Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:3258

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-07-2019
Datum publicatie
26-08-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2110 en 17_2192
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Handhavingsverzoek i.v.m. geluidsoverlast als gevolg van verkeer van en naar een bedrijf (indirecte geluidhinder). Ten tijde van het besluit waren geen voorschriften ter regulering van indirecte geluidhinder van toepassing, zodat geen sprake was van een overtreding.

Verweerder heeft op een later tijdstip een maatwerkvoorschrift met betrekking tot indirecte geluidhinder vastgesteld. Gelet op het aantal verkeersbewegingen en de geconstateerde geluidhinder heeft verweerder hiervoor een maatwerkvoorschrift op kunnen leggen. Dit maatwerkvoorschrift geldt niet voor een te groot gebied. Ter plaatse van alle woningen waarvoor geluidnormen zijn vastgesteld is het verkeer nog niet opgenomen in het heersend verkeersbeeld. De rechtbank volgt hierbij het StAB-rapport.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid aansluiting heeft kunnen zoeken bij de Schrikkelcirculaire, en in redelijkheid aan de belangen van omwonenden een groter gewicht heeft kunnen toekennen dan aan de bedrijfsbelangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 17/2110 en 17/2192

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 juli 2019

in de zaken tussen

[eiseres/belanghebbende] , te [woonplaats]

Van Werven Holding B.V. (Van Werven), te Oldebroek

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldebroek, verweerder.

[eiseres/belanghebbende] en Van Werven zijn derde-partij in elkaars procedures.

Procesverloop

Per brief van 7 september 2015 (hierna: handhavingsverzoek) heeft [eiseres/belanghebbende] verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen een aantal nader aangeduide bedrijfsactiviteiten van Van Werven waarvan zij geluidsoverlast ondervindt.

Bij besluit van 8 december 2015 (hierna: primaire besluit) heeft verweerder het handhavingsverzoek afgewezen.

Op 7 januari 2016 heeft [eiseres/belanghebbende] bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 14 maart 2017 (hierna: bestreden besluit, kenmerk 276987) heeft verweerder:

a. het bezwaar gegrond verklaard;

b. het primaire besluit herroepen; en

c. aangekondigd om gelijktijdig de procedure te starten voor het opleggen van maatwerkvoorschriften met betrekking tot verkeersgeluid.

Op 14 maart 2017 heeft verweerder ook een voornemenbesluit genomen (kenmerk: 277871).

In dit voornemenbesluit heeft verweerder aangegeven voornemens te zijn om – conform het verzoek van Van Werven van 2 mei 2014 – aan Van Werven maatwerkvoorschriften op te leggen.

Op 24 april 2017 heeft [eiseres/belanghebbende] beroep tegen het bestreden besluit ingesteld. Dit beroep staat bekend onder zaaknummer 17/2110.

Op 26 april 2017 heeft Van Werven beroep tegen het bestreden besluit ingesteld. Dit beroep staat bekend onder zaaknummer 17/2192.

Bij besluit van 19 september 2017 (kenmerk: 295381) heeft verweerder aan Van Werven een maatwerkvoorschrift opgelegd. Partijen hebben in oktober 2017 hiertegen bezwaar gemaakt. Deze bezwaren zijn doorgezonden naar de rechtbank om te betrekken bij de behandeling van de beroepen.

Op 1 november 2017 zijn de beroepen behandeld tijdens een comparitie.

De rechtbank heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: StAB) bij brief van 21 februari 2018 gevraagd om een advies uit te brengen.

Op 8 mei 2018 heeft de StAB een advies uitgebracht.

Partijen hebben gereageerd op dit advies. De rechtbank heeft de StAB bij brief van 18 januari 2019 verzocht om een reactie op deze zienswijzen.

Op 25 januari 2019 heeft de StAB gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2019. De beroepen in deze zaak zijn tegelijk behandeld met de beroepen in de zaken met zaaknummers 17/2112 en 19/200. [eiseres/belanghebbende] is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, mr. A. Tubbing, mr. K. Alends en S.G.J. Epskamp. Namens Van Werven is A. van der Giessen verschenen, bijgestaan door D. Zuidema en gemachtigde mr. J.A. Mohuddy.

Overwegingen

Inleiding

1. Van Werven exploiteert op het perceel Verlengde Looweg 7 in Oldebroek een inrichting. De hoofdactiviteiten bestaan uit stalling, onderhoud en revisie van grondverzetmaterieel en vrachtwagens en de opslag van rijplaten, containers en olieproducten. Het (vracht)verkeer kan de inrichting vanuit noordelijke en zuidelijke richting over de Verlengde Looweg bereiken.

[eiseres/belanghebbende] woont aan de noordzijde van de inrichting aan de Verlengde Looweg 1 op een afstand van ongeveer 190 meter van de uitweg van het bedrijf. Zij ondervindt geluidhinder van het zware verkeer, met name in de (vroege) ochtendperiode wanneer materieel vanuit het bedrijf naar bouwplaatsen wordt gereden.

[eiseres/belanghebbende] vindt dat maatregelen moeten worden getroffen om deze geluidhinder ter hoogte van haar woning te beperken. Van Werven vindt dat (maatwerk)voorschriften met betrekking tot de verkeersbewegingen de exploitatie van haar bedrijf teveel belemmeren.

De besluitvorming in deze zaak is wat rommelig verlopen. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit niet behelst dat tot handhaving wordt overgegaan en daarom geen handhavingsbesluit is. Er wordt slechts in aangekondigd dat verweerder voornemens is over te gaan tot het opleggen van een maatwerkvoorschrift dat handhaving mogelijk maakt. Anders dan verweerder kennelijk meent, kan dit niet worden aangemerkt als een vorm van handhaving.

In deze uitspraak zal de rechtbank dus twee vragen bespreken:

  1. Is verweerder terecht niet tot handhaving overgegaan naar aanleiding van het handhavingsverzoek van [eiseres/belanghebbende] met betrekking tot de geluidhinder van verkeer van en naar de inrichting?;

  2. Heeft verweerder een maatwerkvoorschrift als omschreven in het besluit van 19 september 2017 aan Van Werven mogen opleggen?

Gelet op de rommelige besluitvorming en het verhandelde ter comparitie zal de rechtbank op de voet van artikel 6:13 van de Awb partijen niet verwijten dat zij ten aanzien van het besluit van 19 september 2017 de bezwaarprocedure niet hebben voltooid. De rechtbank zal uit een oogpunt van proceseconomie de beroepen tegen dit besluit dan ook behandelen.

Goede procesorde

2. Eerst echter een vraag over de goede procesorde. Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend. Ter zitting heeft verweerder wel een (uitvoerige) pleitnota overgelegd en deze voorgedragen. Van Werven heeft bezwaren tegen deze werkwijze, omdat zij zich niet heeft kunnen voorbereiden op wat verweerder in deze pleitnota heeft aangevoerd. Volgens Van Werven is dit in strijd met de goede procesorde.

3. De rechtbank is afgestapt van het laten voordragen van pleitnota’s. De rechtbank heeft verweerder in deze zaak toch de pleitnota voor laten dragen omdat hierin ook wordt ingegaan op de (complexe) voorgeschiedenis van deze zaak. De rechtbank is het met Van Werven eens dat – zeker gelet op deze (procedurele) complexiteit van deze zaken en de andere zaken tussen partijen die lopen bij de rechtbank – het de voorkeur had verdiend dat verweerder in plaats van een pleitnota een verweerschrift had opgestuurd, met een overzicht van alle relevante correspondentie en besluiten (met kenmerk) zoals deze zijn opgenomen in de pleitnota. Er worden in de pleitnota echter geen andere standpunten ingenomen dan in het bestreden besluit. Bovendien betreft het onderwerpen die verweerder ook zonder een pleitnota tijdens de behandeling op de zitting aan de orde had kunnen stellen. Van Werven heeft ter zitting ook kunnen reageren op wat verweerder heeft aangevoerd.

De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de pleitnota wegens strijd met de goede procesorde niet bij zijn oordeel te betrekken.

Vraag 1: Is verweerder terecht niet tot handhaving overgegaan?

4. [eiseres/belanghebbende] heeft in haar handhavingsverzoek verweerder verzocht passende maatregelen te nemen in verband met geluidhinder van verkeer van en naar de inrichting. Hierop heeft verweerder geen handhavingsbesluit genomen. Naar aanleiding van het besluit van verweerder op een handhavingsverzoek van 5 april 2018, dat zag op een gestelde incomplete melding, is nog een andere beroepsprocedure aanhangig bij deze rechtbank onder nummer 18/6400.

5. Tussen partijen is in geschil of ten tijde van het bestreden besluit ten aanzien van het verkeer van en naar de inrichting wel sprake was van een overtreding.

De rechtbank stelt vast dat de milieuvergunning uit 2005 geen voorschriften bevatte over verkeer van en naar de inrichting. Het maatwerkvoorschrift hierover is pas bij besluit van 19 september 2017 opgelegd. Ten tijde van belang waren er dus geen voorschriften over het verkeer van en naar de inrichting die Van Werven kon overtreden. Verweerder is (in zoverre) dus terecht niet tot handhaving overgegaan.

Conclusie vraag 1

6. Verweerder is terecht niet tot handhaving overgegaan. Wel heeft verweerder ten onrechte bij het bestreden besluit het primaire besluit herroepen, zonder daarvoor in de plaats een nieuw besluit te nemen. Indien sprake is van een verzoek om handhaving en verweerder herroept het primaire besluit daarop, moet hij in bezwaar meteen een nieuw besluit daarop nemen. Dat besluit kan hij niet ‘aanhouden’ in afwachting van een ander besluit over maatwerkvoorschriften. Om die reden is het beroep van [eiseres/belanghebbende] tegen het bestreden besluit gegrond en dient dat besluit te worden vernietigd.

De rechtbank ziet aanleiding om op dit punt zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar van [eiseres/belanghebbende] tegen het primaire besluit van 8 december 2015 ongegrond te verklaren. Dit betekent dat verweerder geen nieuw besluit hoeft te nemen.

Omdat het bestreden besluit geen besluit is om ten opzichte van Van Werven te handhaven noch een besluit tot het opleggen van maatwerkvoorschriften, is het beroep van Van Werven tegen dit besluit niet ontvankelijk. Omdat bij het bestreden besluit geen handhavingsverzoek is genomen en het besluit niet behelst het opleggen van maatwerkvoorschriften, heeft het geen rechtsgevolgen voor Van Werven en treft het Van Werven niet in zijn belang.

Het vervolg

7. Hierna zal de rechtbank de beroepen tegen het maatwerkbesluit behandelen. Daartoe zal zij eerst de voorliggende vraag bespreken of de inrichting van Van Werven een type C-inrichting is, zoals [eiseres/belanghebbende] betoogt, of een type B-inrichting, zoals verweerder en Van Werven betogen. Daarna komt de vraag aan de orde of verweerder terecht een maatwerkvoorschrift heeft opgelegd. Bij de beantwoording van deze vraag speelt een vijftal sub vragen, te weten of verweerder daarbij buiten de aanvraag is getreden, of hier sprake was van een bijzonder of incidenteel geval waardoor van het instrument maatwerkvoorschrift gebruik kon worden gemaakt, of verweerder voor een te groot gebied een maatwerkvoorschrift heeft opgelegd, of het maatwerkvoorschrift duidelijk en handhaafbaar is en of verweerder bij afweging van de belangen in redelijkheid tot dit maatwerkvoorschrift heeft kunnen komen.

Type B- of C-inrichting?

8. [eiseres/belanghebbende] betoogt dat de inrichting vergunningplichtig is vanwege de activiteiten die worden verricht met betrekking tot afvalinzameling.

9. In categorie 28.10 van bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) staat het volgende:

Als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van dit besluit, worden aangewezen de inrichtingen voor nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen, met de volgende uitzonderingen:

(…);

4a°. het opslaan, herverpakken, verkleinen en ontwateren van afvalstoffen voor zover daarmee uitvoering wordt gegeven aan titel 10.4 van de Wet milieubeheer;

(…).

10. Onderdeel van de werkzaamheden binnen de inrichting vormt het tijdelijk opslaan van containers gevuld met huishoudelijk en GFT-afval dat in de gemeenten Elburg en Oldebroek is ingezameld. Deze containers worden vervolgens (in 3-voud) met een vrachtwagen vervoerd naar de afvalverwerker. Van Werven voert deze werkzaamheden samen met Aconov uit in opdracht van deze gemeenten.

De rechtbank is van oordeel dat met deze activiteiten uitvoering wordt gegeven aan titel 10.4 van de Wet milieubeheer, het beheer van huishoudelijke en andere afvalstoffen, en dat deze activiteiten daardoor vallen onder de uitzondering op de vergunningplicht zoals opgenomen in categorie 28.10, onder 4a van bijlage I Bor.

De inrichting is daarom geen type C-inrichting maar een type B-inrichting, die valt onder de werking van het Activiteitenbesluit.

Vraag 2: Is het maatwerkvoorschrift terecht opgelegd?

Is verweerder buiten de aanvraag getreden?

11. Van Werven betoogt dat verweerder ten onrechte het oude maatwerkverzoek van Van Werven heeft ‘gerecycled’. Dit verzoek is volgens Van Werven achterhaald. Verweerder heeft verder het bij dat verzoek gevoegde geluidonderzoek van SPA ten onrechte ten grondslag gelegd aan haar besluit om een maatwerkvoorschrift op te leggen, aldus Van Werven.

11.1.

In het besluit van 19 september 2017 heeft verweerder weliswaar aangegeven dat dit besluit is gebaseerd op de aanvraag die in het geluidonderzoek van SPA was opgenomen, maar dit laat onverlet dat verweerder ook los van een aanvraag maatwerkvoorschriften kan vaststellen. Verweerder mocht dus ook op grond van een eigen afweging en eigen geluidsonderzoek een maatwerkvoorschrift vaststellen en was niet gebonden aan de reikwijdte van het verzoek om maatwerkvoorschriften dat Van Werven heeft gedaan. Verweerder heeft dit ook gedaan. Hij heeft een eigen geluidsonderzoek laten uitvoeren door de omgevingsdienst en dit aan het maatwerkvoorschrift ten grondslag gelegd.

De beroepsgrond slaagt niet.

Bijzonder of incidenteel geval?

12. Van Werven betoogt – onder verwijzing naar de Nota van Toelichting bij het Activiteitenbesluit (p. 116 en 117) en overweging 4.1 uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:95) – dat gezien de specifieke werkingssfeer van het instrument maatwerkvoorschrift, het gebruik van dit instrument tot bijzondere en incidentele gevallen beperkt dient te blijven. Dit geval is niet bijzonder of incidenteel, aldus Van Werven.

12.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het geluidonderzoek van de omgevingsdienst en de verwijzingen naar de circulaire “Beoordeling geluidhinder wegverkeer in verband met vergunningverlening w.m.” (hierna: Schrikkelcirculaire) afdoende heeft gemotiveerd dat als gevolg van het (vracht)verkeer van en naar de inrichting zulke nadelige gevolgen ontstaan voor het woon- en leefklimaat van aanwonenden van de Verlengde Looweg dat daarom sprake is van een bijzonder en incidenteel geval waarvoor maatwerkvoorschriften opgelegd kunnen worden. Daarbij wordt in het bijzonder gewezen op een gemeten gevelbelasting bij eiseres van 50 dB(A) in de nachtperiode, terwijl de voorkeursgrenswaarde 10 dB(A) lager ligt. Ook de waarde voor het binnenniveau van 25 dB(A) wordt overschreden, en wel met 7 dB. Deze geluidbelasting wordt blijkens het rapport van de omgevingsdienst veroorzaakt door een aanzienlijk aantal voertuigen van en naar de inrichting van Van Werven, dat tussen 4.00 en 7.00 uur de woning passeert: 4 vrachtwagens, 5 hydraulische kranen, 5 tractoren, 2 shovels, 8 pick-ups/busjes en 9 personenwagens.

Dat hier sprake is van een bijzonder geval wordt verder bevestigd door de metingen in het StAB-rapport, waarin is aangegeven dat van de 1087 passages op 17 april tussen 05.00 - 12.00 en 13.00 - 17.30, 313 voertuigen van en naar Van Werven reden. Deze 313 voertuigen bestonden uit 227 personenwagens, 2 motorfietsen en 84 vrachtwagens/zwaar materieel. Het betreft dus een aanzienlijk aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting, die bovendien een groot deel uitmaken van het verkeer op dit deel van de Verlengde Looweg. Anders dan Van Werven betoogt is er niet uitsluitend sprake van een bijzonder geval indien geklaagd is over indirecte geluidhinder; dat heeft verweerder ook niet gesteld.

De conclusie is dan ook dat verweerder, gelet op dit bijzondere geval, gebruik heeft mogen maken van het instrument maatwerkvoorschrift.

De beroepsgrond slaagt niet.

Is voor een te groot gebied een maatwerkvoorschrift opgelegd?

13. Van Werven betoogt – onder verwijzing naar de notitie van LBP Sight – dat het af- en aanrijdende werkverkeer reeds op 139 meter van de inrit is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Daaruit volgt dat verweerder niet bevoegd was om een maatwerkvoorschrift op te leggen voor de woningen die verder dan 139 meter van de inrit liggen, waaronder de woning van [eiseres/belanghebbende] . Volgens Van Werven dient in het maatwerkvoorschrift ook een onderscheid te worden gemaakt per voertuigcategorie, omdat bepaalde voertuigen die van en naar de inrichting rijden – zoals tractoren, kranen en shovels – eerder in het heersende verkeersbeeld zijn opgenomen dan vrachtwagens. Voor de verder van de inrit weg gelegen woningen zou daarom geen maatwerkvoorschrift moeten gelden voor andere voertuigen dan vrachtwagens.

13.1.

Zoals de Afdeling heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 23 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1696), heeft verweerder beleidsruimte bij het nemen van de beslissing om maatwerkvoorschriften te stellen. Indien wordt besloten tot het stellen daarvan, heeft verweerder beoordelingsruimte bij de vaststelling van wat nodig is ter bescherming van het milieu.

De Afdeling heeft in onder meer de uitspraak van 11 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2294) overwogen dat de gevolgen voor het milieu van het af- en aanrijdende verkeer niet meer aan het in werking zijn van een inrichting kunnen worden toegerekend, indien dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Hiervan is sprake wanneer het af- en aanrijdende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer dan wel nog niet onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden.

13.2.

De rechtbank heeft de StAB verzocht om te onderzoeken op welk punt de gemiddelde snelheid van de vertrekkende voertuigen gelijk is aan de snelheid van de overige voertuigen op de Verlengde Looweg, en om aan te geven op welk punt de voertuigen die de inrichting benaderen beginnen met remmen.

De bevoegdheid van verweerder om een maatwerkvoorschrift met betrekking tot verkeer van en naar de inrichting op te leggen is naar het oordeel van de rechtbank namelijk begrensd tot het punt waar het verkeer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld.

13.3.

De StAB heeft in het advies van 8 mei 2018 aangegeven dat de gemiddelde snelheid van vertrekkende voertuigen pas na een afstand van ongeveer 250 meter van de in-/uitrit van Van Werven gelijk is aan de snelheid van de overige voertuigen op de Verlengde Looweg.

De aankomende voertuigen beginnen ongeveer 170 meter voor de inrit met het minderen van snelheid. Naar aanleiding van de door Van Werven ingebrachte notitie van LBP Sight van 11 juni 2018 heeft de StAB nog een nadere berekening uitgevoerd en geconcludeerd dat de afstand van 250 meter een afstand van 205 meter zou worden indien wordt gecorrigeerd voor overschrijders van de maximale snelheid op de Verlengde Looweg. De rechtbank is echter van oordeel dat er geen noodzaak is voor deze correctie aangezien ‘het heersende verkeersbeeld’ zo veel mogelijk de werkelijke verkeerssituatie dient te benaderen. Om dezelfde reden volgt de rechtbank evenmin het standpunt van Van Werven dat de StAB ten onrechte heeft gekeken naar de voertuigen die zich daadwerkelijk op de Verlengde Looweg bevonden, en niet heeft gekeken naar de voertuigen die zich daar zouden kunnen bevinden.

De wijze waarop de StAB op verzoek van de rechtbank de reikwijdte van de indirecte hinder heeft benaderd (op basis van de snelheid) is ook volgens het door [eiseres/belanghebbende] ingebrachte rapport van Noordelijk Akoestisch Adviesburo BV van 1 februari 2019 één van de methoden die daarvoor kan worden gebruikt. Zij baseert zich daarbij op de regels uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening.

13.4.

Uit het rapport van de StAB blijkt dat het vrachtverkeer dat de inrichting verlaat zich op 250 meter afstand van de inrit niet langer onderscheidt van het overige verkeer. Alle woningen waarvoor een maatwerkvoorschrift is opgelegd liggen binnen deze afstand. De afstand van de inrit van het bedrijf tot de Zuiderzeestraatweg 327 bedraagt namelijk ongeveer 245 meter.

De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder een maatwerkvoorschrift heeft kunnen opleggen voor zowel de woningen aan de Verlengde Looweg als de woning aan de Zuiderzeestraatweg 327, los van de inhoud van die voorschriften. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder bevoegd was om een maatwerkvoorschrift op te leggen voor al het verkeer van de inrichting, ook al geldt voor sommige voertuigen dat deze eerder in het heersende verkeersbeeld zijn opgenomen dan vrachtwagens. De omstandigheid dat vrachtwagens pas na 250 meter zijn opgenomen in het heersend verkeersbeeld, en dat er dus sprake is van indirecte geluidhinder binnen dat gebied, betekent daarom dat in dit gebied voor alle voertuigen van de inrichting een maatwerkvoorschrift kan worden opgenomen. Een onderscheid per voertuigcategorie is niet aan de orde.

De beroepsgrond slaagt niet.

Is het voorschrift duidelijk en handhaafbaar?

14. Van Werven betoogt dat de voorschriften in het besluit van 19 september 2017 onduidelijk en niet handhaafbaar zijn.

14.1.

De rechtbank stelt vast dat in het besluit van 19 september 2017 wordt verwezen naar het maatwerkverzoek uit de melding van 2014 en dat de letterlijke tekst van dit maatwerkverzoek, zoals opgenomen in het akoestisch onderzoek van SPA, in het besluit cursief wordt weergegeven:

“De geluidniveaus veroorzaakt door het verkeer op de openbare weg dienen beoordeeld te worden volgens de circulaire van de minister van VROM van 29 februari 1996. Bij de woning aan de Verlengde Looweg 5 dienen equivalente geluidniveaus beperkt te blijven tot 46/43 dB(A) in de avond-/nachtperiode. In de dagperiode dienen de equivalente geluidniveaus te voldoen aan de grenswaarden uit de circulaire.

Bij de woningen aan Verlengde Looweg 1, 1A, 3 en 3A en de Zuiderzeestraatweg 327 dienen equivalente geluidniveaus in de dag-/avondperiode te voldoen aan de grenswaarden uit de Schrikkelcirculaire.

In de nachtperiode dienen de equivalente geluidniveaus bij de woningen aan Verlengde Looweg 1A, 3, 3A en de Zuiderzeestraatweg 327 beperkt te blijven tot 41 dB(A).

Bij de woning aan de Verlengde Looweg 1 dienen de equivalente geluidniveaus in de nachtperiode beperkt te blijven tot 42 dB(A).”

Verder vermeldt het besluit dat op 14 maart van dat jaar het voornemenbesluit is genomen om het eerder door Van Werven aangevraagde maatwerkvoorschrift thans aan Van Werven op te leggen, en dat de daartegen ingebrachte zienswijzen worden afgewezen, met verwijzing naar de bijgesloten motivering.

14.2.

In een tabel weergegeven staat in het besluit van 19 september 2017 dan ook dat Van Werven dient te voldoen aan de volgende equivalente geluidsniveaus:

Dagperiode

Avondperiode

Nachtperiode

Verlengde Looweg 5

Grenswaarde circulaire

(= 50 dB(A))

46 dB(A)

43 dB(A)

Verlengde Looweg 1A, 3, 3A en Zuiderzeestraatweg 327

Grenswaarde circulaire

(= 50 dB(A))

Grenswaarde circulaire

(= 45 dB(A))

41 dB(A)

Verlengde Looweg 1

Grenswaarde circulaire

(= 50 dB(A))

Grenswaarde circulaire

(= 45 dB(A))

42 dB(A)

De in de Schrikkelcirculaire genoemde voorkeursgrenswaarden zijn 50/45/40 dB(A) in de dag-/avond-/nachtperiode (etmaalwaarde 50 dB(A)). De bij eiseres geldende grenswaarden zijn 50/45/42 dB(A) en door de hogere waarde in de nachtperiode resulteert dit in een etmaalwaarde van 52 dB(A). De etmaalwaarde is immers de hoogste van de volgende drie waarden: a. de waarde voor de dagperiode, b. de waarde voor de avondperiode + een straffactor van 5, of c. de waarde voor de nachtperiode + een straffactor van 10.

De rechtbank is van oordeel dat het maatwerkvoorschrift voldoende duidelijk is.

14.3.

De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat het maatwerkvoorschrift niet handhaafbaar of rechtsonzeker is. Verweerder heeft aangegeven dat met camera’s kan worden vastgelegd welke voertuigen van Van Werven afkomstig zijn, zodat in geluidmetingen andere voertuigen op de Verlengde Looweg buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Verweerder heeft er bovendien voor kunnen kiezen om het maatwerkvoorschrift voor al het verkeer van en naar de inrichting te laten gelden. Uit artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit volgt dat voorschriften kunnen worden opgelegd voor al het verkeer van en naar de inrichting, dus ook voor personenverkeer.

Indien onduidelijkheid bestaat over het aantal voertuigbewegingen dat plaats kan vinden zonder de geluidwaarden te overschrijden, kan hierover afstemming worden gezocht met verweerder. Deze onduidelijkheid maakt niet dat verweerder af had moeten zien van maximale geluidwaarden, en bijvoorbeeld het aantal voertuigbewegingen had moeten maximeren.

De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft een volledige en juiste belangenafweging plaatsgevonden?

15. Van Werven betoogt dat verweerder de gevolgen van het maatwerkvoorschrift voor haar bedrijfsvoering onvoldoende heeft onderzocht en meegewogen. Volgens Van Werven betekent het voorschrift dat zij haar verkeer niet langer in noordelijke richting kan laten rijden, en al het verkeer in zuidelijke richting moet vertrekken. Niet is gekeken naar de gevolgen van deze maatregel voor de woningen die aan deze zijde liggen. Volgens Van Werven zijn de belangen van deze omwonenden en de bedrijfsbelangen van Van Werven onvoldoende meegewogen, en in het bijzonder de belangen die Van Werven heeft bij het behouden van flexibiliteit en het voorkomen van omwegen en het belang bij het tijdig kunnen vertrekken met materieel vanuit de inrichting. In de bouw moet materieel vaak om 07.00 uur aanwezig zijn op de bouwlocatie, waardoor het bouwverkeer reeds in de nachtelijke uren moet vertrekken, aldus Van Werven.

15.1.

Verweerder komt beleidsruimte toe bij de beantwoording van de vraag of het gebruik zal maken van de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Verweerder dient daarbij een belangenafweging te maken. Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3463).

15.2.

Van een onevenredige aantasting van de bedrijfsbelangen is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Weliswaar legt het maatwerkvoorschrift beperkingen op aan Van Werven, met name voor wat betreft het aantal zware voertuigbewegingen in de nachtperiode, maar met wat Van Werven heeft aangevoerd is niet aannemelijk gemaakt dat er geen mogelijkheden zouden zijn om de bedrijfsvoering zodanig aan te passen dat aan de voorschriften kan worden voldaan.

Verweerder heeft bovendien geen doorslaggevende betekenis hoeven toekennen aan de belangen van bewoners aan de zuidzijde, reeds omdat niet is gebleken dat binnen het invloedsgebied van de inrichting aan deze zijde woningen aanwezig zijn, anders dan de bedrijfswoning die behoort bij de inrichting (Verlengde Looweg 9).

15.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder verder in redelijkheid aansluiting kunnen zoeken bij de voorkeursgrenswaarden uit de Schrikkelcirculaire, en in redelijkheid uit kunnen gaan van de hogere grenswaarden in de nachtperiode en – voor Verlengde Looweg 5 – de avondperiode. Daarbij heeft verweerder de correctie van 2,3 dB(A) in verband met de onjuiste rekenmethode in het geluidonderzoek van SPA buiten beschouwing kunnen laten.

Zoals Van Werven terecht aangeeft biedt de Schrikkelcirculaire ruimte om (nog) hogere grenswaarden vast te stellen. Dit betekent echter niet dat verweerder er niet voor kan kiezen om vast te houden aan de voorkeursgrenswaarden of daar dicht bij in de buurt te blijven, en in zoverre de belangen van omwonenden bij een goed woon- en leefklimaat zwaarder te laten wegen dan de bedrijfsbelangen van Van Werven. Uit de Schrikkelcirculaire blijkt dat verweerder bij het toestaan van overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarden rekening dient te houden met de geldende grenswaarden uit de Wet geluidhinder, waaronder de maximaal toelaatbare binnenwaarde. Om die reden heeft verweerder de hogere grenswaarde in de nachtperiode kunnen aanmerken als nog net toelaatbaar.

15.4.

[eiseres/belanghebbende] betoogt dat er onvoldoende aanleiding bestond om ter hoogte van haar woning meer geluidruimte toe te staan dan de voorkeursgrenswaarde uit de Schrikkelcirculaire en dat verweerder haar belangen dus onvoldoende heeft laten meewegen.

15.5.

Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen heeft verweerder in redelijkheid het maatwerkvoorschrift op de aangegeven geluidwaarden kunnen stellen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder voor de woning van [eiseres/belanghebbende] in de nachtperiode een waarde van 40 dB(A) op had moeten leggen, in plaats van 42 dB(A). Uit het geluidrapport van de omgevingsdienst blijkt immers dat daarmee voldaan wordt aan de binnenwaarde uit de Schrikkelcirculaire van 25 dB(A). Bovendien heeft verweerder bij het vaststellen van de geluidwaarden ook rekening gehouden en moeten houden met de belangen van Van Werven, zoals hiervoor door de rechtbank is overwogen.

De beroepsgronden van zowel Van Werven als [eiseres/belanghebbende] slagen niet.

Conclusie vraag 2:

16. Uit al het voorgaande volgt dat verweerder het maatwerkvoorschrift heeft mogen opleggen, zoals hij heeft gedaan.

Het beroep van [eiseres/belanghebbende] en Van Werven tegen het besluit van 19 september 2017 tot het opleggen van maatwerkvoorschriften is ongegrond.

Proceskosten

17. Gelet op de wijze waarop verweerder de besluitvorming in deze zaken heeft ingericht, ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van [eiseres/belanghebbende] en Van Werven. Voor [eiseres/belanghebbende] stelt de rechtbank de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.792 (2 x 1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 2 x 0,5 punt voor het verschijnen op de comparitie, en 0,5 punt voor de zienswijze op het StAB-rapport, met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1). Verder komen de door eiseres opgegeven reiskosten van € 19,32 voor vergoeding in aanmerking.

Voor Van Werven stelt de rechtbank de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.816 (2 x 1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 2 x 0,5 punt voor het verschijnen op de comparitie, 0,5 punt voor de zienswijze op het StAB-rapport en 2 x 1 punt voor het verschijnen op de comparitie en ter zitting, met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1).

De rechtbank bepaalt dat verweerder het door [eiseres/belanghebbende] en Van Werven betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep van Van Werven tegen het bestreden besluit van 14 maart 2017 niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep van [eiseres/belanghebbende] tegen het bestreden besluit van 14 maart 2017 gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit van 14 maart 2017;

  • -

    verklaart het bezwaar van [eiseres/belanghebbende] tegen het primaire besluit van 8 december 2015 ongegrond;

  • -

    bepaalt dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit van 14 maart 2017;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van [eiseres/belanghebbende] tot een bedrag van € 1.811,32;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van Van Werven tot een bedrag van € 2.816;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door Van Werven betaalde griffierecht van € 333 vergoedt;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door [eiseres/belanghebbende] betaalde griffierecht van € 168 vergoedt;

  • -

    verklaart het beroep van Van Werven en [eiseres/belanghebbende] tegen het besluit van 19 september 2017 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.S.T. Belt, voorzitter, mr. drs. J.H. van Breda en mr. J.J.W.P. van Gastel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Mengerink, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 19 juli 2019

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.