Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:2454

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-03-2019
Datum publicatie
04-06-2019
Zaaknummer
NL18.7460
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Duurovereenkomst met toeleverancier van voetbalclub. Uitleg overeenkomst. Geen (schijn van) vertegenwoordigingsbevoegdheid commercieel manager van voetbalclub. Duurovereenkomst rechtmatig opgezegd. Vorderingen toeleverancier afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/379
NTHR 2019, afl. 4, p. 200
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer: NL18.7460

Vonnis van 20 maart 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
COMBIGRO HELMINK FOODSERVICE B.V.,
gevestigd te Zutphen,
eiseres, hierna te noemen: Combigro,
advocaat A. Robustella te Ede Gld,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
B.V. VITESSE,
gevestigd te Arnhem,
verweerster, hierna te noemen: Vitesse,
advocaat H.C.M. van Haastert te Apeldoorn.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de procesinleiding met bijlagen

- het verweerschrift met bijlagen

- het ten behoeve van de mondelinge behandeling zijdens Vitesse ingediende bewijsstuk 27

- het proces-verbaal van mondelinge behandeling op 16 januari 2019.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Combigro exploiteert een groothandel in conserven en levensmiddelen, diepvriesproducten en vlees. De heer [naam bestuurder Combigro] is haar bestuurder. Combigro leverde vanaf 1 juli 2008, althans vanaf 1 juli 2009 foodproducten aan Vitesse.

2.2.

Bij mailbericht van 20 mei 2010 (productie 2 Combigro) heeft de heer [manager Vitesse] , destijds bij Vitesse werkzaam als commercieel manager, aan Combigro, in de persoon van [naam bestuurder Combigro] , het volgende bericht:

Onderwerp: leveringsafspraak […]

Beste [naam bestuurder Combigro] volgens afspraak bevestig ik jou het volgende:

Wij hebben vanochtend gesproken over het businessclub contract wat nog getekend moest worden, dit contract heeft een looptijd van 1 juli 2009 en eindigt op 30 juni 2012.

Het contract heeft een stilzwijgende verlenging, vijf maanden voor expiratiedatum zou je het contract aangetekend kunnen opzeggen en anders wordt het contract stilzwijgend verlengt telkens met een jaar. Zolang het contract bestaat hebben wij eveneens een afspraak over de leveringen van foodproducten e.d. aan ons Vitesse trainingscomplex op Papendal. Ik ben blij dat het contract nu getekend is, Dan zijn genoemde zaken nu ook duidelijk. Deze mail is onderdeel van het bestaande businessclub contract wat getekend is op 20 mei 2010.

[…]

[manager Vitesse] BV Vitesse

2.3.

In de periode van 26 januari 2004 tot 20 juni 2012 was de heer [naam algemeen directeur Vitesse] algemeen directeur en enig bestuurder van Vitesse. Vitesse kon op 20 mei 2010, uitsluitend rechtsgeldig worden vertegenwoordigd door de heer [naam algemeen directeur Vitesse] . Aan de heer [manager Vitesse] was geen bijzondere volmacht verstrekt op basis waarvan hij Vitesse mocht vertegenwoordigen.

2.4.

Het contract waaraan in voornoemd mailbericht van 20 mei 2010 wordt gerefereerd is een “huurovereenkomst business seats Gelredome” (hierna: het businessclubcontract; productie 1 Vitesse) en heeft betrekking op de huur van twee ‘businessseats’ in het voetbalstadion Gelredome voor een bedrag van € 4.100,00 exclusief btw per voetbalseizoen. Het businessclubcontract is gedateerd op 1 juli 2009 en namens Combigro getekend door [naam bestuurder Combigro] en namens Vitesse door [naam algemeen directeur Vitesse] . Het businessclubcontract, waarin Combigro wordt aangeduid als “huurder”, vermeldt, voor zover thans van belang:

7.1

Indien huurder tekortschiet in de nakoming van zijn verbintenissen dan wel zich omstandigheden voordoen als vermeld onder 7.2 heeft Vitesse het recht deze overeenkomst onmiddellijk tussentijds te ontbinden, zonder dat daartoe een ingebrekestelling vereist is. In dat geval zal huurder niet gerechtigd zijn tot enige schadeloosstelling en is huurder gehouden alle schade, kosten en interessen als gevolg van de tussentijdse ontbinding/beëindiging aan Vitesse te vergoeden.

7.2

Vitesse is gerechtigd de overeenkomst tussentijds te ontbinden indien:

- huurder in gebreke blijft de huur of andere verplichtingen uit deze overeenkomst na te komen;

- conservatoir of executoriaal beslag gelegd wordt op één of meer vermogensbestanddelen van huurder;

- huurder wordt ontbonden of geliquideerd;

- huurder surseance van betaling aanvraagt of in staat van faillissement wordt verklaard;

- huurder, daaronder begrepen de personen die onder zijn verantwoordelijkheid vallen, handelingen verricht of nalaat waardoor de goede naam van andere partijen verbonden aan de Dome, in het bijzonder de exploitatiemaatschappij, Vitesse en GelreDome N.V. en andere evenementenorganisatoren, in ernstige mate in diskrediet wordt gebracht.

7.3

Deze overeenkomst dient uiterlijk vijf maanden voor het einde van de looptijd schriftelijk, d.m.v. aangetekend schrijven, door de huurder te worden opgezegd. Bij niet opzegging binnen de termijn, wordt deze overeenkomst telkens stilzwijgend verlengd met de duur van één seizoen onder dezelfde voorwaarden.

7.4

Huurder kan deze overeenkomst jaarlijks na het eerste seizoen, te weten uiterlijk vóór 1 februari van ieder contractjaar schriftelijk opzeggen d.m.v. aangetekend schrijven. Indien huurder het contract niet voor 1 februari heeft opgezegd, blijft de contractduur gehandhaafd.

2.5.

Op 30 juni 2012 is het businessclubcontract voor het eerst stilzwijgend verlengd en daarna ieder jaar opnieuw.

2.6.

Bij Vitesse is eind 2012 accountmanager [naam accountmanager Vitesse] aangesteld. [naam accountmanager Vitesse] onderzocht de mogelijkheden om zaken te doen met een andere leverancier van foodproducten.

2.7.

In een mailbericht van 7 januari 2013 (productie 3 Vitesse) heeft [naam bestuurder Combigro] [naam accountmanager Vitesse] het volgende bericht

[…] In november en december 2012 hebben wij elkaar gesproken over de leveringen van ons bedrijf aan Vitesse op Papendal. Ons gespreksonderwerp was de dreiging die wij in de wandelgangen hoorde, dat Vitesse bezig was de overstap te maken naar een andere leverancier. Wij hebben aan jou kenbaar gemaakt dat wij toentertijd met [manager Vitesse] , optredend namens Vitesse, een overeenkomst hebben opgesteld die niet eenzijdig door Vitesse is op te zeggen. Helaas was jij hiervan niet op de hoogte, waarna wij jou volledig hebben bijgepraat. ik heb jou voorgesteld contact met [manager Vitesse] te zoeken, zodat hij kan uitleggen met wat voor intentie de overeenkomst is gesloten. In hetzelfde gesprek hebben wij jou aangegeven geen aanleiding te zien de overeenkomst te beëindigen. Wij hebben een uitstekende relatie die wij graag ook de komende jaren willen continueren. Wij gaan er dan ook van uit dat Vitesse hetzelfde standpunt inneemt om onze samenwerking voort te zetten. […]

2.8.

In een brief van 8 februari 2013 (productie 4 Combigro) heeft de advocaat van Combigro aan Vitesse t.a.v. [naam accountmanager Vitesse] een brief gestuurd met voor zover hier van belang de volgende inhoud:

1. Op 1 juli 2009 is cliënte een businessclubcontract met B.\/. Vitesse aangegaan voor de periode 1 juli 2009 tot 30 juni 2012. Op 30 juni 2012 is het businessclubcontract stilzwijgend verlengd.

2. Het tussen cliënte en B.V. Vitesse bestaande businessclubcontract is onlosmakelijk verbonden met de door cliënte met B.V. Vitesse gemaakte afspraken over de levering van food producten e.d. aan (het) Vitesse (trainingscomplex op Papendal). Ik verwijs u te dien aanzien naar het in afschrift bijgevoegde schrijven van de heer [manager Vitesse] van B.V. Vitesse d.d. 20 mei 2010: “Zolang het contract bestaat hebben wij' eveneens een afspraak over de leveringen van foodproducten e.d. aan ons Vitesse trainingscomplex op Papendal.

3. Tot dusver wordt door B.V. Vitesse op een correcte wijze uitvoering gegeven aan de in het hiervoor aangehaalde schrijven van de heer [manager Vitesse] van B.V. Vitesse d.d. 20 mei 2010 geduide afspraak over de levering van foodproducten e.d. aan (het) Vitesse (trainingscomplex op Papendal).

4. In zijn e-mailberichten van 7 en 18 januari 2013 heeft cliënte u aandacht gevraagd voor het feit dat zij in de wandelgangen heeft vernomen dat B.V. Vitesse doende is de overstap van cliënte naar een andere leverancier te maken. In haar e-mailbericht van 7 januari 2013 heeft cliënte B.V. Vitesse nadrukkelijk gewezen op de met cliënte bestaande afspraak betreffende de levering van foodproducten e.d. aan (het) Vitesse (trainingscomplex op Papendal). In het e-mailbericht van 18 januari 2013 heeft cliënte daaraan toegevoegd van u te hebben vernomen dat B.V. Vitesse voornemens is eind februari 2013 de contractuele verhouding met cliënte, met onmiddellijke ingang, te beëindigen.

5. Het voornemen van B.V. Vitesse de met cliënte bestaande contractuele verhouding eind februari 2013 met onmiddellijke ingang te beëindigen is voor cliënte niet acceptabel. Er is sprake van B.V. Vitesse bindende afspraken daar waar het betreft de levering van foodproducten e.d. aan (het) Vitesse (trainingscomplex op Papendal). Cliënte spreekt B.V. Vitesse dan ook uitdrukkelijk aan tot onverkorte naleving van die bestaande afspraken. Cliënte stemt niet in met een onmiddellijke beëindiging van de bestaande contractuele verhouding per eind februari 2013.

6. Gelet op het vorenstaande verzoek ik u mij binnen drie werkdagen na dagtekening van dit schrijven te bevestigen dat B.V. Vitesse de met cliënte gemaakte afspraken over de levering van foodproducten e.d. aan (het) Vitesse (trainingscomplex op Papendal) onverminderd respecteert en nakomt, bij gebreke waarvan cliënte B.V. Vitesse nu reeds voor alsdan, voor zover nog vereist, uitdrukkelijk in gebreke stelt en zij zich vrij acht B.V. Vitesse in rechte aan te spreken.

7. Het aanspreken van B.V. Vitesse in rechte heeft niet de voorkeur van cliënte. […]

Ik zie de van u gevraagde bevestiging met belangstelling tegemoet. […]

2.9.

In een mailbericht van 16 april 2013 (productie 5 Vitesse) heeft de heer [naam manager financiën Vitesse] , manager financiën van Vitesse (verder: [naam manager financiën Vitesse] ) aan [naam bestuurder Combigro] geschreven:

[…] Zoals afgesproken bij onze laatste bijeenkomst willen we onze samenwerking duidelijk contractueel vastleggen. Onze uitgangspunten hierbij zijn de volgende:

1. Vaste prijsafspraak voor de 25 meest geleverde artikelen;

2. Eindejaarsbonus van 5% cash over de omzet exclusief BTW tot een bedrag van € 150.000 en boven een bedrag van € 150,000 omzet exclusief BTW een bonus van 7,5% cash;

3. Contractslooptijd tot en met 30 juni 2015;

4. Separate overeenkomst inzake silver seats (in plaats van corner seats) tot en met 30 juni 2015;

5. Levering minimaal 3 maal per week.

Graag horen we jullie reactie, […]

2.10.

In een mailbericht van 7 juli 2014 (productie 6 Vitesse) heeft [naam manager financiën Vitesse] , aan [naam bestuurder Combigro] het volgende bericht:

Onderwerp: Top 20 lijst Vitesse en contractuele afspraken […]

Beste [naam bestuurder Combigro] ,

Zoals van de week afgesproken ontvang je hierbij onze top 20 lijst van de bij jullie afgenomen producten. Bij een paar producten hebben we de prijs van een concurrent er achter gezet ter vergelijking.

Op deze top 20 lijst willen we graag een vaste korting/prijs afspreken. Daarnaast willen we zoals besproken een contract tot en met 30 juni 2016 overeenkomen en een eindejaar bonusregeling afspreken.

Ik hoor graag van je […]

2.11.

In mailberichten van 11 augustus 2014 en 1 september 2014 (producties 7 en 8 Vitesse) heeft [naam manager financiën Vitesse] gerappelleerd vanwege het uitblijven van een reactie en voorgesteld een afspraak te maken. In een mailwisseling in oktober 2014 tussen medewerkers van Combigro en Vitesse (producties 9 en 10 Vitesse) wordt zijdens Vitesse gerefereerd aan een afspraak dat Combigro met een voorstel zou komen en wordt daarop zijdens Combigro geschreven dat graag een afspraak gemaakt wordt om samen met [naam bestuurder Combigro] bij Vitesse te komen “met het voorstel van Combigro”.

2.12.

In een mailbericht van 10 februari 2015 van [naam manager financiën Vitesse] aan [naam bestuurder Combigro] (productie 11 Vitesse) schrijft [naam manager financiën Vitesse] :

Na onze laatste afspraak eind oktober 2014 zijn er helaas 3 zaken nog steeds niet afgewikkeld:

Vitesse heeft aangeboden om een overeenkomst te sluiten met een looptijd tot en met 30 juni 2016, dit na eerst 30 juni 2015 voorgesteld te hebben. Combigro zou haar reactie hier nog op geven, aangezien Combigro zelf een overeenkomst wil sluiten tot en met 30 juni 2017; Vitesse zou het overzicht nog ontvangen van de producten waarover vanaf het begin van de leveringen reeds vaste prijsafspraken gemaakt zouden zijn, dit overzicht is nog steeds niet ontvangen. Ik begrijp van [naam] dat er nog steeds geen duidelijkheid is met betrekking tot de prijsafspraken over Optimel, we betalen nu nog steeds de hoge prijs en de afspraak is dat er een lagere prijs met terugwerkende kracht vanaf het begin van de leveringen berekend zou worden. Graag ontvangen we op korte termijn je reactie op bovenstaande 3 punten.

2.13.

Na een eerder rappel op 20 februari 2015, en een reactie van Combigro dat [naam bestuurder Combigro] ziek is; schrijft [naam manager financiën Vitesse] 24 maart 2015 aan [naam bestuurder Combigro] dat hij nog steeds geen reactie heeft mogen ontvangen op het onder 2.12 aangehaalde mailbericht en vraagt hij daar alsnog om (producties 12-14 Vitesse).

2.14.

In een mailbericht van 22 september 2015 van [naam manager financiën Vitesse] aan [naam bestuurder Combigro] (productie 16 Vitesse) schrijft [naam manager financiën Vitesse] :

[…] Afgelopen dinsdag 1 september 2015 hebben we met elkaar over onderstaande punten gesproken. Vitesse heeft hierbij het aanbod gedaan om een contract te sluiten tot en met 31 december 2016. Hierbij heb jij aangegeven dat Combigro nog steeds een overeenkomst wil sluiten tot en met 30 juni 2017. Vitesse heeft vervolgens aangegeven hier wel mee akkoord te willen gaan. Echter zou jij nog terugkomen op de opties van upgrading van de Corner seats naar Silver seats of een eindejaars afname bonus ad 5%. Uiterlijk 15 september 2015 zou jij Vitesse dit laten weten. Helaas hebben we nog geen bericht van je mogen ontvangen, graag horen we per omgaande je reactie.

2.15.

In antwoord op een hierop volgende herinnering van 9 oktober 2015 van [naam manager financiën Vitesse] schrijft [naam bestuurder Combigro] dat hij ziek thuis zit. In een mailbericht van 29 juni 2016 vraagt [naam manager financiën Vitesse] [naam bestuurder Combigro] om hem terug te bellen. In een mailbericht van 30 juni 2016 schrijft de directiesecretaresse van Vitesse dat zij graag namens [naam manager financiën Vitesse] en de heer [opvolgend algemeen directeur Vitesse] , die sinds mei 2014 algemeen directeur en enig bestuurder van Vitesse is, een afspraak wil maken “inzake het lopend contract”.

2.16.

Bij brief van 30 juni 2016 (productie 7 Combigro) heeft [opvolgend algemeen directeur Vitesse] het volgende aan [naam bestuurder Combigro] geschreven:

[…] Middels deze brief deel ik u mede dat – voor zover er sprake is van een (duur)overeenkomst tussen B.V. Vitesse (“Vitesse”) en Combigro Helmink Foodservice B.V. (“Combigro”) met betrekking tot leveringen van voedingsmiddelen – Vitesse deze (duur)overeenkomst opzegt met inachtneming van een opzegtermijn van twaalf maanden, waardoor deze (duur)overeenkomst alsdan per 1 juli 2017 eindigt. In de wet is er niets geregeld omtrent de opzegging van een duurovereenkomst. Uit vaste jurisprudentie blijkt echter dat een duurovereenkomst in beginsel opzegbaar is, mits er een redelijke opzegtermijn in acht wordt genomen. Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht Vitesse een opzegtermijn van twaalf maanden alleszins redelijk. […]

2.17.

Combigro heeft bij mailbericht van 19 juli 2016 bezwaar gemaakt tegen de opzegging. Partijen zijn naar aanleiding daarvan (opnieuw) in overleg getreden en hebben getracht een oplossing voor de ontstane situatie te vinden. Dit heeft er niet toe geleid dat Vitesse heeft toegezegd ook na 1 juli 2017 foodproducten bij Combigro te zullen blijven afnemen.

2.18.

In een mailbericht van 30 maart 2017 deelt [opvolgend algemeen directeur Vitesse] [naam bestuurder Combigro] mee dat Vitesse voornemens is die week in gesprek te gaan met een aantal partijen om de leveringen voor Vitesse voor de toekomst te bekijken, waarbij “Combigro zorgvuldig wordt meegenomen”. .

2.19.

In een brief van 4 april 2017 (productie 8 Combigro) van de advocaat van Combigro aan Vitesse t.a.v. [opvolgend algemeen directeur Vitesse] schrijft hij dat Combigro uit het mailbericht van 30 maart 2017 afleidt dat B.V. Vitesse “volhardt in de opzegging van de duurovereenkomst” en dat dat voor Combigro niet acceptabel is. In de brief geeft de advocaat voorts onder meer zijn weergave van een telefonisch overleg met de jurist van Vitesse, [naam jurist] op 22 september 2016 en geeft hij daarop een reactie. Hij schrijft daarover als volgt.

4. In een telefonisch overleg op 22 september 2016 heeft [naam jurist] van B.V. Vitesse mij met betrekking tot de (duur)overeenkomst met cliënte het volgende voorgehouden:

- er is sprake van een opzegbare (duur)overeenkomst;

- aan het e-mailbericht van [manager Vitesse] van 20 mei 2010 - op welk e-mailbericht cliënte zich nadrukkelijk beroept ter onderbouwing van de stelling dat het B.V. Vitesse niet vrijstaat de duurovereenkomst op te zeggen - komt geen juridische relevantie toe. [manager Vitesse] was toentertijd een commercieel medewerker van B.V. Vitesse zonder de bevoegdheid B.V. Vitesse te mogen vertegenwoordigen respectievelijk contractueel te binden.

5. In de door [naam jurist] namens B.V. Vitesse kenbaar gemaakte standpunten is door cliënte niet berust. Cliënte zal in die standpunten ook niet berusten, omdat deze standpunten niet juist zijn en geen recht doen aan de relevante feiten en omstandigheden.

[…]

7. De stelling dat de in het e-mailbericht van 20 mei 2010 aan cliënte bevestigde afspraken B.V. Vitesse niet binden onderschrijft cliënte niet. Zo [manager Vitesse] al niet bevoegd was B.V. Vitesse contractueel te binden - hetgeen cliënte bij gebrek aan wetenschap betwist-, beroept cliënte zich op de bij haar gewekte schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid (artikel 3:61 lid 2 BW) en de (schijn van) bekrachtiging (artikel 3:69 BW) van de door haar - door tussenkomst van [manager Vitesse] - met B.V. Vitesse gemaakte afspraken betreffende de levering van foodproducten c.a. Op basis van de met [manager Vitesse] gemaakte afspraak is en wordt immers jarenlang zaken gedaan. Aan die vaststelling verbindt cliënte de conclusie dat B.V. Vitesse is gebonden aan de met haar gemaakte afspraken betreffende de duur van de overeenkomst voor de levering van foodproducten c.a.

2.20.

Begin 2017 is Vitesse een aanbestedingsprocedure gestart voor de levering van foodproducten. Combigro heeft niet op deze opdracht ingeschreven. De opdracht is vervolgens aan een derde partij gegund.

2.21.

In de periode van april 2017 tot medio juni 2017 is tussen partijen opnieuw getracht tot een oplossing van het tussen hen ontstane geschil ten aanzien van de levering van foodproducten te komen. Dit is niet gelukt.

2.22.

Per 1 juli 2017 levert een nieuwe partij foodproducten aan Vitesse. Tot die tijd heeft Vitesse steeds foodproducten bij Combigro afgenomen. De gemiddelde omzet van Combigro bedroeg in de jaren 2014 tot en met 2016 € 120.000,00 per jaar.

2.23.

In een door Combigro in 2017 aangespannen kortgedingprocedure heeft zij kort weergegeven de veroordeling van Vitesse gevorderd om vanaf 1 juli 2017 de leveringsovereenkomst tot de datum waarop het businessclub contract rechtsgeldig zal zijn geëindigd, althans tot een door de voorzieningenrechter vast te stellen termijn, onmiddellijk, onvoorwaardelijk en volledig voort te zetten, onder de dreiging van een dwangsom. Bij kortgedingvonnis van 14 juli 2017 is dit verzoek afgewezen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter overwogen dat op basis van in dat kortgedingvonnis overwogen omstandigheden niet zonder meer kan worden aangenomen dat de duurovereenkomst, waarbij de kortgedingrechter er vanuit gaat dat die tussen partijen tot stand is gekomen, niet opzegbaar zou zijn, maar dat het ervoor moet worden gehouden dat die overeenkomst wel op enig moment door Vitesse kon worden opgezegd. Daarbij is voorts overwogen dat Vitesse dit bij de onder 2.17 aangehaalde brief van 30 juni 2016 heeft gedaan tegen 1 juli 2017 en dat de voorzieningenrechter, in aanmerking genomen de aard en duur van de overeenkomst en de overige omstandigheden waaronder daaraan uitvoering is gegeven, deze opzegtermijn van één jaar aanvaardbaar acht.

3 Het geschil

3.1.

Combigro vordert dat de rechtbank, bij vonnis, voor zoveel mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad:

primair.

a: Vitesse veroordeelt om vanaf de datum waarop de rechtbank vonnis wijst tot de datum waarop het businessclub contract rechtsgeldig zal zijn geëindigd, althans tot een door de rechtbank vast te stellen termijn, onmiddellijk, onvoorwaardelijk en volledig voort te zetten door de tegen van tijd tot tijd bij Combigro geldende prijzen, althans de thans geldende en aan Vitesse kenbare prijzen tenminste een jaarlijkse hoeveelheid foodproducten c.a. van Combigro af te nemen zoals gemiddeld over de jaren 2014 tot en met 2016, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van €5.000,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat Vitesse hieraan niet zal voldoen;

b. Vitesse veroordeelt tot vergoeding van de door Combigro in de periode 1 juli 2017 tot de datum waarop de rechtbank vonnis wijst geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

subsidiair:

c. voor recht verklaart dat Vitesse de overeenkomst met Combigro ten onrechte per 1 juli 2017 heeft beëindigd zonder te voorzien in de schade die Combigro als gevolg van dit besluit lijdt;

d. Vitesse veroordeelt tot vergoeding van door Combigro geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, als gevolg van het feit dat Vitesse de overeenkomst eenzijdig en zonder dat daarin contractueel was voorzien heeft beëindigd per 1 juli 2017;

primair-subsidiair:

e. Vitesse veroordeelt in de kosten van de procedure.

3.2.

De vordering van Combigro komt er op neer dat zij primair kort gezegd nakoming vordert vanaf vonnisdatum van een volgens haar tussen partijen tot standgekomen duurovereenkomst, die Vitesse verplicht tot exclusieve afname van (horeca-)foodproducten bij Combigro, totdat deze overeenkomst rechtsgeldig is beëindigd. Combigro stelt dat van rechtsgeldige beëindiging slechts sprake kan zijn op het moment dat het businessclubcontract is opgezegd, wat alleen op haar initiatief kan gebeuren, en dat, nu dit contract nog altijd voortduurt, de afname van foodproducten dient te worden gecontinueerd op de wijze zoals daaraan in de jaren 2014 tot en met 2016 uitvoering is gegeven. Voor de periode vanaf 1 juli 2017 tot de vonnisdatum vordert Combigro een schadevergoeding, aangezien Vitesse, aldus Combigro, haar verplichtingen uit de duurovereenkomst niet is nagekomen. Subsidiair vordert Combigro een schadevergoeding vanwege het, aldus Combigro, door Vitesse ten onrechte beëindigen van de duurovereenkomst.

3.3.

Vitesse voert verweer. Zij betwist dat de door Combigro gestelde overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen en betwist dat de gestelde rechtshandelingen van [manager Vitesse] Vitesse hebben gebonden. Voor zover dat wel het geval is stelt zij dat deze overeenkomst met het mailbericht van 30 juni 2016 per 1 juli 2017 door haar rechtsgeldig is opgezegd, omdat in ieder geval niet is overeengekomen dat de gestelde overeenkomst door Vitesse niet opzegbaar zou zijn, althans omdat Combigro met de opezegging per die datum instemde, althans omdat Vitesse van die instemming mocht uitgaan, en dat die overeenkomst daarom niet langer hoeft te worden nagekomen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De vorderingen van Combigro zijn gebaseerd op de stelling dat een overeenkomst tot stand is gekomen, waarbij Vitesse zich heeft verbonden (horeca-)foodproducten enkel bij Combigro af te nemen zolang het - behoudens de in het businessclubcontract onder 7.1 en 7.2. genoemde omstandigheden, die niet aan de orde zijn - enkel door Combigro te beëindigen businessclubcontract voortduurt.

Deze overeenkomst is, aldus Combigro, tot stand gekomen door aanbod en aanvaarding in gesprekken tussen [naam bestuurder Combigro] en [manager Vitesse] , zoals bevestigd in het mailbericht van [manager Vitesse] van 20 mei 2010 (zoals hiervoor weergegeven onder 2.2.), althans, doordat Combigro gelet op dat mailbericht en de verklaringen en handelingen van [manager Vitesse] en/of Vitesse er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat Vitesse een overeenkomst met die strekking heeft aanvaard. Daarbij betwist Combigro niet dat [manager Vitesse] niet bevoegd was Vitesse in die zin te binden, maar stelt zij dat zij bij de totstandkoming heeft aangenomen en op grond van de verklaringen en gedragingen van Vitesse, althans op grond van voor rekening van Vitesse komende feiten en omstandigheden, naar verkeersopvattingen destijds mocht aannemen dat [manager Vitesse] toen die bevoegdheid had, zodat Vitesse op de onbevoegdheid gelet op het bepaalde in artikel 3:61 BW geen beroep kan doen, althans dat zij er van mocht uitgaan dat Vitesse die overeenkomst heeft bekrachtigd in de zin van artikel 3:69 BW.

4.2.

Vitesse betwist dat Combigro destijds mocht aannemen dat [manager Vitesse] Vitesse destijds mocht vertegenwoordigen of dat Vitesse de rechtshandelingen van [manager Vitesse] heeft bekrachtigd. Zij betwist ook overigens dat er tussen Vitesse en Combigro over de door Combigro gestelde verplichting van Vitesse overeenstemming is bereikt of dat Combigro er gelet op de verklaringen en gedragingen van partijen over en weer daarvan mocht uitgaan.

4.3.

Combigro stelt primair dat al vóór het mailbericht van 20 mei 2010 in telefoon- en face-to-face-gesprekken tussen [naam bestuurder Combigro] en [manager Vitesse] de door Combigro gestelde verbintenis van Vitesse om haar foodproducten exclusief bij Combigro af te nemen is besproken, dat daarbij toen ook al is besproken dat Vitesse die verplichting niet kon beëindigen zolang het businessclubcontract liep en dat dat businessclubcontract in principe slechts door Combigro opzegbaar was, en dat het mailbericht van 20 mei 2010 slechts een bevestiging was van die al daarvoor overeengekomen afspraken. Indien deze feitenweergave van Combigro klopt én er komt vast tet staan dat Vitesse geen beroep kan doen op de onbevoegdheid van [manager Vitesse] om in naam van Vitesse te handelen, welk punt hierna vanaf rov. 4.6. nader aan de orde zal komen, is de rechtbank van oordeel dat, indien er ten aanzien van de door Combigro gestelde afspraken geen wilsovereenstemming bestond, Combigro er tenminste van mocht uitgaan dat die wilsovereenstemming bestond en is Vitesse daaraan gebonden. Dat er daardoor een situatie is ontstaan die erop neer komt dat Combigro - zolang zij niet tekortschiet in haar verplichtingen en de in artikelen 7.1. en 7.2. van het businessclubcontract genoemde omstandigheden zich niet voordoen - een eeuwigdurend recht heeft gekregen jegens Vitesse op exclusieve levering van foodproducten, omdat het businessclubcontract blijkens de bepalingen daarvan wél door Combigro kan worden opgezegd en niet door Vitesse en dat dus alleen Combigro het in de hand heeft om in het verlengde van het businessclubcontract ook de leveringsovereenkomst net zolang te laten voortduren als zij wenst, mag dan geacht worden een bewuste keus van de twee professionele partijen te zijn. Omstandigheden die dat anders maken zijn door Vitesse niet aangevoerd.

4.4.

Voor zover Combigro stelt dat, indien niet komt vast te staan dat er voorafgaande aan het mailbericht gesprekken of contacten hebben plaatsgevonden, waarin die afspraken zijn gemaakt of ten minste aan de orde zijn gekomen, zij er toch, op basis van de enkele regel uit het mailbericht van 20 mei 2010 “zolang het contract bestaat hebben wij eveneens een afspraak over de leveringen van foodproducten e.d. aan ons”, van mocht uitgaan dat over die afspraken wilsovereenstemming bestond, waaronder de gestelde afspraak dat de gestelde duurovereenkomst door Vitesse niet opzegbaar zou zijn, wordt deze stelling verworpen. Uitgangspunt is dat een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd in beginsel opzegbaar is. Dit kan anders zijn indien partijen hebben afgesproken dat deze niet opzegbaar is. Duidelijk is echter dat de in rov. 4.3. weergegeven door Combigro gestelde afspraak dat (enkel) Combigro de overeenkomst net zo lang mocht laten duren als zij wenste en dat deze door Vitesse niet opzegbaar was, als die op zich zelf wordt beschouwd, voor Vitesse ten opzichte van Combigro zeer nadelig is. Dat Vitesse in 2010 beoogde om haar mogelijkheid om ooit nog van de afnameverplichting af te komen prijs te geven en dat zij daarvoor voornoemde voor haar nadelige afspraak in de plaats wilde stellen, mag dan ook door Combigro in redelijkheid niet al te snel worden aangenomen, zeker niet als daar voor Vitesse niets tegenover stond. Dat daar voor Vitesse iets tegenover stond is door Combigro onvoldoende onderbouwd gesteld. Combigro heeft in dat verband wel gesteld dat zij in een tijd waarin Vitesse in financieel zwaar weer verkeerde bereid is geweest het risico te nemen om toch aan Vitesse te leveren, maar heeft niet onderbouwd dat zij daarmee werkelijk een serieus risico liep. Combigro levert weliswaar bestellingen voordat deze zijn betaald, maar niet in geschil is dat het steeds ging om de levering van beperkte bestellingen, waarbij een betalingstermijn van acht dagen had te gelden. Bij het (langdurig) uitblijven van betalingen door Vitesse had Combigro onmiddellijk verdere levering kunnen opschorten, zodat het financiële risico voor Combigro beperkt was. Dat zij mocht veronderstellen dat dit een wezenlijk punt was en dat dit een rol moet spelen bij de interpretatie van de desbetreffende regel uit het mailbericht kan daar niet uit volgen. Dat Combigro nog om een andere reden mocht veronderstellen dat Vitesse een belang had bij deze afspraak is niet aangevoerd.

De rechtbank acht voorts van belang dat de tekst van het mailbericht niet expliciet ingaat op de aan- of afwezigheid van opzegmogelijkheden. In de situatie dat over de opzegmogelijkheden niet eerder is gesproken kan op basis van die enkele tekst in een mailbericht “zolang het contract bestaat hebben wij eveneens een afspraak over de leveringen van foodproducten e.d. aan ons Vitesse trainingscomplex op Papendal”, in aanmerking genomen dat over het exclusieve leveringscontract verder in het geheel niets concreets is geregeld, zonder nadere verduidelijking dan ook bezwaarlijk worden aangenomen dat Vitesse heeft bedoeld Combigro feitelijk een door Vitesse niet te beëindigen alleenrecht te geven op het gebied van levering van foodproducten. Dat het om twee professionele partijen gaat, doet daar niet aan af. Daarnaast zijn - naast de in rov. 4.3. genoemde contacten - geen relevante feiten en omstandigheden gebleken op grond waarvan blijkt of op grond waarvan Combigro mocht aannemen dat met het mailbericht toch uitdrukking werd gegeven aan de bedoeling van Vitesse om Combigro geheel eenzijdig een dergelijk sterke positie toe te kennen. Voor zover Combigro stelt dat dit nog zou blijken uit het door Vitesse - tot juli 2017 - exclusief blijven afnemen van foodproducten bij Combigro verwerpt de rechtbank deze stelling. Nog daargelaten dat Vitesse dat exclusief afnemen betwist, zegt dat enkele al dan niet exclusief afnemen niets over het gestelde prijsgeven van iedere opzegmogelijkheid van een eventuele afnameverplichting. Uit de onder 2.5 tot en met 2.16. aangehaalde mailberichten blijkt voorts niet dat Vitesse, vanaf het moment dat [naam bestuurder Combigro] zich er in het mailbericht van 20 mei 2010 op beriep dat Vitesse er mee akkoord zou zijn gegaan dat enkel Combigro een eind zou kunnen maken aan de gestelde afnameverplichting, deze lezing ooit heeft bevestigd. Uit die mailberichten blijkt veeleer dat Vitesse zich juist steeds op het standpunt stelde dat door haar wél een einddatum voor die afname verplichting vastgesteld kon worden.

4.5.

De conclusie is dan dat voor zover niet komt vast te staan dat tussen [naam bestuurder Combigro] en [manager Vitesse] de door Combigro gestelde afspraken niet al vóór het mailbericht 20 mei 2010 zijn tot stand gekomen althans besproken, onvoldoende is gesteld om te kunnen concluderen dat tussen Combigro en Vitesse een dergelijke afspraak is gemaakt of dat zij op basis van het mailbericht in samenhang met andere verklaringen en gedragingen over en weer daarvan mocht uitgaan. Het komt dan dus aan op de vraag of de stelling van Combigro dat dit zo wél al vóór dat mailbericht van 20 mei 2010 tussen [naam bestuurder Combigro] en [manager Vitesse] is besproken, kan worden bewezen. Daarbij ligt conform de hoofdregel van artikel 150 Rv de bewijslast van die stelling bij Combigro, die daaraan immers het rechtsgevolg verbindt dat Vitesse nog steeds aan de aldus tot stand gekomen afspraak gebonden is.

4.6.

Zoals overwogen in rov 4.3 geldt om tot het oordeel te komen dat Vitesse aan de door Combigro gestelde verbintenis is gebonden echter nog een tweede voorwaarde, te weten dat Vitesse geen beroep kan doen op de onbevoegdheid van [manager Vitesse] om in naam van Vitesse te handelen, hetzij omdat Combigro op grond van aan Vitesse toe te rekenen omstandigheden mocht aannemen dat [manager Vitesse] toen die bevoegdheid wel had of omdat zij er van mocht uitgaan dat Vitesse die overeenkomst op enig moment heeft bekrachtigd in de zin van artikel 3:69 BW.

4.7.

Daarbij overweegt de rechtbank dat voor toerekening van schijn van volmachtverlening aan de vertegenwoordigde, plaats kan zijn op basis van handelingen en gedragingen van vertegenwoordigde, maar daarnaast ook ingeval de wederpartij gerechtvaardigd heeft vertrouwd op volmachtverlening aan de in werkelijkheid onbevoegde tussenpersoon op grond van andere feiten en omstandigheden die voor risico van de onbevoegd vertegenwoordigde komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid (HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK7671 NJ 2010/115 (ING/Bera).

4.8.

Als omstandigheden op grond waarvan zij er vanuit mocht gaan dat [manager Vitesse] Vitesse mocht vertegenwoordigen voert Combigro aan dat [manager Vitesse] voor haar het aanspreekpunt van Vitesse was en dat Vitesse in vervolg op de gemaakte afspraken ook daadwerkelijk is overgegaan tot het plaatsen van bestellingen bij Combigro, en dat [naam bestuurder Combigro] en de raadsman van Combigro Vitesse al in het mailbericht van januari 2013 en in de brief van 8 februari 2013 de afspraken met [manager Vitesse] hebben genoemd en dat toen in het overleg van 15 februari 2013 niet is gemeld dat [manager Vitesse] daartoe onbevoegd zou zijn. Ook na het mailbericht van 7 juli 2014 en de reactie daarop van Combigro is Vitesse, aldus Combigro de overeenkomst met Combigro blijven continueren, zonder zich er op te beroepen dat Combigro geen rechten kon ontlenen aan hetgeen [manager Vitesse] in het mailbericht van 20 mei 2010 heeft geschreven.

4.9.

Vitesse stelt daar tegenover dat Combigro en Vitesse twee professionele partijen zijn. Dat enkel [naam algemeen directeur Vitesse] beschikkingsbevoegd was, was voor Combigro kenbaar nu dat zo in het handelsregister was ingeschreven, welk register zij als professionele partij had dienen te raadplegen. Daarbij komt dat het businessclubcontract niet door [manager Vitesse] , maar door [naam algemeen directeur Vitesse] is getekend, dat de afspraken over de businessseats met [manager Vitesse] met die handtekening zijn bekrachtigd en dat het voor Combigro daarom dus ook duidelijk zou moeten zijn dat een afspraak over een afnameverplichting, die volgens haar stellingen met dat businessclubcontract verbonden was, door [naam algemeen directeur Vitesse] bekrachtigd zou moeten worden. [manager Vitesse] was in het geheel niet bevoegd verbintenissen aan te gaan en heeft dat, aldus Vitesse, ook nooit gedaan. Alle contracten werden getekend door [naam algemeen directeur Vitesse] . Vitesse betwist voorts dat zij zich niet reeds direct na het mailbericht en de brief zijdens Combigro in januari en februari 2013 op de vertegenwoordigingsonbevoegdheid van [manager Vitesse] heeft beroepen. Uit de omstandigheid dat er nog steeds zaken met Combigro is gedaan kan, zo voert Vitesse aan, niet worden afgeleid dat Vitesse zich aan met [manager Vitesse] gemaakte afspraken gebonden achtte.

4.10.

De rechtbank overweegt dat geen punt van geschil is dat [manager Vitesse] geen bevoegdheid had Vitesse te binden. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv is het aan Combigro om feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt dat sprake is van een aan Vitesse toe te rekenen schijn van volmachtverlening, waaraan Combigro immers het rechtsgevolg verbind dat Vitesse alsnog aan de rechtshandelingen van [manager Vitesse] is gebonden.

4.11.

De rechtbank is van oordeel dat Combigro onvoldoende heeft gesteld om aan te kunnen nemen dat zij er in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van mocht uitgaan dat [manager Vitesse] toereikende volmacht was verleend. Daarbij overweegt de rechtbank het volgende.

Van een professionele partij als Combigro mag in beginsel verwacht worden dat zij, als zij met een rechtspersoon een verbintenis aangaat die een substantiële waarde vertegenwoordigt, zoals een leveringsovereenkomst voor onbepaalde tijd die een omzet van € 120.000,00 per jaar genereert, zich er afdoende van vergewist dat de wederpartij wordt vertegenwoordigd door iemand die daartoe bevoegd is. Geen punt van geschil dat uit handelsregister volgde dat destijds behoudens volmachtverlening alleen [naam algemeen directeur Vitesse] vertegenwoordigingsbevoegd was. De door Combigro gestelde omstandigheid dat [manager Vitesse] voor contacten met Vitesse “haar aanspreekpunt” was, brengt niet zonder meer met zich dat [manager Vitesse] bevoegd was namens Vitesse verdergaande verplichtingen aan te gaan en daaruit kan ook niet zondermeer die schijn worden afgeleid. Combigro heeft daarbij niet omschreven wat de positie van “aanspreekpunt” precies inhield en waarom zij er van mocht uitgaan dat daarmee voldoende volmacht voor het aangaan van omvangrijke verplichtingen zoals hier aan de orde gepaard zou gaan. Voor zover al uit de functie van [manager Vitesse] van “commercieel manager” de gerechtvaardigde verwachting volgt dat hij namens Vitesse een businessclubcontract zou mogen sluiten, waarvan niet betwist is dat dit ziet op een verplichting met een relatief beperkte waarde van rond de € 4.100,00 exclusief btw per jaar, volgt daaruit nog niet dat hij ook verdergaande verplichtingen met betrekking tot een exclusief afnamecontract, met een jaar omzet van € 120.000,00 per jaar mocht aangaan. Dat geldt te meer indien daarbij een vergaande afspraak wordt gemaakt, zoals hier door Combigro gesteld, dat dat contract door Vitesse niet opzegbaar zou zijn, waarmee als het ware de eerder genoemde eeuwigdurige verplichting zou ontstaan. Daarbij is de stelling van Vitesse niet betwist dat de commercieel manager van Vitesse normaal geen bemoeienis heeft met afspraken met betrekking tot het afnemen van goederen. Daarbij komt ook nog dat Vitesse terecht aanvoert dat ook het businessclubcontract niet door [manager Vitesse] maar door [naam algemeen directeur Vitesse] is getekend, hetgeen voor Combigro een sterke aanwijzing zou moeten zijn dat [manager Vitesse] ook voor het tekenen van overeenkomst met relatief beperkte waarde al onvoldoende bevoegdheden had.

4.12.

Uit de omstandigheid dat Vitesse na het mailbericht van [naam bestuurder Combigro] van 7 januari 2013 en na de brief van de advocaat van Combigro van 8 februari 2013 foodproducten is blijven afnemen van Combigro, kan naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven omstandigheden evenmin het gerechtvaardigd vertrouwen volgen dat [manager Vitesse] bevoegd was Vitesse te binden. Daarbij dienen ook de overige correspondentie en contacten te worden betrokkenen. In dat verband merkt de rechtbank op dat in ieder geval gesteld noch gebleken is dat Vitesse de door de raadsman van Combigro in haar brief van 8 februari 2013 onder 6. verzochte bevestiging heeft gegeven dat zij zich de volgens Combigro door [manager Vitesse] namens Vitesse gemaakte afspraken zou respecteren en nakomen. Voorts kan ook uit de onder rov. 2.9. en 2.10 en verder aangehaalde brieven redelijkerwijs niet (de gerechtvaardigde verwachting) volgen dat Vitesse zich gebonden achtte aan de gestelde door [manager Vitesse] gemaakte afspraken, noch kunnen die berichten bij Combigro de verwachting rechtvaardigen dat [manager Vitesse] tot het binden van Vitesse bevoegd is geweest. In tegendeel, in de brief van 16 april 2013 wordt juist het verlangen geuit “de samenwerking duidelijk contractueel vast te leggen” waaruit volgt dat Vitesse er toen van uit ging dat er tot dan sprake is van een niet contractueel vastgelegde samenwerking. Een en ander nog in het midden gelaten of het juist is dat, zoals Vitesse aanvoert, Vitesse zich na de brief van 8 februari 2013 in een gesprek meteen jegens Combigro heeft beroepen op de onbevoegdheid van [manager Vitesse] . Ook in de latere correspondentie en contacten zoals aangehaald onder 2.12 en verder is steeds te lezen dat gepoogd wordt tot een overeenkomst te komen met betrekking tot de levering van foodproducten door Combigro, zonder dat uit een van die brieven valt te lezen dat, in ieder geval vanuit de zijde van Vitesse, de gestelde met [manager Vitesse] gemaakte afspraken daarbij als uitgangspunt zouden gelden. Enige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van [manager Vitesse] kan daaruit niet worden afgeleid.

In deze omstandigheden kan uit het feit dat Vitesse, al dan niet op basis van, (voor wat betreft horeca-foodproducten) exclusiviteit, zoals Combigro stelt en Vitesse betwist, producten is blijven afnemen van Combigro, redelijkerwijs niet de schijn volgen dat [manager Vitesse] bevoegd was en voor Vitesse bindende afspraken heeft gemaakt. Daarbij komt dat niet is betwist dat de verstandhouding tussen Combigro en Vitesse in principe goed was en dat ook al vóór het mailbericht van van 20 mei 2010 en ook al vóór het sluiten van het businessclubcontract door Vitesse bij Combigro foodproducten werden afgenomen. Dat deze handelspraktijk enkel zou kunnen plaatsvinden op basis van een raamcontract waarbij exclusiviteit en de door Combigro voorgestane koppeling met het businessclubcontract is overeengekomen of dat daaruit de gerechtvaardigde verwachting mag volgen dat [manager Vitesse] Vitesse in die zin rechtsgeldig heeft mogen binden kan dan zonder nadere onderbouwing, die niet is gegeven, niet worden aangenomen.

4.13.

Overigens heeft Combigro geen feiten en omstandigheden aangevoerd en niet onderbouwd op grond waarvan sprake is van aan Vitesse toe te rekenen schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van [manager Vitesse] . De conclusie is dan dat de stelling dat Combigro op grond van aan Vitesse toe te rekenen omstandigheden mocht aannemen dat [manager Vitesse] bevoegd is geweest Vitesse te binden, wordt verworpen. In de onder rov. 4.11 en 4.12. weergegeven omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin worden aangenomen dat Combigro ervan mocht uitgaan dat Vitesse de gestelde met [manager Vitesse] gemaakte afspraken heeft bekrachtigd. Een nadere onderbouwing van de gestelde schijn van bekrachtiging heeft Combigro niet gegeven.

4.14.

Het vorenstaande betekent dat Vitesse niet aan de gestelde met [manager Vitesse] gemaakte afspraken is gebonden, zodat daar reeds om die reden daarvan ook geen nakoming van kan worden gevorderd en er ook daarom reeds geen sprake van kan zijn dat Vitesse in de nakoming van die verplichtingen is tekortgeschoten. De inhoud van die afspraken doet daarom niet meer ter zake, zodat de onder rov. 4.5. aan de orde gestelde bewijslevering achterwege kan blijven.

4.15.

Voor zover Combigro nog stelt dat door het gedurende lange tijd structureel en op exclusieve basis afnemen door Vitesse van foodproducten bij Combigro ook los van de contacten met [manager Vitesse] tussen partijen een duurovereenkomst tot stand is gehouden die een afnameverplichting voor Vitesse inhield, geldt, wat er ook van die stelling zij, het volgende. In dat geval geldt, nu er in dat geval geen sprake van is dat een afspraak is gemaakt dat die overeenkomst niet opzegbaar zou zijn, dat die duurovereenkomst opzegbaar was. Vitesse heeft bij de in rov. 2.16. aangehaalde brief van 30 juni 2016 “voor zover er sprake is van een (duur)overeenkomst” opgezegd tegen 1 juli 2017. Door Combigro zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat die opzegtermijn van één jaar, in aanmerking genomen de aard en duur van de overeenkomst en de overige omstandigheden waaronder daaraan uitvoering is gegeven, niet aanvaardbaar is. Ook in dat geval is er dus geen sprake van een tekortkoming of een onrechtmatige beëindiging door Vitesse.

4.16.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van Combigro dienen te worden afgewezen.

4.17.

Combigro zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Vitesse worden begroot op:

- griffierecht 626,00

- salaris advocaat 1.086,00 (2,0 punten × tarief € 543,00)

Totaal € 1.712,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Combigro in de proceskosten, aan de zijde van Vitesse tot op heden begroot op € 1.712,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.P.E.E. van Groeningen en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2019.