Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:3245

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-07-2019
Datum publicatie
22-07-2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 120
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzuimboete Motorrijtuigenbelasting terecht opgelegd, maar hoogte niet passend en geboden. 50% matiging, gelet op de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 23-07-2019
V-N Vandaag 2019/1773
FutD 2019-2157
V-N 2019/49.27.17
NTFR 2019/1985
NLF 2019/1840 met annotatie van
NLF 2019/1840 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 19/120

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 juli 2019

in de zaak tussen

[X] , te [Z] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Apeldoorn, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak 29 juli 2016 tot en met 28 juli 2017 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [000] .Y.6.90001) motorrijtuigenbelasting opgelegd van € 1.812, alsmede bij beschikking een verzuimboete van € 1.812.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 9 november 2018 de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 17 december 2018, ontvangen door de rechtbank op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2019. Eiser is verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] en [A] .

Eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is blijkens de kentekenregistratie vanaf 13 april 2016 houder van het motorrijtuig met het kenteken [AA-000-B] , merk Nissan Navara (het motorrijtuig).

2. Eiser voldeed de belasting naar het zogenoemde bestelautotarief voor ondernemers (artikel 24b van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB)).

3. Bij controle op 9 mei 2017 is door toezichtmedewerkers van de Belastingdienst geconstateerd dat het motorrijtuig niet voldeed aan de inrichtingseisen van een bestelauto met dubbele cabine.

4. Op 7 maart 2018 heeft er een onderzoek inrichtingseisen plaatsgevonden, waarbij geconstateerd is dat het motorrijtuig inderdaad niet voldoet aan de inrichtingseisen om aangemerkt te kunnen worden als een bestelauto. Het motorrijtuig is een personenauto als bedoeld in de Wet MRB.

5. Eiser heeft, zodra hij op de hoogte was van deze constatering, de huif verwijderd om alsnog aan de eisen te voldoen.

6. Met dagtekening 2 mei 2018 is een brief “Kennisgeving toepassing bestelautotarief voor ondernemers” aan eiser gezonden waarin vermeld staat dat met ingang van 29 april 2018 het bestelautotarief weer wordt toegepast voor het motorrijtuig.

7. Met dagtekening 3 mei 2018 is onderhavige naheffingsaanslag/boetebeschikking opgelegd over de periode 29 juli 2016 tot en met 28 juli 2017.

Geschil

8. In geschil is of de boete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. De naheffingsaanslag zelf is niet in geschil.

Beoordeling van het geschil

Boete

9. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan hem opgelegde verzuimboete van € 1.812 (100% van de naheffingsaanslag) onevenredig is. Er is onvoldoende rekening gehouden met strafverminderende omstandigheden. Daarbij heeft eiser naar voren gebracht dat hij, nadat het duidelijk geworden was dat zijn motorrijtuig niet voldeed aan de door de Wet MRB gestelde eisen voor een bestelauto, de huif direct heeft verwijderd. Dit heeft geleid tot waardevermindering van zijn motorrijtuig. Eiser wist niet dat zijn motorrijtuig niet voldeed. De vorige eigenaar van het voertuig had hem bij aankoop verzekerd dat het verlaagde tarief van toepassing was, omdat de huif afneembaar was. Eiser heeft uit contact met de RDW de indruk gekregen dat het verlaagde tarief van toepassing was. Tevens heeft eiser uit een stroomschema op de website van de Belastingdienst afgeleid dat zijn voertuig zou voldoen aan de fiscale inrichtingseisen voor een bestelauto. Tot slot is eiser van mening dat meegewogen moet worden dat de controleur niet zorgvuldig en transparant naar eiser toe heeft geopereerd.

10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de opgelegde verzuimboete een vorm van straftoemeting is, maar als voornaamste doel heeft een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen in te scherpen. Het enkele daar niet aan voldoen rechtvaardigt in beginsel boete van 100 %. Van afwezigheid van alle schuld (avas) is geen sprake. Eiser is zelf verantwoordelijk voor het betalen van het juiste verschuldigde bedrage aan belasting. Voor matiging van de boete is geen aanleiding.

11. De rechtbank stelt voorop dat de motorrijtuigenbelasting een aangiftebelasting is en dat de houder van een motorrijtuig verantwoordelijk is voor het doen van de juiste aangifte. Dit brengt in beginsel mee dat eiser als houder van zijn motorrijtuig zich bij aanschaf (en ook nadien) ervan had moeten vergewissen of zijn motorrijtuig voldeed aan de inrichtingseisen die de fiscale wetgeving stelt aan de gebruikmaking van de regeling om in aanmerking te komen voor het lage tarief voor bestelauto’s voor ondernemers.

12. De rechtbank overweegt dat de opgelegde boete is vastgesteld op grond van artikel 37 van de Wet MRB, in samenhang met artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en paragraaf 34, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB). Een verzuimboete heeft tot doel een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen in te scherpen. Het enkele niet voldoen aan de fiscale verplichting rechtvaardigt in beginsel een verzuimboete. In dit geval is komen vast te staan dat de auto niet voldeed aan de inrichtingseisen om in aanmerking te komen voor het gunstige bestelautotarief en dat daarvoor terecht een naheffingsaanslag is opgelegd. In beginsel is dan ook terecht een verzuimboete opgelegd.

13. Op de regel dat de enkele overtreding van de wettelijke bepaling voldoende is voor het opleggen van een verzuimboete, is in de jurisprudentie uitzondering gemaakt voor de situatie dat een belastingplichtige geen enkel verwijt kan worden gemaakt, dat sprake is van avas. Van een dergelijke situatie is, ondanks het betoog van eiser, geen sprake. Er zijn geen omstandigheden die zijn ontstaan buiten toedoen van eiser en waarop hij geen invloed kon uitoefenen, zodat niet kan worden gezegd dat sprake is van avas. Eiser heeft naar voren gebracht dat hij vertrouwd heeft op mededelingen van de vorige eigenaar, de RDW en een stroomschema van de Belastingdienst. Op eiser rustte echter als belastingplichtige die gebruik wil maken van een gunstige regeling de verplichting dat hij zich voorafgaande aan het belastbare feit goed laat informeren door de juiste fiscale instantie en dat hij zich bij onduidelijkheden extra inspanningen getroost om de reikwijdte van een regeling te doorgronden. In dat verband mocht hij niet vertrouwen op mededelingen van de verkoper of een niet bevoegde instantie (RDW), maar had hij bij het fiscaal bevoegde gezag (nader) advies moeten inwinnen. Dat eiser zich op het verkeerde been heeft laten zetten door zijn interpretatie van een stroomschema op de website van de Belastingdienst pleit hem daarbij niet vrij.

14. Het voorgaande wil nog niet zeggen dat, zoals verweerder stelt, omdat sprake is van het niet voldoen aan een fiscale verplichting “automatisch” een verzuimboete van 100% gerechtvaardigd is. Mede gelet op artikel 5:46, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft de belastingrechter, evenals andere bestuurs(straf)rechters, tot taak om te onderzoeken of de (hoogte van een opgelegde) boete evenredig en proportioneel is. In dit verband moet beoordeeld worden of de hoogte van de boete in overeenstemming is met de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Alle omstandigheden waaronder de overtreding is begaan dienen daarbij meegewogen te worden.

15. Bij deze beoordeling staat voorop dat een verzuimboete primair tot doel heeft om een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen in te scherpen. Het belang van deze omstandigheid maakt echter niet dat een 100% boete per se passend en geboden is. De hoogte in absolute zin van de verzuimboete speelt daarbij ook een rol. In dit geval gaat het om een boete van € 1.812 die “bovenop” een naheffing van hetzelfde bedrag komt. Dat is een aanzienlijk bedrag, hetgeen ook een omstandigheid is die meegewogen moet worden.

Een omstandigheid die naar het oordeel van de rechtbank in dit verband eveneens meegewogen moet worden is dat eiser, nadat hem duidelijk was gemaakt dat zijn motorrijtuig niet aan de voorwaarden voor het besteltarief voldeed, direct de huif (ten koste van de waarde van zijn bestelauto) heeft verwijderd, zodat zijn motorrijtuig in fiscale zin in overeenstemming was met de gestelde eisen voor het lage tarief. In die zin kan in dit geval het met de verzuimboete beoogde strafdoel “fiscale inscherping” enigszins gerelativeerd worden. Eiser heeft na constatering immers laten zien aan de fiscale voorwaarden voor het besteltarief te willen voldoen. Daarbij komt dat eiser, hoewel hij hem wel verweten kan worden dat hij niet nog nadere navraag bij de Belastingdienst heeft gedaan, wel als een kennelijk goedwillende burger/ondernemer pogingen gedaan om te onderzoeken of zijn motorrijtuig voor het lage besteltarief in aanmerking kwam. Ook in zoverre heeft eiser laten zien dat hij de fiscale norm wil houden en is verdere inscherping niet nodig.

16. Dit alles brengt de rechtbank ertoe om de boete met 50% te matigen. De rechtbank zoekt daarbij aansluiting bij de vaste gedragslijn van het openbaar ministerie (en door het Hof Arnhem-Leeuwarden bekrachtigd: zie onder meer ECLI:NL:GHARL:2017:7641, 7647 en 1649) wat betreft de matiging van het sanctiebedrag in geval van overtredingen van de WAM-verzekeringsplicht. Die gedragslijn houdt in dat, indien met het motorrijtuig niet aan het verkeer kan worden deelgenomen en de betrokkene, na kennisneming van het niet-verzekerd zijn, met bekwame spoed alsnog heeft zorg gedragen voor schorsing of beëindiging van de tenaamstelling, de opgelegde boete met de helft gematigd wordt. De verzuimboete zal daarom ook in dit geval gematigd worden tot € 906.

17. Gelet op het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.

18. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 254 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 254 en een wegingsfactor 1). Voor de overige door eiser genoemde proceskosten, te weten verletkosten (in de beroepsfase) wordt verweerder, eveneens met toepassing van dat besluit, veroordeeld deze te vergoeden tot een bedrag van € 300. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover het de boete betreft;

- vermindert de boete tot € 906;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van de uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 554;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 46 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Gilhuis, rechter, in tegenwoordigheid van M.I.M. Geraerts, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 18 juli 2019

griffier

rechter

De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.