Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:2218

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
21-05-2019
Zaaknummer
7343977 CV EXPL 18-4996
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bemiddelingskosten 7:427 BW en 7:264 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Apeldoorn

Zaakgegevens: 7343977 CV EXPL 18-4996

Grosse aan: eisende partij

Afschrift aan: gedaagde partij

Verzonden d.d.

vonnis d.d. 27 februari 2019 van de kantonrechter

in de zaak van

[naam eiser],

wonende te Assen,

eisende partij,

gemachtigde: mr. H.W. Meijer,

tegen

[naam gedaagde],

wonende te Apeldoorn,

gedaagde partij,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna ook [naam eiser] en [naam gedaagde] genoemd.

1 Het procesverloop

Dit blijkt uit:

- de op 2 november 2018 uitgebrachte dagvaarding;

- de conclusies van antwoord, re- en dupliek.

Hierna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

[naam eiser] heeft via de website van [naam gedaagde] een (zelfstandige) huurwoning gevonden, waarna zij contact heeft opgenomen met [naam gedaagde]. [naam gedaagde] heeft vervolgens een bezichtiging verzorgd.

2.2

Bij factuur van 28 mei 2013 heeft [naam gedaagde] aan [naam eiser] de huur over de maand juni 2013, de waarborgsom en een bedrag van € 598,95 aan bemiddelingskosten in rekening gebracht.

Op de factuur is vermeld dat de huur, de borg en een deel van de bemiddelingskosten voor het in ontvangst nemen van de sleutels van het gehuurde moet worden betaald.

[naam eiser] heeft het factuurbedrag (in termijnen) betaald.

2.3

De huurovereenkomst is schriftelijk vastgelegd en op 29 mei 2013 door [naam eiser] getekend.

In de overeenkomst is onder meer opgenomen dat de “algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte”, te raadplegen op www.roz.nl, van toepassing zijn. In de overeenkomst is onder 4.6 vermeld dat bij te late betaling van de huur een bedrag in rekening zal worden gebracht overeenkomstig artikel 20.6 van deze bepalingen. Verder zijn er onder 11 bijzondere bepalingen opgenomen. Hierin is onder meer vermeld dat het de huurder tijdens periodes van afwezigheid niet is toegestaan om het gehuurde over te dragen aan derden en dat de waarborgsom niet rentedragend is.

2.4

In een op 16 december 2018 opgemaakte schriftelijke verklaring van de verhuurder is onder meer vermeld:

“- Dat (…) [naam gedaagde], (…) mij in 2013 heeft benaderd met de vraag of ik de woonruimte (…) nog beschikbaar had (…).

- (…)

- Dat ik nimmer opdracht heb gegeven aan (…) [naam gedaagde], de woonruimte (…) namens en voor mij te verhuren.

- (…)

- Dat mevrouw [naam eiser] altijd met mij zelf een huurovereenkomst had kunnen sluiten zonder tussenkomst van De Verhuurmakelaar Apeldoorn, immers mijn gegevens waren bij haar bekend.”

2.5

Bij brief van 13 november 2017 is [naam gedaagde] gesommeerd het bedrag van € 598,95 binnen zeven dagen te voldoen.

3 De vordering en het verweer

3.1

[naam eiser] vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

[naam gedaagde] zal worden veroordeeld om aan haar te betalen

- het bedrag van € 598,95 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 augustus 2013 dan wel vanaf 21 november 2017 dan wel vanaf de dag der dagvaarding tot en met de dag der algehele voldoening;

- het bedrag van € 89,84 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de verzuimdatum tot en met de dag der algehele voldoening;

- de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf zeven dagen na de datum van het vonnis.

3.2

Zij legt aan haar vordering, bezien tegen de achtergrond van de feiten en voor zover thans van belang, het volgende ten grondslag.

Tussen partijen is een bemiddelingsovereenkomst tot stand gekomen.

[naam gedaagde] handelde ook in opdracht van de verhuurder. Dit blijkt uit de omstandigheden dat de woning op zijn website werd aangeboden, dat [naam gedaagde] aan [naam eiser] de mogelijkheid heeft geboden de woning te bezichtigen en dat [naam gedaagde] voor de verhuurder de huur en de borgsom heeft geïnd. Er is dus sprake van dubbele lastgeving als bedoeld in de artikelen 7:417 BW juncto

7:427 BW en hiermee is sprake van een onredelijk voordeel in de zin van het bepaalde in artikel 7:264 lid 2 BW. Van een onredelijk voordeel is bovendien sprake omdat de werkzaamheden die [naam gedaagde] heeft verricht niet in verhouding staan tot de voor [naam eiser] door [naam gedaagde] verrichte werkzaamheden.

Het beding tot betaling van de bemiddelingskosten is daarom nietig. De door [naam eiser] voldane bemiddelingskosten zijn dus onverschuldigd betaald en zij heeft recht op teruggave hiervan.

3.3

[naam gedaagde] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering.

Op de inhoud van het verweer zal hieronder waar nodig nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1

[naam eiser] heeft gesteld dat tussen partijen een bemiddelingsovereenkomst is gesloten. [naam gedaagde] heeft dit niet betwist, zodat dit vaststaat. Vast staat voorts dat [naam eiser] een consument is en dat de door haar gehuurde woning zelfstandige woonruimte betreft. Hieruit volgt dat artikel 7:417 lid 4 BW van toepassing is op de bemiddelingsovereenkomst via de schakelbepaling van artikel 7:427 BW.

[naam gedaagde] heeft echter betwist dat hij, zoals [naam eiser] heeft gesteld, ook voor de verhuurder is opgetreden in verband met het sluiten van de huurovereenkomst. Dit verweer zal worden verworpen, waartoe het volgende wordt overwogen.

4.2

Vast staat dat [naam gedaagde] de bezichtiging heeft verzorgd. [naam gedaagde] heeft hierna de huurovereenkomst opgesteld, de eerste maand huur en de waarborgsom op zijn rekening laten overmaken en, naar mag worden aangenomen, aan de verhuurder doorbetaald. Dergelijke werkzaamheden liggen gewoonlijk in het domein van de verhuurder. [naam gedaagde] heeft op dit punt aangevoerd, dat het innen van de eerste maand huur en de waarborgsom een dienst is die besloten ligt in het karakter en de werkzaamheden als aanhuurmakelaar. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is dit echter niet begrijpelijk. Verder heeft [naam gedaagde] betoogd dat hij gebruik maakte van door hem zelf ontwikkelde huurovereenkomsten zodat eventuele nadelige bepalingen voor de huurder werden voorkomen. Ook deze stelling is, gelet op de inhoud van de huurovereenkomst, niet te volgen. In de huurovereenkomst zijn, blijkens de verwijzing naar de website www.roz.nl, de ROZ-bepalingen 2003 van toepassing verklaard. Verder is daarin opgenomen dat de huurder bij niet tijdige betaling een bedrag als genoemd in artikel 20.6 van die bepalingen verschuldigd is, hetgeen neerkomt op een boete van

€ 25,00 per dag. Dit handelen van [naam gedaagde] kan bezwaarlijk worden opgevat als het voorkomen van nadelige bepalingen voor de huurder zoals door hem betoogd. Verder is ook hetgeen onder de bijzondere bepalingen is opgenomen zoals hiervoor weergegeven, op geen enkele manier als zodanig te verstaan en het wijst bovendien op een actieve inmenging van de verhuurder.

Ten slotte staat vast dat [naam eiser] de sleutels van het gehuurde pas kreeg als onder meer de huur en de borg waren betaald. Ook dit dient redelijkerwijs alleen het belang van de verhuurder.

4.3

De kantonrechter is van oordeel dat uit al deze omstandigheden tezamen moet worden afgeleid dat [naam gedaagde] ook een bemiddelingsovereenkomst met de verhuurder heeft gesloten, op grond waarvan hij in diens opdracht de voornoemde werkzaamheden heeft verricht. De verklaring van de verhuurder inhoudend dat hij nooit opdracht heeft gegeven aan [naam gedaagde] de woning te verhuren is, gelet op voormelde omstandigheden onvoldoende onderbouwd en kan aan dit oordeel niet afdoen. Evenmin is dan nog relevant of [naam eiser] al dan niet zelf, zonder tussenkomst van [naam gedaagde], met de verhuurder had kunnen contracteren.

4.4

Reeds uit de omstandigheid dat de situatie van artikel 7:427 BW zich heeft voorgedaan, volgt dat sprake is van het bedingen van een niet redelijk voordeel als bedoeld in artikel 7:264 BW. Het beding is daarom van rechtswege nietig. Hetgeen [naam gedaagde] overigens nog heeft aangevoerd, kan dit niet anders maken. Dit betekent dat [naam eiser] de bemiddelingskosten onverschuldigd heeft betaald en dat [naam gedaagde] het bedrag dus moet terugbetalen. De daartoe strekkende vordering zal daarom worden toegewezen.

4.5

De verplichting tot terugbetaling is ontstaan op het moment dat [naam eiser] heeft betaald. De wettelijke rente is eerst verschuldigd vanaf het moment dat [naam gedaagde] in verzuim verkeerde. [naam gedaagde] is niet eerder dan bij brief van 13 november 2017 tegen 21 november 2017 in gebreke gesteld, zodat de wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf die datum zoals subsidiair gevorderd, tot (en niet zoals gevorderd: “tot en met”) de dag van voldoening.

4.6

Omdat in elk geval één incassohandeling is verricht, zijn ook de conform het tarief van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten gevorderde buitengerechtelijke kosten toewijsbaar. Hierover zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding, omdat niet is gesteld dat het verzuim eerder is ingetreden.

4.7

[naam gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1

veroordeelt [naam gedaagde] aan [naam eiser] te betalen

- het bedrag van € 598,95, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 november 2017 tot de dag der algehele voldoening;

- het bedrag van € 89,84 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 november 2018 tot de dag der algehele voldoening;

5.2

veroordeelt [naam gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van [naam eiser] tot aan deze uitspraak gevallen, welke kosten worden vastgesteld als volgt:

€ 107,26 aan explootkosten;

€ 226,00 aan griffierecht;

€ 240,00 aan salaris gemachtigde,

te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf zeven dagen na heden;

5.3

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.C.J.I.M. van Dorp en - bij vervroeging - uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 februari 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.

Cc: IvD