Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:3336

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-07-2019
Datum publicatie
24-07-2019
Zaaknummer
7342055
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Schade aan vaatwasser is twee keer bij verzekeraar gemeld. Fraude. € 532,00 onderzoekskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Nijmegen

zaakgegevens 7342055 \ CV EXPL 18-4474 \ 25115 \ 40141

uitspraak van

vonnis

in de zaak van

de naamloze vennootschap Achmea Schadeverzekeringen N.V.

gevestigd te Apeldoorn

eisende partij

gemachtigde mr. G.R.M. van den Assum

tegen

[naam gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde partij

gemachtigde mr. P.L.O. van de Waarsenburg

procederende krachtens toevoegingsnummer 2FL5116

Partijen worden hierna Achmea en [naam gedaagde] genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 16 november 2018 en de daarin genoemde processtukken

- de brief van 7 februari 2019 met aanvullende producties van de zijde van Achmea

- de comparitie van partijen van 15 februari 2019

- de akte na comparitie van de zijde van Achmea

- de akte na comparitie van de zijde van [naam gedaagde] .

2 De feiten

2.1.

[naam gedaagde] was in 2017 bij Achmea verzekerd. Ze had een inboedelverzekering.

2.2.

In het schadedossier van Achmea is het volgende weergegeven over de melding die [naam gedaagde] op 17 januari 2017 bij Achmea gedaan heeft:

Verz. was aan het verbouwen in de keuken, alles moest verplaatst worden. Tijdens optillen van de vaatwasser is de deur afgebroken.”

2.3.

In het schadedossier van Achmea is het volgende weergegeven over de melding die [naam gedaagde] op 21 februari 2017 bij Achmea gedaan heeft:

Verz heeft vaatwasser gebruikt. Vaatwasser was klaar en verz doet de deur open. Doet niks raars, maar deur breekt toch af

2.4.

Achmea heeft op 24 februari 2017 met [naam gedaagde] gebeld en navraag gedaan over de twee telefoongesprekken die door of namens [naam gedaagde] in januari en februari 2017 met Achmea gevoerd waren. Van dit telefoongesprek zijn geluidsopnamen gemaakt.

2.5.

Op 24 februari 2017 heeft Achmea een e-mail aan [naam gedaagde] gestuurd met, voor zover relevant, de volgende inhoud:

U meldde een schade aan uw vaatwasser. (…)

U ontvangt geen schadevergoeding

U hebt ons bewust onjuist informatie gegeven. (…)

U hebt de schade nogmaals gemeld na een eerdere afwijzing

U meldde eerst dat u tijdens een verbouwing de vaatwasser verplaatste. Tijdens het optillen brak de deur af. Helaas was er geen dekking voor deze schade. Een maand later meldde u de schade opnieuw. Nu gaf u aan dat u de vaatwasser open deed nadat deze klaar was. U deed verder niets geks, maar toch brak de deur af. Wij besloten uw schademelding te onderzoeken op de Afdeling Speciale Zaken.

U verklaarde het volgende

Wij confronteerden u met uw twee meldingen. U gaf aan dat de eerste keer een vriendin belde die zich voordeed als u. U had samen besloten om dit verhaal te vertellen. Het juiste verhaal is volgens u het tweede verhaal. U dacht dat dat niet verzekerd zou zijn. Daarom besloot u ons wat anders te vertellen.

Het staat vast dat u één van beide keren verkeerde informatie gaf

Wij kunnen niet meer beoordelen welke lezing de juiste is. U deed in ieder geval in één van beide keren een onware opgave.

2.6.

Op 2 maart 2017 heeft [naam werknemer Achmea] , namens Achmea, [naam gedaagde] een brief gestuurd waarin [naam gedaagde] aansprakelijk werd gesteld voor de door Achmea geleden schade. Er werd een bedrag aan schadevergoeding van € 532,00 gevorderd dat binnen 14 dagen na dagtekening van de aansprakelijkstelling betaald moest zijn.

2.7.

VDSH incasso & Gerechtsdeurwaarders heeft op 12 oktober 2017, namens Achmea, [naam gedaagde] opnieuw aangesproken tot betaling. Binnen acht dagen moest een bedrag van € 628,56 (hoofdsom, incassokosten en btw) betaald worden.

3 De vordering en het verweer

3.1.

Achmea vordert dat de kantonrechter, voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [naam gedaagde] veroordeelt tot betaling van:

- een bedrag van € 532,00 aan hoofdsom

- de wettelijke rente vanaf 18 maart 2017, althans vanaf 21 oktober 2017, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening

- te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten van € 96,56

- met veroordeling van [naam gedaagde] in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te berekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2.

Aan haar vordering legt Achmea ten grondslag dat [naam gedaagde] jegens haar onrechtmatig gehandeld heeft door verzekeringsfraude te plegen. Dit handelen kan [naam gedaagde] worden toegerekend. [naam gedaagde] heeft namelijk welbewust twee keer dezelfde schade geclaimd. Omdat ze de eerste keer van Achmea te horen kreeg dat er geen dekking was, heeft ze met een ander verhaal over hoe de schade aan haar vaatwasser ontstaan was, geprobeerd alsnog haar schade vergoed te krijgen. Doordat [naam gedaagde] zo gehandeld heeft, is bij Achmea schade ontstaan. Die schade bestaat uit onderzoekskosten van € 532,00 (redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid/redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte) en buitengerechtelijke incassokosten. De rente is verschuldigd, omdat [naam gedaagde] tot op heden, ondanks verzuim, de schade van Achmea niet aan Achmea vergoed heeft.

3.3.

[naam gedaagde] heeft verweer gevoerd.

4 De beoordeling

4.1.

Wanneer een verzekeraar van mening is dat een verzekerde fraude heeft gepleegd, is het aan die verzekeraar om de feiten te stellen en te onderbouwen die de conclusie rechtvaardigen dat fraude is gepleegd. In deze zaak heeft Achmea ter onderbouwing van haar standpunt dat sprake is van fraude het schadedossier, het fraudedossier en een opname van het gesprek dat Achmea op 24 februari 2017 met [naam gedaagde] voerde overgelegd.

4.2.

Vast staat dat [naam gedaagde] op 21 februari 2017 zelf telefonisch melding heeft gemaakt van schade aan haar vaatwasser en dat zij daarbij heeft opgegeven dat de schade bij normaal gebruik van de vaatwasser is ontstaan, te weten bij het opendoen van de deur van de vaatwasser. In geschil is of de schade eerder door of namens [naam gedaagde] is gemeld en er een andere schadeoorzaak is opgegeven.

4.3.

In het schadedossier is genoteerd dat [naam gedaagde] op 17 januari 2017 met Achmea gebeld heeft en verklaard heeft dat ze aan het verbouwen was in de keuken, dat alles verplaatst moest worden en dat tijdens het optillen van de vaatwasser de deur van de vaatwasser is afgebroken. Als schadedatum is 3 januari 2017 door Achmea genoteerd. [naam gedaagde] heeft gesteld dat zij niet degene was die toen gebeld heeft met Achmea, maar een vriendin, omdat die beter Nederlands sprak dan zij. Het gebeurde met haar instemming. Achmea heeft niet nagevraagd of die vriendin wel uitdrukkelijk door [naam gedaagde] gemachtigd was, aldus [naam gedaagde] . [naam gedaagde] weet niet precies wat die vriendin gezegd heeft en kon de antwoorden van Achmea ook niet verstaan. Ze was er wel bij toen de vriendin belde. Wellicht hebben de vriendin en Achmea elkaar verkeerd begrepen, suggereert [naam gedaagde] .

4.4.

De kantonrechter is van oordeel dat het niet uitmaakt wie met Achmea gebeld heeft op 17 januari 2017. Als het een vriendin van [naam gedaagde] was, dan handelde die vriendin met toestemming en instemming van [naam gedaagde] . [naam gedaagde] was namelijk, zoals zij zelf ook heeft verklaard op de comparitie, bij het telefoongesprek aanwezig en heeft niet ingegrepen. De kantonrechter heeft voorts geen aanleiding om te twijfelen aan de weergave van dat telefoongesprek door Achmea. Het strookt ook met de uitlatingen van [naam gedaagde] tijdens het telefoongesprek dat Achmea met [naam gedaagde] gevoerd heeft op 24 februari 2017 waarin zij duidelijk bevestigt dat er eerder was gebeld om de schade te melden en dat er toen was verteld dat zij aan het verbouwen was in de keuken. Tijdens dat telefoongesprek is aan [naam gedaagde] expliciet gevraagd naar de twee verschillende versies van de schademelding die de verzekeraar van [naam gedaagde] begrepen had en toen is door [naam gedaagde] verklaard “Ja wij denken misschien zo zeggen. (…) ik ja wij wouden zo zeggen (…) ja gewoon wij wij denken moeten zo zeggen.” Daaruit volgt naar het oordeel van de kantonrechter niet alleen dat [naam gedaagde] op de hoogte was van de opgave door haar vriendin aan Achmea van een onjuiste schadeoorzaak, maar ook dat dit in samenspraak met haar is gebeurd in de hoop dat dit tot een uitkering zou leiden. Daarmee staat voldoende vast dat sprake is geweest van opzet tot misleiding van Achmea.

4.5.

[naam gedaagde] heeft nog gesteld dat ze op 17 januari 2017 geen melding bij Achmea wilde doen, maar alleen informerend een vraag heeft gesteld over of ze verzekerd was. Ook deze stelling kan [naam gedaagde] niet baten. Achmea heeft gemotiveerd betwist dat sprake was van een informatief gesprek. Als daarvan sprake was, zou [naam gedaagde] doorverwezen zijn naar de Rabobank. De kantonrechter vindt deze stelling van [naam gedaagde] ook niet geloofwaardig. Ten eerste niet, omdat hij in strijd is met haar eerdere stelling in de conclusie van antwoord dat ze een vriendin had laten bellen om de schade te melden. Ten tweede niet, omdat [naam gedaagde] , volgens haar eigen opgave, juist nog een keer gebeld had, omdat ze zeker wist dat er wel dekking zou (moeten) zijn. Ook dat wijst erop dat dekking inderdaad de eerste keer is afgewezen en niet een puur informatief gesprek is gevoerd.

4.6.

De kantonrechter is van oordeel dat vast staat dat door [naam gedaagde] fraude is gepleegd. De vervolgvraag is dan welke schade Achmea door het handelen van [naam gedaagde] geleden heeft en of die schade door [naam gedaagde] (volledig) vergoed moet worden.

4.7.

Achmea heeft gesteld dat ze kosten heeft gemaakt vanaf het moment van constateren van de fraude tot en met de afhandeling van het dossier. Omwille van de redelijkheid is het bedrag met 50% gematigd. De kosten zijn redelijk en de verrichte werkzaamheden waren redelijkerwijs noodzakelijk, aldus Achmea. Achmea heeft haar schade in een schema weergegeven:

Minimale tijd in uren

Activiteit

Uurtarief

In €

Kosten in €

0,5

Constateren en melden vermoeden van fraude.

56,00

28,00

1,0

Intake dossier: o.a. vastleggen en beoordelen gegevens,

62,00

62,00

administratief onderzoek.

6,75

Behandelen dossier: o.a. voorbereiden onderzoek, uitvoering incl. hoor- en wederhoor, analyseren en rapporteren bevindingen.

62,00

418,50

3,75

Afhandelen dossier: standpuntbepaling, informeren betrokkenen, bepalen en toepassen van de maatregelen.

62,00

232,50

1,5

Diverse overige communicatie en administratie.

62,00

93,00

Totaal indirecte schade

834,00

Matiging 50 %

-417,00

Verhaalkosten

95,00

21% BTW over verhaalkosten

19,95

Totaal

531,95

Afronden

532,00

4.8.

[naam gedaagde] heeft het bedrag van € 532,00 betwist door aan te geven dat Achmea geen verifieerbare bescheiden heeft toegevoegd en teveel uren geschreven heeft. Er is slechts twee keer gebeld. Volgens [naam gedaagde] kan enkel sprake zijn van een uur werk aan de zijde van Achmea.

4.9.

Achmea heeft gesteld dat er 11 e-mails, diverse telefoontjes, een fraudeonderzoek, het opstellen van de matrix en (interne en externe) overleggen met betrekking tot de melding van [naam gedaagde] hebben plaatsgevonden en deze stelling onderbouwd met logboekitems. Daaruit blijkt naar het oordeel van de kantonrechter voldoende dat Achmea kosten heeft gemaakt. Deze kosten kunnen gezien worden als onderzoekskosten en komen op grond van art. 6:162 BW en 6:96 BW voor vergoeding in aanmerking. Door Achmea is niet onderbouwd waar de post verhaalkosten (€ 95,00) op is gebaseerd. Deze post komt dan ook, mede gezien het feit dat door Achmea de buitengerechtelijke incassokosten nog apart zijn gevorderd, niet voor vergoeding in aanmerking. Enkel het bedrag van € 417,00 is toewijsbaar.

4.10.

De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 18 maart 2017, te weten vanaf meer dan 14 dagen na dagtekening van de eerste aansprakelijkstelling van 2 maart 2017.

4.11.

De buitengerechtelijke incassokosten zijn door Achmea berekend op basis van een hoofdsom van € 532,00. Nu slechts een bedrag van € 417,00 aan hoofdsom toegewezen wordt, zal het bijbehorende bedrag aan buitengerechtelijke kosten van € 75,69 inclusief btw worden toegewezen.

4.12.

[naam gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen. Voor de akte wordt een half salarispunt toegekend. Voor het tarief voor het salaris gemachtigde wordt aangesloten bij het tarief van een vordering tot € 500,00. De gevorderde nakosten worden toegewezen tot een half salarispunt van het toegewezen salaris van de gemachtigde met een maximum van € 120,00.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [naam gedaagde] tot betaling aan Achmea van een bedrag van € 417,00 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt [naam gedaagde] tot betaling aan Achmea van een bedrag van € 75,69 aan buitengerechtelijke incassokosten;

5.3.

veroordeelt [naam gedaagde] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van Achmea begroot op € 101,75 aan dagvaardingskosten, € 476,00 aan griffierecht, € 180,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 36,00 aan kosten die na dit vonnis zullen ontstaan, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis en voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te berekenen vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.4.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. M.J.P. Heijmans en in het openbaar uitgesproken op