Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:2807

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-06-2019
Datum publicatie
28-06-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 4169
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Loonheffing. Toepassing vrijwilligersregeling van artikel 2, lid 6, Wet LB. Privé gebruik auto. Boete.

Eiseres, een stichting, moet als werkgever van het personeel en dus inhoudingsplichtige worden aangemerkt, ook al wordt zij voor de winstbelasting als transparant aangemerkt. Toepassing van de vrijwilligersregeling is terecht geweigerd, omdat niet aannemelijk is dat eiseres voldoet aan de voor zorginstellingen geldende winstbestemmingseis. Aannemelijk is dat de auto aan een werknemer ter beschikking is gesteld. De boetes zijn deels terecht opgelegd. De bijstand van de adviseur leidt in dit geval er niet toe dat belanghebbende er op mocht vertrouwen dat de aangiften LH juist waren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2019-1707 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 18/4169, 18/4170, 18/4171 en 18/4173

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 25 juni 2019

in de zaken tussen

Stichting [X] , te [Z] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] RB),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Almelo, verweerder.

Procesverloop

Met dagtekening 26 oktober 2017 is aan eiseres over de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2015 een naheffingsaanslag loonheffingen (LH) opgelegd ten bedrage van € 23.129. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd van € 4.438. Ook is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht van € 2.167.

Met dagtekening 27 oktober 2017 is aan eiseres over de periode 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 een naheffingsaanslag LH opgelegd ten bedrage van € 13.433. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd van € 3.358. Ook is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht van € 462.

Met dagtekening 19 januari 2018 is aan eiseres over de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 een naheffingsaanslag LH opgelegd ten bedrage van € 1.964. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd van € 491. Ook is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht van € 242.

Met dagtekening 19 januari 2018 is aan eiseres over de periode 1 januari 2015 tot en met 30 juni 2015 een naheffingsaanslag LH opgelegd ten bedrage van € 12.623. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd van € 3.155. Ook is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht van € 1.054.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 11 juni 2018 de naheffingsaanslagen, de boetebeschikkingen en de beschikkingen belastingrente gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 20 juli 2018, ontvangen door de rechtbank op diezelfde datum, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en één verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2019. Namens eiseres is verschenen de gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] en [B] .

Beide partijen hebben op de zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is op [2013] opgericht door [C] ( [C] ). [C] was tot 1 januari 2017 enig bestuurder van eiseres. Hij vervulde de functies van voorzitter, secretaris en penningmeester en was zelfstandig bevoegd namens eiseres te handelen. Hij was tevens de leidinggevende. Er was in de jaren 2013 tot en met 2016 geen raad van toezicht. [C] had de beschikking over het geld van eiseres. Vanaf 1 januari 2017 is [D] bestuurder van eiseres.

2. De activiteiten van eiseres bestaan uit de exploitatie van een zorgbureau. Er wordt zorg verleend aan cliënten met een persoonsgebonden budget. Het gaat hierbij voornamelijk om persoonlijke verzorging en begeleiding en in sommige gevallen om het zoeken van huisvesting voor cliënten.

3. Vanaf 1 januari 2014 heeft eiseres personeel in dienst. Daarnaast heeft eiseres voor verrichte werkzaamheden betalingen gedaan aan [E] ( [E] ), [F] ( [F] ) en [G] ( [G] ). Deze betalingen zijn geboekt op respectievelijk de grootboekrekeningen “4003 inhuur personeel” en “4002 inhuur deskundigen”. [E] en [F] hebben declaraties / facturen uitgeschreven aan eiseres voor de werkzaamheden. Op de facturen stonden geen bedrijfsnaam / logo en KvK-nummer en de facturen waren niet genummerd. De gegevens van [G] zijn onbekend. Eiseres beschikte niet over een VAR‑verklaring van [E] , [F] en [G] .

4. Verder heeft eiseres ten aanzien van een aantal personen de zogenoemde vrijwilligersregeling van artikel 2, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) toegepast. Eiseres heeft over de aan deze personen gedane betalingen geen loonheffingen ingehouden. Overzichten van de betalingen in 2014 tot en met 2016 behoren tot de stukken van het geding.

5. Tot de stukken van het geding behoort een "Vrijwilligersovereenkomst". Daarin is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“1. De Werkzaamheden

1.1

De vrijwilliger zal ten behoeve van de organisatie met ingang van 01-12-2014 de volgende werkzaamheden verrichten: het ondersteunen van een medewerker.

1.2

De partijen kunnen de werkzaamheden in onderling overleg wijzigen.

1.3

Voor het inwerken en de begeleiding zal de heer [C] zorgdragen.

1.4

De werkzaamheden vinden plaats gedurende 6 uren per week.

2. Onkostenvergoeding

2.1

De vrijwilliger ontvangt geen beloning voor de door hem verrichte werkzaamheden.

2.2.

De vrijwilliger ontvangt een vergoeding voor werkelijk gemaakte kosten. Vergoeding vindt alleen plaats na overlegging van een betalingsbewijs. De organisatie zal de vergoeding maandelijks/per kwartaal overmaken op de bank/girorekening van de vrijwilliger.”

6. In een e-mail van 24 november 2016 heeft [H] ( [H] ), namens eiseres, hierover aan verweerder het volgende geschreven:

“Naar aanleiding van uw onderzoek m.bt. de vrijwilligers het volgende: op de contracten van zowel [X] als (…) staan geen uren vermeld. Ik heb u verteld dat ze gemiddeld 6 uur werkten. Echter met uw benadering praat u over uren en ik heb de mensen uitbetaald vanaf 1 juli 2015 tot het maximum wat wettelijk mocht. Het is dus maar hoe iemand kijkt en rekent.”

7. Eiseres had de beschikking over twee personenauto’s, die door het personeel en de onder 3. en 4. genoemde personen (hierna samen: het personeel) werden gebruikt. Van de auto met kenteken [00-AA-BB] is onbekend wie van de personeelsleden de auto in de periode 19 februari 2014 tot 1 januari 2015 gebruikte. Er is geen kilometerregistratie bijgehouden. Van de auto met kenteken [01-AA-BB] is wel een kilometerregistratie bijgehouden.

8. De loonadministratie werd verzorgd door [I] ( [I] ). De voor de verloning benodigde gegevens werden aangeleverd door [H] . [I] zorgde voor de verwerking hiervan en heeft de aangiften loonheffingen ingevuld en ingediend.

9. De financiële administratie van eiseres werd achteraf opgemaakt door [J] ( [J] ) aan de hand van bankstukken, facturen, bonnen etc. [J] heeft ook de jaarrekening samengesteld en daarbij een samenstellingsverklaring afgegeven.

10. In november 2016 heeft verweerder een boekenonderzoek ingesteld bij eiseres. Onderzocht is de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen van eiseres over de periode [2013] tot en met 30 juni 2016. Ook is beoordeeld of eiseres in die periode belastingplichtig was voor de vennootschapsbelasting en of sprake was van een transparante stichting.

11. Verweerder heeft zijn voorlopige bevindingen van het boekenonderzoek neergelegd in een concept-rapport van 17 mei 2017. In het rapport heeft verweerder geconcludeerd dat eiseres als transparant moet worden aangemerkt. Verder heeft verweerder medegedeeld dat [E] , [F] en [G] als werknemer moeten worden aangemerkt, de vrijwilligersregeling ten onrechte is toegepast en ten onrechte een bijtelling voor privégebruik van de auto met kenteken [00-AA-BB] achterwege is gebleven. Verweerder heeft aangekondigd dat daarom voor wat betreft [E] en [F] de verplichting wordt opgelegd om correctieberichten in te dienen en voor de overige punten naheffingsaanslagen LH zullen worden opgelegd. Daarbij heeft verweerder aangekondigd dat mogelijk naar aanleiding van de correctieverplichting een verzuimboete wordt opgelegd, maar dat die achterwege blijft als tijdig correctieberichten worden ingediend en betaald.

12. Bij e-mail van 5 september 2017 heeft verweerder eiseres in kennis gesteld dat ten onrechte in het concept-rapport niet is vermeld dat vergrijpboetes van 25% van de boetegrondslagen zullen worden opgelegd. Ter zake van de betalingen verricht aan [E] , [F] en [G] wordt eiseres grove schuld verweten en ter zake van de toepassing van de vrijwilligersregeling opzet.

13. Op 7 september 2017 is het definitieve rapport opgesteld. Vervolgens zijn op 26 en 27 oktober 2017 overeenkomstig dat rapport naheffingsaanslagen, boetebeschikkingen en beschikkingen belastingrente opgelegd. Op grond van door eiseres naar aanleiding van het rapport ingediende correctieberichten zijn op 19 januari 2018 de andere naheffingsaanslagen, boetebeschikkingen en beschikkingen belastingrente opgelegd.

Geschil

14. In geschil is of de naheffingsaanslagen LH terecht en tot de juiste bedragen aan eiseres zijn opgelegd. Ten eerste is in geschil of sprake is van een dienstbetrekking tussen eiseres en het personeel. Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, is ten aanzien van de naheffingsaanslagen met dagtekening 26 en 27 oktober 2017 in geschil of verweerder terecht toepassing van de vrijwilligersregeling heeft geweigerd en of een bijtelling vanwege privégebruik van de auto in aanmerking moet worden genomen voor de auto met kenteken [00-AA-BB] . Daarnaast zijn alle boetebeschikkingen in geschil.

15. Tussen partijen is de berekening van de correcties niet in geschil.

Beoordeling van het geschil

Dienstbetrekking

16. Eiseres kan slechts gehouden zijn om loonheffingen in te houden op de betalingen aan het personeel als de personeelsleden als werknemers tot eiseres in privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking staan (artikel 2, eerste lid, van de Wet LB). Aangezien geen sprake is van een publiekrechtelijke dienstbetrekking, kan het slechts gaan om een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Daarvoor moet onder meer zijn voldaan aan de voorwaarde dat tussen de werkgever en de werknemer een gezagsverhouding bestaat.

17. Verweerder heeft zich naar aanleiding van het boekenonderzoek op het standpunt gesteld dat eiseres in de jaren 2014 tot en met 2016 als transparante stichting moet worden aangemerkt en de resultaten van eiseres daarom moeten worden toegerekend aan [C] . De resultaten worden dan bij [C] belast in de inkomstenbelasting. Eiseres stelt dat hieruit eveneens volgt dat de gezagsverhouding met het personeel bestond met [C] als zelfstandig ondernemer en niet met eiseres. Van een dienstbetrekking en dus de verplichting tot inhouding van loonheffing kan dan voor eiseres geen sprake zijn, zo vindt eiseres.

18. Hoewel eiseres dit standpunt pas voor het eerst op de zitting heeft ingenomen, is dit naar het oordeel van de rechtbank niet tardief, omdat dat het standpunt voortbouwt op de door verweerder ingenomen standpunten en verweerder op de zitting in staat was op het standpunt te reageren.

19. De rechtbank volgt eiseres echter niet in haar standpunt. De bepaling wie als belastingplichtige of inhoudingsplichtige wordt aangemerkt, dient voor elke belastingsoort apart te worden bepaald en kan per belastingsoort verschillen. Zo is bijvoorbeeld de vennootschap onder firma inhoudingsplichtige en belastingplichtige voor de loonbelasting respectievelijk de omzetbelasting, terwijl voor de inkomstenbelasting de firmanten van de vennootschap onder firma als belastingplichtige worden aangemerkt. Dat eiseres voor de belasting over het resultaat als transparant wordt gezien, wil dus nog niet zeggen dat zij voor toepassing van de loonbelasting geen realiteitswaarde heeft en niet (langer) kan worden aangemerkt als inhoudingsplichtige. De werkgever van het personeel is inhoudingsplichtige voor de loonbelasting. In dit geval is het personeel niet in dienst bij [C] , maar heeft de werkrelatie altijd bestaan met eiseres. Eiseres heeft de overeenkomsten met het personeel gesloten en zich gedragen als werkgever.

20. Partijen zijn het eens dat als eiseres de werkgever is, een gezagsverhouding bestond tussen eiseres en het personeel en ook aan de overige voorwaarden van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is voldaan. Daarom is het personeel op grond van artikel 2, eerste lid, van de LB aan te merken als werknemer van eiseres. Omdat tegen de naheffingsaanslagen LH met dagtekening 19 januari 2018 geen andere gronden zijn aangevoerd, betekent dit dat de beroepen tegen deze naheffingsaanslagen ongegrond zijn.

Toepassing van de vrijwilligersregeling

21. Artikel 2, eerste lid, van de LB is niet van toepassing op personen die als vrijwilliger uitsluitend vergoedingen of verstrekkingen ontvangen met een gezamenlijke waarde van ten hoogste € 150 per maand en € 1.500 per kalenderjaar. Hierbij wordt onder vrijwilliger verstaan degene die niet bij wijze van beroep arbeid verricht voor een algemeen nut beogende instelling, een sportorganisatie of een niet als zodanig aan te merken lichaam dat niet is onderworpen aan de vennootschapsbelasting of daarvan is vrijgesteld (artikel 2, zesde lid, van de Wet LB; tekst 2014 tot en met 2016).

22. Het geschil gaat onder meer over de vraag of eiseres kwalificeert voor de zorgvrijstelling van artikel 5, eerste lid, onderdeel c, ten eerste, van de Wet op de vennootschapsbelasting (Wet Vpb) en om die reden is aan te merken als een lichaam dat is vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Meer in het bijzonder houdt partijen verdeeld of eiseres voldoet aan de voor de zorgvrijstelling geldende voorwaarde dat de winst uitsluitend kan worden aangewend ten bate van een op grond van dat artikel vrijgesteld lichaam of een algemeen maatschappelijk belang (artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971; het Uitvoeringsbesluit).

23. De rechtbank stelt voorop dat in beginsel kenmerkend is voor een stichting dat deze beoogt met behulp van een daartoe bestemd vermogen een in de statuten vermeld doel te verwezenlijken. Dit neemt echter niet weg dat om in aanmerking te komen voor de zorgvrijstelling de winst ook daadwerkelijk overeenkomstig de winstbestemmingseis moet worden aangewend. Eiseres had in de jaren 2014 tot en met 2016 een bestuur dat slechts bestond uit één bestuurder, zijnde [C] , waarbij deze bestuurder over de gelden, winsten en overschotten van eiseres kon beschikken. Dit is ook de reden geweest dat eiseres voor de winstbelasting als transparant is aangemerkt. Er was geen onafhankelijk orgaan ingesteld, zoals een raad van toezicht, en niet is gesteld of gebleken dat op andere wijze toezicht op de bestuurder bestond. Gelet hierop acht de rechtbank eiseres niet in de op haar rustende bewijslast geslaagd dat ook feitelijk aan de winstbestemmingseis is voldaan. Daarvoor is onvoldoende dat de winsten in de financiële administratie van eiseres werden verwerkt.

24. Eiseres voert verder (subsidiair) aan dat zij geen winsten heeft behaald omdat deze volledig zijn toegerekend aan [C] . Voor zover eiseres hiermee heeft bedoeld te stellen dat zij om die reden aan de winstbestemmingseis heeft voldaan, slaagt dit niet. Vaststaat immers dat met de door eiseres ontplooide activiteiten winsten zijn behaald. Als ervan wordt uitgegaan dat deze toerekenbaar zijn aan [C] volgt daaruit juist het tegendeel, namelijk dat niet aan de winstbestemmingseis is voldaan.

25. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is niet aannemelijk geworden dat eiseres kwalificeert voor de zorgvrijstelling in de vennootschapsbelasting. Ook is niet gesteld of gebleken dat eiseres een algemeen nut beogende instelling, een sportorganisatie of een niet als zodanig aan te merken lichaam is dat niet is onderworpen aan de vennootschapsbelasting of op andere gronden daarvan is vrijgesteld. De vrijwilligersregeling is daarom niet van toepassing en er is terecht LH over de betalingen nageheven. De overige geschilpunten over de vrijwilligersregeling hoeven niet meer te worden behandeld.

Correctie wegens privégebruik auto

26. Indien ook voor privé-doeleinden een auto ter beschikking is gesteld, wordt een voordeel als loon in aanmerking genomen (ook genoemd: de bijtelling vanwege privégebruik van de auto). De auto wordt in ieder geval geacht ook voor privé-doeleinden ter beschikking te zijn gesteld tenzij blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt (artikel 13bis, eerste lid, van de Wet LB). Indien uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt, wordt het voordeel gesteld op nihil (artikel 13bis, derde lid (tekst 2015 en 2016) / vierde lid (tekst 2014), van de Wet LB).

27. Niet in elk geval waarin een werknemer een auto van zijn werkgever heeft bestuurd, kan gezegd worden dat die auto aan de werknemer ter beschikking is gesteld. Zo is van een dergelijke terbeschikkingstelling geen sprake in een geval waarin een of meer werknemers die auto slechts besturen ter uitvoering van bepaalde opdrachten van de werkgever om in diens belang personen of goederen te vervoeren, zodat de feitelijke beschikkingsmacht over de auto bij de werkgever of een met deze verbonden lichaam blijft berusten (zie Hoge Raad 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1360).

28. De bewijslast dat de auto met kenteken [00-AA-BB] aan (een) werknemer(s) ter beschikking is gesteld, rust op verweerder. Vaststaat dat de auto in de periode 19 februari 2014 tot en met 31 december 2014 door het personeel - werknemers van eiseres - is gebruikt. Verweerder stelt dat de auto ook ter beschikking is gesteld aan het personeel, omdat het personeel zelf de mogelijkheid had om te bepalen voor welke doeleinden de auto werd gebruikt. Op het gebruik bestond vanuit eiseres geen controle. Er is ook geen protocol opgesteld voor het gebruik van de auto en er zijn geen afspraken gemaakt waarbij de mogelijkheid van privégebruik van de auto is beperkt of verboden. Verder is niet gebleken dat de auto’s slechts voor gerichte opdrachten mochten worden gebruikt. Eiseres heeft deze omstandigheden niet of onvoldoende concreet betwist. Gelet hierop acht de rechtbank aannemelijk dat de auto ter beschikking is gesteld aan een of meerdere werknemers. De feitelijke situatie van eiseres wijkt daarmee af van het geval waarop het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 29 mei 2015 ziet (zie met name overweging 4.4 in de daaraan voorafgaande uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden 10 september 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:6629). Het beroep van eiseres op dit arrest slaagt daarom niet. De omstandigheid dat uit de kilometeradministratie van de auto met kenteken [01-AA-BB] volgt dat deze auto (met name) is gebruikt voor zakelijke doeleinden, leidt ook niet tot een ander oordeel. Dit zegt immers niets over het gebruik van de auto met kenteken [00-AA-BB] .

29. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de auto met kenteken [00-AA-BB] in de genoemde periode aan (een) werknemer(s) van eiseres ter beschikking is gesteld. De auto wordt in dat geval geacht ook voor privé-doeleinden ter beschikking te zijn gesteld. Eiseres heeft niets aangevoerd waaruit het tegendeel volgt. De bijtelling wegens privégebruik van de auto met kenteken [00-AA-BB] is daarom terecht.

Boetes

30. Bij het opleggen van de naheffingsaanslagen zijn boetes opgelegd van 25% van (een deel van) de nageheven belasting, omdat het aan opzet of grove schuld van eiseres te wijten zou zijn dat belasting welke op aangifte moet worden afgedragen gedeeltelijk niet is betaald (artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). De boetes zijn opgelegd, omdat de vrijwilligersregeling ten onrechte is toegepast en geen loonheffing is ingehouden op de betalingen aan [E] , [F] en [G] .

31. Verweerder heeft in de e-mail van 5 september 2017 en het definitieve rapport van het boekenonderzoek vermeld dat eiseres opzet wordt verweten voor het ten onrechte toepassen van de vrijwilligersregeling. In beroep stelt verweerder dat sprake is van een typefout. Bedoeld was dat eiseres grove schuld had in plaats van opzet. Eiseres heeft zich tegen deze wijziging van de schuldgradatie verzet. In dit geval ziet de rechtbank echter, ook al zou geen sprake zijn van een typefout, geen aanleiding om aan te nemen dat de juridische kwalificatie van de aan de boete ten grondslag gelegde feitelijke gedraging niet in de loop van de bezwaar- of beroepsprocedure kan worden gewijzigd (vgl. Hoge Raad 4 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0851). Er zal dus worden getoetst of sprake is van grove schuld.

32. Partijen zijn het erover eens dat eiseres bekend was met de vrijwilligersregeling en deze maandelijks op betalingen heeft toegepast. Zoals ook blijkt uit de e-mail van 24 november 2016 van [H] , heeft eiseres zich bij het doen van betalingen laten leiden door de in de wet genoemde bedragen van ten hoogste € 150 per maand en € 1.500 per kalenderjaar. Verweerder stelt dat eiseres zich ook op de hoogte had moeten stellen van de overige voorwaarden voor de regeling. Daarbij wijst verweerder erop dat in het handboek loonheffingen onder 16.21 is vermeld dat een uurvergoeding van maximaal € 4,50 als vrijwilligersvergoeding kan worden betaald. Als een vrijwilliger niet per uur, maar per activiteit wordt betaald, dan moet de vergoeding worden omgerekend naar een vergoeding per uur. Eiseres had zich moeten realiseren dat het uiterst twijfelachtig was of zij voldeed aan de voorwaarden van de vrijwilligersregeling, zo vindt verweerder.

33. De rechtbank overweegt dat met de uurvergoeding van € 4,50 een praktische invulling is beoogd te geven aan de voorwaarde dat de arbeid niet bij wijze van beroep mag zijn verricht. De vergoeding is bedoeld om de werkzaamheden van vrijwilligers waarvoor geen marktconforme vergoeding wordt ontvangen af te bakenen van werkzaamheden die beroepsmatig worden verricht (zie de brief van de staatssecretaris van Financiën van 20 maart 2008 (Kamerstukken II 2007-2008, 29 515, nr. 235) en de bijlage daarbij). In de bijlage bij de brief van 20 maart 2008 is ook opgenomen dat als geen vergoeding per gewerkt uur wordt betaald, geen urenadministratie zal worden gevraagd ter onderbouwing van de kwalificatie als vrijwilligerswerk, zolang dit niet leidt tot onredelijke resultaten. Verder is vermeld dat over bedragen tot € 150 per maand de Belastingdienst geen administratie van gemaakte kosten zal opvragen. In dit geval heeft eiseres betwist dat in elke vrijwilligersovereenkomst stond opgenomen dat zes uur per week zou worden gewerkt en heeft zij gesteld dat het aantal uren in de praktijk variabel was en dat dit niet werd bijgehouden. Dat geen uren zijn bijgehouden – en dat daardoor moeilijk te achterhalen is welk uurloon is betaald – kan eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet worden tegengeworpen, gelet op de brief van 20 maart 2008. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat, ook al zou de vergoeding omgerekend in sommige gevallen hoger uitvallen dan € 4,50 per uur, geen sprake is van grove schuld bij eiseres. Want ook in het geval dat meer betaald zou worden dan deze uurnorm, kan niet zonder meer gezegd worden dat de vergoeding per definitie marktconform is. De wettelijke regelingen bevatten een open norm en bieden geen concrete handvatten voor de beoordeling wanneer een vergoeding marktconform geacht wordt te zijn in geval van een hoger loon dan de uurnorm. Ook hierom kan de handelwijze van eiseres niet worden gekwalificeerd als een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid. Voor zover de boetes zien op het ten onrechte toepassen van de vrijwilligersregeling moeten deze dus worden vernietigd.

34. Voor wat betreft de betalingen aan [E] , [F] en [G] volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat het eiseres in een oogopslag duidelijk had moeten zijn dat de facturen van deze personen niet afkomstig waren van een ondernemer. De facturen zijn niet voorzien van een bedrijfsnaam / logo en KvK-nummer en de facturen waren niet genummerd. Eiseres had op zijn minst ernstig moeten twijfelen aan de juistheid van de facturen. In dat geval had van eiseres mogen worden verwacht dat zij had onderzocht of de personen daadwerkelijk ondernemer waren. Dit geldt vooral omdat eiseres ook niet over een VAR-verklaring van [E] , [F] en [G] beschikte. In beginsel is zodanig lichtvaardig gehandeld dat sprake is van grove schuld.

35. Eiseres stelt daartegenover dat zij niet verwijtbaar heeft gehandeld, omdat zij zich heeft laten bijstaan door deskundigen, zijnde [I] en [J] . De rechtbank overweegt dat indien een belastingplichtige zich laat bijstaan door een adviseur die hij voor voldoende deskundig mocht houden en aan wiens zorgvuldige taakvervulling hij niet behoefde te twijfelen, er geen aanleiding is tot het stellen van de algemene eis dat de belastingplichtige zich ter voorkoming van fouten ook zelf in de inhoudelijke aspecten van op hem toepasselijke belastingregelingen verdiept (zie Hoge Raad 13 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2586). Daarbij komt het erop aan of de relatie met de adviseur van dien aard is dat de belanghebbende erop mocht vertrouwen dat de met bijstand van die adviseur gedane aangiften juist zouden zijn. De vraag is of de relatie tussen eiseres en de deskundigen meebracht dat de deskundigen zouden beoordelen of en in hoeverre was voldaan aan de wettelijke voorwaarden en daarmee bij het opmaken van de aangiften rekening zou houden (vgl. Hoge Raad 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:127).

36. De gemachtigde van eiseres heeft desgevraagd op de zitting geen nadere toelichting kunnen geven op de relatie en de werkwijze met de deskundigen. Onduidelijk is welke afspraken tussen eiseres en de deskundigen waren gemaakt. Uit de gedingstukken is niet af te leiden dat eiseres over de betalingen aan [E] , [F] en [G] is geadviseerd of dat is afgesproken dat een van de deskundigen de arbeidsrelatie met deze personen zou beoordelen. Op de betalingen werden ook geen loonheffingen ingehouden, waardoor deze geen onderdeel uitmaakten van de door de adviseur opgestelde aangiften LH. Gelet hierop is niet aannemelijk geworden dat de deskundigen bij de betalingen aan [E] , [F] en [G] en de fiscale kwalificatie daarvan betrokken waren. In deze omstandigheden mocht eiseres er niet op vertrouwen dat de met bijstand van de adviseur gedane aangiften juist zouden zijn. Eiseres kan daarom grove schuld worden verweten.

37. Dit betekent dat de boetes terecht zijn opgelegd voor zover deze zien op de betalingen aan [E] , [F] en [G] . De rechtbank acht boetes van 25% passend en geboden. De rechtbank ziet geen aanleiding om de boetes te matigen vanwege de financiële positie van eiseres. Uit de door eiseres op de zitting overgelegde financiële gegevens volgt weliswaar dat eiseres in 2018 een verlies heeft geleden en aanzienlijke belastingschulden heeft, maar zij heeft een positief eigen vermogen en voor het jaar 2019 wordt een behoorlijke winst verwacht.

38. De conclusie is dat de boete opgelegd bij de naheffingsaanslag van 26 oktober 2017 moet worden verminderd tot € 326 (€ 1.305 x 25%) en de boete opgelegd bij de naheffingsaanslag van 27 oktober 2017 moet worden vernietigd. De boetes opgelegd bij de naheffingsaanslagen van 19 januari 2018 zijn terecht en tot de juiste bedragen vastgesteld.

Slotsom

39. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dienen de beroepen gegrond te worden verklaard voor zover deze zien op de bij de naheffingsaanslagen van 26 en 27 oktober 2017 opgelegde boetes. Voor het overige dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

40. Aangezien eiseres geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente heeft aangevoerd, dienen ook de beroepen inzake de beschikkingen belastingrente ongegrond te worden verklaard.

Proceskostenvergoeding

41. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van de bezwaren en de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht voor door een derde verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.532 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een waarde per punt van € 254, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1 wegens twee gegronde samenhangende zaken). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond voor zover gericht tegen de boetebeschikkingen opgelegd bij de naheffingsaanslagen LH van 26 en 27 oktober 2017;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover de uitspraken op bezwaar betrekking hebben op deze boetebeschikkingen;

  • -

    vermindert de boete opgelegd bij de naheffingsaanslag LH van 26 oktober 2017 tot € 326;

  • -

    vernietigt de boete opgelegd bij de naheffingsaanslag LH van 27 oktober 2017;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

  • -

    verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.532;

  • -

    draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 338 aan haar te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.W. van de Sande, voorzitter, mr. B.J. Zippelius en mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.A. Aalbersberg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 25 juni 2019

De griffier is verhinderd deze

uitspraak te tekenen.

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.