Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:2936

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-07-2019
Datum publicatie
02-07-2019
Zaaknummer
05/216326-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Militair veroordeeld tot een geldboete van € 750,- voor eenvoudige belediging en mishandeling. Het beroep op noodweer(exces) is verworpen. De benadeelde partij is niet-ontvankelijk verklaard, omdat niet duidelijk is in hoeverre sprake is van eigen schuld van de benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/216326-15

Datum uitspraak : 1 juli 2019

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige militaire kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1] ,

raadsman: mr. J.G. Wiebes, advocaat te Lelystad.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 december 2018 en 17 juni 2019.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de militaire kamer toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1. primair

hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 27 juni 2015 te Warffum, gemeente Eemsmond, althans in Nederland, zich (telkens) in het openbaar op [adres 2] , zijnde een openbare weg, mondeling, (telkens) opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten negers en/of moslims wegens hun ras (etniciteit) en/of geloofsovertuiging, door (telkens) opzettelijk beledigend te roepen/schreeuwen

- “ ga terug naar je eigen land” en/of

- “ hou je bek neger” en/of

- “ kut neger” en/of

- “ kut moslims” en/of

- “ stelletje kut buitenlanders”,

althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 27 juni 2015 te Warffum, gemeente Eemsmond, althans in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] , in het openbaar mondeling, (telkens) heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen:

“ga terug naar je eigen land” en/of “hou je bek neger” en/of “kut neger” en/of “kut moslims” en/of “stelletje kutbuitenlanders”,

althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

2. primair

hij op of omstreeks 27 juni 2015 te Warffum, gemeente Eemsmond, althans in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (gebitsschade), heeft toegebracht door opzettelijk (meermalen) tegen het hoofd en/of gezicht, althans tegen het te lichaam te slaan en/of te stompen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 juni 2015 te Warffum, gemeente Eemsmond, althans in Nederland, aan [slachtoffer] , heeft mishandeld door (meermalen) tegen het hoofd en/of gezicht, althans tegen het te lichaam te slaan en/of te stompen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen;

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 27 juni 2015 is in Warffum, gemeente Eemsmond, een vechtpartij ontstaan waarbij verdachte en aangever [slachtoffer] waren betrokken. Daarbij heeft verdachte op enig moment met zijn vuist tegen het hoofd van [slachtoffer] geslagen, waardoor deze laatste tegen de grond ging.2 Hierbij is een voortand van [slachtoffer] tot op het botniveau afgebroken.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 subsidiair (belediging) en het onder feit 2 subsidiair (mishandeling) tenlastegelegde.

Volgens de officier van justitie dient verdachte te worden vrijgesproken van de onder feit 1 primair ten laste gelegde groepsbelediging, nu niet gebleken is van opzet bij verdachte op het beledigen van een bepaalde groep mensen. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte wordt vrijgesproken van de onder feit 2 primair ten laste gelegde zware mishandeling, omdat niet gebleken is dat verdachte [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van zowel het onder 1 primair als het subsidiair tenlastegelegde. Hiertoe is aangevoerd dat verdachte geen discriminatoire uitingen heeft gedaan zoals ten laste is gelegd. De verklaringen van [slachtoffer] en zijn broers hierover zijn volgens de verdediging onbetrouwbaar. Voor zover verdachte zou hebben gezegd dat [slachtoffer] terug zou moeten gaan naar zijn eigen land, merkt de verdediging op dat verdachte op dat moment werd mishandeld en geen opzet had op het beledigen van [slachtoffer] . Bovendien is hiermee geen sprake geweest van een beledigende uitlating, aldus de verdediging.

Ten aanzien van het onder feit 2 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken, voor zover er al geen sprake is geweest van noodweer dan wel noodweerexces. Verdachte had immers geen opzet op het veroorzaken van lichamelijk letsel bij [slachtoffer] .

Beoordeling door de militaire kamer

Met betrekking tot feit 1

Met de officier van justitie en de verdediging is de militaire kamer van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair tenlastegelegde. Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte zich opzettelijk beledigend heeft geuit jegens een groep personen vanwege hun ras.

Ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde overweegt de militaire kamer als volgt.

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij na afloop van het festival [naam 1] in Warffum met onder andere zijn tweelingbroer [naam 2] , zijn broer [naam 3] en [naam 4] door Warffum liep. Zij riepen wat opmerkingen naar een bekende van hen toen verdachte uit het niets riep: “ga terug naar je eigen land”. Op dat moment waren [slachtoffer] en zijn tweelingbroer de enigen in de omgeving met een getint uiterlijk. Zij zijn geadopteerd en komen oorspronkelijk uit [land] .4 [slachtoffer] voelde zich hierdoor beledigd, gekwetst en gegriefd.5

Getuige [naam 5] zat die nacht in een tuin in Warffum. Hij hoorde lawaai en zag een blonde jongen met een bebloed gezicht. Drie andere jongens hadden ruzie met deze jongen en sloegen op de jongen in. [naam 5] hoorde dat de jongen zei: “ga terug naar je eigen land.”.6

Verdachte heeft verklaard dat hij jongens aansprak die vlaggetjes van huizen los trokken. Daarop werd hij meteen door één van hen geslagen, waardoor er ruzie ontstond. De ruzie begon volgens hem niet met racistische beledigingen. Ter terechtzitting heeft hij verklaard dat het mogelijk is dat hij tijdens de vechtpartij iets heeft gezegd, omdat hij hevig geëmotioneerd was.7 Verdachte weet echter niet meer wat.

Op grond van het voorgaande is de militaire kamer van oordeel dat verdachte tegen [slachtoffer] heeft gezegd: “ga terug naar je eigen land”. De militaire kamer is bovendien van oordeel dat deze opmerking beledigend van aard is. Verdachte kon immers ook iets anders roepen, dat niet (impliciet) zou verwijzen naar de huidskleur van [slachtoffer] en zijn tweelingbroer. De militaire kamer betrekt hierbij dat de tweelingbroers op dat moment de enigen in de buurt waren met een getinte huidskleur. Door deze woorden in deze omstandigheden tegen [slachtoffer] en zijn tweelingbroer te roepen, heeft verdachte op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de tweeling zich hierdoor beledigd zou voelen. De militaire kamer acht dan ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde belediging door te roepen: “ga terug naar je eigen land”.

Ten aanzien van de overige in de tenlastelegging genoemde bewoordingen overweegt de militaire kamer het volgende. Hoewel verdachte volgens [slachtoffer] , zijn tweelingbroer en zijn andere broer ook deze uitlatingen zou hebben gedaan, wordt dit niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel. Daarbij merkt de militaire kamer op dat [slachtoffer] en zijn tweelingbroer tegenstrijdig aan elkaar hebben verklaard. Waar [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte uit het niets deze uitlatingen zou hebben gedaan, heeft er volgens [naam 2] eerst een soort gesprek met verdachte plaatsgevonden. Nu geen van de andere aanwezige getuigen heeft gehoord dat verdachte de overige ten laste gelegde uitlatingen heeft gedaan, acht de militaire kamer de verklaringen van de broers op dit punt ongeloofwaardig. De militaire kamer zal verdachte dan ook van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Met betrekking tot feit 2

Met de officier van justitie is de militaire kamer van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 2 primair ten laste gelegde zware mishandeling. Hiertoe is van belang dat de afgebroken voortand van [slachtoffer] niet kan worden gekwalificeerd als zijnde zwaar lichamelijk letsel. De militaire kamer zal verdachte vrijspreken van het onder feit 2 primair tenlastegelegde.

Voor wat betreft het onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde overweegt de militaire kamer het volgende.

Getuige [naam 6] heeft verklaard dat hij op 27 mei 2015 met [slachtoffer] , diens broers en [naam 4] door Warffum liep. [slachtoffer] en zijn broers trokken vlaggetjes van muren af en werden aangesproken door een blonde jongen (de militaire kamer begrijpt: verdachte). De tweeling keerde zich toen tegen de blonde jongen en gaven hem tikken tegen zijn gezicht. De jongen deed niets terug, totdat hij van één van hen een hoekslag tegen zijn gezicht kreeg. Toen ontstond een vechtpartij. Op een gegeven moment rende de jongen weg, sprong over iets heen en viel plat op zijn gezicht. De jongen stond gewond op en werd belachelijk gemaakt door andere mensen. Daarop viel de jongen één van de broers aan, waarna de drie broers de jongen aanvielen. De jongen werd op de grond gewerkt en in zijn rug en zijn zij geschopt. Eén van de broers zijn toen dat het niet eerlijk was en zij stopten toen met schoppen. [naam 6] keek toen naar één van de tweelingbroers, die met een meisje stond te praten. [naam 6] zag dat de blonde jongen plotseling kwam aanlopen en dat hij met zijn vuist tegen de kaak van één van de tweelingbroers aan sloeg, waardoor deze knock-out op de grond viel.8

Gelet op de verklaring van getuige [naam 6] is de militaire kamer van oordeel dat verdachte, door de wijze waarop hij [slachtoffer] heeft geslagen, opzet heeft gehad op het toebrengen van letsel bij [slachtoffer] . De militaire kamer acht dan ook bewezen dat verdachte de onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde mishandeling heeft gepleegd.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en het onder 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1. subsidiair

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 27 juni 2015 te Warffum, gemeente Eemsmond, althans in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] , in het openbaar mondeling, (telkens) heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen:

“ga terug naar je eigen land” en/of “hou je bek neger” en/of “kut neger” en/of “kut moslims” en/of “stelletje kutbuitenlanders”,

althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

2. subsidiair

hij op of omstreeks 27 juni 2015 te Warffum, gemeente Eemsmond, althans in Nederland, aan [slachtoffer] , heeft mishandeld door (meermalen) tegen het hoofd en/of gezicht, althans tegen het lichaam te slaan en/of te stompen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1 subsidiair:

eenvoudige belediging;

ten aanzien van feit 2 subsidiair:

mishandeling.

5 De strafbaarheid van het feit

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hier geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Volgens de officier van justitie werd er direct voorafgaand aan de vuistslag die verdachte aan [slachtoffer] niet meer gevochten en was het rustig. Hierdoor kan verdachte geen geslaagd beroep op noodweer doen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een beroep op noodweer gedaan en heeft bepleit dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Volgens de verdediging heeft verdachte niet de eerste klap uitgedeeld. Toen hij probeerde weg te komen, viel hij op de grond. Terwijl hij gewond op de grond lag en probeerde weg te komen, werd hij door aangever en zijn broers geslagen en werd er op hem ingetrapt. Gelet op de omstandigheid dat hij zich tegen een overmacht moest verdedigen, en dat zijn aanvallers na zijn val zijn doorgegaan met slaan en schoppen, was sprake van een noodzakelijke verdediging als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht. Voor verdachte is geen sprake geweest van een onderbreking van de wederrechtelijke situatie en zijn angst.

Beoordeling door de militaire kamer

Getuige [naam 4] heeft verklaard dat het op enig moment rustiger werd. [slachtoffer] stond op toen op afstand van de groep mensen en kreeg een klap van de jongen waarmee hij eerder ruzie had. [slachtoffer] viel hierdoor tegen de grond.

Getuige [naam 5] heeft verklaard dat hij zag dat de drie jongens tegen wie een andere jongen had geroepen: “ga terug naar je eigen land” achter die jongen aan gingen. De drie jongens sloegen hem. Toen de blonde jongen viel, trapten de drie jongens op hem in. Elke keer als de jongen weg wilde lopen, gingen de drie jongens achter hem aan. Hierop is [naam 5] samen met wat vrienden naar de jongens gegaan en hebben zij de jongens uit elkaar gehaald. Hierna sloeg de jongen (de rechtbank begrijpt: verdachte) één van die drie jongens “flat out”.

Gelet op deze getuigenverklaringen, alsmede die van getuige [naam 6] , is de militaire kamer van oordeel dat geen sprake meer was van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn eigen lijf, eerbaarheid of goed. Immers, de vechtenden waren al door omstanders uit elkaar gehaald. Het verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen. Evenmin is aannemelijk dat hij nog in veronderstelling kon verkeren dat er nog een onmiddellijk gevaar voor hem dreigde. De militaire kamer neemt daarbij in aanmerking dat volgens getuige [naam 6] verdachte plotseling op één van de broers (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] ) afliep die stond te praten met een meisje en hem toen tegen de kaak sloeg.

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen geslaagd beroep kan worden gedaan op noodweerexces, nu niet gebleken is van een hevige gemoedsbeweging bij verdachte en er bovendien sprake was van een bepaalde rustperiode voorafgaand aan de vuistslag die verdachte heeft uitgedeeld.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat – voor zover er sprake zou zijn van een overschrijding van de grenzen van een noodzakelijke verdediging – sprake is van noodweerexces.

Beoordeling door de rechtbank

Nu de militaire kamer hiervoor heeft geoordeeld dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, slaagt het beroep op noodweerexces reeds daarom niet. Het verweer wordt verworpen.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair en het onder 2 subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van 38 uren werkstraf, te vervangen door 19 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht om het achterwege laten van een straf of maatregel, omdat verdachte gedaan heeft wat van hem als goed burger werd verwacht waar het de vlaggetjes aan de muren van de huizen betreft. Daarnaast heeft hij de mannen meerdere keren verzocht te stoppen en heeft hij zich proberen te onttrekken aan de wederrechtelijke aanranding. Subsidiair is verzocht om oplegging van een geheel voorwaardelijke straf, zodat dit niet aan voortzetting van zijn verklaring van geen bezwaar (VGB) in de weg staat.

Beoordeling door de militaire kamer

De militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 25 maart 2019.

De militaire kamer heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belediging. Het bezigen van woorden zoals door de verdachte geuit, is kwetsend voor de personen tegen wie deze zijn gericht. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van een persoon door het geven van een vuistslag, waardoor deze persoon letsel heeft bekomen in de vorm van een afgebroken voortand. De militaire kamer rekent dit verdachte aan, omdat hij als militair een voorbeeldfunctie vervult en zich van eigenrichting dient te onthouden.

In het voordeel van verdachte neemt de militaire kamer mee dat hij niet met het geweld is begonnen. Hij heeft juist, zoals verwacht mag worden bij goed burgerschap, personen aangesproken die bezig waren met het vernielen van feestversiering. Uit de verklaringen van de getuigen [naam 5] , [naam 6] en [naam 4] is het de militaire kamer duidelijk geworden dat aangever en zijn broers een groot aandeel in de aanleiding tot de ruzie hebben gehad en daarmee een kwalijke rol hebben gespeeld in het geweld dat zich tijdens die feestnacht in Warffum heeft voorgedaan. Hoewel de door verdachte geuite belediging als zeer grievend zal zijn ervaren door aangever en zijn tweelingbroer, heeft verdachte de belediging geuit terwijl hij door aangever en zijn broers werd mishandeld. De militaire kamer houdt hier rekening mee.

Uit het uittreksel justitiële documentatie volgt dat verdachte niet eerder voor dergelijke strafbare feiten is veroordeeld.

Daarnaast houdt de militaire kamer in het voordeel van verdachte rekening met de omstandigheid dat het om een oud feit gaat van zo’n vier jaar geleden. Met de officier van justitie en de verdediging is de militaire kamer van oordeel dat deze feiten niet in de weg zouden moeten staan aan het opnieuw verstrekken van een VGB aan verdachte.

Gelet op het voorgaande acht de militaire kamer oplegging van een geldboete ter hoogte van € 750,-, te vervangen door 15 dagen vervangende hechtenis, passend en geboden.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

[De benadeelde partij] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde feiten. Gevorderd wordt een bedrag van € 3.211,74 bestaande uit € 2.211,74 aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van [De benadeelde partij] toe te wijzen tot een bedrag van € 2.211,74 (zijnde de materiële schade), waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 32 dagen hechtenis. Voor het overige, immateriële deel, heeft de officier van justitie verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [De benadeelde partij] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

Beoordeling door de militaire kamer

Behandeling van de vordering levert naar het oordeel van de militaire kamer – gelet op de omstandigheden zoals gebleken uit het dossier – een onevenredige belasting van het strafgeding op. Een goede beoordeling van de vordering vergt immers nader onderzoek naar onder meer de vraag in hoeverre sprake is van eigen schuld van de zijde van de benadeelde partij. De benadeelde partij kan daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24c, 57, 266 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De militaire kamer:

 spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde feiten;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een geldboete van € 750,- (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis;

De beslissing op de vordering van [De benadeelde partij] :

 verklaart [De benadeelde partij] niet-ontvankelijk in zijn vordering;

Dit vonnis is gewezen door mr. Y. van Wezel (voorzitter), mr. G.W.B. Heijmans (rechter) en Kolonel mr. H.C.M. Snellen, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. A. Bril, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 juli 2019.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door een verbalisant van de politie Noord-Nederland, district Groningen, basisteam Ommelanden-Noord, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0100-2015217959, gesloten op 30 juli 2015 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal aangifte door [slachtoffer] , p. 78; proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte, p. 70

3 Een schriftelijk bescheid zijnde een tandartsverklaring d.d. 13 juli 2015, p. 83.

4 Proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte [slachtoffer] , p. 56.

5 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 78.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 5] , p. 35.

7 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 17 juni 2019.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 6] , p. 41 en 42.