Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:3013

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
08-07-2019
Datum publicatie
09-08-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3316
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Datum in geding ofwel beoordelingsdatum is in deze zaak de datum van ontvangst van de aanvraag om beoordeling van het arbeidsvermogen.

Voldaan wordt aan het vereiste van een uur aaneengesloten werken. Na het verlies van concentratie na 10 minuten, is het voor eiseres mogelijk zichzelf te herpakken. Daardoor is geen bijsturing van een derde nodig. Gelet hierop kan niet worden gesproken van een substantiële onderbreking van het productieproces, zoals bedoeld in het Schattingsbesluit en het Compendium.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 18/3316

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. A.E.L.Th. Balkema),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd eiseres een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toe te kennen. Wel is aan eiseres een indicatie banenafspraak toegekend.

Bij besluit van 4 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2019. Eiseres is verschenen, vergezeld door haar partner en bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde J. de Graaf.

Overwegingen

1.1.

Eiseres is geboren op 3 juli 1996. Vanaf de leeftijd van 12 jaar zijn problemen in de relatie tussen eiseres en haar ouders ontstaan. Ook is eiseres op de middelbare school veelvuldig gepest. Bij eiseres zijn psychische klachten ontstaan en in de leeftijd van 15 tot 18 jaar heeft eiseres meerdere suïcide pogingen gedaan. In januari 2017 is eiseres door haar ouders gegijzeld in de ouderlijke woning en mishandeld. Eiseres medische situatie is sindsdien verslechterd.

1.2.

Eiseres heeft van 2008 tot 2013 de HAVO gedaan en afgerond met een diploma. Van 2013 tot 2018 heeft zij de HBO opleiding SPH gevolgd. Daarmee is zij per 1 januari 2019 gestopt.

Eiseres heeft in het verleden ruim een jaar gewerkt. Verder heeft ze meerdere malen een aantal maanden parttime gewerkt.

1.3.

Op 28 juni 2017 heeft eiseres een aanvraag beoordeling arbeidsvermogen ingediend, die door verweerder op 3 juli 2017 is ontvangen.

2. In geschil is de weigering van de Wajong-uitkering.

Datum in geding (hierna: beoordelingsdatum)

3.1.

De gemachtigde van eiseres stelt zich op het standpunt dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de beoordelingsdatum in deze zaak de datum van het primaire besluit, 22 november 2017, is. Ook vindt de gemachtigde van eiseres dat de gehele periode tot de datum van het besluit op bezwaar, 4 mei 2018, in de beoordeling moet worden betrokken.

Verweerder is het daarmee niet eens en heeft het standpunt ingenomen dat de datum van ontvangst van de aanvraag om een Wajonguitkering – 3 juli 2017 – de juiste beoordelingsdatum is.

3.2.

De rechtbank overweegt het volgende.

In artikel 1a:2 van de Wajong is het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering geregeld. De ingezetene die op grond van artikel 1a:1 van de Wajong als jonggehandicapte wordt beschouwd, heeft recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering.

In artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong is bepaald dat jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen is de ingezetene die:

a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;

b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.

De rechtbank stelt vast dat artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong (onder a en onder b) hiermee twee verschillende beoordelingsmomenten bevat.

Eiseres heeft op (bijna) 21- jarige leeftijd een aanvraag beoordeling arbeidsvermogen ingediend en in het jaar daaraan voorafgaand in ieder geval zes maanden gestudeerd. Als reden voor de aanvraag heeft eiseres aangegeven dat haar psychische situatie is verslechterd sinds de traumatische gebeurtenis in januari 2017. In deze zaak moet dus de vraag worden beantwoord of sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 1a:1, eerste lid, onder b van de Wajong. Dit betekent dat de vraag moet worden beantwoord of sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen, waarbij het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen het rechtstreeks en objectief gevolg van ziekte of gebrek moet zijn.

Gelet op dit beoordelingsmoment, gelet op de inhoud van de Wajong-aanvraag van eiseres en nu ingevolge artikel 1a:11, tweede lid, van de Wajong het recht niet eerder kan ingaan dan vanaf de datum van aanvraag, oordeelt de rechtbank dat verweerder in deze zaak op goede gronden de datum van ontvangst van de aanvraag – dus 3 juli 2017 - als beoordelingsdatum heeft gehanteerd.

De rechtbank merkt verder nog op dat omdat op de aanvraag beoordeling arbeidsvermogen de Wajong van toepassing is, de daarin neergelegde specifieke regels voorrang hebben boven de algemene regels uit de Awb. Dit betekent dat de beoordeling betrekking heeft op de (medische) situatie op 3 juli 2017 en zich niet ook uitstrekt over de (medische) situatie in de bezwaarfase tot 4 mei 2018. De beroepsgrond van eiseres slaagt dus niet.

Bestreden besluit

4. Verweerder heeft de weigering van de Wajong-uitkering gebaseerd op de vaststelling dat eiseres arbeidsvermogen heeft. Hieraan ligt een medisch en arbeidskundig onderzoek ten grondslag.

Het medisch onderzoek van verweerder is vastgelegd in de rapporten van verzekeringsarts

E. van der Meulen van 10 november 2017 en 29 januari 2018 en van verzekeringsarts bezwaar en beroep M.P.W. Kreté van 11 april 2018, 21 augustus 2018, 16 januari 2019 en 18 maart 2019. Het arbeidskundig onderzoek van verweerder is vastgelegd in de rapporten van arbeidsdeskundige N. Melkert van 21 november 2017 en 5 februari 2018 en van arbeidsdeskundige bezwaar en beroep Z. Eggink van 26 april 2018.

Zorgvuldigheid van het onderzoek

5.1.

Eiseres betoogt dat het medisch onderzoek op onzorgvuldige wijze is verricht. Ondanks forse medische beperkingen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding gezien eiseres persoonlijk te onderzoeken. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen vragen gesteld aan de behandelaar van eiseres. Er had informatie bij de behandelaar van eiseres moeten worden ingewonnen.

5.2.

Dit betoog van eiseres slaagt ook niet.

Uit de medische rapporten blijkt dat de verzekeringsartsen het dossier hebben bestudeerd, dat de primaire verzekeringsarts Van der Meulen eiseres heeft gezien op het spreekuur van 10 november 2017 en eigen onderzoek heeft verricht en dat de verzekeringsartsen de beschikbare medische informatie bij de beoordeling hebben meegewogen. Verder hebben de verzekeringsartsen hun bevindingen van een motivering voorzien en deze daarmee inzichtelijk gemaakt. Gelet hierop en gelet op de beschikbare gegevens over de medische situatie van eiseres op de beoordelingsdatum leidt de omstandigheid dat eiseres in bezwaar niet psychisch is onderzocht door de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet tot het oordeel dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest.1

Ook kan eiseres niet gevolgd worden in haar stelling dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest omdat geen informatie bij haar behandelaar is opgevraagd. Volgens vaste rechtspraak mag een verzekeringsarts in beginsel varen op zijn eigen oordeel. Raadpleging van de behandelend sector is aangewezen in die gevallen waarin al een behandeling in gang is gezet of zal worden gezet, die een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden van een betrokkene tot het verrichten van arbeid, of als een betrokkene stelt dat de behandelend sector een beredeneerd afwijkend standpunt heeft over de beperkingen.2

Weliswaar is in het geval van eiseres sprake van behandeling en aanpassingen dan wel wijzigingen daarin. Maar omdat uitsluitend de situatie op de datum van beoordeling (3 juli 2017) een rol speelt bij de vraag of sprake is van arbeidsvermogen, kunnen ontwikkelingen van na deze datum in deze Wajong procedure geen rol spelen. Om die reden is informatie daarover niet nodig om tot een zorgvuldige beoordeling te komen. Bovendien heeft eiseres in bezwaar niet gesteld dat de behandelend arts(en) een beredeneerd andersluidend standpunt hebben over haar beperkingen.

Arbeidsvermogen- vereiste van een uur aaneengesloten werken

6.1.

Verder heeft eiseres ter zitting benadrukt dat zij na 10 minuten van concentratie moet rusten en zich daarna weer moet herpakken. Niet is onderzocht hoeveel tijd het (rusten en) zich herpakken vergt. Verweerder heeft zich daarom ten onrechte op het standpunt gesteld dat zij een uur aaneengesloten, dat wil zeggen zonder relevante onderbreking, een taak kan uitvoeren.

6.2.

Verzekeringsarts Van der Meulen heeft in het rapport van 29 januari 2018 overwogen dat eiseres zich maximaal 10 minuten kan concentreren. Eiseres heeft herhaalde instructie nodig om de taak die haar wordt uitgelegd te begrijpen en in haar hoofd op te slaan alvorens uit te voeren. Dat wil volgens Van der Meulen niet zeggen dat eiseres na 10 minuten herhaalde instructie nodig heeft. Na 10 minuten kan ze even de concentratie kwijt zijn, maar ze kan zich dan zelf wel weer herpakken en haar taak verder uitvoeren.

Verzekeringsarts bezwaar en beroep Kreté heeft in zijn rapport van 21 augustus 2018 overwogen dat gezien opleiding en denkniveau er geen medische reden is om aan te nemen dat eiseres binnen en uur opnieuw instructie nodig heeft en dus niet een uur aaneengesloten zou kunnen werken.

In zijn aanvullende rapportage van 18 maart 2019 heeft Kreté overwogen dat er geen medische oorzaak is om aan te nemen dat eiseres binnen een uur opnieuw instructie nodig heeft om de taak te kunnen vervolgen. Bij nieuwe taken is meer dan enkele keren per dag herhaalde instructie volgens Kreté niet te motiveren. Bij bekende taken zal dit niet nodig zijn en zal eiseres hoogstens een tot twee keer per dag instructie nodig hebben. Concentreren c.q. herpakken is van een andere orde dan opnieuw instructie nodig hebben. Een korte afleiding en vervolgens de taak weer oppakken moet mogelijk zijn. Dit betreft niet een herhaalde instructie. Ten aanzien van concentratie is dit een beperking van activiteiten en hiermee zal de arbeidsdeskundige rekening houden bij het aangeven van een geschikte taak.

6.3.

Wat onder het ontbreken van arbeidsvermogen moet worden verstaan is uitgewerkt in artikel 1a van het Schatingsbesluit. In de Nota van Toelichting bij de wijziging van het Schattingsbesluit (Stb 2014, 359), waarmee -onder meer- artikel 1a van het Schattingsbesluit in de huidige vorm is opgenomen, is vermeld wat de gedachte achter het vereiste van een uur aaneengesloten werken is. Deze gedachte is dat, wanneer het zelfstandig functioneren zo beperkt is dat met een te grote frequentie moet worden bijgestuurd, er te veel van de arbeidsorganisatie wordt gevergd in de zin van verstoring van de continuïteit van het productieproces. Het gaat er bij dit punt uitsluitend om dat niet vaker dan één keer per uur een substantiële onderbreking van het productieproces noodzakelijk is om de betrokkene bij te sturen. Het is niet relevant of er eventueel tijdens de werkzaamheden toezicht moet worden uitgeoefend, ook al is dat permanent noodzakelijk. Het is ook niet relevant of betrokkene het werk even onderbreekt, bijvoorbeeld om zich te vertreden.

In het Compendium Participatiewet, Wajong en SMBA van het UWV (Compendium) is een soortgelijke toelichting opgenomen. Daarbij is ook vermeld -voor zover hier van belang- dat de noodzaak om iemand bij te sturen er is als hij zelf niet kan onderkennen dat hij op enig moment niet adequaat functioneert en/of zichzelf daarin niet kan corrigeren. Ook is in het Compendium vermeld dat onderbreking van het werk (voor bijvoorbeeld toiletgang, of om zich te vertreden), weliswaar tot een substantiële onderbreking van het productieproces kan leiden, maar geen relatie heeft met de noodzaak om betrokkenen bij te sturen. Daarom is dat geen aspect dat bij de beoordeling moet worden betrokken.

De toelichting in het Compendium is in lijn met de Nota van Toelichting bij artikel 1a van het Schattingsbesluit. Dat het Compendium in strijd is met het Schattingsbesluit dan wel artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong, zoals door de gemachtigde van eiser ter zitting is gesteld, volgt de rechtbank dan ook niet.

6.4.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzekeringsartsen in hun rapportages op overtuigende wijze gemotiveerd dat eiseres in staat is een uur aaneengesloten te werken. Uit de rapportages blijkt dat eiseres in staat is na het verlies van concentratie zich zelf weer te herpakken. Zij heeft daarmee geen bijsturing van een derde nodig. Gelet hierop kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesproken van een substantiële onderbreking van het productieproces, zoals bedoeld in het Schattingsbesluit en het Compendium. Dit betekent dat de beroepsgrond van eiseres niet slaagt.

Arbeidsvermogen – vereiste van belastbaarheid van ten minste 4 uur per dag

7.1.

Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat ook overigens haar beperkingen door de verzekeringsartsen zijn onderschat en haar belastbaarheid is overschat. Volgens eiseres ontbreekt arbeidsvermogen en is dit duurzaam. Ter onderbouwing van haar standpunt dat arbeidsvermogen ontbreekt en dat dit duurzaam is, heeft eiseres de volgende stukken ingebracht: een behandelplan van de klinisch psycholoog van 27 februari 2018, een verslag van het psychiatrisch onderzoek gedateerd 23 april 2018, een overzicht van de medicatie op 23 april 2018, een brief van de GZ-psycholoog aan de huisarts van 13 november 2017, een verwijsbrief van 14 april 2017 van de huisarts aan de psycholoog en een behandelplan van de klinisch psycholoog van 4 januari 2019. Deze overgelegde informatie brengt volgens eiseres de diagnoses en beperkingen scherper in beeld en maakt dat de conclusie dat sprake is van basale werknemersvaardigheden niet houdbaar.

7.2.

Verzekeringsarts Van der Meulen heeft -voor zover in het licht van deze beroepsgrond relevant- in zijn rapporten overwogen dat eiseres maximaal 4 uur per dag 5 dagen per week kan werken. Zij is beperkt beschikbaar in verband met intensieve therapie en door haar problematiek niet 8 uur per dag belastbaar. De verwachting is niet dat eiseres met een urenbeperking kan functioneren op haar eigen niveau. Door de psychische problematiek lijkt voor de huidige situatie een veel simpeler taak aan de orde. Na het afronden van de behandeling en het zich herpakken moet echter functioneren op haar oorspronkelijke niveau van opleiding weer bereikt kunnen worden. Er is sprake van een tijdelijk beperkt arbeidsvermogen. Na het afronden van de therapie zal eiseres zeker niet arbeidsongeschikt blijven. Duurzaamheid van de beperkingen is niet aan de orde.

Verzekeringsarts bezwaar en beroep Kreté heeft in zijn rapport van 11 april 2018 overwogen dat aan de motivering van de primaire verzekeringsarts niets is toe te voegen. Hetgeen in bezwaar is ingebracht inclusief medische informatie leidt niet tot een andere medische oorzaak en daarmee ook niet tot andere conclusies. Met tijdelijk beperkt arbeidsvermogen wordt aangegeven dat tijdelijk sprake is van meer beperkingen.

In zijn rapport van 21 augustus 2018 heeft Kreté geconcludeerd dat de door eiseres in beroep ingebrachte stukken geen aanleiding geven om tot een ander standpunt te komen. Het behandelplan van 27 februari 2018, de brief van de huisarts van 14 april 2017 en de brief van de psycholoog van 20 juni 2017 waren al bekend en zijn al in de beoordeling betrokken. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat het medische feitencomplex zoals blijkt uit de door eiseres ingebrachte gegevens (ptss, paniekstoornis met agorafobie en depressie) al bekend was en is meegewogen. Het klachtenpatroon gaf aanleiding tot problemen in het dagelijks functioneren waarbij de psycholoog op 13 november 2017 heeft aangegeven dat eiseres haar studie ‘on hold’ heeft gezet en graag verder wil met een MBO opleiding. Hiermee rekening houdende zijn er geen medische beletsels om 4 uur te werken. Ook is op basis van het volbrengen van een HAVO opleiding niet te stellen dat zij op medisch gronden geen basale werknemersvaardigheden zou hebben. De verzekeringsarts bezwaar en beroep Kreté heeft nog vermeld dat als er geen arbeidsvermogen aangenomen zou worden, de ingestelde behandelingen zeker niet uitsluiten dat eiseres na behandeling wel aan bovengenoemde criteria zal voldoen. Behandeling zal leiden tot minder angst, betere coping en verbetering van algeheel dagelijks functioneren.

In het rapport van 16 januari 2019 heeft verzekeringsarts bezwaar en beroep Kreté geconcludeerd dat uit de stukken van 4 januari 2019, 27 februari 2018 en 13 november 2017 blijkt dat sprake is van een verslechtering maar dat deze heeft plaatsgevonden na de beoordelingsdatum 3 juli 2017. Daarom kan dit niet leiden tot wijziging van de conclusies per beoordelingsdatum.

7.3.

De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsartsen, naast de overtuigende wijze waarop zij het voldoen aan het vereiste van een uur aaneengesloten werken hebben gemotiveerd (ro 6), in de rapporten op inzichtelijke en inhoudelijk overtuigende wijze hebben gemotiveerd dat eiseres op de beoordelingsdatum ten minste 4 uur per dag, gedurende 5 dagen per week belastbaar is en dat er geen medische reden is om aan te nemen dat zij niet beschikt over basale werknemersvaardigheden. Ten aanzien van de stukken die door eiseres zijn ingebracht in beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in aanvullende rapporten inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet afdoen aan het ingenomen medische standpunt. Nu eiseres hiertegenover geen informatie heeft gesteld die duidt op een andersluidend of verdergaand medisch oordeel over de medische situatie op de datum in geding, heeft de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsartsen.

Arbeidskundige vereisten

8. De arbeidsdeskundige Melkert heeft in zijn rapporten op inzichtelijke en overtuigende wijze gemotiveerd dat eiseres ook arbeidskundig gezien beschikt over basale werknemersvaardigheden, gelet op haar stage en werkervaring. Voorts heeft Melkert inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat eiseres de taak van ‘plukken champignons’, nummer 0201, versie 28 juli 2016, kan verrichten.

Arbeidsdeskundige bezwaar en beroep Eggink heeft zich achter deze conclusies geschaard.

9. De stelling van de gemachtigde van eiser in de brief van 15 april 2019 dat een taak een toegevoegde waarde moet hebben en economisch renderend moet zijn, volgt de rechtbank niet. Uit de Nota van Toelichting bij het Schattingsbesluit blijkt dat de beoordeling of betrokkene een taak kan verrichten een theoretische beoordeling betreft.

Eindconclusie

10. Gelet op het vorenstaande houdt het bestreden besluit, waarin is geconcludeerd tot de aanwezigheid van arbeidsvermogen, stand. De verslechtering van de medische situatie na de beoordelingsdatum kan in dit geval geen rol spelen. Deze rol zou alleen mogelijk kunnen zijn geweest, als geconcludeerd zou zijn tot geen arbeidsvermogen. In dat geval zou de verslechtering relevant kunnen zijn geweest in het kader van de beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen.

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.S. van Nijen, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. B. de Vries, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 10 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:112 en van 27 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4698.

2 Zie bijvoorbeeld de in noot 1 genoemde uitspraak van 10 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:112 en de uitspraak van de CRvB van 20 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI4863.