Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:327

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
30-01-2019
Zaaknummer
05/740341-18
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:9441, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor poging tot doodslag en bedreigingen

Een 51-jarige man heeft op 3 juli 2018 in Wapenveld zijn overbuurman meerdere malen met een riek/hark gestoken. Het slachtoffer had 12 steekwonden en heeft de aanval ternauwernood overleefd. Daarnaast heeft de man 2 buurtgenoten bedreigd door te zeggen dat zij “de volgende zouden zijn.”

De overbuurman gedroeg zich in eerste instantie agressief tegen de man. Hij is gewapend met een stoelpoot naar de woning van de man gegaan en heeft tegen de woning en het hek rond de voortuin van de man geslagen. Ook uitte hij bedreigingen richting de man, zijn partner en hun dochter.

De man heeft vervolgens een riek uit de gang gepakt, is op zijn overbuurman afgelopen en heeft hem meerdere malen met de riek gestoken.

Door de verdediging is een beroep op noodweer gedaan. Volgens de verdediging kwam de overbuurman, toen de man de voordeur opende, met een knuppel op hem af. De man heeft zich daarom moeten verdedigen.

De rechtbank heeft dit verweer verworpen. Uit het dossier is niet gebleken dat de overbuurman met een knuppel op de man afkwam. Wel is op grond van getuigenverklaringen gebleken dat de man naar buiten is gegaan en vervolgens de overbuurman, terwijl deze achteruit liep en vervolgens op de grond lag, meerdere keren heeft gestoken. Van zelfverdediging was naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

De rechtbank heeft aan de man een gevangenisstraf opgelegd van 4 jaar.

Het slachtoffer heeft een verzoek tot schadevergoeding ingediend. De rechtbank heeft de vordering tot een bedrag van € 4.638,- toegewezen. De rechtbank heeft niet het volledige gevorderde bedrag toegekend omdat het ontstaan van de schade ook gedeeltelijk aan het slachtoffer zelf kan worden toegerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0154
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/740341-18

Datum uitspraak : 29 januari 2019

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende aan de [woonplaats] ,

raadsvrouw: mr. W.E. van Veldhuizen, advocaat te Apeldoorn.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 januari 2019.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 03 juli 2018 te Wapenveld, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 1] , opzettelijk, van het leven te beroven, met een riek, althans een scherp en/of een puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal in het lichaam van die [benadeelde 1] heeft gestoken terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij op of omstreeks 03 juli 2018 te Wapenveld, in elk geval in Nederland, aan [benadeelde 1] , opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel, te weten één of meer (diepe) snijwond(en) in het

lichaam en/of enig ander zwaar lichamelijk letsel, heeft toegebracht door deze (met kracht) met een riek, althans een puntig en/of scherp voorwerp, in het lichaam te steken;

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 03 juli 2018 te Wapenveld, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 1] , opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen te weten één of meer (diepe) snijwond(en) in het lichaam en/of enig zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [benadeelde 1] (met kracht) met een riek, althans een puntig en/of scherp voorwerp, in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij, op of omstreeks 3 juli 2018, te Wapenveld, gemeente Heerde, [benadeelde 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend, terwijl verdachte een riek, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in zijn hand(en) had, naar slachtoffer gewezen en/of daarbij deze dreigende woorden toegevoegd:

"Jij bent de volgende die ik eraan rijg", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, terwijl verdachte een of meerdere stap(pen) richting die [benadeelde 2] deed;

3.

hij, op of omstreeks 3 juli 2018, te Wapenveld, gemeente Heerde, [benadeelde 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde 3] dreigende woorden toe te voegen: "Jij bent de volgende", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 3 juli 2018 vond in Wapenveld, in de gemeente Heerde, een geweldsincident plaats. Ter plaatse werd door verbalisanten het slachtoffer, [benadeelde 1] , voor zijn woning aangetroffen2 en werd verdachte aangehouden.3 Er zijn bij het slachtoffer 12 steekwonden aangetroffen in de borst/borstkas, flank, rug, linkerarm en longen, waarbij ternauwernood geen dodelijk hart- of vaatletsel is ontstaan. Ook was er sprake van levensbedreigend bloedverlies.4

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde onder feit 1, primair, feit 2 en 3.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor alle feiten wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De hiertoe door de verdediging gevoerde verweren zullen verderop bij de beoordeling door de rechtbank besproken worden.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

Aangever heeft verklaard dat hij zich niet veel meer van het incident kan herinneren. Hij weet nog wel dat hij door verdachte is gestoken met een hooivork met 2 pennen. Aangever wilde zich weren, maar dat lukte niet.5

[getuige 1] heeft verklaard dat ze vanuit haar slaapkamerraam haar buurman van perceelnummer 17 (de rechtbank begrijpt: verdachte) zag staan. Hij stond voor de overbuurman, die op de grond lag (de rechtbank begrijpt: aangever). Verdachte had een hark vast met de punten naar beneden. Getuige zag dat verdachte aangever met de hark stak. De hark ging meerdere keren op en neer tegen het bovenlichaam van aangever.6

[getuige 2] , de partner van verdachte, heeft verklaard dat ze vanuit haar woonkamerraam zag dat verdachte met een riek naar voren gericht naar buurman [benadeelde 1] (de rechtbank begrijpt: aangever) liep. Ze zag dat aangever door de riek geraakt werd.7

Gelet op voormelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, vindt de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair onder 1 ten laste gelegde feit, te weten poging tot doodslag, door aangever meermalen met een riek te steken. Dat het door aangever opgegeven letsel potentieel dodelijk is, volgt uit de hiervoor aangehaalde letselverklaring.

Verdachte heeft verklaard dat hij aangever niet heeft gestoken. Hij heeft zich enkel met de riek willen verdedigen, waarbij aangever zelf meerdere keren in de riek is gelopen en/of in de riek is gevallen.

De rechtbank vindt de verklaring van verdachte niet aannemelijk gelet op bovenstaande bewijsmiddelen. Bovendien past het door aangever opgelopen letsel niet bij de door verdachte beschreven toedracht. Aangever heeft immers twaalf steekwonden in zijn lichaam opgelopen. Dit betekent dat aangever, mocht de rechtbank de verklaring van verdachte volgen, minimaal zes keer in de tweetandige riek moet zijn gelopen of gevallen om deze verwondingen op te lopen. Dit is niet aannemelijk.

Het verweer van de raadsvrouw dat verdachte geen opzet had op de dood dan wel het letsel van het slachtoffer, maar enkel heeft geprobeerd om het slachtoffer op afstand te houden, houdt gelet op bovenstaande evenmin stand.

Betrouwbaarheid getuigen

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat de verklaringen van [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) en [getuige 2] , (hierna: [getuige 2] ) niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden omdat ze onbetrouwbaar zijn. Met betrekking tot [getuige 1] heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat [getuige 1] onjuiste waarnemingen heeft gedaan, haar verklaringen innerlijk tegenstrijdig zijn en bovendien tegenstrijdig met ander bewijsmateriaal. Daarnaast heeft de raadsvrouw met betrekking tot [getuige 2] naar voren gebracht dat zij niet de waarnemingen kan hebben gedaan zoals deze uit haar verklaring naar voren lijken te komen, omdat ze achter in de woonkamer stond en vanuit die positie niets kan hebben waargenomen en voorts te druk was met haar dochter en de politie aan de telefoon had. De raadsvrouw heeft voorwaardelijk – onder de voorwaarde dat de rechtbank de verklaring van [getuige 2] voor het bewijs zal bezigen – verzocht [getuige 2] als getuige te horen.

De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de verklaring van [getuige 1] omtrent haar waarneming van het steken door verdachte. [getuige 1] is een onafhankelijke getuige en heeft zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris consistent verklaard over het steken door verdachte. De verklaring van [getuige 1] is niet op alle onderdelen consistent, bijvoorbeeld omtrent haar waarneming of verdachte aangever ook sloeg, of dat hij schopte. Dit maakt echter niet dat haar verklaringen, voor zover die inhouden dat zij zag dat verdachte aangever heeft gestoken, wegens onbetrouwbaarheid terzijde moeten worden geschoven. Over het daadwerkelijke steken door verdachte heeft [getuige 1] immers zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris consistent en expliciet verklaard. De rechtbank gebruikt haar verklaring omtrent het steken door verdachte daarom voor het bewijs.

De rechtbank volgt ook het verweer van de raadsvrouw over de [getuige 2] niet. [getuige 2] heeft, een dag na het misdrijf, verklaard dat ze in de woonkamer stond toen ze aan het bellen was met de politie. Ook verklaarde ze dat ze vlak voor het woonkamerraam stond toen zij haar waarnemingen deed en dat ze pas naar boven, naar haar dochter, is gegaan nadat ze zag dat aangever na het steekincident op de galerij voor zijn woning ging liggen. Uit de verklaring van [getuige 2] volgt expliciet dat zij zich ten tijde van haar waarnemingen nog niet bij haar dochtertje bevond. De rechtbank heeft daarom geen reden om te twijfelen aan de verklaring van [getuige 2] .

Voorwaardelijk verzoek horen [getuige 2]

Nu de rechtbank de verklaring van [getuige 2] voor het bewijs bezigt, is aan de voorwaarde voldaan waaronder door de raadsvrouw is verzocht [getuige 2] als getuige te horen.

De rechtbank vindt het horen van [getuige 2] niet noodzakelijk. [getuige 2] is uitgebreid door de politie gehoord en de rechtbank heeft, zoals hiervoor is overwogen, geen reden om aan haar verklaring te twijfelen. Het verzoek van de raadsvrouw wordt daarom afgewezen.

Ten aanzien van feit 2

Aangeefster [benadeelde 2] heeft verklaard dat ze op 3 juli 2018 in Wapenveld buiten geschreeuw hoorde. Even later zag ze verdachte in zijn auto wegrijden. Aangever zat voor zijn woning, 112 was al gebeld, zo hoorde ze van buurtbewoners. Nadat verdachte na 10 a 15 minuten weer terug was zag aangeefster hem in zijn voortuin staan. Verdachte keek haar recht in de ogen aan, wees met zijn wijsvinger in haar richting en zei: “Jij bent de volgende die ik eraan rijg.” Toen hij dit zei deed hij een stap naar voren.8

[getuige 3] heeft verklaard dat ze op 3 juli 2018 verdachte weg zag rijden in een zwart busje. Getuige is naar aangever gegaan, die gewond op de grond lag. Toen verdachte terug was hoorde ze verdachte tegen aangeefster een opmerking maken dat zij de volgende was.9

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat [getuige 3] niet naar waarheid heeft verklaard nu de verbalisanten de door [getuige 3] gehoorde bedreiging niet hebben gehoord. Dat in de processen-verbaal van de verbalisanten niet is geverbaliseerd dat zij hebben gehoord dat verdachte aangeefster heeft bedreigd, maakt echter niet dat de bedreiging niet kan hebben plaatsgevonden.

De rechtbank vindt daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde onder feit 2 heeft begaan. Dat hij daarbij de riek nog in zijn handen had, blijkt niet uit het dossier, zodat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 3

Aangeefster [benadeelde 3] heeft verklaard dat ze bij aangever was, nadat hij was neergestoken, en dat ze verdachte beneden de balustrade hoorde roepen. Ze is naar beneden gegaan, waar een heftige discussie ontstond tussen haar, verdachte en de partner van verdachte. Ze hoorde dat verdachte tegen haar zei terwijl verdachte aangeefster aanwees: “Jij bent de volgende.”10

[getuige 4] heeft verklaard dat hij verdachte tegen aangeefster hoorde roepen dat zij de volgende was.11

Het verweer van de raadsvrouw dat getuige niet heeft verklaard wanneer hij de bedreiging heeft gehoord en dat hij de bedreiging daarom niet zelf heeft vernomen, volgt de rechtbank niet. Dat getuige niet exact heeft verklaard wanneer hij de bedreiging heeft gehoord, doet er immers niet aan af dàt hij heeft gehoord dat aangeefster werd bedreigd. Ook het door de raadsvrouw naar voren gebrachte verweer dat [getuige 4] niet naar waarheid heeft verklaard, nu de politie de door hem gehoorde bedreiging niet heeft geverbaliseerd, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan bovenstaande verklaring.

De rechtbank vindt daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde onder feit 3 heeft begaan.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1, primair en feit 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 3 juli 2018 te Wapenveld, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 1] , opzettelijk, van het leven te beroven, met een riek, althans een scherp en/of een puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal in het lichaam van die [benadeelde 1] heeft gestoken terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij, op of omstreeks 3 juli 2018, te Wapenveld, gemeente Heerde, [benadeelde 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend, terwijl verdachte een riek, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in zijn hand(en) had, naar slachtoffer gewezen en/of daarbij deze dreigende woorden toegevoegd:

"Jij bent de volgende die ik eraan rijg", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, terwijl verdachte een of meerdere stap(pen) richting die [benadeelde 2] deed;

3.

hij, op of omstreeks 3 juli 2018, te Wapenveld, gemeente Heerde, [benadeelde 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde 3] dreigende woorden toe te voegen: "Jij bent de volgende", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

poging tot doodslag

Ten aanzien van de feiten 2 en 3:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

5 De strafbaarheid van de feiten

De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot feit 1 op het standpunt gesteld dat verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt. Er was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte door aangever waartegen verdediging noodzakelijk was. De raadsvrouw heeft hiertoe – kort gezegd – het volgende aangevoerd.

Aangever is naar de woning van verdachte gegaan, had een knuppel bij zich en paste explosief geweld toe terwijl hij zeer ernstige bedreigingen uitte. Toen verdachte zijn voordeur opende omdat het buiten even stil was en hij dacht dat aangever weg was, bleek dat aangever zich opgesteld had naast de voordeur van de woning van verdachte. Aangever kwam met de knuppel bovenhands op verdachte af. Verdachte heeft in een flits de riek kunnen pakken die hij in de gang had gezet. Verdachte kon zich aan deze aanval niet onttrekken en heeft zich verdedigd door de riek voor zich te houden. Aangever is vervolgens door zijn eigen dolheid in de riek gevallen en er meerdere malen ingelopen.

De rechtbank overweegt dat een beroep op noodweer niet kan worden aanvaard als de gedraging van degene die zich op noodweer beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als ‘verdediging’, maar – naar de kern bezien – als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht.

De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte niet kunnen worden aangemerkt als ‘verdediging.’ Zij overweegt hiertoe als volgt.

[getuige 5] heeft bij de politie verklaard dat hij zag dat aangever op het voorraam van verdachte bonsde. Aangever deed hierna een paar stappen achteruit. Bijna tegelijkertijd ging de voordeur van verdachte open en liep verdachte met een hooivork in de richting van aangever. Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 5] over het moment waarop verdachte naar buiten kwam nog verklaard dat [benadeelde 1] op dat moment achteruit liep, zo van “oei, wat is dat”.

Ook [getuige 2] heeft niet verklaard dat aangever met een knuppel op verdachte afkwam. Zij verklaarde dat aangever riep “doe godverdomme die deur open want ik kom je dochter verkrachten” en dat ze aan de blik van verdachte zag dat het nu klaar was. Ze zag dat hij naar de hal liep. Ze zag vervolgens dat verdachte met de riek naar voren gericht op aangever afliep.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank niet aannemelijk dat verdachte, zoals aan het beroep op noodweer ten grondslag is gelegd, naar buiten is gegaan omdat hij dacht dat aangever weg was en vervolgens onverwacht door aangever met de knuppel werd aangevallen. De rechtbank stelt vast dat verdachte naar buiten is gegaan en vervolgens aangever, terwijl deze achteruit liep en vervolgens op de grond lag, meermalen heeft gestoken. Onder die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat verdachte zich heeft verdedigd, maar heeft verdachte de aanval gezocht en gekozen voor een ontoelaatbare vorm van eigenrichting. Het beroep van de verdediging op noodweer faalt.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Naast het hiervoor besproken beroep op noodweer heeft de verdediging een beroep gedaan op noodweerexces. Ook dat beroep wordt verworpen, nu geen sprake was van verdediging en het handelen van verdachte als aanvallend moet worden aangemerkt. Verdachte is strafbaar, nu ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat er geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te volgen, gelet op de rol van aangever als agressor en de gevolgen die de aanval door aangever voor verdachte en zijn gezin hebben gehad.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft het slachtoffer meerdere malen met een riek in diens lichaam gestoken. Het slachtoffer heeft als gevolg hiervan zeer ernstig letsel opgelopen. Het had niet veel gescheeld of hij had de aanval met zijn leven moeten bekopen. Door zijn handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Daarbij vond de steekpartij plaats in een woonwijk en zijn omwonenden ongewild met de gevolgen hiervan geconfronteerd. Verdachte heeft ook omwonenden bedreigd. Dit brengt gevoelens van angst en onveiligheid in de buurt en de maatschappij teweeg.

Ook heeft de rechtbank meegewogen dat verdachte op geen enkele wijze zijn verantwoordelijkheid voor het delict heeft genomen en zichzelf vooral ziet als slachtoffer.

Aan de andere kant heeft de rechtbank ook meegewogen dat aangever zich in eerste instantie agressief gedroeg tegen verdachte. Hij is gewapend met een stoelpoot naar de woning van verdachte gegaan en heeft tegen de woning en het hek rond de voortuin van verdachte geslagen. Ook uitte hij bedreigingen richting verdachte, zijn partner en hun dochter.

Alles overwegende vindt de rechtbank dat hier een vrijheidsbenemende straf zoals deze door de officier van justitie is geëist passend en geboden is. Zij legt daarom aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op van 4 jaren. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de straf een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden te koppelen nu de reclassering in haar advies van 11 januari 2018 heeft geadviseerd om, indien een langdurige gevangenisstraf wordt opgelegd, geen voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. In dat geval kan namelijk vanuit het detentie- en reïntegratietraject aan verdachte een aanbod worden gedaan, bijvoorbeeld voor behandeling.

Strafvermindering wegens vormverzuim

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat er op grond van artikel 359a lid 1 van het Wetboek van Strafvordering nadeelcompensatie plaats dient te vinden, nu bij aangever geen bloedproef is afgenomen. Hierdoor kan niet meer worden vastgesteld of aangever een forse hoeveelheid alcohol en verdovende middelen in zijn bloed had, wat zijn buitensporige razernij kan verklaren. Verdachte is hierdoor onherstelbaar in zijn belangen geschaad.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Het Wetboek van Strafvordering geeft immers geen wettelijke basis, anders dan bij een verdachte, voor het afnemen van een bloedproef bij een slachtoffer van een misdrijf. Er is derhalve geen sprake van een vormverzuim. Strafvermindering is dan ook niet aan de orde.

8 Inbeslaggenomen goederen

Riek

De in beslag genomen riek wordt verbeurdverklaard, aangezien dit een voorwerp is met behulp waarvan het strafbare feit is begaan.

Broek en schoenen

Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van de broek en schoenen aan verdachte.

9. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde 1] (feit 1) en [benadeelde 2] (feit 2) hebben zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding.

[benadeelde 1] vordert een bedrag van € 5.000,- voor immateriële schade en een bedrag van

€ 1.184,01 voor materiële schade.

[benadeelde 2] vordert een bedrag van € 300,- voor materiële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van [benadeelde 1] voor wat betreft de materiële schade toe te wijzen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht en met inbegrip van de wettelijke rente. Hij heeft verzocht de vordering met betrekking tot de immateriële schade af te wijzen, nu de vraag moet worden beantwoord of er mogelijk sprake was van eigen schuld bij het slachtoffer. De behandeling van dit onderdeel van de vordering vormt een onevenredige belasting van het strafproces.

Ten slotte heeft de officier van justitie verzocht de vordering van [benadeelde 2] niet-ontvankelijk te verklaren, nu er onvoldoende concrete gegevens omtrent haar psychisch letsel zijn ingebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, mocht het tot een bewezenverklaring komen, gevraagd de vordering van [benadeelde 1] niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen omdat er sprake is van eigen schuld van het slachtoffer. Ook heeft de verdediging een tegenvordering ingediend en stelt zij dat door deze tegenvordering de beoordeling van de vordering van het slachtoffer een onevenredige belasting vormt voor het strafproces en om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Ook de vordering van [benadeelde 2] moet niet-ontvankelijk worden verklaard dan wel afgewezen nu verdachte haar niet heeft bedreigd.

Beoordeling door de rechtbank

Benadeelde partij [benadeelde 1]

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 1 bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht (gedeeltelijk) aansprakelijk is.

In het strafproces kan alleen de benadeelde partij een vordering tot schadevergoeding indienen. Indiening van een tegenvordering behoort dus niet tot de mogelijkheden.

Dat verdachte ook schade heeft geleden als gevolg van het gebeuren op 3 juli 2018, maakt ook niet dat de rechtbank de door de benadeelde partij ingediende vordering niet kan beoordelen.

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij voor een bedrag van € 1.184,01 aan materiële schade heeft geleden, nu de benadeelde partij deze schade met bewijsstukken heeft onderbouwd. Ook is de rechtbank van oordeel dat het gevorderde bedrag van € 5.000,- voor immateriële schade passend is bij de ernst van het bewezenverklaarde feit en het door de benadeelde partij opgelopen letsel.

De rechtbank zal echter niet de volledige schade aan verdachte toerekenen nu het ontstaan van de schade ook gedeeltelijk aan de benadeelde partij kan worden toegerekend. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Het staat vast dat de benadeelde partij gewapend met een stoelpoot naar de woning van verdachte is gegaan, dat hij heeft gescholden, bedreigingen heeft geuit en tegen de woning en het hek van verdachte heeft geslagen. Als de benadeelde partij niet naar de woning van verdachte was gegaan, dan zou het delict niet hebben plaatsgevonden. Dat de situatie is geëscaleerd is dan ook mede het gevolg van een omstandigheid die aan hem kan worden toegerekend. De aan de benadeelde partij toe te rekenen omstandigheid is echter van veel minder betekenis voor het ontstaan van de schade dan het handelen van verdachte. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de schade van de benadeelde partij voor 25% moet worden toegerekend aan het gedrag van de benadeelde partij en dat verdachte aldus voor 75% civielrechtelijk aansprakelijk is voor de gevolgen van het steekincident.

Wat betreft het meer gevorderde zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering. De benadeelde partij kan derhalve haar vordering voor dat deel slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Gelet op het bovenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 4.638,- (75% van € 6.184,01) met inbegrip van de wettelijke rente vanaf 3 juli 2018 ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

Benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] zal niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering, nu ze haar vordering niet heeft onderbouwd met stukken waaruit blijkt dat ze psychisch letsel heeft opgelopen als gevolg van de bedreiging. De benadeelde partij kan derhalve haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

10 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 45, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

11 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

gelast de teruggave van:

- de broek en schoenen van veroordeelde;

verklaart verbeurd:

- de riek.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

 veroordeelt veroordeelde ten aanzien van feit 1, primair tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 1] , van een bedrag van € 4.638,- (vierduizend zeshonderdachtendertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

 verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] , een bedrag te betalen van € 4.638,- (vierduizend zeshonderdachtendertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2018 tot aan de dag der algehele voldoening met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 57 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

 verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.A. van Hoof (voorzitter), mr. C.J.M. van Apeldoorn en

mr. T. Bertens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Bruinsma-Visscher, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 januari 2019.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [naam] , brigadier van de politie Oost Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 201807091504.AGD (Zanker), gesloten op 20 augustus 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 68 en proces-verbaal van bevindingen, p. 71.

3 Proces-verbaal van aanhouding, p. 16 en 17.

4 Letselrapportage, p. 96 tot en met 100.

5 Proces-verbaal van verhoor aangever, p. 59 en 60.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 128 en 129.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 113 en 114.

8 Proces-verbaal van aangifte, [benadeelde 2] , p. 66.

9 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 109.

10 Proces-verbaal van aangifte [benadeelde 3] , p. 62 en 63.

11 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 111.