Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:2733

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-06-2019
Datum publicatie
21-06-2019
Zaaknummer
C/05/353817 / KG ZA 19-201
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Burenzaak. Vordering verwijderen camera toegewezen. Belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/353817 / KG ZA 19-201

Vonnis in kort geding van 19 juni 2019

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

en

2. [eiser sub 2],

beiden wonende te Ellecom, gemeente Rheden,

eisers,

advocaat mr. H.C.J. Coumou te Apeldoorn,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

en

2. [gedaagde sub 2],

beiden wonende te Ellecom, gemeente Rheden,

gedaagden,

verschenen in persoon.

Partijen zullen hierna [eisende partij] en [gedaagde partij] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 16 van 24 mei 2019

  • -

    een e-mailbericht met bijlagen van 3 juni 2019 namens [gedaagde partij]

  • -

    de mondelinge behandeling, gehouden op 5 juni 2019.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisende partij] en [gedaagde partij] zijn beiden woonachtig in Ellecom. [eisende partij] is woonachtig aan de [adres eisende partij] en [gedaagde partij] aan de [adres gedaagde partij] . Partijen zijn buren van elkaar. [eisende partij] , een echtpaar op leeftijd, wonen er al sinds jaar en dag. [gedaagde partij] , een echtpaar met jonge kinderen, wonen er sinds 2014. Aanvankelijk was de verstandhouding tussen partijen goed.

2.2.

Naderhand is de verhouding tussen partijen sterk verslechterd. Tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] is op enig moment een geschil ontstaan over een buxushaag die tussen hun percelen stond. Nadat was uitgemaakt dat de buxushaag op het perceel van [gedaagde partij] stond en dus hun eigendom was, is de buxushaag afgestorven. Inmiddels hebben [gedaagde partij] de buxushaag vervangen door een beukenhaag.

2.3.

[gedaagde partij] hebben vervolgens in het voorjaar van 2019 camera’s geplaatst, waarvan er één is bevestigd aan de zijgevel van hun houten garage, met zicht op onder meer de nieuw geplaatste beukenhaag (hierna: de camera). De camera’s staan 24 uur per dag aan, maken opnames en kunnen live worden uitgekeken via de telefoon van [gedaagde partij]

2.4.

Op 8 mei 2019 is een handhavingsambtenaar van de gemeente bij [gedaagde partij] langs geweest en hij heeft samen met [gedaagde partij] de camera in een andere stand geplaatst, omdat deze camera ook de woning en het perceel van [eisende partij] in beeld bracht.

2.5.

Bij brief van 9 mei 2019 hebben [gedaagde partij] het volgende aan [eisende partij] bericht:

“Nu alle bomen en struiken weer in het blad komen is het ons opgevallen dat de beukenhaag naast onze garage helaas dood is. We hebben hier een deskundige naar laten kijken en deze geeft aan dat er sprake is van vergiftiging. In het verleden is er eerder bij ons een heg vergiftigd aan deze zijde van ons perceel, dus we hebben sterk het vermoeden dat u hier iets mee vandoen heeft. Mede wordt dit versterkt omdat we van de andere aangrenzende buren horen dat ook daar sprake is van het vergiftigen van bomen en planten.

Inmiddels hebben we contact gehad met mevrouw [naam agente] agente bij de politie Team IJsselwaarden en deze heeft ons geadviseerd camera’s op te hangen om zo onze eigendommen in de gaten te kunnen houden. Zodra wij beelden hebben waarop te zien is dat iemand zonder toestemming aan onze eigendommen komt, zullen we deze direct aan de politie overdragen en aangifte doen. De camera’s filmen dag en nacht.

We hebben juridisch alles gecheckt bij onze advocaat en alles wat wij doen is wettelijk toegestaan. We hopen van harte dat dit de laatste maal is geweest dat wij merken dat er eigendommen van ons worden gemolesteerd. Indien blijkt dat er nogmaals iets gebeurt op of rond ons perceel wat wettelijke niet is toegestaan, zullen we direct aangifte doen. Dit gaat niet alleen over molesteren van eigendommen, maar ook over bedreigingen of andere zaken die niet zijn toegestaan.

Inmiddels hebben wij via de gemeente Rheden buurtbemiddeling ingeschakeld, en we hebben begrepen van de wijkagent, de heer Henk Bolhuis, dat ook hier met u over is gesproken. Wij hopen van harte dat zij iets kunnen bewerkstelligen over de belabberde situatie welke tussen ons is ontstaan de afgelopen jaren.”

2.6.

Bij e-mailbericht van 16 mei 2019 heeft de advocaat van [eisende partij] [gedaagde partij] gesommeerd om binnen 48 uur de tegen de zijgevel van de houten garage bevestigde camera te verwijderen.

2.7.

Bij e-mailbericht van 17 mei 2019 hebben [gedaagde partij] hierop als volgt gereageerd:

“Graag verwijs ik u naar de brief welke wij aangetekend afgelopen week naar uw cliënt hebben verzonden. We hebben het vermoeden dat dit schrijven niet in uw bezit is.

Het klopt inderdaad dat de handhaving vanuit de gemeente op verzoek van uw cliënt bij ons heeft gecontroleerd naar de stand van de camera. In overleg met handhaving hebben we de camera in een positie gezet waarbij we uitsluitend ons eigen perceel filmen. In de bijlage vindt u een foto welke wij vanochtend middels onze camera hebben genomen waaruit blijkt dat we uitsluitend onze eigen heg filmen. Sinds de komst van handhaving hebben wij de stand van de camera niet meer veranderd.

We gaan de stand van de camera ook niet veranderen, dit in overleg met de politie. Indien u meent rechtsmaatregelen te nemen tegen dit besluit dan zien we dat met veel vertrouwen te gemoed. Helaas hebben uw cliënten in het verleden geen reputatie opgebouwd die voor hen pleit. Niet alleen jegens ons, maar ook bij alle aangrenzende percelen. Waarbij alle eigenaren van de aangrenzende percelen hebben aangegeven indien nodig belastende verklaringen af te geven. Ook zij hebben gelijke zaken mee moeten maken en hebben ook middels rechtsmaatregelen hun gelijk moeten halen.

De afgelopen tijd hebben we veel pesterijen en bedreigingen van uw cliënten ontvangen. Mijn vrouw heeft aangifte gedaan, terwijl ze hoogzwanger was van ons eerste kind, wegens doodsbedreigingen en ik ben door uw cliënt bedreigd met een samuraï zwaard. Ik heb hier ook direct melding van gemaakt bij 112. Graag verwijs ik u ook naar de foto met de containers welke geruime tijd als pesterij tegen ons hek zijn geplaatst.

(…)

Ik ben voor u ook mobiel te bereiken op (…). Inmiddels hebben wij op verzoek van de gemeente en politie buurtbemiddeling ingeschakeld, echter heeft uw cliënt aangegeven hier niet aan mee te willen werken.”

2.8.

Bij e-mailbericht van 24 mei 2019 heeft de advocaat van [eisende partij] [gedaagde partij] bericht dat rechtsmaatregelen getroffen zijn omdat de camera niet verwijderd is.

2.9.

Tot op heden hebben partijen geen oplossing bereikt ter zake van het tussen hen gerezen geschil.

3 Het geschil

3.1.

[eisende partij] vorderen dat de voorzieningenrechter, bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [eisende partij] zal veroordelen om binnen 48 uur na betekening van het vonnis over te gaan tot het verwijderen en verwijderd houden van camera’s op het perceel van [gedaagde partij] die gericht zijn op het perceel van [eisende partij] , zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag of ieder dagdeel dat [gedaagde partij] in gebreke blijven hieraan te voldoen,

II. [eisende partij] zal veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder nadrukkelijk begrepen de kosten van nasalaris.

3.2.

[gedaagde partij] voeren gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang van [eisende partij] vloeit voldoende voort uit de vordering en de stellingen van [eisende partij] en is voorts niet weersproken door [gedaagde partij]

4.2.

De vordering van [eisende partij] strekt tot verwijdering van de door [gedaagde partij] geplaatste camera’s. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is door [eisende partij] nader toegelicht dat de vordering zich enkel richt tot de camera die door [gedaagde partij] is geplaatst aan de zijgevel van hun houten garage en aldus niet tot de andere camera’s die door [gedaagde partij] zijn geplaatst. [eisende partij] leggen aan de vordering tot verwijdering van de camera ten grondslag dat de camera direct zicht geeft op hun perceel. De camera staat volgens [eisende partij] gericht op hun oprit, voortuin, achtertuin en voorgevel, waaronder de serre, de voordeur en het slaapkamerraam. [eisende partij] voelen zich ernstig in hun privacy aangetast door de aanwezigheid van de camera. Aangezien [gedaagde partij] niet vrijwillig overgaan tot verwijdering van de camera, zien [eisende partij] zich genoodzaakt zich te wenden tot de voorzieningenrechter met de onderhavige vordering strekkende tot verwijdering van de camera.

4.3.

[gedaagde partij] voeren gemotiveerd verweer tegen de vordering als volgt. [eisende partij] hebben problemen met al hun buren en gedragen zich onmogelijk en gevaarlijk. Als het niet gaat zoals zij willen deinzen ze niet terug voor extreme gedragingen, zoals het uiten van doodsbedreigingen, een bedreiging met een samoerai-zwaard, allerlei hinderlijke pesterijen, en het gebruiken van gif om andermans bomen en planten (zoals de haag van [gedaagde partij] ) dood te laten gaan. Juist omdat [eisende partij] geen grenzen lijken te kennen en zij dingen doen die gevaarlijk zijn voor anderen bestaat bij [gedaagde partij] een sterke behoefte om hun gezin met jonge kinderen en een hond te beschermen. De politie is al meerdere keren gekomen na meldingen door [gedaagde partij] en er is door hen ook al aangifte gedaan van bedreiging. De camera is, juist op advies van de politie, geplaatst voor de veiligheid van het gezin van [gedaagde partij] en hun eigendommen. De camera filmt slechts een minimaal deel van het perceel van [eisende partij] , dat slechts op de achtergrond vaag te zien is en waarbij inkijk in de woning van [eisende partij] onmogelijk is. [gedaagde partij] stellen zich dan ook op het standpunt dat de camera kan blijven hangen.

4.4.

De voorzieningenrechter overweegt het volgende. Kern van het geschil is de vraag of [gedaagde partij] gehouden zijn om de camera die zij aan de zijgevel van hun houten garage hebben bevestigd te verwijderen. Meer in het bijzonder gaat het erom wiens recht prevaleert: het recht van [eisende partij] op bescherming van hun persoonlijke levenssfeer of het recht van [gedaagde partij] om hun perceel met gebruikmaking van de genoemde camera te beveiligen.

4.5.

Bij de beoordeling van deze vraag heeft te gelden dat een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer in beginsel een onrechtmatige daad oplevert. De aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond kan echter aan een inbreuk het onrechtmatige karakter ontnemen. Of er sprake is van en dergelijke rechtvaardigingsgrond, moet worden beoordeeld door in het licht van de omstandigheden van het geval tegen elkaar af te wegen enerzijds de ernst van de inbreuk van de persoonlijke levenssfeer en anderzijds de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend (vgl. HR 31 mei 2002, NJ 2003, 589). De aard van een inbreuk moet naar objectieve maatstaven worden bezien. Daarbij dient te worden bedacht dat ook een inbreuk die naar objectieve maatstaven als gering moet worden beschouwd, toch als zeer ingrijpend door een betrokkenen kan worden ervaren (vgl. gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 december 2014, NJF 2015, 30).

4.6.

De voorzieningenrechter stelt vast dat er sprake is van een inbreuk in voormelde zin. Op zichzelf is immers niet in geschil dat de camera een deel van het perceel van [eisende partij] filmt. Na de plaatsing van de camera’s is een handhavingsambtenaar op 8 mei 2019 komen kijken naar de opstelling van de camera en toen is vastgesteld dat de woning en het perceel van [eisende partij] werden gefilmd. In het bijzijn van deze handhavingsambtenaar hebben [gedaagde partij] toen de camera in een andere stand geplaatst, waarin deze camera nu nog hangt. [gedaagde partij] erkennen dat de camera nog altijd (zij het volgens [gedaagde partij] slechts nog een minimaal deel van) het perceel van [eisende partij] filmt. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben [gedaagde partij] aan de hand van een livestream van de camera op hun telefoon laten zien wat de camera filmt. De voorzieningenrechter heeft ter zitting via de livestream waargenomen dat de camera gericht is op meergenoemde haag, die bijna het gehele beeld vult, maar ook dat op de achtergrond een deel van het perceel van [eisende partij] in zicht is, waaronder de oprit, voortuin, voorgevel en voordeur van [eisende partij] Desgevraagd hebben [gedaagde partij] verklaard dat de camera in de huidige positie niet in een andere stand kan worden geplaatst, zodanig dat het perceel van [eisende partij] geheel buiten beeld blijft. Gelet hierop vormt het plaatsen en/of handhaven van deze camera op de huidige plaats van bevestiging een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [eisende partij]

4.7.

De vraag is of in hetgeen door [gedaagde partij] is aangevoerd een rechtvaardigingsgrond is gelegen die maakt dat [eisende partij] dienen te dulden dat de camera er hangt en blijft filmen. Uit het verweer van [gedaagde partij] volgen ernstige aantijgingen aan het adres van [eisende partij] , die met verklaringen van een aantal andere buren worden gestaafd. Als van de juistheid van die aantijgingen zou worden uitgegaan is er sprake van onrechtmatige gedragingen aan de zijde van [eisende partij] van een ernstige en gevaarlijke aard en is het denkbaar dat dit een aantal beschermende maatregelen aan de zijde van [gedaagde partij] rechtvaardigt. [eisende partij] betwisten echter met klem dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan de gedragingen die hen nu door [gedaagde partij] worden verweten, en voeren aan dat [gedaagde partij] juist hen op onheuse manier behandelen, terwijl zij op hoge leeftijd zijn en met allerlei medische problemen hebben te kampen. Partijen staan dus lijnrecht tegenover elkaar. In het kader van een kort geding is er geen ruimte om het onderzoek en bewijslevering (bijvoorbeeld door getuigen) te verrichten dat nodig zou zijn om vast te kunnen stellen of er sprake is van onrechtmatige gedragingen aan de zijde van [eisende partij] zoals door [gedaagde partij] is aangevoerd en toegelicht.

4.8.

In dit geding kan dus niet worden vastgesteld wie het gelijk aan zijn zijde heeft als het gaat om de vraag of er sprake is van een rechtvaardigingsgrond in de gedragingen van [eisende partij] Toch komt de voorzieningenrechter om andere redenen tot het oordeel dat er in dit geval onvoldoende gebleken van een rechtvaardigingsgrond. Daarvoor is het volgende redengevend. Het doel van het ophangen van de camera aan de schuur is om met name de haag van [gedaagde partij] , gelegen naast het pad tussen de percelen van partijen, in de gaten te kunnen houden. Ter zitting hebben [gedaagde partij] , hardop denkend, een aantal praktische oplossingen bedacht waarmee dat doel kan worden bereikt op een zodanige wijze, dat het perceel van [eisende partij] geheel niet meer in beeld zal zijn. Gesproken is daarbij onder meer over het ophangen van de camera op een andere plaats aan de garage en in een andere richting. Dit betekent dat het voor [gedaagde partij] mogelijk is om hun erf te bewaken en te beschermen zonder inbreuk te maken op de privacy van [eisende partij] Dat maakt dat de door [gedaagde partij] gewenste bescherming van hun eigendommen met de camera, zoals die er nu hangt, hoe dan ook geen rechtvaardiging oplevert voor de inbreuk op de privacy die dat oplevert voor [eisende partij] Een afweging van de belangen van [eisende partij] bij verwijdering van de camera, zoals gevorderd, en de belangen van [gedaagde partij] bij het handhaven van de camera in de huidige opstelling, pakt om dezelfde reden ook ten gunste van [eisende partij] uit.

4.9.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering van [eisende partij] zal worden toegewezen als hierna te bepalen. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.

4.10.

[gedaagde partij] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisende partij] worden begroot op:

- dagvaarding € 103,10

- griffierecht 297,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.380,10

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde partij] om binnen 48 uur na betekening van het vonnis over te gaan tot het verwijderen van de camera bevestigd aan de zijgevel van de houten garage van [gedaagde partij] en verbiedt [gedaagde partij] om (opnieuw) een camera te bevestigen op zodanige plaats en in zodanige positie dat daarmee zicht wordt verschaft op het perceel van [eisende partij] , zulks op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag of ieder dagdeel dat [gedaagde partij] in gebreke blijven hieraan te voldoen tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt,

5.2.

veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten, aan de zijde van [eisende partij] tot aan de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.380,10, waarin begrepen € 980,00 aan salaris advocaat,

5.3.

veroordeelt [gedaagde partij] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde partij] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Mans en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2019.