Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:2598

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
14-06-2019
Datum publicatie
19-06-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3266
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft de woning van haar voormalig bestuurder verbouwd. Volgens eiseres waren de kosten van de verbouwing zakelijk, omdat volgens haar de voormalig bestuurder de woning had verhuurd aan eiseres, eiseres het voornemen had om de woning te verbouwen tot kantoorvilla en vervolgens te gaan verhuren. Eiseres heeft de btw van de kosten van de verbouwing heeft in aftrek gebracht. De afschrijvingskosten van het verbouwde pand heeft eiseres in mindering gebracht. Belastingdienst heeft navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting en naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd, omdat er nooit de intentie was om de woning te verbouwen tot kantoorvilla. Volgens de belastingdienst is de woning verbouwd tot een zeer lux villa. In geschil is of de kosten van de verbouwing een zakelijk karakter hebben. Daarnaast zijn enkele formeelrechtelijke aspecten in geschil. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de verbouwingskosten een zakelijk karakter hebben. Beroep gaat gegrond omdat één van de naheffingsaanslagen omzetbelasting niet tijdig is opgelegd. Ook heeft eiseres recht op immateriële schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 20-06-2019
V-N Vandaag 2019/1430
FutD 2019-1657
FutD 2019-1658
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 18/3266, 18/3267 en 18/3268

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 14 juni 2019

in de zaken tussen

[X] B.V., te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres over de tijdvakken 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008, 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 en 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 naheffingsaanslagen omzetbelasting (OB) opgelegd. De over de jaren 2008, 2009 en 2010 nageheven belasting bedragen respectievelijk € 22.106, € 56.352 en € 22.099. Tevens is bij beschikkingen over de jaren 2008, 2009 en 2010 respectievelijk € 3.100, € 7.915 en € 3.511 heffingsrente in rekening gebracht.

Eiseres heeft bij brief van 12 juni 2018, ontvangen door de rechtbank op 13 juni 2018, beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 21 augustus 2018 de naheffingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente over de jaren 2008 en 2009 gehandhaafd. Bij uitspraak op bezwaar van dezelfde datum is de na te heffen omzetbelasting over 2010 verminderd tot € 21.657 en de verschuldigde heffingsrente dienovereenkomstig verminderd.

Eiseres heeft daartegen tijdig beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2019. Onderhavige beroepen zijn gelijktijdig behandeld met de beroepen van eiseres met zaaknummers AWB 18/1261, 18/1263 en 18/1264 inzake de vennootschapsbelasting.

Namens eiseres is verschenen [A] , bijgestaan door de gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] , mr. [B] en mr. [C] .

Op verzoek van eiseres is [D] door de rechtbank als getuige gehoord.

Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar. Partijen hebben verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota’s behorende bijlagen.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is opgericht op [2002] , onder de naam [E] BV. Daarna is haar naam gewijzigd in [F] B.V. Sinds [2011] heeft zij haar huidige naam. In de jaren 2009 tot en met 2011 was de heer [A] bestuurder en (indirect) aandeelhouder van eiseres.

2. Eiseres was in de jaren 2009 tot en met 2011 gevestigd aan de [A-straat 1] te [Q] .

3. De heer [A] (hierna: [A] ) woonde aan de [A-straat 2] te [Q] . Deze woning was privé eigendom van de heer [A] en is door hem op [2003] aangekocht voor
€ 925.000.

4. Eiseres heeft op [2012 1] een vergunning aangevraagd om de parterre van de [A-straat 2] als kantoor te gaan gebruiken.

5. Op [2013] heeft [A] het pand [A-straat 2] als woonhuis verkocht voor € 1.350.000.

6. Bij brief van 14 januari 2015 heeft [A] een op 21 augustus 2007 gedateerd ontwikkelingsplan om de woning aan de [A-straat 2] te verbouwen tot kantoorvilla overgelegd. In dit plan is onder meer het volgende opgenomen:

“(…).

Het kantoorpand [A-straat 2] zal als volgt worden aangeboden:

  • -

    gratis parkeren op eigen terrein

  • -

    kantine en terras met gratis WiFi

  • -

    vergadermogelijkheden

  • -

    gemeubileerde en ongemeubileerde kantoren

  • -

    flexplekken en deelkantoor

  • -

    24/7 toegang

  • -

    beveiliging en videobewaking

  • -

    virtuele kantoren en telefoonbeantwoordingservice

  • -

    voorzien van een lift

  • -

    bedrijfsfitnessruimte

(…).

In het plan worden 10 kantoorappartementen gecreëerd alsmede 12 parkeerplaatsen (…). Op de 1e verdieping zal een ruimte voor bedrijfsfitness worden gecreëerd. (…). De volgende aanpassingen zijn noodzakelijk:

  • -

    isolatie van de kap

  • -

    isolatie van de beglazing

  • -

    overige isolatie

  • -

    aanpassingen centrale hal, vloer

  • -

    schilderwerk

  • -

    verbouwing 1e verdieping

  • -

    verbouwing 2e verdieping en van de zolder 3 kantoorruimten maken alsmede ruimte voor de services

  • -

    aanpassingen centrale voorzieningen (zoals CV)

  • -

    aanpassingen meterkast en data-installatie

  • -

    aanpassingen tuin- en hekwerk

  • -

    overige bouwkundige aanpassingen

(…).”

7. Op 3 februari 2014 heeft eiseres twee overeenkomsten aan verweerder overgelegd, te weten:

- een op 25 april 2008 gedateerde overeenkomst tussen eiseres en [A] , waarbij is overeengekomen dat de heer [A] de woning aan de [A-straat 2] zal verhuren aan eiseres. Eiseres zal de woning geschikt maken voor commerciële verhuur. De verbouwingen die hiervoor nodig zijn, zal eiseres voor haar rekening nemen. Eiseres en de heer [A] beogen dat de woning op 1 oktober 2011 aan eiseres ter beschikking zal komen en

- een op 13 december 2010 gedateerde overeenkomst tussen eiseres en [A] en [G] B.V. (thans: [H] NV), waarbij is afgesproken dat de overeenkomst van 25 april 2008 wordt beëindigd. Tevens is afgesproken dat eiseres van [G] B.V, een vergoeding van € 234.716 zal ontvangen voor het project [A-straat 2] te [Q] .

8. Verweerder heeft een boekenonderzoek ingesteld bij eiseres naar de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschaps- en omzetbelasting over de jaren 2009 tot en met 2012. Dit onderzoek heeft uiteindelijk gezien op de jaren 2008 tot en met 2011. De bevindingen hiervan zijn vastgelegd in het rapport van 19 oktober 2015 opgesteld door [I] . Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres nooit de intentie heeft gehad het woonhuis te verbouwen tot kantoorvilla. Eiseres heeft investeringen betaald en geactiveerd die zijn gedaan in de privéwoning van de heer [A] , terwijl daar geen enkel zakelijk belang voor aanwezig was.

9. Verweerder heeft de voorbelasting met betrekking tot de investeringen in de verbouwingen van [A-straat 2] gecorrigeerd, te weten: over 2008 € 6.406, over 2009 € 63.128 en over 2010 € 5.266.

10. Naar aanleiding van dit rapport is door de Belastingdienst/FIOD een onderzoek ingesteld naar het indienen van onjuiste aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen door [A] . De bevindingen van dit onderzoek zijn vastgelegd in het proces-verbaal met nummer [000] van 25 oktober 2016, opgesteld door [J] (hierna: het FIOD-rapport). Tegen [A] loopt een strafrechtelijk onderzoek.

Geschil

11. In geschil is of eiseres terecht de voorbelasting op de kosten in verband met de investeringen in 2008, 2009 en 2010 aan de [A-straat 2] te [Q] in aftrek heeft gebracht. Daarnaast is in geschil of verweerder terecht de voorbelasting op basis van een theoretische omzetberekening heeft gecorrigeerd. Over het jaar 2008 is in geschil of verweerder terecht een bedrag van € 2.868 heeft nageheven in verband met verschillen tussen de aangiften OB en vennootschapsbelasting (Vpb) 2008. Daarnaast houdt een aantal formeelrechtelijke vragen partijen verdeeld.

Beoordeling van het geschil

Niet tijdig beslissen op bezwaar

12. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op bezwaar door verweerder. Ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht hebben de beroepen van eiseres mede betrekking op de nadien door verweerder gedane uitspraken op bezwaar van 21 augustus 2018. Voor zover de beroepen zijn gericht tegen het niet-tijdig doen van uitspraak op bezwaar heeft eiseres daarbij inmiddels geen belang meer, omdat verweerder alsnog uitspraken op bezwaar heeft gedaan. Het beroep tegen het niet-tijdig beslissen is daarom niet-ontvankelijk.

Onrechtmatig verkregen bewijs

13. Eiseres stelt dat verweerder ten onrechte gebruik heeft gemaakt van het FIOD-rapport omdat verweerder geen toestemming gekregen van de Officier van Justitie om dit rapport te gebruiken. Er is volgens eiseres sprake van onrechtmatig verkregen bewijs. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank echter geen sprake. Op grond van artikel 80, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) worden processen-verbaal met betrekking tot bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten verzonden naar het bestuur van de Belastingdienst. Toestemming van de Officier van Justitie is niet vereist.

Nieuw feit en ambtelijk verzuim

14. Op grond van artikel 20, eerste lid, van de AWR is een nieuw feit niet vereist voor het opleggen naheffingsaanslagen zodat de grief van eiseres hierover niet hoeft te worden besproken.

Omkering en verzwaring bewijslast

15. Partijen zijn het er over eens dat de bewijslast ten aanzien van het materiële geschilpunt op eiseres rust. De vraag naar de omkering en verzwaring van de bewijslast behoeft dus geen nadere bespreking.

Vertrouwensbeginsel

16. Eiseres stelt dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. Volgens eiseres heeft verweerder de aanslagen opgelegd nadat tussen partijen gecorrespondeerd is over de werkzaamheden aan de [A-straat 2] . Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel moet echter sprake zijn van een concrete toezegging van verweerder aan eiseres. Hiervan is in dit geval niet gebleken zodat deze beroepsgrond faalt.

Bekendmaking naheffingsaanslag 2008

17. Eiseres heeft de tijdige verzending van de naheffingsaanslag voor het jaar 2008 door verweerder betwist en stelt zich op het standpunt dat deze niet tijdig bekend is gemaakt. Volgens eiseres is de naheffingsaanslag in eerste instantie naar een foutief adres verzonden en als onbestelbaar retour gekomen bij verweerder. Daarna is de naheffingsaanslag opnieuw verzonden en pas op 29 januari 2014 door eiseres ontvangen.

18. Verweerder betwist dat de naheffingsaanslag in eerste instantie naar een foutief adres is verzonden. Verweerder stelt dat zowel de eerste als de tweede verzending aan de [A-straat 1] was geadresseerd. Bij de tweede verzending is de naheffingsaanslag niet onbestelbaar retour gekomen, terwijl deze naar hetzelfde adres is verzonden. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd verklaard dat de naheffingsaanslag tijdig is verzonden.

19. De bewijslast met betrekking tot het tijdstip van de bekendmaking rust op verweerder. Hij dient derhalve de tijdige terpostbezorging aannemelijk te maken. Hierbij kan niet worden volstaan met algemene informatie, maar moet op individueel niveau gegevens worden overgelegd waaruit volgt dat het betreffende aanslagbiljet daadwerkelijk tijdig is verzonden. Met de blote stelling dat het aanslagbiljet tijdig is verzonden heeft verweerder niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan. De naheffingsaanslag voor het jaar 2008 moet daarom worden vernietigd. De grief van eiseres over het verschil tussen aangiften omzet- en vennootschapsbelasting 2008 behoeft hierdoor geen nadere bespreking.

Verdedigingsbeginsel

20. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het verdedigingsbeginsel is geschonden omdat zij niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord voorafgaand aan de oplegging van de naheffingsaanslagen. De toenmalig belastingadviseur ( [K] ) is echter door de controlerend ambtenaar bij een emailbericht van 27 november 2015 in de gelegenheid gesteld voor 10 december 2015 inhoudelijk te reageren op het controlerapport. Op dezelfde dag heeft [K] aan de controlerend ambtenaar bericht dat [A] en zijn raadsman, [L] van [M] op de hoogte zijn gesteld van deze mogelijkheid. Eiseres heeft van de mogelijkheid om inhoudelijk op het controlerapport te reageren geen gebruik gemaakt. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het verdedigingsbeginsel niet is geschonden. Eiseres had immers haar zienswijze op het rapport en de voorgenomen naheffingsaanslagen naar voren kunnen brengen.

Aftrek van voorbelasting inzake de investeringen
21. Eiseres heeft gesteld dat de verbouwing van de [A-straat 2] een zakelijk karakter heeft hetgeen door verweerder wordt betwist. Volgens verweerder is sprake van een verbouwing van een gedateerd woonhuis tot een moderne, luxe villa. Eiseres heeft volgens verweerder de zakelijkheid van investeringen niet aannemelijk gemaakt.

22. Vooropgesteld moet worden dat eiseres tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat een deel van de uitgaven betrekking hadden op de [A-straat 1] (het pand waar eiseres was gevestigd). Uit de stukken van het geding kan worden opgemaakt dat de correcties van verweerder uitsluitend zien op de verbouwing van [A-straat 2] .

23. Het tot de gedingstukken behorende controle- en FIOD-rapport rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden dat de uitgevoerde werkzaamheden geen zakelijk karakter hadden maar zagen op de verbouwing van het woonhuis van de toenmalig bestuurder [A] . Feit is ook dat het pand door [A] als woning is aangekocht en een aantal jaren later weer als woning is verkocht. Met hetgeen door eiseres naar voren is gebracht is zij niet in het bewijs geslaagd dit vermoeden te weerleggen en het zakelijk karakter van de uitgevoerde werkzaamheden aannemelijk te maken.

24. Er veronderstellenderwijs van uitgaande dat het ontwikkelplan met dagtekening 21 augustus 2007 inderdaad op dat moment is opgemaakt – en niet zoals verweerder stelt achteraf is opgemaakt – ontbreekt de concrete tenuitvoerlegging van het plan. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de werkzaamheden zijn verricht met het oog op een functiewijziging van het object in een kantoor. De rechtbank wijst op de volgende omstandigheden.

25. Eiseres had ten tijde van het ontwikkelplan geen vergunning om het woonhuis als kantoorpand te gebruiken. De vergunning – die slechts ziet op de verbouwing van de parterre tot kantoor – is pas op [2012 2] door [A] aangevraagd. Ook liet het bestemmingsplan zakelijke verhuur van de andere verdiepingen niet toe zodat daarvoor het bestemmingsplan zou moeten worden gewijzigd. Behoudens hetgeen door getuige [D] naar voren is gebracht zijn er ook geen aanwijzingen dat het object daadwerkelijk in de markt is aangeboden als voor commerciële verhuur bestemde kantoorruimte. Ten aanzien van de door [D] afgelegde verklaring over mogelijke verhuur en de ter ondersteuning daarvan overgelegde e-mailberichten is de rechtbank van oordeel dat deze zo algemeen zijn dat hieraan niet de door eiseres gewenste bewijskracht kan worden toegekend. In deze stukken ontbreken bijvoorbeeld het aantal te huren vierkante meters en de huurprijs. Bovendien zou het gaan om het per direct als kantoor in gebruik kunnen nemen van de eerste verdieping, terwijl dat planologisch niet was toegestaan. De verklaring van de heer [D] ter zitting wordt ook niet ondersteund door de verklaringen zoals opgenomen in het FIOD-rapport.

26. Na totstandkoming van het ontwikkelplan is een zeer luxe keuken (circa 50m2 groot) voorzien van alle mogelijke apparatuur geplaatst, en is op de eerste verdieping een luxe badkamer, een ouderslaapkamer en een babykamer gerealiseerd. In de tuin is het zwembad overkapt en een poolhouse met jacuzzi en jetstream aangelegd. Deze werkzaamheden hebben geen betrekking op kantoorruimte.

27. Uit de verklaringen van de diverse leveranciers en uitvoerders zoals opgenomen in het FIOD-rapport komt naar voren dat zij niet op de hoogte waren van het plan van eiseres kantoorappartementen te realiseren. Er wordt in deze verklaringen slechts gesproken over aan het woonhuis te verrichten werkzaamheden.

28. Ook uit de door verweerder in het geding gebrachte videopresentatie van [N] blijkt niet dat kantoorappartementen zijn gerealiseerd. In deze video wordt – zowel binnens- als buitenshuis – een qua uitstraling en inrichting luxueuze villa getoond. Er is geen enkel aanknopingspunt te vinden dat de stelling van eiseres ten aanzien van de realisatie van kantoorappartementen ondersteunt.

29.
Uit het vorenstaande volgt dat eiseres de voorbelasting op de kosten in verband met de gedane investeringen aan de [A-straat 2] te [Q] ten onrechte in aftrek heeft gebracht.

Theoretische berekening correctie
30. De door verweerder opgelegde naheffingsaanslagen zijn gebaseerd op een theoretische berekening van de omzet en de voorbelasting waarbij de jaarrekeningen van eiseres als uitgangspunt zijn genomen. Naar het oordeel van de rechtbank was het voor verweerder noodzakelijk een theoretische berekening van de omzet en voorbelasting te maken omdat de administratie van eiseres niet volledig is overgelegd.

Conclusie en heffingsrente

31. Gelet op het voorgaande dient het beroep inzake de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2018 tot en met 31 december 2008 gegrond en de overige beroepen ongegrond te worden verklaard.

32. Gelet hierop dient ook de beschikking heffingsrente over het tijdvak 1 januari 2018 tot en met 31 december 2008 te worden vernietigd. Omdat eiseres geen afzonderlijke gronden tegen de overige beschikkingen heffingsrente heeft aangevoerd, dienen ook de beroepen inzake de heffingsrente over de tijdvakken 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 en 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 ongegrond te worden verklaard.

33. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.532 (1 punt voor het indienen van bezwaar, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 254, 1. punt voor het indienen van beroep, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.


Immateriële schadevergoeding

34. De onderhavige zaken hebben betrekking op hetzelfde onderwerp als in de zaken met zaaknummers AWB 18/1261, 18/1263 en 18/1264 inzake de vennootschapsbelasting. In die zaken is een immateriele schadevergoeding toegekend van € 3.500. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, (ECLI:NL:HR:2016:252) kan worden volstaan met toekenning van eenmaal vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn zodat dit in deze zaken niet aan de orde is.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart de beroepen inzake de naheffingsaanslagen over de tijdvakken 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 en 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep inzake de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 gegrond;

  • -

    vernietigt de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2008 tot en met
    31 december 2008;

  • -

    vernietigt de beschikking heffingsrente over het tijdvak 1 januari 2008 tot en met
    31 december 2008;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op het tijdvak
    1 januari 2008 tot en met 31 december 2008;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.532;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 338 vergoedt;

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.F. Geerling, voorzitter, mr. J.J.J. Engel en mr. J.M.W. van de Sande, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Roosma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 14 juni 2019

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.