Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:3238

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
08-07-2019
Datum publicatie
18-07-2019
Zaaknummer
05/880950-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De militaire kamer heeft een 49-jarige (ex-)militair uit Eindhoven veroordeeld wegens verduistering van ontvangen tegemoetkomingen in zijn reiskosten. Voorwaardelijke werkstraf van 50 uren.

Vrijspraak van oplichting en van strafbare onjuiste gegevensverstrekking.

Gedeeltelijke verjaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/880950-17

Datum uitspraak : 8 juli 2019

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige militaire kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1] ,

raadsvrouw: mr. T.H. ten Wolde, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 25 juni 2018, 1 oktober 2018, 10 december 2018, 25 maart 2019 en 24 juni 2019.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na door de rechtbank toegewezen vorderingen tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1. primair

hij in of omstreeks de periode gelegen van 1 juli 2008 tot en met 30 september 2011 en/of in de periode gelegen van 1 september 2015 tot en met 31 januari 2016, te Eindhoven, in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, het Ministerie van Defensie heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (tot een totaalbedrag van ongeveer Euro 10.811,98, althans enig geldbedrag) in verband met gedeclareerde/uit te betalen reiskosten, door toen aldaar als defensiemedewerker werkzaam op de vliegbasis te Eindhoven

  • -

    een zogenaamde "Verklaring eigen huishouding" en/of een aanvraag “tegemoetkoming woon-werk” te ondertekenen en in te dienen waarin -kort gezegd- was vermeld dat het adres [adres 2] Noordwijkerhout sedert 1 juli 2008 door hem, verdachte, als zelfstandige woonruimte wordt bewoond en/of

  • -

    door in het Personeelsinformatiesysteem (Peoplesoft) en/of het DIDO systeem van het Ministerie van Defensie te vermelden en/of vermeld te laten staan dat zijn, verdachtes,

woonadres/woonplaats [adres 2] in Noordwijkerhout was, terwijl zijn, verdachtes, werkelijke woon en verblijfplaats te Eindhoven was,

- en/of zich in de voornoemde perioden op in te laten schrijven, althans ingeschreven te laten staan, in de basisregistratie personen op het adres [adres 2] Noordwijkerhout, terwijl zijn, verdachtes, vaste woonadres te Eindhoven was,

waardoor (een onderdeel van) het Ministerie van Defensie werd bewogen tot de afgifte van bovenvermeld geldbedrag;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

subsidiair

hij in of omstreeks de periode gelegen van 1 juli 2008 tot en met 30 september 2011 en/of in de periode gelegen van 1 september 2015 tot en met 31 januari 2016, te Eindhoven, in elk geval in Nederland, anders dan door valsheid in geschrift, opzettelijk niet naar waarheid één of meer gegevens heeft verstrekt aan (het Diensten Centrum Human Recources van) het Ministerie van Defensie, door wie of door wiens tussenkomst een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een financiële vergoeding/tegemoetkoming in verband met reiskosten woon- werkverkeer (tot een totaalbedrag van ongeveer Euro 10.811,98 of daaromtrent), werd verleend,

  • -

    door in het Personeelsinformatiesysteem (Peoplesoft) van het Ministerie van Defensie te vermelden en/of vermeld te laten staan dat zijn, verdachtes, woonadres/woonplaats [adres 2] in Noordwijkerhout was en/althans

  • -

    heeft nagelaten om in het Personeelsinformatiesysteem (Peoplesoft) van het Ministerie van Defensie (telkens) zijn juiste woon/verblijfplaats te vermelden en/althans

  • -

    heeft nagelaten om de vergoeding/tegemoetkoming in verband met reiskosten woon-werkveer voor het traject tussen Noordwijkerhout en Eindhoven aan te passen/stop te zetten, en/of

  • -

    heeft nagelaten om in de basisregistratie personen het adres waarop hij stond ingeschreven in overeenstemming te brengen met zijn vaste woonadres te Eindhoven,

en dit feit kon strekken tot bevoordeling van verdachte of een ander, terwijl verdachte wist of redelijkerwijze moest vermoeden dat de verstrekte gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op die verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming;

meer subsidiair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode gelegen van 1 juli 2008 tot en met 31 januari 2016, te Eindhoven, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk (een) geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van ongeveer Euro 10.811,98 of daaromtrent, in elk geval enige hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan het Ministerie van Defensie, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk geld verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als op zijn, verdachtes, bankrekening overgemaakte onverschuldigde betalingen voor (ten onrechte) uitgekeerde tegemoetkomingen/vergoedingen woon-werkverkeer, (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

2 De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat het openbaar ministerie gedeeltelijk niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de ten laste gelegde pleegperiode met betrekking tot de meer subsidiair ten laste gelegde verduistering tot 29 mei 2012 is verjaard.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich gerefereerd ten aanzien van de vraag of de meer subsidiair ten laste gelegde verduistering gedeeltelijk is verjaard. Indien dit zo zou zijn, zou dit moeten leiden tot een gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Beoordeling door de militaire kamer

De militaire kamer overweegt dat, gelet op artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht, eerste lid, aanhef en onder 2, de verjaringstermijn van het meer subsidiair tenlastegelegde, te weten de verduistering, zes jaren bedraagt. Deze verjaringsperiode is gestuit door het uitbrengen van de dagvaarding op 29 mei 2018. Wat betreft de periode voor 29 mei 2012 is het recht op strafvervolging derhalve vervallen door verjaring. De officier van justitie is daarom partieel niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde feit.

3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte was sinds maart 2006 geplaatst op de Vliegbasis Eindhoven.2 In de periodes van 13 november 1997 tot 11 juli 2003 stond verdachte ingeschreven op het adres [adres 2] te Noordwijkerhout. Van 11 juli 2003 tot 7 februari 2006 stond hij ingeschreven op Curaçao. Van 7 februari 2006 tot 13 april 2007 stond hij ingeschreven op het adres [adres 2] te Noordwijkerhout. Hij stond van 13 april 2007 tot 10 juli 2008 ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie op het adres [adres 3] te Eindhoven. Vanaf 10 juli 2008 stond verdachte ingeschreven op het adres [adres 2] te Noordwijkerhout. 3 Op dat adres stond verdachte ingeschreven tot en met 31 januari 2016. 4

Verdachte heeft vergoedingen ontvangen wegens dagelijks reizen (de militaire kamer begrijpt: bij wijze van vergoeding voor woon-werkverkeer) over de periodes:

- van 1 juli 2008 tot 1 oktober 2011 5, dan wel van 7 september 2009 tot en met 1 oktober 2011 6

- van 1 september 2015 tot januari 2016. 7

Verdachte heeft op 2 juli 2008 een “Verklaring eigen huishouding” ingevuld en ondertekend, waarin hij heeft vermeld dat hij sedert 1 juli 2008 zelfstandige woonruimte bewoont op het adres [adres 2] te Noordwijkerhout.8

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter zitting aangegeven dat de ten laste gelegde feiten slechts zien op de tegemoetkoming in de reiskosten voor dagelijks reizen tussen de woning en de plaats van tewerkstelling. De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde oplichting. Hiertoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte zich heeft laten inschrijven in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Noordwijkerhout, terwijl hier niet werkelijk verbleef. Daarnaast heeft verdachte steeds valse woonadressen vermeld bij door hem gedane aanvragen voor vergoedingen en heeft hij in strijd met de werkelijkheid woonadressen in de systemen Peoplesoft en DIDO opgenomen of laten opnemen, doorgegeven of laten doorgeven, ingeschreven of laten inschrijven en ingeschreven laten staan. De officier van justitie merkt deze gedragingen aan als listige kunstgreep waardoor hij het ministerie van defensie heeft bewogen tot afgifte van een tegemoetkoming in de kosten voor dagelijks reizen tussen Noordwijkerhout en Eindhoven. Eveneens heeft verdachte zodoende de valse hoedanigheid van een rechtmatige inwoner van de gemeente Noordwijkerhout aangenomen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft de verdediging onder andere aangevoerd dat een aanvraag tegemoetkoming woon-werkverkeer dagelijks reizen ontbreekt en dat bewijs ontbreekt hoeveel verdachte daadwerkelijk aan vergoeding wegens woon-werkverkeer van Defensie heeft ontvangen. Daarenboven is de verdediging van mening dat verdachte niet wederrechtelijk heeft gehandeld, nu de reiskostenvergoeding is gebaseerd op het traject Noordwijkerhout-Eindhoven en verdachte ook in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) respectievelijk de Basisregistratie Personen (BRP) stond ingeschreven op het adres in Noordwijkerhout. Verdachte voldeed aldus aan de voorwaarden van het Verplaatsingskostenbesluit Militairen respectievelijk Verplaatsingskostenbesluit Defensie. Er was ook geen enkele wettelijke of anderszins gereguleerde verplichting voor verdachte om zijn – dichterbij de vliegbasis gelegen – verblijfplaats in Eindhoven als woonruimte door te geven.

Beoordeling door de militaire kamer

A. Met betrekking tot de primair ten laste gelegde oplichting

De militaire kamer overweegt allereerst dat het bij de strafbaarstelling van oplichting dient te gaan om gevallen waarin de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wil roepen teneinde daarvan misbruik te kunnen maken. Niet iedere vorm van bedrog en niet iedere toerekenbare tekortkoming in civielrechtelijke zin wordt als het misdrijf ‘oplichting’ binnen het bereik van het strafrecht gebracht. Oplichting in de zin van het Wetboek van Strafrecht is niet aan de orde wanneer het (beweerdelijke) slachtoffer - gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken - de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien.

De Hoge Raad heeft deze overwegingen op basis van de wetsgeschiedenis opgenomen in zijn overzichtsarrest van 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889. Aldus worden strenge voorwaarden aan de strafrechter opgelegd om tot een bewezenverklaring van oplichting te kunnen komen.

De militaire kamer is van oordeel dat aan de door de wetgever en de Hoge Raad geformuleerde strenge voorwaarden – met betrekking tot een valse hoedanigheid, listige kunstgrepen, een samenweefsel van verdichtsels en de wederrechtelijkheid daarvan – in het geval van verdachte niet wordt voldaan. Het dossier en het onderzoek ter terechtzitting bieden daarvoor onvoldoende aanknopingspunten.

Bij het oplichtingsmiddel “listige kunstgrepen” dient het in de kern te gaan om meer dan een enkele misleidende feitelijke handeling die een onjuiste voorstelling van zaken in het leven kan roepen. Nu het door de officier van justitie aan verdachte gemaakte verwijt in de kern bestaat in een onjuiste GBA/BRP-inschrijving respectievelijk adresvermelding, is naar het oordeel van de militaire kamer geen sprake van “listige kunstgrepen”.

Bij het oplichtingsmiddel “aannemen van een valse hoedanigheid” gaat het er in de kern om dat het handelen van de verdachte ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de ‘persoon’ van de verdachte wat betreft diens hoedanigheid, waarbij die onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen teneinde daarvan misbruik te maken. De militaire kamer is van oordeel dat er geen bewijs is dat verdachte op deze door wetgever en Hoge Raad geschetste wijze een “valse hoedanigheid” heeft aangenomen.

De militaire kamer zal verdachte dus vrijspreken van de primair ten laste gelegde oplichting.

Met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde ‘anders dan door valsheid in geschrift, opzettelijk niet naar waarheid gegevens verstrekken’

Verdachte heeft op 2 juli 2008 een “Verklaring eigen huishouding” ingevuld en ondertekend met opgave van het adres [adres 2] te Noordwijkerhout, terwijl hij op dat moment nog op het adres [adres 3] te Eindhoven stond ingeschreven.

De militaire kamer overweegt dat beslist niet kan worden uitgesloten dat deze enkele onjuiste vermelding reeds het misdrijf van valsheid in geschrift oplevert, nu de “Verklaring eigen huishouding” kan worden aangemerkt als een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen en voorts daadwerkelijk is gebruikt. De militaire kamer merkt daarbij op dat - anders dan de officier van justitie klaarblijkelijk veronderstelt - voor een bewezenverklaring van ‘valsheid in geschrift’ niet nodig is dat ook daadwerkelijk sprake is van financieel voordeel.

Nu aan verdachte ten laste is gelegd dat hij opzettelijk niet naar waarheid gegevens heeft verstrekt “anders dan door valsheid in geschrift”, kan het subsidiair tenlastegelegde niet worden bewezen.

De militaire kamer zal verdachte ook vrijspreken van het subsidiair tenlastegelegde.

Met betrekking tot de meer subsidiair ten laste gelegde verduistering

Artikel 19 van het Verplaatsingskostenbesluit Defensie, dat de tegemoetkoming in het woon-werkverkeer bij dagelijks reizen regelt, luidt als volgt:

“1. De defensieambtenaar heeft aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten van het dagelijks reizen over de afstand tussen de woning en de plaats van tewerkstelling, indien de te reizen afstand meer dan 10 kilometer bedraagt, hij dagelijks reist, en indien hij militair is [de militaire kamer leest hier het woordje “en” ] tevens een eigen huishouding voert. ”

De deskundige, majoor [naam] , heeft ter terechtzitting verklaard dat de tegemoet-koming in de reiskosten weliswaar een forfaitaire vergoeding betreft, maar dat wel degelijk tussen het in het systeem bekende adres en de plaats van tewerkstelling gereisd moet worden.9

Het betreft immers een ‘tegemoetkoming’ in de gemaakte kosten voor het reizen tussen woonplaats en plaats van tewerkstelling.

Zoals hierboven opgesomd onder het kopje “De feiten” heeft verdachte vergoedingen ontvangen wegens dagelijks reizen over de periodes:

  1. van 1 juli 2008 tot 1 oktober 2011, dan wel van 7 september 2009 tot en met 1 oktober 2011

  2. van 1 september 2015 tot januari 2016. 10

Gelet op de hiervoor onder 2. vermelde gedeeltelijke verjaring tot 29 mei 2012 overweegt de militaire kamer allereerst dat de onder a) bedoelde periode buiten de tenlastelegging valt. Deze periode behoeft geen verdere bespreking.

De militaire kamer overweegt met betrekking tot de onder b) bedoelde periode dat - anders dan de verdachte heeft beweerd - zijn sociale leven zich voornamelijk heeft afgespeeld in en rond Eindhoven. Op de bankafschriften van verdachte is immers te zien dat er in de periode tussen 1 september 2015 en 1 januari 2016 nagenoeg alleen pintransacties zijn gedaan in (de omgeving van) Eindhoven. Bovendien wordt in de maanden oktober 2015 tot en met januari 2016 meermalen een bedrag op de rekening gestort met als omschrijving: “Zon en zee bungalow verhuur” waarvan verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat dit telkens verhuuropbrengsten betrof van de woning in Noordwijkerhout. 11

De militaire kamer concludeert, gezien het bovenstaande, dat verdachte in de periode tussen 1 september 2015 en 31 januari 2016 zeker niet dagelijks reisde tussen Noordwijkerhout en Eindhoven. Bovendien heeft de militaire kamer op basis van bedoelde bankgegevens de overtuiging dat verdachte zelden tot nooit doordeweeks reisde van zijn woning in Noordwijkerhout naar de vliegbasis, zodat de militaire kamer tot het oordeel komt dat het reizen tussen Noordwijkerhout en Eindhoven voornamelijk privéreizen betrof en geen woon-werkverkeer. Verdachte wist dit vanzelfsprekend.

Voor zover verdachte in die periode al reisde tussen zijn woning en de vliegbasis, dan was dat doorgaans vanuit zijn woning in Eindhoven en niet vanuit zijn woning in Noordwijkerhout.

De over het traject Noordwijkerhout - Eindhoven ontvangen financiële vergoedingen zijn - gelet op het voorgaande - aan te merken als onverschuldigd betaald, terwijl verdachte wist dat hij geen recht had op die ontvangen vergoedingen. Nu deze vergoedingen voortvloeiden uit het Verplaatsingskostenbesluit Defensie, was sprake van een situatie die kan worden aangemerkt als “anders dan door misdrijf” onder zich hebben.

Nu verdachte pas in januari 2016 maatregelen heeft getroffen om deze situatie met terugwerkende kracht tot 1 december 2015 recht te trekken, heeft hij zich de ontvangen vergoedingen tot deze datum geheel of gedeeltelijk wederrechtelijk toegeëigend.

Gelet op het voorgaande komt de militaire kamer tot een bewezenverklaring van verduistering in de periode van 1 september 2015 tot 1 december 2015.

Nu de militaire kamer bij gebrek aan concrete financiële gegevens niet in staat is de juiste omvang van de onverschuldigde betalingen te bepalen, zal worden volstaan met bewezenverklaring van “geldbedragen”.

4 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2015 tot en met 1 december 2015, te Eindhoven, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk (een) geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van ongeveer Euro 10.811,98 of daaromtrent, in elk geval enige hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan het Ministerie van Defensie, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welke geldbedragen verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als op zijn, verdachtes, bankrekening overgemaakte onverschuldigde betalingen voor (ten onrechte) uitgekeerde tegemoetkomingen/vergoedingen woon-werkverkeer, (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op ten aanzien van het meer subsidiair bewezenverklaarde:

verduistering

6 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

8 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van 100 uren werkstraf, te vervangen door 50 dagen hechtenis. Bij het formuleren van zijn eis heeft de officier van justitie rekening gehouden met het tijdsverloop in deze zaak en de omstandigheid dat verdachte een blanco strafblad heeft.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gewezen op het blanco strafblad van verdachte en op de omstandigheden dat het feit dateert van eind 2015 en dat verdachte onderworpen is geweest aan een langdurig strafrechtelijk onderzoek dat hij heeft ervaren als onrechtvaardig, omdat andere militairen die sjoemelden met (reis)kostenvergoedingen niet zijn vervolgd. Verdachte is door deze strafzaak bovendien geconfronteerd met grote negatieve gevolgen, zoals een oneervol ontslag, een groot verlies aan inkomen en schuldenproblematiek.

Beoordeling door de militaire kamer

De militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 13 mei 2019;

- een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland, gedateerd 13 juni 2018.

De militaire kamer heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering van geld van het Ministerie van Defensie. Daarbij heeft verdachte misbruik gemaakt of willen maken van bestaande onduidelijkheden in de regelgeving. De militaire kamer vindt dergelijke malversaties met vergoedingen een militair onwaardig en neemt dit verdachte zeer kwalijk.

Hier staat tegenover dat men op de Vliegbasis Eindhoven op de hoogte was van de omstandigheid dat verdachte over twee woningen tegelijkertijd beschikte en desondanks niet eerder ingreep. De militaire kamer wil voorts niet uitsluiten dat verdachte mede tot zijn gedrag is gekomen vanwege een klimaat op de vliegbasis waarbinnen ook andere militairen het niet erg nauw namen met de vergoedingsregelingen.

Daarnaast weegt de militaire kamer in het voordeel van verdachte dat hij blijkens het uittreksel justitiële documentatie niet eerder is veroordeeld wegens het plegen van een strafbaar feit. Bovendien is er sprake van een oud feit en een slepende strafzaak met grote gevolgen.

Uit het advies van Reclassering Nederland volgt voorts dat bij verdachte sprake is van een laag recidiverisico. Een interventie of reclasseringstoezicht is niet geïndiceerd.

Gelet op het voorgaande acht de militaire kamer oplegging van een geheel voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 50 uren passend, met een proeftijd van 2 jaren. Deze straf is lager dan door de officier van justitie is geëist, omdat de militaire kamer tot een geheel andere bewezenverklaring komt en omdat gedeeltelijk sprake is van verjaring.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 321 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De meervoudige militaire kamer:

 verklaart de officier van justitie partieel niet-ontvankelijk in de strafvervolging, zoals vermeld onder punt 2;

 spreekt verdachte vrij van het primair en subsidiair tenlastegelegde;

 verklaart bewezen dat verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder punt 4, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 5;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een werkstraf gedurende 50 (vijftig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 25 (vijfentwintig) dagen;

 bepaalt, dat deze werkstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald, te weten dat de veroordeelde zich niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Quak (voorzitter) en mr. Y. van Wezel, rechters, en

Kolonel mr. H.C.M. Snellen, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. A. Bril, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 juli 2019,

zijnde mr. Van Wezel buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de Koninklijke Marechaussee, district Zuid, Brigade Brabant-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, mutatienummer PL27YZ/16-009828, gesloten op 10 maart 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 juni 2016, pag. 28

3 Proces-verbaal d.d. 23 mei 2016 met bijlagen, p. 021 en volgende .

4 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 24 juni 2019

5 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 juni 2016, pag. 29, onderaan

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 juni 2016, pag. 28, één-na-laatste alinea

7 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 juni 2016, pag. 29, midden

8 Een schriftelijk bescheid, te weten een “Verklaring eigen huishouding”, pag. 40

9 Verklaring deskundige Jacobs afgelegd ter terechtzitting van 25 maart 2019, p. 6 en 7 van het proces-verbaal van die zitting.

10 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 juni 2016, pag. 29, midden

11 Proces-verbaal d.d. 7 september 2017, met bijlagen, pag. 179 e.v.