Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:2186

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-05-2019
Datum publicatie
11-06-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 4830
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De vraag of de in artikel 1a:11, vierde lid, van de Wajong 2015 opgenomen hardheidsclausule de mogelijkheid biedt om een Wajong-uitkering toe te kennen met ingang van een eerdere datum dan de aanvraagdatum is door de rechtbank ontkennend beantwoord. Artikel 1a:11, vierde lid, van de Wajong 2015 verwijst expliciet naar het eerste lid van artikel 1a:11 van de Wajong 2015. De rechtbank ziet geen ruimte om het vierde lid zo te lezen dat hiermee ook kan worden afgeweken van het tweede lid, dat gaat over de ingangsdatum van de Wajong-uitkering. Voor de conclusie dat de wetgever de zinsnede over het te laat doen van een aanvraag (ook) bewust in Memorie van Toelichting ten aanzien van de Wet Wajong 2015 heeft opgenomen en bedoeld heeft verweerder de bevoegdheid te geven om een Wajong-uitkering eerder in te laten gaan dan de aanvraagdatum, bestaan geen aanknopingspunten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 18/4830

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2019

in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Heijsteeg),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser niet in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten 2015 (Wajong 2015).

Bij besluit van 23 juli 2018 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.

Na schriftelijke vragen van de rechtbank heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft naar aanleiding van het verweerschrift op 19 december 2018 een telefonische inlichtingencomparitie gehouden. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt.

Bij besluit van 31 januari 2019 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Verweerder heeft het bestreden besluit I ingetrokken, het primaire besluit herroepen en aan eiser met ingang van 19 december 2017 een Wajong-uitkering toegekend.

Eiser heeft het beroep gehandhaafd. De rechtbank heeft nadere schriftelijke vragen aan verweerder gesteld. Na reactie van verweerder daarop is eiser door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om een nader standpunt in te nemen.

De rechtbank heeft partijen gevraagd of zij op een zitting willen worden gehoord. Geen van de partijen heeft de rechtbank laten weten dat zij op een zitting wil worden gehoord. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek op een zitting achterwege kan blijven. Het onderzoek is vervolgens gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder in beroep met het bestreden besluit II het bestreden besluit I heeft vervangen. De rechtbank overweegt dat het bestreden besluit II niet geheel tegemoet komt aan het beroep tegen het bestreden besluit I en dat het beroep daarom ingevolge artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht mede is gericht tegen de nieuwe beslissing op bezwaar. Nu gesteld noch gebleken is dat eiser nog procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit I, dient het beroep tegen dat besluit niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser, geboren op [geboortedatum] 1997 en woonachtig in [het buitenland] , heeft op 15 november 2017 een aanvraag beoordeling arbeidsvermogen gedaan. Deze aanvraag is op 19 december 2017 door verweerder ontvangen.

3. Bij het bestreden besluit II is aan eiser een Wajong-uitkering toegekend. Volgens verweerder is het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam en is behandeling in [het buitenland] medisch noodzakelijk. Aangezien het recht op uitkering ontstaat op de dag waarop de Wajong-aanvraag is ingediend, heeft verweerder de Wajong-uitkering toegekend met ingang van 19 december 2017, de datum waarop de aanvraag door verweerder is ontvangen.

4. Eiser betoogt dat er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die aanleiding moeten geven om de Wajong-uitkering toe te kennen vanaf het eerste moment dat hij hierop recht had, te weten zijn achttiende verjaardag (11 september 2015). De in artikel 1a:11, vierde lid, van de Wajong 2015 opgenomen hardheidsclausule biedt hiertoe de mogelijkheid, aldus eiser.

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het, gelet op het bepaalde in artikel 1a:11, tweede lid, van de Wajong 2015, niet mogelijk is om de Wajong-uitkering eerder in te laten gaan dan 19 december 2017. De mogelijkheid om op grond van een bijzonder geval een uitkering toe te kennen met ingang van een eerdere datum is sinds 1 januari 2010 niet meer opgenomen in de Wajong 2010 en/of de Wajong 2015. Artikel 1a:11, vierde lid, van de Wajong 2015, waar eiser naar verwijst, speelt enkel een rol in die gevallen waarin de betrokkene géén aanvraag heeft ingediend en dat is hier niet het geval. Aan de in de Memorie van Toelichting bij het bepaalde in het huidige artikel 1a:11 van de Wajong 2015 opgenomen zinsnede dat verweerder op grond van het vierde lid bevoegd is om ambtshalve het recht op een Wajong-uitkering vast te stellen in situaties waarin het (…) te laat doen van een aanvraag tot kennelijke hardheid zou leiden, moet geen waarde worden gehecht. Ter onderbouwing hiervan wijst verweerder op de gelijkenissen, maar ook een belangrijk verschil tussen (de toelichting op) artikel 1a:11 van de Wajong 2015 en artikel 64 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

6.1.

De rechtbank stelt vast dat het geschil op dit moment alleen nog gaat over de ingangsdatum van de aan eiser toegekende Wajong-uitkering. Meer in het bijzonder verschillen partijen van mening over het antwoord op de vraag of het mogelijk is om de Wajong-uitkering eerder in te laten gaan dan de aanvraagdatum. Die vraag zal de rechtbank dan ook beantwoorden.

6.2.

Artikel 1a:11, eerste lid, van de Wajong 2015 bepaalt dat verweerder op aanvraag vaststelt of er recht op een Wajong-uitkering op grond van de Wajong 2015 bestaat.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het recht op een Wajong-uitkering op grond van de Wajong 2015 ontstaat op de dag waarop de aanvraag werd ingediend, met dien verstande dat dit recht niet eerder kan ontstaan dan de dag waarop de betrokkene achttien jaar wordt.

Het vierde lid van dit artikel bepaalt dat indien de toepassing van het eerste lid zou leiden tot kennelijke hardheid, verweerder bevoegd is het recht op een Wajong-uitkering ambtshalve toe te kennen.

6.3.

In de Memorie van Toelichting (TK 2011-2012, 33 161, nr. 3, p. 96) is bij het bepaalde in het huidige artikel 1a:11 van de Wajong 2015 het volgende opgenomen:

“In dit artikel is geregeld dat het UWV op aanvraag vaststelt of recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat. Dit betekent dat zowel voor het voor de eerste maal ontstaan van recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering als voor het herleven van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering een aanvraag nodig is.

In het tweede lid is geregeld dat het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering niet met terugwerkende kracht kan worden vastgesteld over perioden gelegen voor de dag waarop het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering werd aangevraagd. Indien het UWV vaststelt dat recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat, dan ontstaat dit dus niet eerder dan op de dag dat het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering werd aangevraagd.

Het UWV is op grond van het vierde lid echter wel bevoegd om ambtshalve het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering vast te stellen. Van deze bevoegdheid kan gebruik gemaakt worden in situaties waarin het niet of te laat doen van een aanvraag tot kennelijke hardheid zou leiden, bijvoorbeeld omdat de jonggehandicapte niet in staat was een aanvraag in te dienen. Uiteraard ontstaat het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering niet eerder dan op de dag waarop aan alle voorwaarden voor het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt voldaan: de ingezetene kan worden aangemerkt als jonggehandicapte en op hem is geen uitsluitingsgrond van toepassing. Indien het UWV op aanvraag vaststelt dat geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat of herleeft, dan is voor het later ontstaan over herleven van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering een nieuwe aanvraag nodig.”

6.4.

In de Memorie van Toelichting (TK 2004-2005, 30 034, nr. 3, p. 197) op het (thans) tiende lid van artikel 64 van de wet WIA staat ook opgenomen dat verweerder bevoegd is ambtshalve een uitkering toe te kennen als toepassing van het eerste lid tot kennelijke hardheid zou leiden en dat daarbij gedacht kan worden aan situaties dat het niet of niet tijdig aanvragen van een uitkering het gevolg is van een ziekte waaraan betrokkene lijdt. Het is volgens deze toelichting niet de bedoeling dat dergelijke personen niet in aanmerking zouden kunnen komen voor een uitkering. Artikel 64, eerste lid, in samenhang met het tiende lid van de Wet WIA is exact gelijk aan artikel 1a:11, eerste lid, in samenhang met het vierde lid van de Wajong 2015. Een bepaling, zoals in artikel 64, derde lid, van de Wet WIA, inhoudende dat de verzekerde zijn aanvraag moet doen binnen een bepaalde termijn ontbreekt echter in artikel 1a:11 van de Wajong 2015.

6.5.

De vraag of de in artikel 1a:11, vierde lid, van de Wajong 2015 opgenomen hardheidsclausule de mogelijkheid biedt om een Wajong-uitkering toe te kennen met ingang van een eerdere datum dan de aanvraagdatum beantwoordt de rechtbank ontkennend. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Artikel 1a:11, vierde lid, van de Wajong 2015 verwijst expliciet naar het eerste lid van artikel 1a:11 van de Wajong 2015. De rechtbank leidt hieruit af dat het vierde lid betrekking heeft op een afwijking van het uitgangspunt dat een Wajong-uitkering op aanvraag wordt ingediend. Daarmee is aan verweerder de bevoegdheid gegeven om bij wijze van uitzondering ook ambtshalve, bij gebreke aan een aanvraag, een Wajong-uitkering toe te kennen. De rechtbank ziet geen ruimte om in het vierde lid zo te lezen dat hiermee ook kan worden afgeweken van het tweede lid, dat gaat over de ingangsdatum van de Wajong-uitkering. Het feit dat in de Memorie van Toelichting ook staat dat verweerder ambtshalve het recht op uitkering kan vaststellen in situaties waarin het te laat doen van een aanvraag tot kennelijke hardheid zou leiden, leidt niet tot een ander oordeel. In artikel 1a:11 van de Wajong 2015 is immers nergens vastgelegd binnen welke termijn de betrokkene de aanvraag moet indienen. Er is enkel bepaald dat verweerder op aanvraag vaststelt of er recht op een Wajong-uitkering op grond van de Wajong 2015 bestaat. Van ‘het te laat doen’ van een aanvraag kan – anders dan bij een aanvraag op grond van de Wet WIA – dus geen sprake zijn. Voor de conclusie dat de wetgever de zinsnede over het te laat doen van een aanvraag (ook) bewust in Memorie van Toelichting ten aanzien van de Wet Wajong 2015 heeft opgenomen en bedoeld heeft verweerder de bevoegdheid te geven om een Wajong-uitkering eerder in te laten gaan dan de aanvraagdatum, bestaan geen aanknopingspunten.

6.6.

Gelet op vorenstaande onder 6.2 tot en met 6.5 is de rechtbank van oordeel dat de wet verweerder geen ruimte biedt om in dit geval de Wajong-uitkering toe te kennen met ingang van een eerdere datum dan de aanvraagdatum van 19 december 2017.

7. Het beroep tegen het bestreden besluit II is ongegrond.

8. Er bestaat gelet op rechtsoverweging 1 aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het beroepschrift, 0,5 punt voor de inlichtingencomparitie en 0,5 punt voor de schriftelijke repliek met een wegingsfactor 1). Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken. Verder dient verweerder het griffierecht aan eiser te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.024,-;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C.E. Marechal, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.B. Wichman, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 20 mei 2019

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.