Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:2282

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-05-2019
Datum publicatie
28-05-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3589
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet OB. Medische vrijstelling psycholoog. Bezwaar tegen toekomstige tijdvakken leidt niet tot ambtshalve teruggaaf van de ten onrechte betaalde omzetbelasting voor zover het gaat om tijdvakken die onherroepelijk vaststonden op het moment dat de Hoge Raad besliste dat recht bestond op de vrijstelling (27 maart 2015). Art. 6:11 Awb. Niet-ontvankelijkheid van te vroeg en te laat bezwaar. Geen verschoonbare termijnoverschrijding. Eiseres was op de hoogte van de bezwaartermijn van zes weken per tijdvak. Zij verklaart tijdens de zitting dat zij niet wist dat ze elke maand opnieuw bezwaar moest maken terwijl het steeds over hetzelfde ging. Dit baat haar niet, omdat geen afstemming met verweerder heeft plaatsgevonden en verweerder ook geen vertrouwen heeft gewekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 29-05-2019
FutD 2019-1500
V-N Vandaag 2019/1305
V-N 2019/37.30.12
NTFR 2019/1478
NLF 2019/1387 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 18/3589 tot en met AWB 18/3597, AWB 18/3599 en AWB 18/3600.

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 24 mei 2019

in de zaken tussen

Maatschap [X] , te [Z] , eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Enschede, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen voldoeningen van omzetbelasting op aangifte. Schematisch laat een en ander zich als volgt weergeven:

Zaaknummer

Tijdvak

Aanslagnummer

Voldoening

Ontvangst bezwaar

AWB 18/3589

Maart 2013

[000] .B.01.3030

19-04-2013

31-03-2015

AWB 18/3590

April 2013

[000] .B.01.3040

07-05-2013

31-03-2015

AWB 18/3591

Mei 2013

[000] .B.01.3050

14-06-2013

31-03-2015

AWB 18/3592

Juni 2013

[000] .B.01.3060

25-07-2013

31-03-2015

AWB 18/3593

Juli 2013

[000] .B.01.3070

28-08-2013

31-03-2015

AWB 18/3594

Augustus 2013

[000] .B.01.3080

27-09-2013

31-03-2015

AWB 18/3595

September 2013

[000] .B.01.3090

23-10-2013

31-03-2015

AWB 18/3596

Oktober 2013

[000] .B.01.3010

25-11-2013

31-03-2015

AWB 18/3597

November 2013

[000] .B.01.3110

19-12-2013

31-03-2015

AWB 18/3599

December 2013

[000] .B.01.3120

23-01-2014

31-03-2015

AWB 18/3600

Januari 2014

t/m

December 2014

[000] .B.01.4500

17-02-2014

t/m

10-02-2015

31-03-2015

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 18 mei 2018 de bezwaren voor 1 maart 2013 tot en met 31 december 2013 en 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld bij brief van 20 juni 2018, ontvangen door de rechtbank Overijssel op 21 juni 2018 en na doorzending door de rechtbank op 25 juni 2018.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2019.

Namens eiseres zijn verschenen drs. [gemachtigde] en drs. [A] . Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] en mr. [B] .

Overwegingen

Feiten

1. [A] en [gemachtigde] zijn werkzaam als psycholoog en NVPA-therapeut. Zij zijn lid van Nederlands Verbond voor Psychologen, Psychotherapeuten en Agogen (NVPA) en van het overkoepelend orgaan Register Beroepsbeoefenaren Complementaire Zorg (RBCZ). Tezamen vormen zij een maatschap, die met ‘eiseres’ wordt aangeduid.

2. Vanaf 2009 is eiseres opgenomen in de administratie van de Belastingdienst als ondernemer voor de omzetbelasting. In 2010 en 2011 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de voldoening van omzetbelasting.

3. Tot 1 januari 2013 gold voor de dienstverlening van eiseres de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onder g, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB). Vanaf die datum is de vrijstelling gewijzigd en heeft de Belastingdienst het standpunt ingenomen dat onder meer de dienstverlening van eiseres niet meer onder de vrijstelling viel, zodat eiseres omzetbelasting in rekening moest gaan brengen en op aangifte voldoen. Na proefprocedures hierover in andere zaken is door de Hoge Raad in het arrest van 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:744, beslist dat de vrijstelling wel nog steeds van toepassing is.

4. In het bezwaarschrift van 27 maart 2013 inzake de aangifte van februari 2013 is het volgende vermeld:

“ (…) bezwaarschrift inzake de aangifte omzetbelasting met nummer: [000] .B.01.3020 en alle aangiften die volgen op de aangifte van februari 2013.

(…)

Hierbij maken wij bezwaar tegen de voldoening van omzetbelasting op de aangifte over de hierboven vermelde periode, alsmede alle daaropvolgende periodes.

Het bezwaar is gericht tegen de verschuldigdheid van omzetbelasting over onze werkzaamheden bestaande uit het verlenen van psychologische hulp en psychosociale therapie, waarvoor naar onze mening, op grond van Europese jurisprudentie een btw-vrijstelling geldt.

(…)”

5. In het digitale dossier van eiseres bij de Belastingdienst zit een brief van 20 september 2013 waarin verweerder aan eiseres de ontvangst bevestigt van het bezwaar tegen de voldoening van omzetbelasting op aangifte over februari 2013. In de ontvangstbevestiging staat onder meer het volgende:

“(…)

Aanhouden bezwaarschrift

Gezien het vorenstaande heb ik besloten uw bezwaarschrift voorlopig aan te houden totdat duidelijk is geworden of er een proefprocedure zal worden gevoerd en of u daarbij kunt aansluiten.

Hoe gaat het verder?

U zult via uw branchevereniging en/of de Belastingdienst binnen enkele maanden worden geïnformeerd of er proefprocedures zullen worden gevoerd en onder welke voorwaarden u daarop kunt meeliften. Als u kunt en wilt meeliften zal de behandeling van uw bezwaarschrift (onder voorwaarden) worden aangehouden. Als u niet kunt of wilt meeliften zal ik dan overgaan tot afdoening van uw bezwaarschrift.

(…)
Bezwaar tegen toekomstige tijdvakken

Zolang niet duidelijk is of er een proefprocedure zal worden gevoerd en of u daarbij kunt aansluiten, moet u voor ieder toekomstig tijdvak opnieuw een bezwaarschrift indienen. Pas in het geval u mee gaat liften met een (eventuele) proefprocedure of in het geval u besluit bij de rechtbank beroep aan te tekenen tegen de uitspraak die ik op uw bezwaar zal doen, kan ik een (dan definitief te formuleren) afspraak met u maken over de tijdvakken die verstrijken gedurende de beroepsprocedure.”

6. In een brief van 20 februari 2015 heeft verweerder eiseres gevraagd om nadere informatie voor de afdoening van het bezwaarschrift. Daarbij is opgemerkt dat een bezwaar tegen toekomstige tijdvakken niet mogelijk is en dat dit ook al vermeld is in de ontvangstbevestiging van 20 september 2013.

7. Eiseres heeft per e-mail van 31 maart 2015 gereageerd op de brief van 20 februari 2015. Daarbij heeft zij (alsnog) bezwaarschriften gevoegd voor de tijdvakken van 1 maart 2013 tot en met 31 december 2013 en 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014. Zij heeft niet opgemerkt dat zij de ontvangstbevestiging van 20 september 2013 niet had ontvangen.

Geschil

8. In geschil is of verweerder de bezwaren van eiseres voor de tijdvakken van 1 maart 2013 tot en met 31 december 2013 en 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

9. Eiseres stelt dat zij tijdig bezwaar heeft gemaakt. Zij heeft na het bezwaarschrift van 27 maart 2013 geen reactie van verweerder ontvangen dat het bezwaar niet van toepassing zou zijn op de periodes na februari 2013. Eiseres heeft aangenomen dat het bezwaar ook kon gelden voor alle aangiftes na februari 2013. Ter zitting heeft eiseres verklaard de ontvangstbevestiging van 20 september 2013 niet te hebben ontvangen. Verder heeft zij geen aanleiding gezien om de Belastingdienst te bellen of te schrijven en te informeren naar de stand van zaken. In 2015 heeft eiseres opnieuw bezwaar gemaakt.

10. Verweerder heeft zich voor de tijdvakken vanaf het tweede kwartaal 2013 tot en met december 2014 op het standpunt gesteld dat eiseres niet tijdig bezwaar heeft gemaakt. Ambtshalve is niet aan de bezwaren voor deze tijdvakken tegemoetgekomen omdat op 27 maart 2015 (de datum van de uitspraak van de Hoge Raad in de proefprocedure) de betreffende tijdvakken al onherroepelijk vaststonden.

Beoordeling van het geschil

11. Voor het maken van bezwaar tegen de voldoening op aangifte vangt de termijn om bezwaar te maken aan op de dag na de betaling. Vast staat dat op 27 maart 2013 nog geen voldoening op aangifte voor maart 2013 en volgende tijdvakken had plaatsgevonden. Het bezwaarschrift van 27 maart 2013 was dus in zoverre prematuur.

12. De vraag is of verweerder dat premature bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarvoor is het bepaalde in artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) relevant, in combinatie met het arrest van de Hoge Raad van 21 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BG5375. De uitspraak van de Hoge Raad komt erop neer dat het bezwaar alleen ontvankelijk is als het is ingediend op of na het moment waarop de aangifte is ingediend en/of de opdracht tot betaling van het bedrag waartegen bezwaar wordt gemaakt, is verstrekt. Die situatie doet zich hier niet voor. Dit betekent dat het bezwaar van 27 maart 2013 voor de latere tijdvakken dan februari 2013 terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

13. Voorts staat vast dat de bezwaarschriften van 31 maart 2015 te laat zijn ingediend, want ruim buiten de termijn van zes weken. Dit bezwaar is daarom in beginsel eveneens niet-ontvankelijk. Dit is alleen anders indien de termijnoverschrijding verschoonbaar is (artikel 6:11 van de Awb). De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding en licht dit oordeel hierna toe.

14. Aannemelijk is dat eiseres op de hoogte was van de bezwaartermijn van zes weken na de voldoening op aangifte. Eiseres heeft dat ter zitting zelf bevestigd. Ze heeft echter ook verklaard dat ze niet wist dat ze elke maand opnieuw bezwaar moest maken, terwijl het steeds om hetzelfde ging. Weliswaar staat dit uitgelegd in de ontvangstbevestiging van september 2013, maar eiseres heeft verklaard dat zij deze niet heeft ontvangen. De rechtbank laat in het midden of deze brief ontvangen is, omdat ook als dit niet zo is, er geen sprake is van verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Er is namelijk geen afstemming geweest met verweerder waarbij is afgesproken dat maandelijkse bezwaren achterwege konden blijven. Ook heeft verweerder op geen enkele manier vertrouwen gewekt dat dit niet meer hoefde. Verder is van belang dat eiseres sinds 2009 elke maand aangifte deed en in de toelichting bij die aangifte steeds stond vermeld dat zij bezwaar kon maken als zij het niet eens was met de aangifte. Dit betekent dat er redelijkerwijs vanuit moet worden gegaan dat eiseres op de hoogte was van de geldende regels voor het maken van bezwaar.

15. Hoewel de rechtbank er begrip voor heeft dat eiseres het als onrechtvaardig ervaart dat zij de omzetbelasting niet terugkrijgt terwijl zij deze niet had hoeven voldoen, kan de rechtbank eiseres niet tegemoetkomen omdat het systeem van de wet daarvoor geen ruimte laat. De staatssecretaris heeft besloten voor de oude tijdvakken de omzetbelasting niet ambtshalve terug te geven. De rechtbank kan die beslissing van de staatssecretaris niet toetsen, omdat daar geen beroep tegen open staat.

16. Gelet op het voorgaande dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

17. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.M.A. Arts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 24 mei 2019

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.