verplicht stelt (zie hiervoor 2.6), terwijl een instructeur volgens SVP, om op een accommodatie met een Veiligheidscertificaat les te mogen geven, moet beschikken over een instructeursdiploma dat is opgenomen op de lijst van opleidingen van bijlage 9. De opleiding van M&RB is reeds gecertificeerd door CPION. SVP heeft deze certificering echter naast zich neergelegd en M&RB voor toetsing van de opleiding achtereenvolgens doorverwezen naar de Nederlandse Paarden Academie (NPA), de Stichting Opleiding Ruiterfederatie Nederland (ORUN) en laatstelijk de KNHS. M&RB acht dit handelen van SVP niet te goeder trouw. Volgens M&RB doet SVP op deze manier namelijk alsof zij de herhaalde aanvraag van M&RB in behandeling neemt, om vervolgens te komen met een route die geen soelaas kan bieden. SVP houdt M&RB aldus aan het lijntje en weigert ten onrechte de erkenning door CPION te accepteren, hetgeen onzorgvuldig en derhalve onrechtmatig is. Ten slotte kunnen vraagtekens worden geplaatst bij de onafhankelijkheid van de KNHS als toetsingsinstantie, aldus M&RB.

4.3.

SVP heeft ter zitting met verwijzing naar een overgelegd schema ‘Structuur sportopleidingen in Nederland’ toegelicht hoe op het gebied van sportopleidingen in Nederland een en ander is geregeld en hoe dat tot stand is gekomen. Een opleiding wordt aan bijlage 9 toegevoegd nadat de KNHS heeft geoordeeld dat deze opleiding aan de eisen van de Kwalificatiestructuur Sport 2017 voldoet. Deze KSS-toetsplannen en de daarin vermelde vereisten zijn in 2003 onder regie van NOC*NSF in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ontwikkeld en in 2012 en 2017 herijkt. De achterliggende gedachte van de KSS-structuur is dat deze structuur de mogelijkheid biedt om alle sportopleidingen in Nederland op een efficiënte wijze te organiseren en samenwerking tussen opleidingsinstituten eenvoudiger te maken. Dit geeft duidelijkheid voor bonden als het gaat om niveau en kwaliteit van sportopleidingen. Voor de hippische branche heeft NOC*NSF in samenwerking met het MBO, de KNHS en de FNRS de Kwalificatiestructuur Sport opgesteld. De ontwikkelde KSS-toetsplannen geven op vijf verschillende niveaus aan welke competenties deelnemers na afloop van hun opleiding dienen te bezitten. De KNHS is gegeven haar rol in de totstandkoming van de KSS-toetsplannen voor de paardensport en haar kennis en expertise van de paardensport de aangewezen instantie om de opleidingen te keuren. ORUN fungeert in deze als onafhankelijk examenbureau. Om een opleiding feitelijk op bijlage 9 opgenomen te krijgen, dient een aanbieder van hippische opleidingen het formulier “Aanvraag KNHS Erkenning” in te vullen en, vergezeld van het cursusprogramma, de toelatingseisen en het lesmateriaal, bij de KNHS in te dienen. Indien de KNHS vaststelt dat de betreffende opleiding aan het KSS-toetsplan voldoet, plaatst het bestuur van SVP de opleiding op bijlage 9. Zij laat zichzelf wat dit betreft geen discretionaire bevoegdheid. Volgens SVP zijn er op dit moment acht aanbieders van hippische opleidingen die op deze wijze door de KNHS zijn getoetst en die op een geactualiseerde versie van bijlage 9 zullen worden geplaatst. Dit zijn: Aeres, Wellant College, Nova College, de KNHS, Zone College, NCSAH, E-quine en Freestyle Academy Voest.

4.4.

In reactie op het verwijt dat SVP M&RB aan het lijntje heeft gehouden, heeft SVP verklaard dat de rol van de NPA was het creëren van een portal waarin alle opleidingen waren opgenomen, gekoppeld aan een NPA-kwaliteitslabel. Om daarvoor in aanmerking te komen was het nodig een aanvraagformulier in te dienen. Een indiener kon echter ook ervoor kiezen om zijn opleiding alleen te laten registreren, dus zonder toekenning van een NPA-kwaliteitslabel. In dat geval was het indienen van een aanvraagformulier niet nodig. In 2017 zijn enkele van dergelijke kwaliteitslabels uitgereikt, maar in 2018 is deze manier van toetsen weer beëindigd. SVP en de KNHS hebben vervolgens samen bekeken hoe de procedure het beste kon worden voortgezet. Men heeft toen gekozen voor toetsing door de KNHS op basis van documenten van de NPA. De KNHS was namelijk ook al de toetsingsinstantie voordat de NPA dat werd. Deze omzetting heeft volgens SVP alles bij elkaar maar een paar maanden geduurd. In de loop der tijd zijn de eisen overigens geüpdatet en bijgesteld aan de realiteit, zodat die verschillende periodes niet met elkaar te vergelijken zijn, aldus SVP.

4.5.

M&RB heeft in reactie hierop slechts in algemene bewoordingen betwist dat al deze acht aanbieders zijn getoetst door de KNHS. Zo is E-quine volgens M&RB niet getoetst door de KNHS. Verder heeft M&RB gesteld dat de thans nog op bijlage 9 voorkomende opleidingen van MBO NHB Deurne zijn getoetst op andere criteria, omdat toentertijd het KSS-toetsplan nog niet bestond.

4.6.

Gelet op de uitvoerige toelichting van SVP en de minimale reactie daarop van M&RB kan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet zonder meer worden geoordeeld dat de wijze van toetsing van opleidingen door de KNHS op een niet onafhankelijke manier geschiedt. Dit geldt te meer nu M&RB tot op heden heeft geweigerd haar opleiding ter beoordeling aan de KNHS voor te leggen, via indiening van een aanvraagformulier vergezeld van de juiste documenten. Weliswaar kan aan M&RB worden toegegeven dat de KNHS een dubbelrol vervult, namelijk als aanbieder van opleidingen én als toetsingsinstantie van opleidingen, maar dat is zonder nadere omstandigheden, die gesteld noch gebleken zijn, niet onrechtmatig jegens M&RB. Het ligt op de weg van M&RB om eerst haar opleiding door de KNHS te laten beoordelen. In zoverre zijn haar verwijten prematuur. Daarmee kan vooralsnog ook niet worden aangenomen dat SVP onrechtmatig handelt door pas na een positief oordeel van de KNHS de bewuste opleiding op bijlage 9 te plaatsen.

4.7.

Een ander verwijt betreft de stelling van M&RB dat SVP haar aan het lijntje houdt en ten onrechte weigert de erkenning door CPION te accepteren.

4.8.

SVP stelt dat deze weigering voortkomt uit het feit dat uit de beoordeling van CPION niet volgt of de opleiding van M&RB aan de KSS-toetsplannen voldoet. Uit niets blijkt dat de opleiding aan enig door NOC*NSF en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gesteld vereiste is getoetst, laat staan voldoet. SVP ziet daarom niet in hoe haar weigering om de opleiding van M&RB zonder toetsing door de KNHS aan bijlage 9 toe te voegen, op die grondslag onrechtmatig zou zijn.

4.9.

De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat M&RB in het kader van dit kort geding niet duidelijk heeft kunnen maken op grond waarvan zij ervan uitging dat erkenning door CPION zou volstaan voor plaatsing op bijlage 9. M&RB wilde gewoon graag dat haar opleiding was gecertificeerd, los van SVP, zo heeft zij ter zitting verklaard. Vanwege een btw-kwestie is zij toen bij CPION uitgekomen. Pas later heeft M&RB zich gerealiseerd dat certificering door CPION voor SVP niet volstond. Hier staat tegenover dat SVP wel nader heeft toegelicht waarom erkenning door CPION niet volstaat. De voorzieningenrechter verwijst hiervoor naar rechtsoverwegingen 4.3 en 4.8.

4.10.

Bij het voorgaande komt dat het stellen van extra eisen aan plaatsing op bijlage 9 naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet zonder meer onrechtmatig is jegens M&RB. Van onrechtmatigheid kan eerst sprake zijn indien de extra eisen die worden gesteld niet voor iedereen gelden of indien er eisen worden gesteld die voor anderen dan de KNHS een niet te nemen hindernis vormen. Gesteld noch gebleken is echter dat die situaties zich hier voordoen.

4.11.

De voorzieningenrechter overweegt verder dat het voorstelbaar is dat de hele gang van zaken (het idee aan het lijntje te worden gehouden) en de onderlinge communicatie tussen partijen bij M&RB een bepaald wantrouwen heeft gevoed, maar de door SVP geschetste werkwijze rond de NPA en de daarmee gemoeide tijd, zoals hiervoor onder 4.4 weergegeven, verklaart in dit verband het nodige en leidt voorshands geoordeeld niet tot het oordeel dat SVP onrechtmatig heeft gehandeld.

4.12.

M&RB heeft in de dagvaarding nog aangevoerd dat eveneens sprake is van strijdigheid met het kartelverbod van artikel 6 Mededingingswet (Mw) en mogelijk tevens van misbruik van een economische machtspositie als bedoeld in artikel 24 Mw. De voorzieningenrechter zal deze grondslag echter buiten beschouwing laten, nu M&RB in de dagvaarding op dit punt geen verdere toelichting heeft gegeven en zij hierop ter zitting ook niet meer is teruggekomen. Bovendien heeft SVP terecht erop gewezen dat zij geen onderneming of een ondernemersvereniging is in de zin van artikel 1 sub f of sub g Mw, nu zij geen economische activiteit uitoefent.

4.13.

Een en ander betekent ten slotte ook dat de door of namens SVP gedane uitlatingen over M&RB niet zonder meer onjuist/misleidend zijn. In ieder geval kan met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen en gelet op de inhoud van de door M&RB als productie 5 overlegde e-mailberichten, waarvan er hiervoor onder 2.11 en 2.12 enkele zijn weergegeven, vooralsnog niet worden geoordeeld dat SVP misleidende mededelingen heeft gedaan en/of diffamerende en misleidende informatie heeft verstrekt.

4.14.

De slotsom is dat alle vorderingen van M&RB zullen worden afgewezen.

4.15.

M&RB zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van SVP worden begroot op:

- griffierecht € 639,00

- salaris advocaat € 980,00

Totaal € 1.619,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt M&RB in de proceskosten, aan de zijde van SVP tot op heden begroot op € 1.619,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Meijer en in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2019.

Coll.: MvG