Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:2955

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
08-05-2019
Datum publicatie
04-07-2019
Zaaknummer
C/05/352952 / KG ZA 19-172
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Retentierecht, art 6:52 jo 3:290 BW. Geen feitelijke macht en onvoldoende aannemelijk dat sprake is van opeisbare vordering. Daarbij naar maatstaven redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat retentierecht wordt uitgeoefend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/352952 / KG ZA 19-172

Vonnis in kort geding van 8 mei 2019

in de zaak van

de stichting

DE VAN HEUMEN-DE SITTER STICHTING,

gevestigd te Tiel,

eiseres,

advocaat mr. M.A. Algra te Tiel,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 1] ,

gevestigd te Varik,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 2] ,

gevestigd te Varik,

gedaagden,

advocaat mr. M.J.H. van Baalen te Wageningen.

Eiseres zal hierna de Stichting worden genoemd. Gedaagden zullen hierna gezamenlijk [gedaagde partij] . worden genoemd en ieder afzonderlijk [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 19

  • -

    de nagezonden productie 20 van de Stichting

  • -

    de producties 1 tot en met 17 van [gedaagde partij] .

  • -

    de nagezonden productie 18 van [gedaagde partij] .

  • -

    de mondelinge behandeling van 6 mei 2019

  • -

    de pleitnota van de Stichting

  • -

    de pleitnota van [gedaagde partij] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De Stichting houdt zich bezig met de (eenmalige) financiële ondersteuning van personen met medische en/of sociale problemen. De daarvoor benodigde gelden verkrijgt zij onder meer uit (erfpacht)opbrengsten van diverse aan haar in eigendom toebehorende percelen grond.

2.2.

De Stichting is onder meer eigenaresse van een boomgaard gelegen aan de [adres/kadastrale gegevens boomgaard] (hierna: de boomgaard). [gedaagde sub 1] is eigenaresse van de aan de boomgaard grenzende percelen, kadastraal bekend [kadastrale gegevens aangrenzende boomgaard] De boomgaard kent twee ontsluitingen, te weten een ruime ontsluiting naar de [straat 1] via het bedrijfsperceel van [gedaagde partij] . en een smalle(re) directe ontsluiting naar de [straat 2] .

2.3.

Bij notariële akte van 30 juli 2009 is op de boomgaard ten behoeve van (de rechtsvoorganger van) [gedaagde sub 1] een recht van erfpacht gevestigd. [gedaagde partij] . exploiteren op hun eigen percelen en de gepachte boomgaard een biologisch fruitteeltbedrijf. In de notariële akte van erfpacht is onder meer het volgende bepaald:

‘(…)

Artikel 8.

1. Bij het verstreken zijn van de termijn waarvoor deze erfpacht is aangegaan en bij beëindiging overeenkomstig het voorgaande artikel moet het erfpachtgoed in behoorlijke toestand worden opgeleverd. Voor daaraan aangerichte schade blijft de erfpachter persoonlijk aansprakelijk.

2. De erfpachter is alsdan niet bevoegd de door hem op het erfpachtsgoed aangebrachte opstallen en beplantingen weg te nemen. Terzake van deze opstallen en beplantingen, alsmede terzake van aan het erfpachtsgoed aangebrachte verbeteringen heeft de erfpachter recht op een vergoeding.

3. Deze vergoeding wordt vastgesteld op de wijze als in artikel 1 voor wijziging van de canon is bepaald. Ieder der partijen draagt de helft van de kosten. De vergoeding voor de gebouwen en beplantingen en voor de waardevermeerdering wordt door deskundigen bepaald op de prijs die daarvoor bij verkoop van een soortgelijk erfpachtsrecht op het moment van de aanvang hiervan zou kunnen worden bedongen.

4. Generlei uitkering als in het vorige lid bedoeld heeft plaats, zolang niet de grond met opstallen geheel ter vrije beschikking van de grondeigenaar of de nieuwe gebruiksgerechtigde is gesteld.

(…)’

2.4.

De notariële akte bepaalt verder dat het recht van erfpacht eindigt per

1 oktober 2018. Met het oog daarop zijn de Stichting en [gedaagde sub 1] medio 2018 in gesprek geraakt over een mogelijke verlenging van het recht van erfpacht op de boomgaard. In dat verband zijn over en weer voorstellen gedaan, maar die voorstellen hebben er uiteindelijk niet toe geleid dat het recht van erfpacht met ingang van 1 oktober 2018 zou worden verlengd.

2.5.

Op 28 september 2018 hebben partijen de boomgaard geïnspecteerd. Omdat het fruit uit de boomgaard op dat moment nog niet plukrijp was, hebben [gedaagde partij] . het fruit niet voor 1 oktober 2018 geoogst. De Stichting heeft enkele dagen later opdracht aan de heer [naam 1] gegeven het fruit medio oktober 2018 te oogsten en gekoeld op te slaan. De Stichting heeft in dat verband aan [gedaagde partij] . gevraagd of daarbij gebruik mocht worden gemaakt van de ontsluiting via de [straat 1] . [gedaagde partij] . is daarmee akkoord gegaan, onder de voorwaarde dat voor dat gebruik een bedrag van € 750,00 per week of deel van de week zou worden betaald. [naam 1] heeft namens de Stichting vervolgens medio oktober 2018 het fruit geoogst en gekoeld opgeslagen. [naam 1] heeft direct na het oogsten tevens onderhoud aan de sloten in de boomgaard verricht met gebruikmaking van de ontsluiting naar de [straat 1] .

2.6.

De Stichting heeft vanaf oktober 2018 getracht het geoogste fruit te verkopen. Deze verkoop is in het voorjaar van 2019 op gang gekomen. Op dat moment is tussen partijen een geschil ontstaan over de waardering van de op 1 oktober 2018 in de boomgaard aanwezige opstallen en beplantingen in de zin van artikel 8 van de notariële akte van erfpacht, waaronder de fruitoogst. Zowel de Stichting als [gedaagde partij] . hebben de waarde van de opstallen en beplantingen laten taxeren door een eigen deskundige. De door de Stichting ingeschakelde deskundige is uitgekomen op een negatief bedrag vanwege de hoge kosten die met de oogst en opslag gepaard zijn gegaan, terwijl de door [gedaagde partij] . ingeschakelde deskundige is uitgekomen op een door de Stichting aan [gedaagde partij] . te betalen vergoeding van circa € 650.000,00.

2.7.

In het voorjaar van 2019 heeft de Stichting geconstateerd dat [gedaagde partij] . het hek bij de ontsluiting naar de [straat 2] met een slot heeft afgesloten en daarop een bord heeft aangebracht met daarop onder meer de teksten “Op het achter dit hek gelegen perceel oefent [gedaagde sub 2] haar retentierecht uit” en “Zonder toestemming dit perceel niet betreden”. Bij de ontsluiting naar de [straat 1] hebben [gedaagde partij] . in januari 2019 op eigen terrein een bouwhek met slot geplaatst, waarop eenzelfde bord als hiervoor beschreven is bevestigd. De Stichting kan de boomgaard vanaf dat moment niet langer betreden.

2.8.

De Stichting heeft [gedaagde partij] . daarna aangeschreven en verzocht haar de vrije toegang tot de boomgaard te verschaffen door de sloten en borden bij de ontsluitingen te verwijderen. Daarbij heeft de Stichting aangeboden een bedrag van € 100.000,00 op een derdengeldrekening te storten ter vervangende zekerheid voor de volgens [gedaagde partij] . bestaande vordering op de Stichting. [gedaagde partij] . hebben dit aanbod niet geaccepteerd en de uitoefening van het ingeroepen retentierecht tot op heden niet gestaakt.

3 Het geschil

3.1.

De Stichting vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I [gedaagde partij] . te gelasten om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de uitoefening van het retentierecht te beëindigen en beëindigd te houden en de op de boomgaard aanwezige hekken, sloten en kennisgevingen van het retentierecht te verwijderen en verwijderd te houden teneinde de boomgaard weer in de macht van de Stichting te brengen;

II hierbij te bepalen dat [gedaagde partij] . hoofdelijk een dwangsom aan de Stichting zullen verbeuren van € 10.000,00 per dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat [gedaagde partij] . in gebreke zijn met de naleving van de onder I omschreven geboden en verboden, dit met een maximum van € 100.000,00;

III [gedaagde partij] . hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[gedaagde partij] . voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover voor de beoordeling van dit geschil van belang, worden ingegaan.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

De spoedeisendheid van de vorderingen vloeit voldoende uit de stellingen van de Stichting voort.

4.2.

[gedaagde sub 2] beroept zich allereerst op de niet-ontvankelijkheid van de Stichting jegens haar, omdat de B.V. als zodanig geen erfpachter van de boomgaard is (geweest) en met het ingeroepen retentierecht niets van doen heeft. Dit verweer gaat niet op. Uit de overgelegde stukken volgt immers dat op het bord dat is bevestigd aan het hek bij de ontsluiting naar de [straat 2] , waarmee de uitoefening van het retentierecht kenbaar is gemaakt, als retentor [gedaagde sub 2] staat vermeld. Ondanks de omstandigheid dat inderdaad enkel [gedaagde sub 1] erfpachter van de boomgaard is/was, wekt de kennisgeving en de daarvoor gebruikte naam op het hiervoor bedoelde bord op zijn minst de indruk dat ook [gedaagde sub 2] bij het inroepen van het retentierecht is betrokken en het de Stichting onmogelijk maakt de feitelijke macht over de boomgaard uit te oefenen. Daarom heeft de Stichting recht en belang ook [gedaagde sub 2] in rechte te betrekken, zodat de ingestelde vorderingen jegens beide gedaagden zullen worden behandeld.

4.3.

De Stichting vordert kort gezegd veroordeling van [gedaagde partij] . de gevolgen van het door haar ingeroepen retentierecht op de boomgaard ongedaan te maken en de Stichting de vrije toegang tot en feitelijke macht over de boomgaard te verstrekken. Artikel 6:52 BW in samenhang met artikel 3:290 BW bepalen dat voor het rechtsgeldig inroepen van een retentierecht in de eerste plaats is vereist dat in dit geval [gedaagde partij] . de op rechtmatige wijze verkregen feitelijke macht over de boomgaard hebben. Vaststaat dat op basis van de notariële akte van erfpacht het recht van erfpacht eindigde op 1 oktober 2018. Eveneens staat vast dat [gedaagde partij] . na 1 oktober 2018 toestemming hebben verleend aan de Stichting om via de ontsluiting naar de [straat 1] en dus over hun aan de boomgaard grenzende percelen de boomgaard te betreden voor het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde partij] . daarbij op dat moment aan de Stichting hebben medegedeeld dat zij nog altijd de feitelijke macht over de boomgaard uitoefenen en dat de verleende toestemming een uitzondering op het door hen ingeroepen retentierecht was en daardoor slechts beperkt tot het verrichten van de geplande specifieke werkzaamheden. [gedaagde partij] . hebben in dat verband enkel aangevoerd dat zij een bedrag van € 750,00 per week hebben gevraagd voor het gebruik door de Stichting, zonder vermelding van verdere mededelingen. Vaststaat dat de Stichting vervolgens ongehinderd het fruit in de boomgaard heeft kunnen (laten) oogsten en de sloten heeft kunnen (laten) onderhouden. Gelet daarop heeft de Stichting er niet vanuit hoeven gaan dat de feitelijke macht over de boomgaard door [gedaagde partij] . werd uitgeoefend. Uit hetgeen ter zitting naar voren is gekomen noch uit de overgelegde stukken volgt dat [gedaagde partij] . zich op dat moment als retentor hebben voorgedaan. In het kader van dit kort geding kan daarom niet worden aangenomen dat [gedaagde partij] ., althans [gedaagde sub 1] , na 1 oktober 2018 de feitelijke macht over de boomgaard hebben behouden. De boomgaard is per 1 oktober 2018 in de macht van de Stichting gekomen en er is geen grond om aan te nemen dat [gedaagde partij] . de uitoefening van de feitelijke macht slechts voor korte tijd hebben onderbroken om de Stichting gelegenheid te geven voor de hiervoor bedoelde werkzaamheden. Een eventueel retentierecht is overeenkomstig artikel 3:294 BW teniet gegaan.

4.4.

De artikelen 6:52 en 3:290 BW bepalen ten tweede dat sprake moet zijn van een opeisbare vordering van [gedaagde partij] . op de Stichting. Ter onderbouwing daarvan verwijzen zowel de Stichting als [gedaagde partij] . naar artikel 8 van de notariële akte van erfpacht, zij het dat [gedaagde partij] . verwijst naar lid 2, waarin is bepaald dat de erfpachter een vergoeding voor opstallen en beplanting krijgt bij het einde van de erfpacht, en de Stichting naar lid 4, waarin is bepaald dat geen uitkering plaatsvindt zolang de grond met opstallen niet geheel ter vrije beschikking van de grondeigenaar is gesteld. Wat echter ook van dit artikel zij, op dit moment is onvoldoende aannemelijk dat sprake is van een opeisbare vordering van [gedaagde partij] ., althans [gedaagde sub 1] , op de Stichting. Op de voet van artikel 8 van de akte heeft de (voormalig) erfpachter weliswaar recht op een bepaalde waardevergoeding aan het einde van de pachtperiode, maar of dat in dit geval werkelijk leidt tot een vordering van [gedaagde partij] ., althans [gedaagde sub 1] , op de Stichting en zo ja, in welke omvang, staat op dit moment niet vast. Bij gebreke van een voldoende bepaalde vordering kan aan de zijde van [gedaagde partij] . moeilijk worden volgehouden dat wel reeds sprake is van een opeisbare vordering. De uitoefening van een retentierecht gaat in de gegeven omstandigheden dan ook te ver.

4.5.

Daarbij komt dat namens de Stichting ter zitting is gesteld dat de boomgaard dringend moet worden gesnoeid en moet worden behandeld tegen schurft, omdat anders ernstige schade aan de boomgaard zal ontstaan of deze zelfs teniet zal gaan. [gedaagde partij] . hebben dit niet weersproken. Onder deze omstandigheden is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [gedaagde partij] . het door hen ingeroepen retentierecht blijven uitoefenen, terwijl hoogst onzeker is of zij dit recht hebben en of zij een vordering op de Stichting hebben.

4.6.

Dit alles leidt ertoe dat [gedaagde partij] . zich dienen te onthouden van elke vorm van uitoefening van de feitelijke macht over de boomgaard. Dit betekent dat [gedaagde partij] . het slot en het bord op het hek bij de ontsluiting naar de [straat 2] dienen te verwijderen en niet op enige manier mogen verhinderen dat de Stichting via die ontsluiting de vrije toegang heeft tot de boomgaard. De vordering van de Stichting zal in die zin worden toegewezen. Ten aanzien van het bouwhek met slot dat is geplaatst bij de ontsluiting van de boomgaard naar de [straat 1] is aannemelijk dat dit hek zich volledig op het eigen perceel van [gedaagde partij] . bevindt. Het plaatsen van een dergelijk hekwerk op eigen grond staat [gedaagde partij] . vrij. Bij gebreke van een erfdienstbaarheid is [gedaagde partij] . voor het overige ook niet verplicht aan de Stichting of een opvolgend erfpachter over hun percelen via de ontsluiting naar de [straat 1] toegang tot de boomgaard te verschaffen. Voor zover de vordering ook betrekking heeft op dit hekwerk, zal deze dan ook worden afgewezen.

4.7.

De gevorderde dwangsom zal op de voet van artikel 611a Rv worden toegewezen als na te melden.

4.8.

[gedaagde partij] . zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van de Stichting tot op heden begroot op:

  • -

    griffierecht € 639,00

  • -

    salaris advocaat € 980,00

Totaal € 1.619,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde partij] . zich binnen 24 uur na de datum van dit vonnis te onthouden van elke vorm van uitoefening van de feitelijke macht over de boomgaard en in dat verband het slot en de kennisgeving van het retentierecht op het hek dat zich bevindt bij de ontsluiting van de boomgaard naar de [straat 2] te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat niet aan deze veroordeling wordt voldaan, tot een maximum van

€ 100.000,00 is bereikt,

5.2.

veroordeelt hoofdelijk [gedaagde partij] . tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van de Stichting tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.619,00, waarin begrepen

€ 980,00 aan salaris advocaat,

5.3.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier [naam griffier] op 8 mei 2019.