Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:2280

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
23-05-2019
Datum publicatie
23-05-2019
Zaaknummer
U19-2219
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

13b Opiumwet; burgemeester heeft woning in verband met overtreding van de Opiumwet kunnen sluiten; beleid van de burgemeester is niet onredelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/2219

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. V.P.J. Tuma),

en

de burgemeester van de gemeente Putten, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2019 heeft verweerder verzoeker gelast zijn woning aan de [adres] in [woonplaats] met ingang van één maand na dagtekening van het besluit voor de duur van drie maanden te sluiten en gesloten te houden.

Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 10 mei 2019 heeft verweerder de termijn waarop het besluit in werking treedt verlengd tot 27 mei 2019.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2019. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Vooren, juridisch controller, en J. van den Heuvel, juridisch medewerker.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. In een Hennepbericht van de politie van 21 maart 2019 is beschreven dat naar aanleiding van een lopend onderzoek naar de handel in (hard)drugs op 5 maart 2019 een doorzoeking in de woning van verzoeker heeft plaatsgevonden. Er bestond een vermoeden dat in de woning (hard)drugs aanwezig zou zijn en dat er vanuit de woning werd gedeald. Tijdens deze doorzoeking werden op de zolderverdieping van de woning twee kweektenten met in totaal 68 hennepplanten aangetroffen. In het Hennepbericht is tevens beschreven dat op basis van afgeluisterde telefoongesprekken en verklaringen van afnemers van verdovende middelen is gebleken dat vanaf het adres van verzoeker is gehandeld in drugs.

3. Op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet is verweerder bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

Bij de uitvoering van deze bevoegdheid maakt verweerder gebruik van de door hem vastgestelde “Beleidsregels Damocles”.

In artikel 4, tweede lid, van de beleidsregels is bepaald dat, indien in woningen, dan wel in, op of bij behorende erven drugshandel in softdrugs plaats vindt, een last onder dwangsom volgt om de overtreding te beëindigen en/of herhaling te voorkomen.

In het derde lid is bepaald dat, in afwijking van het tweede lid, bij constatering van drugshandel een sluiting van de woning en het bijbehorende erf van drie maanden plaats vindt wanneer:

  1. een hoeveelheid van meer dan 3 gram gedroogde paddo’s, 30 gram overige softdrugs, of 25 hennepplanten of meer is aangetroffen, of

  2. het aannemelijk is, of gebleken is, dat een opgelegde last onder dwangsom niet het gewenste effect heeft.

4. Aangezien in de woning meer dan 25 hennepplanten zijn aangetroffen, heeft verweerder besloten tot sluiting van de woning voor de duur van drie maanden.

5. In het bezwaarschrift bestrijdt verzoeker dat in of rond zijn woning sprake is geweest van drugshandel en dat ook geen sprake was een handelshoeveelheid.

De voorzieningenrechter overweegt dat onder ‘drugshandel’ in het beleid tevens wordt verstaan het ten behoeve van de verkoop aanwezig zijn van harddrugs of softdrugs. Bovendien is in artikel 3 van de beleidsregels bepaald dat bij de aanwezigheid van een hoeveelheid drugs, die groter is dan de hoeveelheid voor eigen gebruik, verweerder het in beginsel aannemelijk acht dat die drugs bestemd zijn voor drugshandel. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:738, is geoordeeld dat een dergelijk uitgangspunt van verweerder kan worden aanvaard.

In het beleid van verweerder is bepaald dat als een hoeveelheid voor eigen gebruik wordt gezien 5 hennepplanten of minder. Bij verzoeker zijn 68 hennepplanten aangetroffen. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat de drugs niet bestemd was voor verkoop. Verweerder heeft dus terecht aangenomen dat de drugs bestemd waren voor verkoop. Verweerder was dus bevoegd om tot sluiting over te gaan.

6. Verzoeker betoogt dat de sluiting van de woning een te zware maatregel is en dat bij een eerste overtreding eerst een waarschuwing gegeven moet worden. Alleen in ernstige gevallen mag direct tot een woningsluiting worden overgegaan, maar daarvan is volgens verzoeker geen sprake.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (o.a. uitspraak van 24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1362) is in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13, eerste lid, van de Opiumwet in algemene zin vermeld dat bij een eerste overtreding nog niet tot sluiting van een woning dient te worden overgegaan en dat dan moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel, maar moet dit worden beschouwd als een uitgangspunt waarvan in ernstige gevallen mag worden afgeweken. In de uitspraak van 6 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:719, heeft de Afdeling geoordeeld dat het aantreffen in een woning van een handelshoeveelheid drugs in redelijkheid als een ernstig geval kan worden gekwalificeerd.

Uit het beleid van verweerder volgt dat bij het aantreffen van een handelshoeveelheid drugs in een woning in beginsel wordt besloten tot sluiting. Nu het beleid van verweerder echter voldoende ruimte biedt om bij aanwezigheid van een of meer factoren alsnog te volstaan met een waarschuwing of in het geheel geen herstelsanctie op te leggen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder dit beleid in redelijkheid kan voeren. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:930.

De uitspraken waarnaar verzoeker in zijn bezwaarschrift verwijst zien op de situatie waarin verweerder is afgeweken van zijn beleid. Verweerder heeft in dit geval echter geheel conform artikel 4, derde lid, van de beleidsregels besloten tot sluiting van de woning voor de duur van drie maanden. De uitspraken waarnaar verzoeker verwijst zijn dus niet van overeenkomstige toepassing op deze zaak.

7. Verzoeker heeft aangevoerd dat, gelet op het tekstuele verschil tussen de leden 2 en 3 van artikel 4, lid 3 slechts van toepassing is indien daadwerkelijk drugshandel heeft plaatsgevonden, en dat het aannemen van drugshandel op grond van artikel 3 onvoldoende is voor toepassing van lid 3.

De voorzieningenrechter volgt dit niet. Ter zitting heeft verweerder terecht gewezen op de samenhang tussen artikel 1 onder f, artikel 3, lid 1 en artikel 4, leden 2 en 3. Gelet hierop wordt met “constatering van drugshandel” in artikel 4 lid 3 niet meer bedoeld dan dat is voldaan aan de omschrijving in artikel 3, lid 1.

De voorzieningenrechter merkt nog op dat het verschil tussen de leden 2 en 3 van artikel 4 is gelegen in de hoeveelheid aangetroffen drugs. Bij een hoeveelheid hennepplanten van meer dan 5 en minder dan 25 kan lid 2 worden toegepast, bij meer dan 25 planten lid 3.

8. Verzoeker betoogt voorts dat hij door de woningsluiting onevenredig zwaar worden getroffen. Verzoeker is ZZP’er en door het besluit komt de bedrijfsvoering van zijn onderneming stil te liggen. Verzoeker beschikt bovendien niet over de financiële middelen om de vaste lasten van twee woningen te bekostigen gedurende een periode van drie maanden.

Ter zitting is gebleken dat de sluiting van de woning niet de schuur betreft en dat verzoeker die kan blijven gebruiken voor zijn onderneming. Ter zitting is door verzoeker gesteld dat het gebruik van de woning nodig is voor de onderneming in verband met de administratie en het lezen van bouwtekeningen. Nog daargelaten dat dit ter zitting naar voren gebrachte standpunt niet is onderbouwd, is niet aannemelijk geworden dat het nadeel voor verzoeker zodanig is dat om die reden afgezien zou moeten worden van sluiting van de woning. Ook het betoog over de financiële gevolgen voor verzoeker is niet met stukken onderbouwd en dus niet aannemelijk gemaakt. Daarom is de voorzieningenrechter van oordeel dat de aangevoerde omstandigheden niet maken dat het handelen overeenkomstig het beleid van verweerder gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met dat beleid te dienen doelen.

9. Gelet op het voorgaande, ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het besluit niet in stand zal kunnen blijven. Er bestaat daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat dan ook geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. C.A. Murray, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.