Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:3259

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-07-2019
Datum publicatie
23-07-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 5909
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bijzondere bijstand. Beleidsregels complete woninginrichting in strijd met Participatiewet.

(Niet-)duurzame gebruiksgoederen onterecht als lening verstrekt. Zelf in de zaak voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 18/5909

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juli 2019

in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. T.P. Boer),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen te Nijmegen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser individuele bijzondere bijstand toegekend in de vorm van een geldlening.

Bij besluit van 30 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard.

Verweerder heeft daarbij het besluit van 3 juli 2018 herroepen en beslist dat de bijzondere bijstand wordt toegekend in de vorm van een lening, welke in aanmerking komt voor kwijtschelding.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door gemachtigden B. Geveling en mr. N.A. van Wingerden.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser ontvangt een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Op 30 mei 2018 heeft eiser, met een urgentieverklaring, een huurwoning toegewezen gekregen in Nijmegen. Op 4 juni 2018 heeft verweerder een aanvraag inkomensondersteuning ontvangen voor de kosten van een complete woninginrichting. Met het primaire besluit heeft verweerder eiser op grond van artikel 48, tweede lid onder b, van de Participatiewet (Pw) in aanmerking gebracht voor incidentele bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening tot een bedrag van € 4.416,-. Met het bestreden besluit handhaaft verweerder de hoogte van het toegekende bedrag, maar legt aan de toekenning een ander artikel ten grondslag, artikel 51, eerste lid, van de Pw, waarbij de lening in aanmerking komt voor kwijtschelding.

2. Eiser stelt dat uit de Beleidsregels Inkomensondersteuning Participatiewet 2017 blijkt dat bijstand voor woninginrichting wordt verstrekt als gift, bij betrokkenen die langer dan drie jaar op of onder het bestaansminimum leven (inkomen op bijstandsniveau). Dit is bij eiser het geval. Daarnaast is het vaste jurisprudentie dat in de term duurzame gebruiksgoederen bij woninginrichting een verdeling zit voor goederen waarbij wel en goederen waarbij niet bijstand in de vorm van een lening kan worden verstrekt. De bijstand dient dus of geheel een gift te zijn, of anders voor een deel.

3. Verweerder verwijst naar artikel B1 van de Beleidsregels Inkomensondersteuning Participatiewet 2018 (hierna: de beleidsregels). Dit artikel heeft enkel betrekking op de verstrekking van bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen en is derhalve niet van toepassing op de verstrekking van bijzondere bijstand voor een complete woninginrichting. Gelet op A6 van de beleidsregels wordt bijzondere bijstand voor een complete woninginrichting per definitie verstrekt als geldlening.

4.1.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

De rechtbank stelt allereerst vast dat het geschil zich toespitst op de vraag of verweerder op goede gronden heeft kunnen besluiten tot toekenning van bijzondere bijstand in de vorm van een lening of dat, zoals eiser stelt, verweerder had dienen te besluiten de bijzondere bijstand (deels) om niet toe te kennen.

4.3.

Wat betreft de vorm van de verleende bijstand is in artikel 48 van de Pw de hoofdregel neergelegd dat bijstand om niet wordt verleend, tenzij de wet anders bepaalt. Ingevolge het tweede lid van artikel 48 van de Pw wordt limitatief opgesomd in welke situaties de bijstand in de vorm van een geldlening kan worden verleend. Verder volgt uit artikel 51, eerste lid, van de Pw dat bijzondere bijstand voor kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen kan worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, dan wel in de vorm van een bedrag om niet.

4.4.

De stelling van eiser dat de bijzondere bijstand (deels) om niet moet worden verstrekt slaagt. Uit de inventarisatielijst, onder het kopje Woningstoffering voor de gehele woning, behorende bij het primaire besluit blijkt dat de toekenning van bijzondere bijstand voor een complete woninginrichting mede ziet op goederen zoals verf en behang. De rechtbank stelt vast dat deze kosten naar hun aard niet als duurzame gebruiksgoederen kunnen worden aangemerkt (zie hiervoor bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 17 februari 2004 en 1 mei 2013).1 Dit betekent dat artikel 51, eerste lid, van de Pw niet van toepassing is op bijzondere bijstand voor een deel van de goederen gesteld onder het kopje Woningstoffering voor de gehele woning. Enkel indien zich een situatie als bedoeld in artikel 48, tweede lid, van de Pw voordoet, kan de bijzondere bijstand voor dit soort goederen in de vorm van een geldlening worden verstrekt. Verweerder heeft zich onder verwijzing naar paragraaf A6 van de beleidsregels op het standpunt gesteld dat bijzondere bijstand voor een complete woninginrichting per definitie als lening wordt verstrekt. De rechtbank is van oordeel dat dit beleidsuitgangspunt zich niet verdraagt met de artikelen 48, eerste lid en 51, eerste lid, van de Pw. Dat verweerder onder meer ter zitting heeft aangegeven dat de lening na verloop in aanmerking kan komen voor kwijtschelding doet hier niet aan af.

4.5.

Het beroep is gegrond. De conclusie uit het voorgaande is dat het verstrekken van bijzondere bijstand als geldlening voor de goederen die onder het kopje Woningstoffering voor de gehele woning vallen in strijd is met het bepaalde in artikel 51 van de Pw. Het bestreden besluit wordt in zoverre derhalve niet gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering, en is in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.6.

De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder in de beleidsregels onder paragraaf B1 heeft bepaald dat duurzame gebruiksgoederen als uitgangspunt in de vorm van een geldlening wordt verstrekt, maar ook onder omstandigheden om niet. De bijstand wordt volgens de vaste gedragslijn van verweerder om niet verleend als belanghebbende direct voorafgaand aan de aanvraag bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen reeds tenminste drie jaar is aangewezen op een inkomen op bijstandsniveau en de aanvraag niet rechtstreeks het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. De rechtbank is van oordeel dat eiser aan beide voorwaarden voldoet. Uit de gedingstukken blijkt dat eiser sedert 31 augustus 2008 een Wajong-uitkering op bijstandsniveau ontvangt en dus reeds langer dan drie jaar op bijstandsniveau leeft en dat in het bestreden besluit is besloten dat er geen sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.

5. Nu een door verweerder nieuw besluit niet tot een andere uitkomst kan leiden ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat eiser recht heeft op individuele bijzondere bijstand tot een bedrag van € 4416,- om niet en de uitspraak in de plaats treedt van het te vernietigen bestreden besluit. Daarnaast zal de rechtbank het primaire besluit herroepen omdat aan dit besluit hetzelfde gebrek, de bijzondere bijstand verlenen in de vorm van een lening, kleeft als aan het bestreden besluit.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van

€ 512,- en een wegingsfactor van 1).

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit van 30 oktober 2018;

-herroept het besluit van 3 juli 2018;

-bepaalt dat eiser recht heeft op individuele bijzondere bijstand tot een bedrag van € 4416,- om niet en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

-gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht groot € 46,- aan hem vergoedt;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in tegenwoordigheid van J. de Graaf, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 19 juli 2019

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 ECLI:NL:CRVB:2004:AO3928 en ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9181