Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:2378

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-05-2019
Datum publicatie
04-06-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 5053
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

BPM. Hoorplicht, griffierecht, heffingsmodaliteit, tussentijds tarief.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 06-06-2019
V-N Vandaag 2019/1325
FutD 2019-1529 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2019/1663
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RechtbanK gelderland

Team belastingrecht

zaaknummers: AWB 18/5053, 18/5054, 18/5056 en 18/5058 tot en met 18/5062

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

27 mei 2019

in de zaken tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Doetinchem, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De in één geschrift vervatte uitspraken van verweerder van 2 augustus 2018 waarbij de bezwaren van eiseres tegen de voldoeningen op aangifte van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) ongegrond zijn verklaard.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2019.

Namens eiseres is [A] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde en [B] . Namens verweerder zijn drs. [gemachtigde] en drs. [C] verschenen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen ten aanzien van de voertuigen 2 (zaak 18/5054), 3 (zaak 18/5056) en 6 (18/5060) gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar in zoverre;

  • -

    stelt de verschuldigde BPM voor voertuig 2 vast op € 1.659;

  • -

    stelt de verschuldigde BPM voor voertuig 3 vast op € 1.281;

  • -

    stelt de verschuldigde BPM voor voertuig 6 vast op € 5.885;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak tot zover in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    verklaart de overige beroepen ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door eiseres in beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.024;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 1.014 aan eiseres te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf vier weken na de dagtekening van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.

Overwegingen

1. Eiseres heeft in 2017 de navolgende zes gebruikte auto’s en twee gebruikte motorrijwielen geïmporteerd en geregistreerd in het kentekenregister:

  • -

    een Audi A1 (voertuig 1);

  • -

    een Mercedes M320 (voertuig 2);

  • -

    een Volvo XC90 (voertuig 3);

  • -

    een Harley Davidson Chopper (voertuig 4);

  • -

    een Saab 93 (voertuig 5);

  • -

    een Maybach 57 (voertuig 6);

  • -

    nog een Harley Davidson Chopper (voertuig 7);

  • -

    een Volkswagen Golf (voertuig 8).

2. Bij de aangiften voor de BPM heeft eiseres in alle gevallen een beroep gedaan op de op de afschrijvingstabel van artikel 8, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijtuigen (hierna: Uitvoeringsregeling). De door eiseres berekende en voldane BPM bedraagt respectievelijk € 1.290, € 1.848, € 1.396, € 890, € 425, € 5.961, € 389 en € 728.

3. Verweerder heeft de bezwaren van eiseres tegen de eigen aangiften ongegrond verklaard.

hoorplicht

4. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden.

5. Verweerder heeft onbetwist gesteld dat de bezwaren met betrekking tot de voertuigen zijn besproken tijdens een hoorgesprek op 10 juli 2018. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder de hoorplicht niet heeft geschonden.

griffierecht

6. Eiseres heeft met een verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de EU (hierna: HvJ) in de zaak Kantarev (HvJ 4 oktober 2018, ECLI:EU:C:2018:807) aangevoerd dat de hoogte van het griffierecht haar toegang tot de rechter bemoeilijkt. Dit wordt versterkt door het feit dat het griffierecht op straffe van niet-ontvankelijkverklaring op voorhand moet worden betaald. Hoewel er wellicht een formele ontheffingsmogelijkheid voor de betaling van het griffierecht bestaat, zijn de inkomens- en vermogensgrens zo laag gesteld dat er volgens eiseres geen reële mogelijkheid bestaat om ontheffing te krijgen. Ter zitting heeft eiseres daaraan toegevoegd dat zij meent dat de rechtbank niet meer dan 4% van de waarde van de vordering van eiseres zou mogen heffen als griffierecht.

7. Eiseres voert terecht aan dat de nationale wetgeving het inleiden van de onderhavige procedures afhankelijk stelt van de betaling van het griffierecht. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of dat recht - rekening houdend met de hoogte ervan - een al dan niet onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormt. Daarbij is mede van belang dat, anders dan in de zaak Kantarev, een ontheffingsmogelijkheid bestaat.

8. In het arrest Kantarev kan niet gelezen worden dat het griffierecht een proportioneel recht van ten hoogste 4% van de waarde van de vordering zou moeten zijn. Het HvJ heeft in de zaak Kantarev alleen geoordeeld dat een proportioneel recht van 4% van de waarde van het geschil een belangrijk obstakel zou kunnen vormen voor de toegang tot de rechter, gelet op het feit dat er geen ontheffingsmogelijkheid voor dat recht bestond. Daarbij is naar het oordeel van de rechtbank van belang dat als de vordering (de waarde van het geschil) heel hoog is, 4% een heel hoog bedrag kan worden, ook aanzienlijk meer dan het bedrag van € 338 dat eiseres in elk van deze zaken heeft betaald. Een verplichting om een percentage van de waarde van de vordering als maatstaf te hanteren kan hierin nu juist niet worden gelezen. Deze stelling van eiseres wordt daarom verworpen.

9. Met de heffing van het griffierecht in bestuursrechtelijke zaken heeft de wetgever onder meer beoogd dat rechtzoekenden aan de hand van de daaraan verbonden kosten een zorgvuldige afweging maken of het zin heeft een zaak aan de bestuursrechter voor te leggen (zie Kamerstukken II, 1984/85, 18 835, nr. 3, blz. 6, en Kamerstukken II, 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 125). Daarbij is de wetgever ervan uitgegaan dat heffing van griffierecht niet tot gevolg mag hebben dat aan bepaalde groepen rechtzoekenden in feite de toegang tot de bestuursrechter wordt ontnomen (Kamerstukken II, 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 125). Hieruit moet worden afgeleid dat de wetgever als uitgangspunt heeft genomen gevallen waarin de betrokkenen over de financiële middelen beschikken om het verschuldigde griffierecht te betalen, en dus in staat zijn de daaruit voortvloeiende last af te wegen tegen het nut van het voeren van een gerechtelijke procedure.

10. In het algemeen kan worden aangenomen dat met de regeling in het bestuursrecht over heffing van griffierecht, inclusief de daarbij behorende bedragen, rechtzoekenden de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen (zie Hoge Raad, 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:699).

11. Voor het geval dat door individuele omstandigheden een rechtzoekende niettemin niet, of uiterst moeilijk, in staat is het griffierecht te betalen, bestaat een ontheffingsmogelijkheid. Daarvan kan volgens vaste rechtspraak gebruik worden gemaakt als een rechtzoekende niet over voldoende inkomen en/of vermogen beschikt om het verschuldigde griffierecht te betalen. Dit is onder omstandigheden ook mogelijk als sprake is van een rechtspersoon. Hoewel eiseres stelt dat het in de praktijk onmogelijk is om ontheffing te verkrijgen, heeft zij niet gesteld dat zij beschikt over onvoldoende inkomen of vermogen om het verschuldigde griffierecht te betalen. Ook feitelijk is het griffierecht in de onderhavige procedures geen onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter gebleken. Het is immers betaald. De toegang tot de rechter is dus niet belemmerd.

heffingsmodaliteit

12. Eiseres heeft aangevoerd dat het vereiste dat voorafgaand aan de registratie de BPM moet worden betaald in strijd is met het Unierecht. Zij voert daartoe aan dat de BPM die nog rust op binnenlandse gebruikte voertuigen en die bij wijziging van de tenaamstelling van het kenteken vermeld wordt op de factuur, in veel gevallen door de koper pas na de wijziging van het kenteken wordt betaald aan de verkoper. Daarmee wordt de keuze van de koper beïnvloed in het voordeel van het voertuig dat zich al op de Nederlandse markt bevindt. Eiseres stelt dat sprake is van een maatregel van gelijke werking in de zin van artikel 110 VWEU. Met de huidige regeling wordt de keuze van de koper immers beïnvloed in het voordeel van het voertuig dat zich al op de Nederlandse markt bevindt. Het is een keuze van de fiscale wetgever om eerder te heffen dan het moment waarop de registratie is voltooid, zodat deze maatregel - anders dan deze rechtbank eerder heeft geoordeeld - volgens eiseres wel degelijk bij de fiscale beoordeling van het geschil hoort.

13. De rechtbank overweegt dat het feit dat registratie ná aangifte plaatsvindt niet primair voortvloeit uit de Wet BPM en dus als uitgangspunt niet bij de fiscale beoordeling hoort (vergelijk Rechtbank Gelderland 12 maart 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:1050). Als de BPM niet wordt betaald, wordt het kenteken voor het voertuig niet verstrekt. Een afwijzing van de verstrekking van het kenteken is niet een beslissing die vatbaar is voor beroep bij de belastingrechter. De rechtbank zal er veronderstellenderwijs van uitgaan dat eiseres het oog heeft op artikel 6, tweede lid, van de Wet BPM. Deze regeling is naar het oordeel van de rechtbank echter niet in strijd met het Unierecht. Daarbij is van belang dat er standaard (op basis van goedkeurend beleid in het Kaderbesluit BPM, nr. 2017/1135M) rekening wordt gehouden met een termijn van vijf werkdagen tussen de aangifte en registratie. De rechtbank acht het aannemelijk dat in het merendeel van de gevallen die termijn genoeg is om de registratie af te ronden. Voor zover dat in het individuele geval niet lukt, bestaat recht op leeftijdskorting. Weliswaar dient verweerder te waken dat te veel wordt geheven en dient verweerder dus in voorkomend geval deze leeftijdskorting toe te passen, maar dat staat er naar het oordeel van de rechtbank niet aan in de weg dat bepaald kan worden dat de belastingplichtige de informatie moet verstrekken die leidt tot de conclusie dat er te veel is geheven (vergelijk de arresten van de Hoge Raad van 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:847, en 21 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1695).

14. Eiseres stelt dat zij niet over de benodigde gegevens beschikt, omdat zij slechts als importeur/intermediair optreedt. De rechtbank acht dit niet van belang. Het is immers de kentekenhouder, die op grond van artikel 5 van de Wet BPM de belastingplichtige is. Dat eiseres een zelfstandig bezwaar- en beroepsrecht heeft, maakt dat niet anders. Degene die uiteindelijk de BPM verschuldigd is, is de kentekenhouder. Dit is bij uitstek de persoon die over de gegevens beschikt. Om die reden is er geen sprake van een schending van het Unierecht.

15. Voor zover eiseres heeft bedoeld te stellen dat zij rentenadeel heeft geleden als gevolg van de eerdere betaling overweegt de rechtbank als volgt. Uit artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen volgt dat een beroep tegen de voldoening op aangifte uitsluitend betrekking kan hebben op de hoogte van de materiële belastingschuld. Eventuele renteschade vindt niet zijn grondslag in de hoogte van de verschuldigde belasting maar in het moment van de betaling daarvan. Voor het gestelde rentenadeel dient eiseres zich dan ook tot de civiele rechter te wenden.

voertuig 2

16. Eiseres heeft onbetwist gesteld dat zij zich voor voertuig 2 kan beroepen op een gunstiger tussentijds tarief. Zij stelt dat dat leidt tot een vermindering van belasting van € 40. Bij de aangifte is eiseres uitgegaan van de BPM zoals die vanaf 1 juli 2006 gold (dat wil zeggen: 45,2% van de netto catalogusprijs vermeerderd met € 328 omdat het een dieselauto betreft, een toeslag van € 540 voor energielabel G en een vermindering van € 600 vanwege de aanwezigheid van een roetfilter). De bruto BPM bedraagt dan € 25.490. Eiseres heeft zich in de beroepsfase beroepen op het tarief voor 2009 zonder CO2-component (de datum van eerste toelating van de auto is 18 januari 2008). Dit leidt tot een tarief van 40,0% van de netto catalogusprijs vermeerderd met € 366, een toeslag van € 1.600 en een vermindering van € 600. De rechtbank komt daarmee uit op € 23.687. Dat is zelfs lager dan eiseres, maar de rechtbank dient de regelgeving ambtshalve toe te passen en treedt daarmee niet buiten de omvang van de rechtsstrijd. Eiseres heeft nu eenmaal een beroep op het tarief van 2009 gedaan. Het lijkt erop dat zij per abuis voor het roetfilter € 600 heeft bijgeteld in plaats van afgetrokken, omdat het verschil in uitkomst precies € 1.200 is.

17. Voertuig 2 is geregistreerd op 11 juli 2018. Het voertuig was toen 10 jaar en bijna 6 maanden oud. De vermindering op grond van de tabel bedroeg ten tijde van de registratie bedroeg 92% + 12 x 0,083% = 92,996%. Uitgaand van een bruto BPM van € 23.687 was eiseres € 1.659 verschuldigd. De rechtbank heeft de BPM tot dat bedrag verminderd. Dit beroep is daarmee gegrond.

voertuig 3

18. Ook voor voertuig 3 heeft eiseres zich beroepen op het tarief van 2009. Zij heeft de bruto BPM op basis van dat tarief met juistheid berekend op € 20.499. Ten tijde van de registratie was het voertuig 11 jaar en bijna 3 maanden oud. De vermindering op grond van de tabel bedraagt daarom 92% + 21 x 0,083% = 93,743%, door eiseres afgerond op 93,75%. Verweerder heeft daartegen geen verweer gevoerd. Dat betekent dat eiseres € 1.281 verschuldigd was. De rechtbank heeft de BPM tot dat bedrag verminderd. Ook dit beroep is dus gegrond.

voertuig 6

19. Eiseres stelt ten onrechte dat bij de aangifte van voertuig 6 gebruik is gemaakt van de koerslijst van [D] . Aan het verschil tussen btw- en margeauto’s komt de rechtbank daarom niet toe.

20. Verweerder heeft in het verweerschrift geconcludeerd dat eiseres recht heeft op € 76 extra leeftijdskorting voor voertuig 6. Hij stelt dat de verschuldigde BPM voor voertuig 6 kan worden vastgesteld op € 5.885. Eiseres heeft dit niet bestreden. De rechtbank ziet aanleiding verweerder hierin te volgen. Gelet hierop is ook dit beroep gegrond.

nevenverzoeken

21. Eiseres wenst een rentevergoeding vanwege het feit dat zij te veel BPM heeft betaald. Zij stelt dat voor de vergoeding van de rente moet worden aangesloten bij de marktrente, gelet op het arrest Eesti Pagar (HvJ 5 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:172). Er is ten aanzien van de voertuigen 2, 3 en 6 te veel betaald. Zij heeft geen andere schade gesteld dan rentenadeel. De rechtbank is van oordeel dat eiseres recht heeft op een adequate vergoeding van rente. Voor het rentenadeel is belastingrente een adequate vergoeding. Er bestaat geen recht op een vergoeding ter hoogte van de wettelijke handelsrente of marktrente. Het arrest waarnaar eiseres verwijst mist toepassing. Dat gaat over de situatie waarin de Staat onrechtmatige steun heeft verleend. De Staat dient, om de onrechtmatigheid ongedaan te maken, rente te vorderen van degene die de staatssteun heeft ontvangen die gelijk is aan de marktrente. Zou zij minder rente vorderen, dan zou de ontvanger van de staatssteun toch een voordeel hebben gehad. Die situatie is niet te vergelijken met de onderhavige. Er is geen enkele grondslag om de Staat te verplichten in een situatie als deze dan ook een marktconforme rente te vergoeden. Verweerder zal met inachtneming van de wettelijke bepalingen belastingrente dienen te vergoeden. Dit volgt echter al uit de wet, dus hoeft de rechtbank dat niet te bepalen.

22. Voor zover het beroep van eiseres ook moet worden begrepen als een beroep op het arrest Irimie (HvJ 18 april 2013, ECLI:EU:C:2013:250) geldt dat de wetgever hiervoor een regeling heeft getroffen in artikel 28c van de Invorderingswet. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de rechtbank niet bevoegd is daarover in een procedure tegen de inspecteur te oordelen (zie Hoge Raad 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:341, en Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1790). Deze grond kan in de onderhavige procedures dus tot niets leiden. De rechtbank ziet geen aanleiding hierover prejudiciële vragen te stellen.

23. Omdat de beroepen ten aanzien van de voertuigen 2, 3 en 6 gegrond zijn, dient verweerder het in die zaken betaalde griffierecht van € 1.014 aan eiseres te vergoeden. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 21 december 2018, (ECLI:NL:HR:2018:2358), dient verweerder over dit bedrag wettelijke rente te vergoeden als hij die vergoeding van griffierecht niet binnen vier weken na deze uitspraak betaalt. De rente gaat lopen vanaf vier weken na de dagtekening van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.

24. Verweerder stelt dat eiseres geen recht heeft op een proceskostenvergoeding. Eiseres verzoekt om vergoeding van de werkelijke kosten.

25. De rechtbank oordeelt dat eiseres geen recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Zij overweegt daartoe als volgt.

26. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken uitsluitend vergoed op haar verzoek voor zover de onjuiste voldoening van belasting te wijten is geweest aan een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Eiseres heeft het recht op extra leeftijdskorting en het beroep op het lager gelegen tussentijdstarief voor het eerst in beroep in stelling gebracht. Eiseres dan wel de kentekenhouder heeft het voor het grootste deel zelf in de hand hoeveel tijd verstrijkt tussen de aangifte en de registratie. Hierop heeft verweerder geen invloed. Toepassing van een lager tussentijds tarief is geen recht dat verweerder ambtshalve moet toetsen. Eiseres had daarop bij de aangifte een beroep kunnen doen. Daarom is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de onjuiste voldoening van belasting niet het gevolg is geweest aan een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid.

27. Voor de beroepsfase is de wettelijke grondslag voor een proceskostenvergoeding te vinden in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geldt dat, wanneer een belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, als regel de door hem in beroep gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Van deze regel mag worden afgeweken, indien de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeit uit de handelwijze van de belanghebbende. De enkele omstandigheid dat de noodzaak tot het instellen van beroep mede voortvloeide uit de handelwijze van de belanghebbende is daarvoor niet voldoende (zie onder meer Hoge Raad 12 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX0985). De gegrondverklaring van het beroep is niet uitsluitend aan de handelwijze van eiseres te wijten. Daarom ziet de rechtbank aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.024 (1 punt voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1 voor drie samenhangende zaken). De rechtbank ziet geen aanleiding voor het toekennen van een vergoeding van de werkelijke proceskosten, omdat geen sprake is van tegen beter weten in of zeer onzorgvuldig handelen door verweerder. Gelet op de sterke mate van verwevenheid van de gronden is de rechtbank van oordeel dat sprake is van samenhangende zaken, omdat de werkzaamheden van de gemachtigde in de drie zaken waarin het beroep gegrond is verklaard nagenoeg identiek konden zijn. Dit blijkt voor een belangrijk deel ook uit de inhoud van de aanvullende gronden.

28. De overige beroepen zijn ongegrond. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor proceskostenveroordelingen voor deze beroepen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, rechter, in aanwezigheid van mr. L.A.G. Ebben, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.