Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:329

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-01-2019
Datum publicatie
30-01-2019
Zaaknummer
05/800094-17 en 05/800077-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van mishandeling van zijn minderjarige kind. Vrijspraak van mishandeling van een ander kind.

Voorts ontslag van alle rechtsvervolging ten aanzien van twee andere ten laste gelegde feiten. Die tenlasteleggingen zien op artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht, terwijl bewezen is verklaard dat verdachte zijn zoon, die zelf was weggelopen, niet heeft terug gebracht en hem aldus onttrokken heeft gehouden aan het wettig gezag/opzicht. Dit is echter strafbaar gesteld in artikel 280 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank acht het in strijd met de grondslagleer, en denaturerend, om het tenlastegelegde ambtshalve te veranderen naar het strafbare feit als bedoeld in genoemd artikel 280 Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummers : 05/800094-17 en 05/800077-18

Datum uitspraak : 28 januari 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats]

wonende te [adres] , [woonplaats] ,

raadsman: mr. M.W.J. Rosendaal, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 september 2018 en 14 januari 2019.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Ten aanzien van parketnummer 05/800094-17

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2009 tot en met 1 juli 2013 te Renkum, althans in Nederland zijn (minderjarig) kind, te weten [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door hem

 eenmaal of meerdere malen onder een koude douche te zetten en/of

 eenmaal of meerdere malen te trappen en/of te stompen en/of te slaan in de buik en/of tegen het gezicht, althans het lichaam en/of

 eenmaal of meerdere malen met kracht te duwen en/of te gooien tegen een muur en/of tegen de grond;

2.

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2009 tot en met 26 maart 2017 te Renkum en/of Almere, althans in Nederland zijn (minderjarig) kind, te weten [slachtoffer 2] , heeft mishandeld door hem

 eenmaal of meerdere malen onder een koude douche te zetten en/of

 eenmaal of meerdere malen te trappen en/of te stompen en/of te slaan in de buik en/of tegen het gezicht, althans het lichaam en/of

 eenmaal of meerdere malen met kracht te duwen en/of te gooien tegen een muur en/of tegen de grond;

3.

hij op of omstreeks de periode 27 maart 2017 te Almere, althans in Nederland zijn kind, [slachtoffer 2] , heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 2]

 eenmaal of meerdere malen (25 keer) te slaan en/of de trappen tegen de arm(en) en/of de benen en/of in/tegen het gezicht/hoofd, althans het lichaam.

Ten aanzien van parketnummer 05/800077-18

1.

hij in de periode van 15 augustus 2018 tot en met 19 augustus 2018 te Renkum, in elk geval in Nederland, opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer 2] heeft onttrokken en/of onttrokken gehouden aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag (mw [aangeefster] ) en/of aan het opzicht dat Jeugdbescherming Gelderland en/of mw. [betrokkene 1] desbevoegd over die Maertzdorf uitoefende(n), immers heeft verdachte zonder toestemming:

 voornoemde minderjarige meegenomen naar zijn woning gelegen aan de [adres] te Renkum en/of

 voornoemde minderjarige in zijn woning vastgehouden/ondergebracht en/of

 voornoemde minderjarige aan de nasporing van de ambtenaren van de justitie of politie onttrokken,

en/of aldus voornoemde minderjarige buiten het bereik en/of de invloedssfeer van Stichting Jeugdbescherming Gelderland en/of mw. [betrokkene 1] en/of [aangeefster] gebracht en/of gehouden, dat de uitoefening van het gezag door die moeder en/of het opzicht van Jeugdbescherming Gelderland onmogelijk was geworden;

2.

hij in de periode van 20 augustus 2018 tot en met 23 augustus 2018 te Renkum en/of Maarssen, in elk geval in Nederland, opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer 2] heeft onttrokken en/of onttrokken gehouden aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag (mw [aangeefster] ) en/of aan het opzicht dat Jeugdbescherming Gelderland en/of mw. [betrokkene 1] desbevoegd over die [slachtoffer 2] uitoefende(n), immers heeft verdachte

zonder toestemming:

 voornoemde minderjarige meegenomen naar een onbekend gebleven locatie/adres in Nederland en/of

 voornoemde minderjarige op die/dat onbekend gebleven adres/locatie vastgehouden/ondergebracht en/of

 voornoemde minderjarige aan de nasporing van de ambtenaren van de justitie of politie onttrokken,

en/of aldus voornoemde minderjarige buiten het bereik en/of de invloedssfeer van Stichting Jeugdbescherming Gelderland en/of mw. [betrokkene 1] en/of [aangeefster] gebracht en/of gehouden, dat de uitoefening van het gezag door die moeder en/of het opzicht van Jeugdbescherming Gelderland onmogelijk was geworden.

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Ten aanzien van parketnummer 05/800094-17 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten. Hiertoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte ten overstaan van de politie heeft bekend dat hij zijn minderjarige zoons [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in het verleden heeft mishandeld. Dit heeft hij gedaan door hen onder de koude douche te zetten en door hen meermalen te slaan en te trappen op en tegen hun lichaam. Dit volgt ook uit de aangifte, de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en de verklaring van een schooljuf over een mishandeling van [slachtoffer 2] .

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de verdediging bepleit dat verdachte zal worden vrijgesproken van mishandeling voor zover dat ziet op het onder de koude douche zetten van [slachtoffer 2] . Voor het overige onder feit 2 tenlastegelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank hieromtrent, waarbij wel de kanttekening is gemaakt dat het dossier geen wettige bewijsmiddelen bevat ten aanzien van mishandelingen die na 2011 zouden hebben plaatsgevonden.

Ten aanzien van het onder feit 3 tenlastegelegde heeft de verdediging geen opmerkingen gemaakt.

Beoordeling door de rechtbank

Betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster [aangeefster]

Door aangeefster [aangeefster] en de minderjarigen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn verklaringen afgelegd over mishandelingen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] door verdachte. Aangeefster [aangeefster] is hun moeder en zij is tevens de ex-echtgenote van verdachte. In juni 2011 zijn verdachte en zij uit elkaar gegaan. In april 2014 kreeg verdachte een nieuwe relatie en sindsdien is de relatie tussen [aangeefster] en verdachte verslechterd. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zijn ex, aangeefster [aangeefster] , onjuiste verklaringen over hem heeft afgelegd. De rechtbank zal daarom eerst de betrouwbaarheid van haar verklaringen beoordelen.

Volgens aangeefster heeft verdachte [slachtoffer 1] tussen juli 2009 en 2013 diverse keren geschopt en geslagen. Toen [slachtoffer 1] ongeveer 2,5 jaar oud was heeft verdachte hem volgens aangeefster in de hoek gedreven en met kracht en woede een aantal flinke trappen gegeven, omdat [slachtoffer 1] niet op zijn kamer wilde blijven. [slachtoffer 1] huilde enorm. Dit soort voorvallen is volgens aangeefster diverse keren gebeurd. Verdachte ontkent dat hij dergelijke vormen van mishandeling heeft gepleegd.

Uit het zorgdossier dat betrekking heeft op [slachtoffer 2] (pagina’s 44 tot en met 52) volgt dat aangeefster in juni 2013 verschillende contacten heeft gehad met de [naam 1] basisschool te Elst, mede naar aanleiding van signalen die [slachtoffer 1] had afgegeven. Zij heeft tijdens die contacten niet aangegeven dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] mishandeld werden door verdachte, zoals zij later wel in haar aangifte heeft verklaard. Wel zou zij volgens dit dossier (pagina’s 49 en 50) hebben erkend dat zij [slachtoffer 1] de mond met zeep heeft gespoeld, waarmee verdachte het niet eens was, en hebben aangegeven dat verdachte wel eens een corrigerende tik gaf aan [slachtoffer 1] , waarmee zij het niet eens was. De rest is door [slachtoffer 1] verzonnen, zou aangeefster tijdens een zorggesprek op 21 juni 2013 hebben verteld tegen medewerkers van de basisschool [naam 1] .

De rechtbank constateert dat aangeefster het in juni 2013 niet heeft gehad over de door haar in de aangifte beschreven (ernstige) mishandeling toen [slachtoffer 1] ongeveer 2,5 jaar oud was, terwijl daarvoor tijdens het gevoerde zorggesprek wel alle reden en ruimte was.

Evenmin heeft aangeefster [aangeefster] melding gemaakt van deze beweerdelijke mishandeling van [slachtoffer 1] toen zij op 5 november 2014 aangifte deed van huiselijk geweld door verdachte jegens haarzelf.

Gelet op de hevigheid van het incident dat volgens [aangeefster] zou hebben plaatsgevonden toen [slachtoffer 1] 2,5 jaar oud was en de omstandigheid dat dit volgens aangeefster vaker zou zijn voorgevallen, acht de rechtbank het onbegrijpelijk dat aangeefster hiervan kennelijk geen melding heeft gemaakt in de contacten met school en tijdens haar aangifte op 5 november 2014.

Ook [slachtoffer 1] zelf heeft niet verklaard over deze mishandeling, zoals deze door aangeefster is beschreven. Uit een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 7 mei 2015 volgt dat [slachtoffer 1] wel heeft verteld (pagina 19, midden) dat hij (wel eens?) met de kleren aan onder de douche is gezet door verdachte, maar hij heeft niet verteld dat hij ooit in een hoek zou zijn gedreven als klein kind waarbij hij meermalen is getrapt door verdachte.

De rechtbank betrekt hierbij dat in een bijlage bij dit rapport (‘rapportage verzoek voorlopige ondertoezichtstelling d.d. 3 april 2015, pagina 4 van 7) is vermeld dat aangeefster [aangeefster] verdachte klaarblijkelijk uit de ouderlijke macht wil laten zetten. Bovendien blijkt niet dat zij bij het doen van deze vèrgaande mededeling aan de Raad voor de Kinderbescherming ook heeft verteld dat verdachte een ernstige vorm van kindermishandeling jegens een 2,5 jaar oude [slachtoffer 1] heeft gepleegd, zoals later door aangeefster beschreven.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet zonder meer kan worden uitgegaan van de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster [aangeefster] en zal daarom deze verklaringen niet gebruiken voor het bewijs.

Beoordeling van feit 1

[slachtoffer 1] heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij meer dan dertig keer is geschopt en geslagen door zijn vader. Volgens [slachtoffer 1] is dit gebeurd vanaf zijn vierde of vijfde jaar. Daarnaast is hij meerdere keren door zijn vader onder een koude douche gezet.

Met betrekking tot [slachtoffer 1] heeft verdachte verklaard dat hij hem meermalen onder een koude douche heeft gezet. Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 1] niet heeft geslagen of geschopt.

De rechtbank overweegt dat de verklaring van [slachtoffer 1] over het slaan en schoppen door zijn vader niet bevestigd wordt door de inhoud van andere betrouwbare bewijsmiddelen. Hoewel dit wel geldt voor het onder de (koude) douche zetten van [slachtoffer 1] , blijkt niet wanneer dit heeft plaatsgevonden.

De rechtbank kan dan ook niet beoordelen of deze handelingen door verdachte hebben plaatsgevonden in de ten laste gelegde periode, zodat verdachte wordt vrijgesproken van het onder feit 1 tenlastegelegde.

Beoordeling van feit 2

[slachtoffer 2] is geboren op [geboortedatum 2] . Hij heeft aangifte gedaan van mishandeling door zijn vader [verdachte] . Hij heeft verklaard dat hij op 31 mei 2016 bij zijn vader ging wonen. Dat ging goed tot ongeveer augustus 2016. [slachtoffer 2] ging meermalen niet naar school, waarna zijn vader dreigde om zijn spullen kapot te maken. Een paar maanden voordat [slachtoffer 2] op 5 april 2017 aangifte deed, heeft verdachte hem geslagen terwijl hij met zijn vader in de auto zat. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zijn vader hem met beide vlakke handen op zijn beide wangen sloeg. Dat deed erg veel pijn. [slachtoffer 2] dacht dat zijn vader dit deed omdat hij juist wel naar school moest gaan.2

De politie heeft alle op [slachtoffer 2] betrekking hebbende documentatie opgevraagd bij Jeugdbescherming Gelderland. Hieruit volgt dat verdachte tijdens de echtscheiding heeft gezegd dat hij de kinderen alleen sloeg “als ze er echt om vroegen”. Tegenover het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling heeft verdachte aangegeven dat de kinderen alleen een “pedagogische tik” kregen.3

[getuige] heeft verklaard dat zij gezien heeft dat verdachte [slachtoffer 2] meerdere keren met kracht in zijn buik stompte. [slachtoffer 2] zat op dat moment in de auto die op de parkeerplaats bij basisschool [naam 2] in Elst stond. Volgens [getuige] was dit in 2011. Ze zag dat [slachtoffer 2] huilde.4

Verdachte heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij eind maart 2017 naar Renkum is verhuisd. Daarvoor woonde hij in Almere.5 Hij heeft ook verklaard dat hij zijn kinderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft mishandeld.6 Hij heeft naar aanleiding van de getuigenverklaring van een oud-lerares van de basisschool (de rechtbank begrijpt: de getuigenverklaring van [getuige] ) erkend dat hij [slachtoffer 2] in zijn buik heeft gestompt toen hij bij [naam 2] stond geparkeerd.7

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte in de periode van 1 juli 2009 tot en met 26 maart 2017 zijn zoon [slachtoffer 2] meermalen heeft gestompt en/of geslagen.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem onder de koude douche te zetten en door hem te duwen en/of te gooien tegen een muur en/of de grond, nu [slachtoffer 2] hier niets over heeft verklaard en dit uit andere betrouwbare bewijsmiddelen evenmin volgt. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van die onderdelen van de tenlastelegging.

Beoordeling van feit 3

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij op 27 maart 2017 door zijn vader in elkaar werd geslagen. Hij was in de badkamer toen zijn vader naar hem toe kwam en hem met kracht tegen zijn linkerarm schopte. Dat deed erg veel pijn. [slachtoffer 2] probeerde de schoppen af te weren met zijn arm en viel op de badkamervloer. Hij hoorde zijn vader zeggen dat hij op moest staan, waarna hij weer werd neergeslagen. Zijn vader sloeg hem met kracht met zijn gebalde vuist tegen zijn linkerwang. Terwijl [slachtoffer 2] op de grond lag, ging zijn vader door met schoppen en slaan tegen zijn armen en in zijn buik wat erg veel pijn deed. Daarna ging zijn vader op zijn buik zitten en sloeg hij [slachtoffer 2] met zowel gebalde vuist als vlakke hand tegen zijn gezicht en zijn schouders. Ook dat deed heel veel pijn. Daarbij zei verdachte, volgens deze verklaring van [slachtoffer 2] : “Nu ga ik je vijfentwintig keer slaan, omdat je vijfentwintig keer de telefoon niet opnam”. Nadat zijn vader was gestopt met schoppen en slaan, is [slachtoffer 2] met zijn vader in de auto naar Renkum gereden. Op de heenweg vroeg zijn vader hem naar zijn wachtwoord van zijn telefoon en tablet. Toen [slachtoffer 2] deze niet wilde geven, sloeg zijn vader hem met de vlakke hand tegen zijn linkerarm, hoofd en linkerwang. Dat deed pijn. Op de terugweg gebeurde hetzelfde en toen heeft [slachtoffer 2] zijn wachtwoorden aan zijn vader gegeven. Volgens [slachtoffer 2] stopte zijn vader daarna met slaan.8

Getuige [betrokkene 1] heeft verklaard dat zij bij [slachtoffer 2] is betrokken als Jeugdbeschermer bij Jeugdbescherming Gelderland. Op 29 maart 2017 heeft zij telefonisch contact opgenomen naar aanleiding van wat [slachtoffer 2] verteld heeft over zijn mishandeling.9 Verdachte heeft haar verteld dat [slachtoffer 2] niet luistert, niet naar school gaat en niet de telefoon opneemt als hij [slachtoffer 2] belt. Verdachte heeft haar verteld dat [slachtoffer 2] weet wat er gebeurt als hij niet luistert en dat hij [slachtoffer 2] niet hard heeft geslagen. Een half uur na dit telefoongesprek heeft zij [slachtoffer 2] gezien. Zij heeft toen gezien dat de huid van [slachtoffer 2] ’s gezicht duidelijk rood gevlekt was en niet de gebruikelijke huidskleur had. Onder zijn linkeroog was een duidelijke blauwe plek zichtbaar van zo’n 3 cm breed. [slachtoffer 2] heeft haar toen verteld dat dat hij ook in zijn buik was geslagen en dat hij pijn aan zijn vinger had.10

Het dossier bevat een geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer 2] . Hij is op 31 maart 2017 door de huisarts onderzocht. De huisarts heeft een grote bloeduitstorting op de linkerarm van [slachtoffer 2] waargenomen en een bloeduitstorting op de linker- en de rechterkant van diens gelaat nabij de jukbeenderen.11

Verdachte heeft ten overstaan van de politie verklaard dat het klopt dat hij [slachtoffer 2] op 27 maart 2017 bij hem thuis in Almere met zijn vuist een klap in het gezicht heeft gegeven en dat hij [slachtoffer 2] heeft geschopt en geslagen tegen zijn armen en buik terwijl [slachtoffer 2] op de grond lag.12 Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij diezelfde dag [slachtoffer 2] met zijn vlakke hand op zijn hoofd en met de vuist op zijn arm heeft geslagen terwijl zij in de auto zaten. Dit deed hij, omdat [slachtoffer 2] zijn wachtwoord van zijn telefoon niet wilde geven. Op de terugweg gebeurde precies hetzelfde.13

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij op 27 maart 2017 zachtjes heeft geslagen en niet hard en dat hij [slachtoffer 2] niet in het gezicht heeft geslagen.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van [slachtoffer 2] op 27 maart 2017 door hem meerdere keren te slaan en te schoppen tegen zijn armen, gezicht, hoofd en zijn buik. De door verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring dat hij [slachtoffer 2] zachtjes en niet in zijn gezicht heeft geslagen, acht de rechtbank gelet op de getuigenverklaring van Odolphij en de inhoud van de geneeskundige verklaring niet aannemelijk.

Ten aanzien van parketnummer 05/800077-18 14

Met betrekking tot feit 1 en 2

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

[slachtoffer 2] is de minderjarige zoon van verdachte en [aangeefster] , hij is geboren op [geboortedatum 2] . Het ouderlijk gezag over [slachtoffer 2] wordt door zijn beide ouders uitgeoefend. Bij beschikking van 26 september 2017 is de ondertoezichtstelling van [slachtoffer 2] verlengd tot 3 oktober 2018. Bij beschikking van 8 maart 2018 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [slachtoffer 2] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder tot uiterlijk 3 oktober 2018 afgegeven. Op 16 augustus 2018 is een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp afgegeven betreffende [slachtoffer 2] . Jeugdbescherming Gelderland is de gecertificeerde instelling die is belast met het toezicht op [slachtoffer 2] .15

Op 1 augustus 2018 heeft verdachte een schriftelijke aanwijzing ontvangen van Reclassering Nederland. Hierin stond dat hij geen toestemming had om zijn zonen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] bij hem thuis te laten overnachten.16

Op 15 augustus 2018 is [slachtoffer 2] weggelopen uit de instelling waar hij verbleef en door verdachte enkele dagen in huis genomen. Nadat [slachtoffer 2] door de politie was opgehaald, is hij wederom weggelopen en opnieuw door verdachte opgevangen.17 Omdat in verschillende processen-verbaal uiteenlopende data worden genoemd, zal de rechtbank hierna bij de beoordeling nader ingaan op de inhoud van die processen-verbaal.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat het onderdeel “onbekend gebleven locatie/adres” in feit 2 niet kan worden bewezen, omdat [slachtoffer 2] bij verdachte thuis heeft verbleven. Voor het overige heeft de verdediging zich ten aanzien van beide feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank hieromtrent.

Beoordeling door de rechtbank

Volgens aangifte door [naam 3] is [slachtoffer 2] op 15 augustus 2018 weggelopen uit het [naam 4] in Nijmegen. Op 20 augustus 2018 is [slachtoffer 2] door de politie gevonden en naar behandelgroep [naam 5] van de Hoenderloo Groep gebracht. Op 21 augustus 2018 is [slachtoffer 2] ook daar weggelopen. Op 23 augustus 2018 is [slachtoffer 2] bij zijn vader, verdachte, gevonden door de politie. 18

De politie heeft geverbaliseerd dat [slachtoffer 2] op 15 augustus 2018 is weggegaan bij het [naam 4] . Verdachte is daarop meermalen gebeld door de hulpverlening en de reclassering, maar hij heeft toen niet aangegeven dat [slachtoffer 2] bij hem was. Omdat de politie vermoedde dat [slachtoffer 2] wel bij verdachte was, is de politie op 18 augustus 2018 naar het adres van verdachte gegaan. Daar werd [slachtoffer 2] aangetroffen. Op 20 augustus 2018 is [slachtoffer 2] opnieuw weggelopen. De politie is naar [slachtoffer 2] op zoek gegaan. Hij werd op 23 augustus 2018 bij zijn vader in de auto, in de gemeente Breukelen, aangetroffen.19

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [slachtoffer 2] in het [naam 4] in Nijmegen zat en hem telefonisch vertelde dat hij wilde weglopen, waarop verdachte hem zei dat niet te doen. [slachtoffer 2] liep echter wel weg en verdachte heeft hem toen - op verzoek van [slachtoffer 2] - op of rond 15 augustus 2018 opgehaald en meegenomen naar zijn woning in Renkum, omdat [slachtoffer 2] anders aan de buitenwereld zou zijn overgeleverd.

Verdachte heeft [slachtoffer 2] niet teruggebracht naar de instelling, omdat hij [slachtoffer 2] niet wilde verraden.

Verdachte heeft [slachtoffer 2] vervolgens meegenomen naar zijn huis aan de [adres] te Renkum. Toen de politie hem belde met de vraag waar [slachtoffer 2] was, heeft verdachte in strijd met de waarheid verteld dat hij dat niet wist. Verdachte heeft erkend dat [slachtoffer 2] tussen 15 en 19 augustus 2018 bij hem thuis was en dat het hem, verdachte, bekend was dat dit niet mocht.

Zondag 19 augustus 2018 werd [slachtoffer 2] bij hem opgehaald. Op 20 augustus 2018 kwam verdachte van zijn werk thuis en vond hij [slachtoffer 2] voor zijn deur. Verdachte wist dat [slachtoffer 2] niet bij hem mocht zijn, maar het was wel een fijn moment.. Omdat verdachte geen verrader wilde zijn, heeft hij [slachtoffer 2] toen niet teruggebracht. In plaats daarvan heeft hij [slachtoffer 2] de volgende dagen meegenomen naar zijn werk.20

De rechtbank constateert dat in de verschillende bewijsmiddelen verschillende data worden genoemd. Gelet op de verklaring van verdachte zelf zal de rechtbank ten aanzien van feit 1 uitgaan van de periode van 15 tot en met 19 augustus 2018 als de periode dat [slachtoffer 2] bij verdachte heeft verbleven.

Ten aanzien van feit 2 zal de rechtbank uitgaan van het proces-verbaal van bevindingen en de verklaring van verdachte ter terechtzitting, zodat kan worden geconcludeerd dat [slachtoffer 2] bij verdachte heeft verbleven van 20 augustus 2018 tot en met 23 augustus 2018.

De rechtbank acht, gelet op het vorenstaande, de tenlastelegging ten aanzien van beide feiten gedeeltelijk bewezen op de wijze zoals hierna onder 3. geformuleerd.

De rechtbank merkt daarbij op weliswaar begrip te hebben voor de opvatting van verdachte dat hij zijn zoon niet wilde verraden, maar dit laat onverlet dat verdachte [slachtoffer 2] meteen had moeten terugbrengen naar de instelling waarin [slachtoffer 2] op dat moment behoorde te zitten. Door dit na te laten heeft verdachte [slachtoffer 2] onttrokken gehouden aan het opzicht dat Jeugdbescherming Gelderland op hem uitoefende alsmede - indirect - aan het ouderlijk gezag dat [aangeefster] (mede) over [slachtoffer 2] uitoefende.

3 Bewezenverklaring

De rechtbank heeft uit de inhoud van de aangehaalde wettige bewijsmiddelen de overtuiging verkregen dat het tenlastegelegde kan worden bewezen, zoals hierna weergegeven. Daarbij heeft de rechtbank, omwille van de begrijpelijkheid, de naam van [slachtoffer 2] in de bewezenverklaring vermeld en voorts heeft de rechtbank de laatste zin in zowel feit 1 als feit 2 van de tenlastelegging ten aanzien van parketnummer 05/800077-18 verbeterd gelezen in dier voege dat in plaats van het woord ‘dat’ bewezen wordt verklaard ‘zodat’.

Ten aanzien van parketnummer 05/800094-17:

feit 2.

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2009 tot en met 26 maart 2017 te Renkum en/of Almere, althans in Nederland zijn (minderjarig) kind, te weten [slachtoffer 2] , heeft mishandeld door hem

eenmaal of meerdere malen onder een koude douche te zetten en/of;

eenmaal of meerdere malen te trappen en/of te stompen en/of te slaan in de buik en/of tegen het gezicht, althans het lichaam en/of;

eenmaal of meerdere malen met kracht te duwen en/of te gooien tegen een muur en/of tegen de grond;

feit 3.

hij op of omstreeks de periode 27 maart 2017 te Almere, althans in Nederland zijn kind, [slachtoffer 2] , heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 2]

eenmaal of meerdere malen (25 keer) te slaan en/of te trappen tegen de arm(en) en/of de benen en/of in/tegen het gezicht/hoofd, althans het lichaam.

Ten aanzien van parketnummer 05/800077-18:

feit 1.

hij in de periode van 15 augustus 2018 tot en met 19 augustus 2018 te Renkum, in elk geval in Nederland, opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer 2] heeft onttrokken en/of onttrokken gehouden aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag (mw [aangeefster] ) en/of aan het opzicht dat Jeugdbescherming Gelderland en/of mw. [betrokkene 1] desbevoegd over die [slachtoffer 2] uitoefende(n), immers heeft verdachte zonder toestemming:

 voornoemde minderjarige meegenomen naar zijn woning gelegen aan de [adres] te Renkum en/of

 voornoemde minderjarige in zijn woning vastgehouden/ondergebracht en/of

 voornoemde minderjarige aan de nasporing van de ambtenaren van de justitie of politie onttrokken,

en/of aldus voornoemde minderjarige buiten het bereik en/of de invloedssfeer van Stichting Jeugdbescherming Gelderland en/of mw. [betrokkene 1] en/of [aangeefster] gebracht en/of gehouden, zodat de uitoefening van het gezag door die moeder en/of het opzicht van Jeugdbescherming Gelderland onmogelijk was geworden;

2.

hij in de periode van 20 augustus 2018 tot en met 23 augustus 2018 te Renkum en/of Maarssen, in elk geval in Nederland, opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer 2] heeft onttrokken en/of onttrokken gehouden aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag (mw [aangeefster] ) en/of aan het opzicht dat Jeugdbescherming Gelderland en/of mw. [betrokkene 1] desbevoegd over die [slachtoffer 2] uitoefende(n), immers heeft verdachte

zonder toestemming:

 voornoemde minderjarige meegenomen naar een onbekend gebleven locatie/adres in Nederland en/of

 voornoemde minderjarige op die/dat onbekend gebleven adres/locatie vastgehouden/ondergebracht en/of

 voornoemde minderjarige aan de nasporing van de ambtenaren van de justitie of politie onttrokken,

en/of aldus voornoemde minderjarige buiten het bereik en/of de invloedssfeer van Stichting Jeugdbescherming Gelderland en/of mw. [betrokkene 1] en/of [aangeefster] gebracht en/of gehouden, zodat de uitoefening van het gezag door die moeder en/of het opzicht van Jeugdbescherming Gelderland onmogelijk was geworden.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

met betrekking tot parketnummer 05/800094-17

ten aanzien van feit 2:

mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3:

mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd.

Met betrekking tot parketnummer 05/800077-18 overweegt de rechtbank dat hetgeen ten aanzien van zowel feit 1 als feit 2 is bewezen verklaard, geen eenduidig strafbaar feit oplevert.

Immers, de opsteller van de tenlastelegging heeft - blijkens de woorden ‘heeft onttrokken’ en de vermelding van artikel 279 Wetboek van Strafrecht - onmiskenbaar beoogd het strafbare feit van artikel 279 Wetboek van Strafrecht ten laste te leggen. De bewezenverklaring luidt echter niet ‘heeft onttrokken’, aangezien [slachtoffer 2] zelf in beide gevallen is weggelopen.

De bewezen verklaarde gedragingen van verdachte zijn - in geval van een minderjarige die zich heeft onttrokken aan het wettig gezag/opzicht, zoals in het onderhavige geval - wel strafbaar gesteld in artikel 280 Wetboek van Strafrecht. Maar dat strafbare feit is niet ten laste gelegd en de rechtbank acht het in strijd met de grondslagleer, en denaturerend, om de tenlastelegging van het strafbare feit van artikel 279 Wetboek van Strafrecht in de bewezenverklaring ambtshalve te veranderen naar het strafbare feit als bedoeld in artikel 280 Wetboek van Strafrecht.

Een en ander heeft tot gevolg dat verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van beide feiten onder parketnummer 05/800077-18.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten 2 en 3 onder parketnummer 05/800094-17 zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is daarvoor strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder parketnummer 05/800094-17 onder 1, 2, en 3 tenlastegelegde, alsmede ter zake van het onder parketnummer 05/800077-18 onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 167 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling en een geclausuleerd contactverbod met de ex-vrouw van verdachte en zijn kinderen, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot het verrichten van 240 uren taakstraf, te vervangen door 120 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd. De verdediging heeft hierbij gewezen op de omstandigheid dat verdachte voor een groot deel heeft meegewerkt aan het strafrechtelijk onderzoek. Daarnaast zal oplegging van een gevangenisstraf grote gevolgen hebben. De nadruk dient juist op hulpverlening te liggen, zodat de omgang met de kinderen in de toekomst goed kan verlopen. Bovendien moet rekening worden gehouden met de verminderde toerekenbaar-heid van verdachte en met zijn schulden. Verdachte heeft in de periode, dat zijn voorlopige hechtenis was geschorst, laten zien dat hij zich aan afspraken kan houden. De verdediging heeft tevens verzocht om het achterwege laten van een contactverbod met de kinderen van verdachte. Verdachte wil graag in overleg met Jeugdzorg het contact met zijn kinderen opbouwen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 26 november 2018;

- een psychologisch onderzoek Pro Justitia, opgemaakt door [naam 6] , psycholoog, gedateerd 26 november 2018;

- een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland, gedateerd 10 januari 2019.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn minderjarige zoon. In het bijzonder het onbeheerste geweld dat verdachte op 27 maart 2017 heeft uitgeoefend op [slachtoffer 2] acht de rechtbank een zeer ernstig feit, waarvoor in beginsel slechts een onvoorwaarde-lijke gevangenisstraf passend is. Kinderen moeten zich veilig kunnen voelen in hun ouderlijke omgeving. Ouders behoren die veiligheid juist te verzekeren voor hun kinderen en niet – zoals verdachte heeft gedaan – deze aan te tasten. Dat deze omgeving niet altijd veilig is geweest voor [slachtoffer 2] kan beschadigend zijn voor zijn ontwikkeling.

De rechtbank ziet in het dossier echter ook concrete aanknopingspunten voor de conclusies dat [slachtoffer 2] te kampen heeft met ernstige gedragsproblemen, waarop zelfs professionele hulpverleners niet een goed antwoord bleken te hebben, en dat verdachte onmachtig is gebleken om hiermee om te gaan.

Tijdens het psychologisch onderzoek is een narcistische persoonlijkheidsstoornis bij verdachte geconstateerd, die moeilijk behandelbaar is. Deze persoonlijkheidsstoornis speelde bij de bewezen verklaarde feiten een zodanig grote rol dat de rechtbank deze feiten in verminderde mate aan verdachte zal toerekenen. Het risico op herhaald gewelddadig gedrag door verdachte ten opzichte van zijn kinderen wordt door de psycholoog als laag ingeschat. De rechtbank sluit zich aan bij deze inschatting, mede gezien de bijzondere voorwaarden die de rechtbank zal opleggen, zoals hierna beschreven, maar zal niet de ogen sluiten voor het feit dat verdachte in 2011 is veroordeeld wegens een mishandeling en een vernieling.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat bij de afdoening van deze strafzaak de nadruk meer dient te liggen op het zwaarwegende belang van een goede en veilige omgang tussen verdachte en zijn kinderen, en minder op vergelding. Om die reden zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf met voorwaarden die zijn gericht op het aanleren van ander gedrag, waardoor verdachte kan leren beter om te gaan met het gedrag van zijn kinderen.

Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke werkstraf opleggen om hem ervan te doordringen dat dit zijn laatste kans is om te ontkomen aan een vrijheidsbenemende straf.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 57, 63, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

spreekt verdachte vrij van het onder parketnummer 05/800094-17 onder 1 ten laste gelegde feit;

 verstaat het onder parketnummer 05/800077-18 onder 1 en 2 bewezenverklaarde niet strafbaar te zijn en ontslaat verdachte voor deze feiten van alle rechtsvervolging;

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 100 (honderd) dagen;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 86 (zesentachtig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald, te weten:

- de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

1. zich niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

3. zijn medewerking zal verlenen aan het door Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

4. zich uiterlijk binnen 5 dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij Reclassering Nederland, [kantoorplaats] en gedurende de proeftijd zich zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht en zich zal houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft;

5. zal meewerken aan ambulante behandeling wegens zijn persoonlijkheids-

problematiek door Kairos Nijmegen of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering;

6. zich zal houden aan de aanwijzingen en de (huis)regels van de onder 5. bedoelde instelling/behandelaar;

7. zal meewerken aan begeleiding en/of training die is gericht op verbetering van copingvaardigheden door een instelling, te bepalen door de reclassering;

8. zich zal houden aan de aanwijzingen en de (huis)regels van de onder 7. bedoelde instelling;

9. zich zal houden aan de aanwijzingen die de reclassering - al dan niet op initiatief van Jeugdbescherming Gelderland - hem zal geven met betrekking tot de omgang met zijn kinderen [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [betrokkene 2] ;

10. zal zorgen dat zijn kind(eren) [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of [betrokkene 2] onverwijld wordt/worden terug gebracht bij degene die feitelijk is belast met het gezag over dan wel het opzicht op dat kind/die kinderen, behoudens het geval dat zijn kind(eren) met inachtneming van de onder voorwaarde 9. bedoelde aanwijzingen bij hem mag/mogen verblijven;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde voorts tot een werkstraf gedurende 100 (honderd) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg (voorzitter), mr. P.C. Quak en

mr. G.W.B. Heijmans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Bril, griffier, en uitgesproken

ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 januari 2019.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door een verbalisant van de politie eenheid Oost Nederland, district Gelderland-Midden, basisteam Rivierenland-West, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2017379680, gesloten op 15 augustus 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal aangifte, p. 29.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 55.

4 Proces-verbaal van verhoor [getuige] , p. 40.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 58.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 59.

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 61.

8 Proces-verbaal aangifte, p. 30.

9 Proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 1] p. 37.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 1] , p. 38.

11 Een schriftelijk bescheid zijnde een geneeskundige verklaring, p. 28.

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 59.

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 60.

14 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door een verbalisant van de politie eenheid Oost Nederland, district Gelderland-Midden, basisteam Veluwe Vallei-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2018381295, gesloten op 24 augustus 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

15 Een beschikking machtiging gesloten jeugdhulp en aansluitend machtiging accommodatie jeugdhulpaanbieder d.d. 8 maart 2018, zaakgegevens C/05/334165 / JE RK 18-293 en C/05/333416 / JE RK 18-196, afgegeven door de kinderrechter binnen rechtbank Gelderland; een beschikking spoedmachtiging gesloten jeugdhulp d.d. 16 augustus 2018, zaakgegevens C/05/341631 / JE RK 18-1086, afgegeven door de kinderrechter binnen rechtbank Gelderland.

16 Proces-verbaal aangifte door [naam 3] d.d. 27 augustus 2018, proces-verbaalnummer PL0600-2018386347-1, blad 6 (niet opgenomen in het doorgenummerde procesdossier).

17 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 14 januari 2019.

18 Proces-verbaal aangifte door [naam 3] d.d. 27 augustus 2018, proces-verbaalnummer PL0600-2018386347-1, blad 5 en 6 (niet opgenomen in het doorgenummerde procesdossier).

19 Proces-verbaal van bevindingen, p. 16 en 17, alsmede proces-verbaal aanhouding, p. 5.

20 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 14 januari 2019.