Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:3241

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
08-07-2019
Datum publicatie
18-07-2019
Zaaknummer
05/760165-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling van een 25-jarige vrouwelijke ex-militair tot 3 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf wegens het doen van valse aangifte van verkrachting.

Grotendeels toewijzing vordering benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-1000
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/760165-17

Datum uitspraak : 8 juli 2019

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige militaire kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres]

raadsvrouw: mr. I.E. Leenhouwers, advocaat te Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting op 4 maart 2019 en 24 juni 2019.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

1.

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 maart 2017 tot en met 26 april 2017 te Rotterdam en/of Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland melding bij de politie heeft gemaakt en/of aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit is gepleegd, door [slachtoffer] , wetende dat dat strafbare feit niet is gepleegd, immers heeft verdachte toen en aldaar ten overstaan van

- [naam 1] , medewerker Frontoffice Zeden van politie Eenheid Rotterdam, team Zeden en/of

- [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] , zedenrechercheurs van de Koninklijke Marechaussee, Sectie Jeugd en Zeden en/of

- [verbalisant 3] en/of [verbalisant 2] en/of [verbalisant 4] en/of [verbalisant 5] , zedenrechercheurs en/of digitaal rechercheur en/of coördinator bureau zeden van de Koninklijke Marechaussee, Sectie Jeugd en Zeden,

meermalen, althans eenmaal, opzettelijk in strijd met de waarheid melding en/of aangifte gedaan van verkrachting, althans van enig strafbaar feit, gepleegd in de nacht van 24 november 2016 op 25 november 2016 te Almelo (van welk feit zij, verdachte, het slachtoffer geweest zou zijn);

2.

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 maart 2017

tot en met 04 september 2017 in de gemeente Rotterdam en/of Badhoevedorp,

althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk de eer en/of goede naam van [slachtoffer] , wachtmeester 1 en/of tevens haar collega van de Koninklijke

Marechaussee heeft aangerand door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte met voornoemde doel aan haar vriend en/of diverse familieleden van haar en/of haar vriend en/of vrienden en/of bekenden en/of collega's van de Koninklijke Marechaussee, in elk geval aan een of meer

anderen, - zakelijk weergegeven- medegedeeld: - dat zij, verdachte, was verkracht door [slachtoffer] gedurende/tijdens de teambuilding/teamuitje van de Koninklijke Marechaussee en/of - dat zij, verdachte, daardoor in verwachting/zwanger was geraakt, terwijl verdachte wist dat dit ten laste gelegde feit in strijd met de waarheid

was;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 maart 2017

tot en met 04 september 2017 in de gemeente Rotterdam en/of Badhoevedorp,

althans in Nederland, opzettelijk de eer en/of de goede naam van [slachtoffer] , wachtmeester 1 en/of tevens haar collega van de Koninklijke Marechaussee heeft aangerand door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte met voornoemde doel aan haar vriend en/of diverse familieleden van haar en/of haar vriend en/of vrienden en/of bekenden en/of collega's van de Koninklijke Marechaussee, in elk geval aan een of meer anderen, - zakelijk weergegeven- medegedeeld: - dat zij, verdachte, was verkracht door [slachtoffer] gedurende/tijdens de teambuilding/teamuitje van de Koninklijke Marechaussee en/of - dat zij, verdachte, daardoor in verwachting/zwanger was geraakt.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

In de nacht van 24 op 25 november 2016 heeft verdachte in Almelo seks gehad met haar toenmalige collega [slachtoffer] .2

In 2017 heeft verdachte aangifte gedaan van verkrachting te Almelo door [slachtoffer] in de nacht van 24 op 25 november 2016. Verdachte heeft hiervan telefonisch melding gedaan op 14 maart 2017 bij [naam 1] (medewerkster Frontoffice Zeden van politie Eenheid Rotterdam).3 Op 22 maart 2017 heeft zij in Badhoevedorp een informatief gesprek hierover gehad met de [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (zedenrechercheurs) van de Koninklijke Marechaussee, sectie Jeugd en Zeden.4 Verdachte heeft op 24 april 2017 en op 26 april 2017 aangifte gedaan van verkrachting door [slachtoffer] bij [verbalisant 3] en [verbalisant 2] (zedenrechercheurs), [verbalisant 4] (digitaal rechercheur) en [verbalisant 5] (coördinator bureau zeden) van de Koninklijke Marechaussee, sectie Jeugd en Zeden.5

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 tenlastegelegde (valse aangifte van verkrachting). De officier van justitie heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van de onder 2 ten laste gelegde laster/smaad.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 verzocht verdachte vrij te spreken. De verdediging heeft aangevoerd dat fouten zijn gemaakt door het onderzoeksteam en dat deze fouten van invloed zijn geweest op de resultaten van het opsporingsonderzoek, waardoor ten onrechte verdenking tegen verdachte is ontstaan. Niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat het seksueel contact tussen [slachtoffer] en verdachte met haar instemming heeft plaatsgevonden. De verdediging heeft tot slot aangevoerd dat ‘opzet’ niet kan worden bewezen, omdat niet is uitgesloten dat verdachte op het moment van de melding, het informatieve gesprek en de aangifte zelf overtuigd was van het feit dat zij onvrijwillige seks heeft gehad.

De verdediging heeft ten aanzien van feit 2 verzocht om verdachte vrij te spreken van het primair en subsidiair tenlastegelegde.

Beoordeling door de militaire kamer

Getuigenverklaringen

De militaire kamer merkt allereerst op dat in de zaak een groot aantal getuigenverklaringen is afgelegd. De militaire kamer zal enkel (delen van) deze getuigenverklaringen gebruiken voor het bewijs indien het gaat om waarnemingen die door de getuigen zelf zijn gedaan en deze worden ondersteund door de verklaring van andere getuigen. De militaire kamer ziet geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van die verklaringen.

Feit 1 (valse aangifte)

De vraag die de militaire kamer allereerst dient te beantwoorden is of verdachte door [slachtoffer] is verkracht of dat sprake is geweest van vrijwillige seks. In tegenstelling tot hetgeen de verdediging stelt, hoeft de militaire kamer niet onomstotelijk vast te stellen dat er van een verkrachting geen sprake is geweest. Het bewijs dat een verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, kan immers door de strafrechter slechts worden aangenomen indien hij daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen (artikel 338 Wetboek van Strafvordering).

De militaire kamer overweegt het navolgende.

A. Verloop teamdag op 24 november 2016

1) Busrit naar en verblijf in hotel Preston Palace te Almelo

- [slachtoffer] en [getuige 5] hebben verklaard dat ze hebben gezien dat verdachte tijdens de busreis naar Preston Palace haar hand hoog op het bovenbeen van [slachtoffer] had gelegd.6 [getuige 1] en [getuige 5] hebben verklaard dat ze hebben gezien dat verdachte tijdens de busrit haar hand op het been van [getuige 1] heeft gelegd en richting zijn kruis ging.7 [getuige 7] en [getuige 6] hebben verklaard dat ze hebben gezien dat verdachte tijdens de busreis [getuige 7] bij zijn penis heeft gegrepen.8

- [slachtoffer] heeft verklaard dat hij bij de karaokebar met verdachte een tiental seconden heeft gezoend waarbij verdachte het initiatief nam.9 [getuige 2] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte en [slachtoffer] aan het zoenen waren bij de bar waarbij verdachte het initiatief heeft genomen. Het was een heftige zoen en nadat [getuige 2] even wegkeek en weer terugkeek, waren ze nog steeds aan het zoenen.10 De militaire kamer merkt daarbij op dat geen van de getuigen de verklaring van verdachte heeft bevestigd dat zij een stap terug heeft gedaan nadat zij had gezoend met [slachtoffer] .

- [getuige 3] en [getuige 4] hebben verklaard dat zij hebben gezien dat verdachte en [slachtoffer] buiten de karaokebar met elkaar hebben gezoend.11

- [slachtoffer] , [getuige 8] en [getuige 9] hebben verklaard dat zij hebben gezien dat tijdens de afterparty, laat in de avond/nacht, verdachte bij [slachtoffer] op schoot zat in de badkamer en toen heeft gezoend met zowel [slachtoffer] als [getuige 8] . 12 [slachtoffer] en [getuige 9] hebben verklaard dat verdachte in die badkamer ook heeft geprobeerd [getuige 9] te zoenen.13

Verdachte heeft de hierboven door de getuigen verklaarde handelingen ontkend en heeft – kort gezegd – verklaard dat zij en [slachtoffer] een paar seconden hebben gezoend bij de karaokebar en dat zij toen een stap naar achteren heeft gezet, omdat zij niet verder wilde gaan.

De militaire kamer is gelet op de hierboven vermelde getuigenverklaringen, die allemaal worden bevestigd door andere getuigen, van oordeel dat verdachte op vrijwel alle punten over het verloop van de avond ongeloofwaardig heeft verklaard.

2) Kamerdeur

Verdachte heeft verklaard dat zij na de afterparty haar kamer niet op kon, omdat haar kamergenote de deur had dicht gedaan, dat zij met [slachtoffer] naar de beveiliging is gelopen om haar kamerdeur te laten openen, maar dat de beveiliging haar kamerdeur niet wilde openen. Verdachte heeft verklaard dat zij daarom mee is gegaan naar de kamer van verdachte zodat hij daar haar kamergenoot kon bellen. Deze verklaringen van verdachte worden weersproken door de verklaring van [slachtoffer] .

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij na de afterparty niet zijn kamer op kon, omdat zijn kamergenoot de deur had dichtgedaan, en dat hij met verdachte naar de beveiliging is gegaan waarop een beveiliger zijn kamerdeur heeft opengemaakt. [slachtoffer] heeft ontkend dat verdachte tegen de beveiliging heeft gezegd dat haar kamerdeur opengemaakt moest worden.14 De directeur van Preston Palace heeft verklaard dat per kamer slechts één sleutel wordt verstrekt en dat als iemand die buitengesloten is kan aantonen op een bepaalde kamer te verblijven, die kamerdeur in principe door de beveiliging wordt geopend.15

De militaire kamer concludeert op basis van het voorgaande dat de verklaring van verdachte dat zij haar kamer niet op kon, niet waar kan zijn. Voorts overweegt de militaire kamer dat het verhaal van verdachte dat zij op de kamer van [slachtoffer] moest zijn om hem te laten bellen met haar kamergenote, niet kan overtuigen.

De militaire kamer heeft dan ook de overtuiging dat verdachte een onjuiste verklaring heeft afgelegd en dat zij vrijwillig is meegegaan naar de kamer van [slachtoffer] waarbij zij niet de bedoeling heeft gehad om haar eigen kamerdeur open te krijgen.

B. Vrijwilligheid van seksuele handelingen

1) Seks op de kamer

Verdachte heeft verklaard:

  • -

    dat [slachtoffer] op zijn kamer heeft geprobeerd verdachte te zoenen, maar dat zij dit niet wilde en daar pissig van werd;

  • -

    dat verdachte daarna op bed is gaan zitten en dat zij zichzelf achterover heeft laten vallen; dat [slachtoffer] vervolgens op zijn knieën over haar benen heen is gaan zitten;

  • -

    dat zij heeft gezegd dat ze dit niet wilde, zich bang voelde en geen kracht meer had om te vechten of iets te zeggen;

  • -

    dat [slachtoffer] aan haar panty trok waardoor de boord van haar panty ter hoogte van haar knieën zat;

  • -

    dat [slachtoffer] vervolgens probeerde met zijn benen haar benen uit elkaar te krijgen;

  • -

    dat ze [slachtoffer] van zich af heeft proberen te duwen en heeft gezegd dat hij moest stoppen; dat [slachtoffer] haar slip opzij heeft geschoven en zijn piemel in haar vagina heeft geduwd en snel daarna klaarkwam.

[slachtoffer] heeft ontkend verdachte te hebben verkracht. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij zijn kleding, tot zijn ondergoed, uit heeft gedaan en in bed is gaan liggen. Verdachte heeft haar panty en schoenen uit gedaan en is bij hem komen liggen. [slachtoffer] heeft verklaard dat zij in eerste instantie geknuffeld hebben en daarna zijn begonnen met zoenen. Het initiatief kwam van beiden. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op verdachte is gedraaid en dat zij haar benen wijd deed. Verdachte had haar onderbroek nog aan en [slachtoffer] heeft die met zijn hand opzij gedaan. Verdachte gaf mee en toen hij moest klaarkomen, zei ze ‘toe maar’ en is hij gekomen.16

2) Onderzoek geschetste wijze van verkrachting
Door verbalisanten is onderzoek gedaan naar de wijze waarop de verkrachting volgens verdachte zou hebben plaats gevonden. Daarbij zijn foto’s gemaakt van de positie van de benen als de panty ter hoogte van de knieën zit, op de wijze waarop verdachte de verkrachting heeft beschreven.17 De militaire kamer concludeert hieruit dat – zelfs indien de panty onder de knieën zou zitten – tussen de knieën een ruimte van maximaal 35 centimeter zit. De militaire kamer is dan ook van oordeel dat het in die positie vrijwel onmogelijk is om seksueel gepenetreerd te worden, laat staan dat dit mogelijk zou zijn indien de panty zich ter hoogte van haar knieën bevindt zoals door verdachte is verklaard.

C. Gebeurtenissen na de verkrachting

1) Contact na de verkrachting

Verdachte heeft verklaard dat – nadat zij in de nacht van 24 op 25 november 2016 is verkracht door [slachtoffer] – zij niet meer wist waar haar kamer was en dat [slachtoffer] haar naar haar kamer heeft gebracht. Op haar kamer heeft zij nog even met haar kamergenote gekletst en daarna is zij gaan slapen. De kamergenote, [getuige 10] , heeft verklaard dat toen verdachte op hun kamer kwam, zij nog kort hebben gekletst en dat zij daarna zijn gaan slapen. Haar is niets opgevallen aan verdachte.18

Verdachte heeft verklaard dat zij de volgende ochtend [slachtoffer] een berichtje heeft gestuurd met de vraag om op haar kamer langs te komen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dit aan [slachtoffer] te hebben gevraagd zodat zij de confrontatie met [slachtoffer] niet aan hoefde te gaan met al haar collega’s erbij. [slachtoffer] is hierop op haar kamer gekomen, hetgeen is bevestigd door [getuige 10] .19 Verdachte heeft ontkend dat [slachtoffer] en zij die ochtend tegen elkaar aan hebben gelegen. Maar [slachtoffer] heeft verklaard dat hij de volgende ochtend bij verdachte, op haar verzoek, langs is gekomen. Daar heeft hij op zijn rug op bed gelegen en heeft verdachte tegen hem aangelegen.20 [getuige 10] heeft verklaard te hebben gezien dat verdachte en [slachtoffer] samen op bed lagen waarbij verdachte tegen [slachtoffer] aanlag.21

2) Moment aangifte van verkrachting

In februari 2017 is verdachte erachter gekomen dat zij in verwachting was sinds november 2016, de maand waarin het teamuitje naar Preston Palace heeft plaatsgevonden. Op 12 maart 2017 is de partner van verdachte, [naam 2] , door vrienden geïnformeerd over het feit dat er tijdens het teamuitje dingen zijn voorgevallen tussen verdachte en een collega. [naam 2] heeft verdachte hiermee geconfronteerd en verdachte heeft toen verklaard dat zij met [slachtoffer] slechts heeft gezoend. [naam 2] is daarop naar het huis van [slachtoffer] gegaan om daar navraag te doen.22 Verdachte heeft verklaard dat zij toen [slachtoffer] heeft gebeld en heeft gezegd dat [naam 2] naar hem onderweg was en dat ze [naam 2] had verteld dat ze gezoend hadden.23

Toen [naam 2] bij [slachtoffer] kwam, heeft [slachtoffer] gezegd dat hij met verdachte had gezoend. [naam 2] heeft daarna verdachte gebeld en heeft gezegd dat verdachte hem alles moest vertellen en dat dit verhaal overeen moest komen met het verhaal van [slachtoffer] .24 Verdachte heeft verklaard dat zij haar partner [naam 2] niet kwijt wilde en dat zij daarom vervolgens [slachtoffer] een bericht heeft gestuurd en gevraagd wat hij aan [naam 2] had verteld. [slachtoffer] heeft gezegd dat hij [naam 2] heeft verteld dat zij hebben gezoend, maar dat zijn vrouw meer weet. Nadat [naam 2] vervolgens aan verdachte heeft gevraagd wat er was gebeurd, heeft verdachte aan [naam 2] verteld dat zij seks heeft gehad met [slachtoffer] .25

Hierop is [naam 2] naar de vrouw van [slachtoffer] gegaan om haar dit te vertellen. Nadat [naam 2] weer terug is gegaan naar verdachte, heeft zij hem de volgende dag verteld dat de seks met [slachtoffer] niet vrijwillig was.26 Pas daarna heeft zij aangifte gedaan van verkrachting.

De militaire kamer neemt in aanmerking dat verdachte aanvankelijk tegen haar partner heeft gezegd dat zij met [slachtoffer] slechts had gezoend en dat zij haar verklaring met [slachtoffer] wilde afstemmen. Daarna heeft verdachte tegen haar partner verteld dat ze seks heeft gehad met [slachtoffer] . Pas nadat [naam 2] naar de vrouw van [slachtoffer] is gegaan, is verdachte met het verhaal gekomen dat ze zou zijn verkracht waarvan zij later aangifte heeft gedaan.

D. Conclusie

De militaire kamer is op grond van het voorgaande van oordeel dat – behoudens de verklaringen van verdachte - geen aanknopingspunten bestaan waaruit volgt dat sprake is geweest van verkrachting door [slachtoffer] . De wijze waarop volgens verdachte de avond is verlopen, voor zover relevant in deze zaak, wordt niet ondersteund door andere bewijs-middelen en juist tegengesproken door verschillende getuigen.

De militaire kamer hecht dan ook geen geloof aan de verklaringen van verdachte.

In de overtuiging dat verdachte en [slachtoffer] vrijwillig seks met elkaar hebben gehad, vindt de militaire kamer voorts bevestiging in de omstandigheid dat verdachte pas na de constatering van haar zwangerschap en na de onthulling van de seks met [slachtoffer] , drie maanden na de beweerdelijke verkrachting, het verhaal over verkrachting aan haar partner [naam 2] heeft verteld en later aangifte heeft gedaan. De militaire kamer ziet hierin een motief voor verdachte om valse aangifte te doen, nu dit alles in gang is gezet op of kort na het moment nadat haar partner verdachte heeft geconfronteerd met de omstandigheid dat hij door een ander was ingelicht over het feit dat verdachte in november 2016 zou zijn vreemd gegaan en dat mogelijk iemand anders dan hij de vader zou zijn van haar ongeboren kind. De militaire kamer heeft derhalve de overtuiging dat verdachte het verhaal over de verkrachting heeft verzonnen bij wijze van verklaring tegenover haar partner voor haar zwangerschap.

Gelet op het vorenstaande is de militaire kamer eveneens van oordeel dat verdachte bewust, en dus opzettelijk, valse aangifte van verkrachting heeft gedaan, wetende dat de seks vrijwillig was. De militaire kamer acht dan ook het onder 1 tenlastegelegde bewezen.

Feit 2 (laster/smaad)

Voor het misdrijf van laster dan wel smaad is vereist dat verdachte de eer en goede naam van [slachtoffer] heeft aangetast met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven.

Onder ‘ruchtbaarheid geven’ dient te worden verstaan het - middellijk of onmiddellijk - ter kennis van het publiek brengen. De militaire kamer heeft op basis van de wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging bekomen dat verdachte zelf tegen anderen heeft verteld dat [slachtoffer] haar heeft verkracht met het kennelijke doel om dit ter kennis van het publiek te brengen. Uit het dossier volgt immers niet dat verdachte degene is geweest die – behalve aan personen binnen haar persoonlijke kring – anderen heeft geïnformeerd over de verkrachting, noch dat zij wilde dat die personen een dergelijke ruchtbaarheid aan de beweerdelijke verkrachting zouden geven.

De militaire kamer zal verdachte daarom van het primair en subsidiair onder feit 2 tenlastegelegde vrijspreken.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 maart 2017 tot en met 26 april 2017 te Rotterdam en/of Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland melding bij de politie heeft gemaakt en/of aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit is gepleegd, door [slachtoffer] , wetende dat dat strafbare feit niet is gepleegd, immers heeft verdachte toen en aldaar ten overstaan van

- [naam 1] , medewerker Frontoffice Zeden van politie Eenheid Rotterdam, team Zeden en/of

- [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] , zedenrechercheurs van de Koninklijke Marechaussee, Sectie Jeugd en Zeden en/of

- [verbalisant 3] en/of [verbalisant 2] en/of [verbalisant 4] en/of [verbalisant 5] , zedenrechercheurs en/of digitaal rechercheur en/of coördinator bureau zeden van de Koninklijke Marechaussee, Sectie Jeugd en Zeden,

meermalen, althans eenmaal, telkens opzettelijk in strijd met de waarheid melding en/of aangifte gedaan van verkrachting, althans van enig strafbaar feit, gepleegd in de nacht van 24 november 2016 op 25 november 2016 te Almelo (van welk feit zij, verdachte, het slachtoffer geweest zou zijn).

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

aangifte of klacht doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet is gepleegd

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van een werkstraf voor de duur van 80 uren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van de strafmaat geen verweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

De militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 13 mei 2019;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 31 januari 2019.

De militaire kamer overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft een collega bij de Koninklijke Marechaussee meermalen valselijk beschuldigd van een zeer ernstig misdrijf, te weten dat hij haar zou hebben verkracht. Verdachte heeft dit enkel gedaan om haar eigen relatie met haar vriend te redden en op die manier voor haar vriend te verdoezelen dat zij is vreemd gegaan met de desbetreffende collega. Het moet verdachte, die destijds zelf werkzaam was bij de Koninklijke Marechaussee, bekend zijn geweest dat onvoorwaardelijke gevangenisstraffen plegen te worden opgelegd wegens het begaan van ernstige delicten als verkrachting. Bovendien was het verdachte ambtshalve bekend dat het begaan van een misdrijf door een medewerker van de Koninklijke Marechaussee in de regel leidt tot ontslag wegens wangedrag. Verdachte heeft derhalve niet alleen een collega valselijk beschuldigd om haar relatie te redden, maar daarbij op de koop toe genomen dat deze collega - naar zij wist: ten onrechte - zou worden ontslagen en voor langere tijd naar de gevangenis zou moeten. De militaire kamer is van oordeel dat dit een gewetenloze daad betreft en neemt dit verdachte zeer kwalijk.

De militaire kamer neemt het verdachte daarnaast ook zeer kwalijk dat zij, juist in een tijd waarin veel maatschappelijke commotie is over ongewenste seksuele handelingen, een ander hiervan onterecht beschuldigt. Het getuigt van weinig respect voor de mensen die werkelijk slachtoffer zijn geworden van een zedendelict, omdat door valse aangiftes zoals deze afbreuk kan worden gedaan aan de mate waarin werkelijke slachtoffers worden geloofd en gesteund.

De gevolgen voor het slachtoffer zijn groot geweest. Zo is hij door de beschuldigingen tijdelijk elders te werk gesteld binnen Defensie en hing hem ontslag wegens wangedrag boven het hoofd. Daarnaast is een groot deel van de collega’s op de hoogte van de valse beschuldigingen waardoor de reputatie van het slachtoffer is aangetast.

Voorts weegt de militaire kamer mee dat verdachte het vertrouwen, dat in haar als opsporingsambtenaar is gesteld, ernstig heeft geschonden.

Ten slotte overweegt de militaire kamer dat naar aanleiding van de valse aangifte op grote schaal een tijdrovend zedenonderzoek is gedaan door de Koninklijke Marechaussee. Dit is tijd die onnodig werk heeft opgeleverd en goed besteed hadden kunnen worden aan de opsporing van andere, daadwerkelijk gepleegde straf- en tuchtfeiten.

De militaire kamer is gelet op het voorgaande van oordeel dat enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. Een werkstraf, zoals is geëist door de officier van justitie, doet absoluut geen recht aan de ernst van het feit.

De militaire kamer houdt anderzijds ook rekening met het feit dat verdachte nog geen strafblad heeft en zelf ontslag heeft genomen bij de Koninklijke Marechaussee.

Alles afwegend, acht de militaire kamer een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden passend en geboden.

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 2.574,81.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij wegens parkeerkosten (€ 3,97) en reiskosten naar Slachtofferhulp Nederland (€ 14,34) alsmede immateriële schade (€ 2.500) , vermeerderd met de wettelijke rente, kan worden toegewezen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht dient te worden opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de vergoeding van reiskosten voor het gesprek met de officier van justitie af te wijzen, nu dit gesprek niet heeft plaatsgevonden. De verdediging heeft daarnaast aangevoerd dat de immateriële schade niet volledig is veroorzaakt door de valse aangifte, maar ook deels door het eigen gedrag van de benadeelde partij.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het met betrekking tot het bewezenverklaarde schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

Reiskosten

De benadeelde partij heeft een reiskostenvergoeding gevraagd voor zijn bezoek aan

Slachtoffer Hulp Nederland. De militaire kamer overweegt dat dit kosten zijn die de benadeelde partij heeft gemaakt in het kader van het opstellen van zijn vordering. Dit zijn kosten die in het kader van proceskosten kunnen worden toegewezen. Nu de officier van justitie echter te kennen heeft gegeven dat het gesprek met hem en de benadeelde partij telefonisch heeft plaatsgevonden, zal de militaire kamer dat deel van de vordering ten aanzien van de reiskosten afwijzen.

Immateriële schade

Naar het oordeel van de militaire kamer is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Door het doen van valse aangifte is de benadeelde partij op andere wijze in zijn persoon aangetast. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan.

Het door de benadeelde partij gevorderde bedrag van € 2.500,- acht de militaire kamer billijk, gelet op de aard en de ernst van het feit en de gevolgen daarvan.

De militaire kamer overweegt voorts dat van de benadeelde partij weliswaar kan worden gezegd dat hij seks heeft gehad met verdachte, maar daarmee is nog geen sprake van een de schade (mede) veroorzakende omstandigheid, als bedoeld in artikel 6:101 Burgerlijk Wetboek, die aan de benadeelde kan worden toegerekend.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 14 maart 2017.

Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f en 188 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De meervoudige militaire kamer:

spreekt verdachte vrij van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde feit.

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer] , te betalen € 2.500 (tweeduizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op € 14,34 en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.

Maatregel van schadevergoeding

- legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , te betalen € 2.500 (tweeduizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2017 tot aan de dag der algehele voldoening bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van 35 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y. van Wezel (voorzitter) en mr. P.C. Quak, rechters, en kolonel mr. H.C.M. Snellen, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. M.G.A. Luijckx, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 juli 2019,

zijnde mr. Van Wezel en mr. Luijckx buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant van de Koninklijke Marechaussee, brigade recherche, afdeling specialistische opsporing, sectie jeugd en zeden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 17-024405, gesloten op 30 oktober 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 24 juni 2019; proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer] , p. 614 en 623-624.

3 Mutatierapport, p. 13-14.

4 Proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek, p. 15-20.

5 Schriftelijk bescheid ‘transcriptie aangifte’, p. 29-343.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] , p. 616; proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] , p. 422.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 523; proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] , p. 432.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 7] , p. 465-466; proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 6] , p. 450.

9 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] , p. 618.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 477.

11 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 394; proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 445.

12 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] , 620; proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 8] , p. 509; proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 9] , p. 487.

13 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] , 620; proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 9] , p. 487.

14 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] , p. 601, 622.

15 Proces-verbaal van bevindingen, p. 671.

16 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] , p. 622-624.

17 Proces-verbaal van bevindingen, p. 729- 736.

18 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 10] , p. 408.

19 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 10] , p. 409.

20 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] , p. 605.

21 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 10] , p. 409 onderaan en 410.

22 Transcriptie aangifte, p. 134-135, 137, 140; proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 11] , p. 364-365.

23 Transcriptie aangifte, p. 140.

24 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 11] , p. 364-365.

25 Transcriptie aangifte, p. 143, 147.

26 Transcriptie aangifte, p. 147-148; proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 11] , 368-369.