Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:2086

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-04-2019
Datum publicatie
15-05-2019
Zaaknummer
05/881229-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De meervoudige kamer in de rechtbank Gelderland heeft een 38-jarige vrouw veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en daarnaast een taakstraf voor de duur van 180 uur onvoorwaardelijk ter zake van verduistering.

De vrouw en haar echtgenoot hebben tussen 2009 en 2015 de financiën van de oma van de vrouw in beheer gehad. In die periode hebben zij misbruik gemaakt van hun toegang tot de bankrekening van de oma door haar geld voor hen zelf te gebruiken. Het op die wijze verkregen voordeel voor beiden wordt geschat op € 40.000. De oma is inmiddels overleden. In een afzonderlijk vonnis is de vrouw veroordeeld tot het betalen aan de Staat, ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, van de helft van dat bedrag, dus € 20.000. Haar echtgenoot is door de militaire kamer veroordeeld tot betaling van de andere helft.

De meervoudige kamer rekent het de vrouw vooral aan dat er nog niets is terugbetaald van het verduisterde geld. Ook rekent de rechtbank het de vrouw zwaar aan te zijn doorgegaan met het plunderen van de bankrekening van de oma, nadat zij en haar man in mei 2013 al door de familie werden geconfronteerd met vanaf 2009 verdwenen geld. Uiteindelijk liepen door deze verduisteringen, die de rechtbank aanmerkt als een vorm van ouderenuitbuiting, de schulden van de oma zo hoog op dat zij uit haar woning dreigde te worden gezet. De rechtbank trekt dan ook de conclusie dat de vrouw en haar medeverdachte geen mededogen met hun oma hadden en zij louter uit financieel winstbejag bezig zijn geweest om boven hun stand te kunnen leven. De opgelegde straf is fors gematigd vanwege het lange tijdsverloop.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/881229-15

Datum uitspraak : 29 april 2019

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

raadsvrouw: mr. J.M. Poortinga, advocaat te Putten.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 april 2019 en 15 april 2019.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 mei 2013 tot en met 29 december 2014 te Lunteren en/of Ede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk een hoeveelheid geld, een totaalbedrag van ruim 40.000 euro, in elk geval een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geld/goed verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) anders dan door misdrijf, te weten als beheerder van de administratie en/of beheerder van de financiën, onder zich had(den), (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

1a. De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Ten behoeve van de leesbaarheid zal de rechtbank [verdachte] (verdachte) hierna in dit vonnis aanduiden als [verdachte] en [medeverdachte 1] als [medeverdachte 1] . Voorts zal de militaire kamer de schrijfwijze van de familienamen aanhouden overeenkomstig de dagvaarding, waarbij nog wordt opgemerkt dat de naam [slachtoffer] vermoedelijk ten gevolge van een verschrijving is gespeld als “ [slachtoffer] ”.

De rechtbank zal ingevolge artikel 348 Wetboek van Strafvordering eerst ingaan op de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Uit het bepaalde in artikel 324 van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr) volgt dat artikel 316 Sr van toepassing is op het ten laste gelegde feit, te weten verduistering, strafbaar gesteld in artikel 321 Sr. In het tweede lid van artikel 316 Sr is, voor zover hier van belang, bepaald dat indien het feit is gepleegd door een bloedverwant in de rechte linie, de vervolging van de verdachte alleen plaats heeft op een tegen hem/haar gerichte klacht van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd. [verdachte] is bloedverwant in de rechte linie van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), zodat een tegen [verdachte] gerichte klacht is vereist.

Met inachtneming van het voorgaande stelt de rechtbank het navolgende vast.

Bij beschikking van 7 november 2014 heeft de rechtbank Gelderland een bewind ingesteld over de goederen die (zullen) toebehoren aan [slachtoffer] . Bij beschikking van 29 december 2014 heeft de kantonrechter in de rechtbank Gelderland bepaald dat de beschikking van 7 november 2014 in het Centraal Curatele- en Bewindregister wordt ingeschreven. Vanaf 29 december 2014 is [naam 1] de bewindvoerder van [slachtoffer] . [naam 1] heeft op 6 mei 2015, nadat hij eerst de administratie van [slachtoffer] op orde had gebracht, aangifte gedaan van verduistering, gepleegd door [medeverdachte 1] en [verdachte] . Op 21 december 2015 heeft [naam 1] een klacht, als bedoeld in artikel 316 Sr, ingediend.

Artikel 66, eerste lid, Sr bepaalt dat de klacht kan worden ingediend gedurende drie maanden na de dag waarop de tot klacht bevoegde gerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit. De rechtbank stelt vast dat deze termijn van drie maanden op 21 december 2015 ruim was overschreden. Bovendien was [naam 1] op 21 december 2015 niet langer bevoegd om een klacht in te dienen, omdat [slachtoffer] op 12 november 2015 was overleden (artikel 1:449, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek).

Desalniettemin is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is. Daartoe is redengevend dat uit de aangifte van [naam 1] , die wel is gedaan binnen de termijn van drie maanden na kennisneming van het/de gepleegde feit(en), volgt dat hij aanvankelijk heeft geprobeerd om met [medeverdachte 1] en [verdachte] tot een oplossing te komen en dat hij, toen dit niet bleek te slagen, op 6 mei 2015 aangifte heeft gedaan. Verdachte heeft deze gang van zaken niet betwist. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat met deze aangifte door de bewindvoerder het instellen van een vervolging uitdrukkelijk beoogd werd. Het bestaan van een klacht als bedoeld in artikel 316, tweede lid, Sr. wordt dan ook aangenomen.

[verdachte] heeft nog gesteld dat [slachtoffer] tegen [verdachte] heeft gezegd dat zij geen vervolging zou willen. Die stelling is echter op geen enkele wijze onderbouwd. De rechtbank hecht aan deze stelling, mede gelet op het grote financiële nadeel voor [slachtoffer] , geen geloof.

De rechtbank acht de officier van justitie dan ook wel ontvankelijk.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op tijdstippen in de periode van 1 mei 2013 tot en met 29 december 2014 heeft verdachte [verdachte] in diverse plaatsen in Nederland, meermalen een hoeveelheid geld, toebehorende aan [slachtoffer] , welk geld zij anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als beheerder van de administratie en van de financiën van [slachtoffer] , telkens zich wederrechtelijk toegeëigend.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van verduistering.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 1] en dat [verdachte] daarom van ‘medeplegen’ moet worden vrijgesproken.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van verduistering en overweegt hiertoe als volgt.

Periode vanaf februari 2009 tot mei 2013

Vanaf februari 2009 hebben [medeverdachte 1] en [verdachte] het beheer van de bankrekening van [slachtoffer] overgenomen. In overleg met de familie is besloten dat zij betalingen zouden verrichten ten behoeve van [slachtoffer] en wekelijks contant leefgeld aan [slachtoffer] zouden geven.3 [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben de wijze waarop de financiën van [slachtoffer] beheerd zouden worden vastgelegd in een door [medeverdachte 1] opgestelde brief d.d. 9 februari 2009, gericht aan de overige familieleden. In die brief hebben zij duidelijk aangegeven gezamenlijk de administratie en financiële zaken van [slachtoffer] te beheren.4 De bankrekening van [slachtoffer] is op de naam van [medeverdachte 1] en van [slachtoffer] gezet. [medeverdachte 1] had derhalve de beschikkingsmacht over deze ‘en/of-rekening’. [medeverdachte 1] heeft als getuige ter terechtzitting verklaard na verloop van tijd, ergens in 2010, deze beschikkingsmacht feitelijk, maar niet formeel te hebben overgedragen aan [verdachte] . De rechtbank begrijpt dat deze feitelijke overdracht erin bestond dat [verdachte] van [medeverdachte 1] de beschikking kreeg over de bankpas en de bijbehorende pincode, evenals de inloggegevens voor internetbankieren. De bankrekening van [slachtoffer] bleef echter (mede) op naam van [medeverdachte 1] staan en met [slachtoffer] en/of de familie werden geen andere afspraken gemaakt dan dat [verdachte] en [medeverdachte 1] , zoals beschreven in voornoemde brief d.d. 9 februari 2009, gezamenlijk het beheer over de rekening zouden voeren. De rechtbank betrekt hierbij dat [medeverdachte 1] op dat moment ervan op de hoogte was dat [verdachte] eerder veroordeeld was wegens onder meer het plegen van verduistering en dat zij moeite had om met geld om te gaan.5

Al vanaf februari 2009 zijn diverse (soms grotere) contante geldbedragen opgenomen van de bankrekening van [slachtoffer] en transacties verricht welke niet voor het levensonderhoud van [slachtoffer] bestemd waren, maar voor het gezamenlijke levensonderhoud van [medeverdachte 1] en [verdachte] .6 De rechtbank ziet hiervoor bevestiging in de bankafschriften van de rekening van [slachtoffer] dat met de bankpas betaald is bij onder meer benzinestations, supermarkten en restaurants.7

In het bijzonder wijst de rechtbank op de overboeking op 23 april 2009 van een geldbedrag van € 2.800 van de bankrekening van [slachtoffer] naar de persoonlijke bankrekening van [medeverdachte 1] .8 [medeverdachte 1] hield op dat moment nog zicht op de bankrekening van [slachtoffer] en had het feitelijke beheer nog niet overgedragen aan [verdachte] .9

De rechtbank heeft op grond van het vorenstaande de overtuiging dat al vanaf het begin van de overname van het beheer van de bankrekening van [slachtoffer] , in februari 2009, door zowel [medeverdachte 1] als [verdachte] misbruik werd gemaakt van dit beheer ten behoeve van hun gezamenlijk levensonderhoud, en dat [medeverdachte 1] ook wist van de gedragingen van [verdachte] .

Periode vanaf 1 mei 2013 tot 29 december 2014

Vanaf medio mei 2013 ontstond ongerustheid bij de familie over de financiële situatie van [slachtoffer] . In mei en juni 2013 hebben vervolgens gesprekken plaatsgevonden tussen de familie, [medeverdachte 1] en [verdachte] over het beheer door [medeverdachte 1] en [verdachte] van de financiën van [slachtoffer] .10

Ter terechtzitting heeft [verdachte] verklaard dat [medeverdachte 1] , nadat hij was geconfronteerd door de familie met het misbruik van de bankrekening van [slachtoffer] , zich is gaan bezighouden met de bankrekening van [slachtoffer] en dat hij vanaf mei 2013 van alle aankopen, die met het geld van [slachtoffer] zijn gedaan, afwist.11 Dit wordt ondersteund door een verklaring van [verdachte] ten overstaan van de Marechaussee dat alles wat er met de rekening van [slachtoffer] is gedaan na mei 2013, door hen samen is gedaan.12 Ook concludeert de rechtbank dat [medeverdachte 1] het verduisteren, en dus het onrechtmatig toe-eigenen van de aan [slachtoffer] toebehorende gelden, toeliet, omdat hij vond dat ze als gezin moesten blijven leven zoals het hoorde en dat ze wel leuke dingen moesten blijven doen.13 Verder heeft [verdachte] verklaard dat [medeverdachte 1] , nadat in mei 2013 was uitgekomen dat zij “van oma’s rekening had gestolen”, de bankpas van [slachtoffer] in beheer had en dat [medeverdachte 1] vanaf dat moment alles controleerde wat [verdachte] op financieel gebied deed. Maar als ze geld (de rechtbank begrijpt: privé) tekort kwamen, dan gaf [medeverdachte 1] [verdachte] de pinpas van oma om iets te gaan kopen.14

Uit de bankafschriften blijkt dat het geld van de bankrekening van [slachtoffer] in de ten laste gelegde periode onder meer is uitgegeven aan boodschappen, benzine en contante geldopnamen.15 Nu niet aannemelijk is geworden dat deze uitgaven ten goede van [slachtoffer] zijn gekomen, trekt de rechtbank hieruit de conclusie dat deze uitgegeven/gepinde geldbedragen zijn gebruikt voor het levensonderhoud van [medeverdachte 1] en [verdachte] . Hierbij overweegt de rechtbank nog dat [verdachte] slechts kon beschikken over een klein eigen inkomen16 en dat [medeverdachte 1] en [verdachte] (en hun dochter) voornamelijk leefden van het inkomen van [medeverdachte 1] , hetgeen betekent dat elke uitgave, door één van hen gedaan ten koste van [slachtoffer] , een besparing op hun eigen gezamenlijke uitgaven opleverde.

Dat [medeverdachte 1] geen wetenschap zou hebben gehad van de vanaf mei 2013 tot 29 december 2014 verrichte transacties en geldopnamen vanaf de rekening van [slachtoffer] , zoals door de verdediging aangevoerd, acht de rechtbank, gelet op het voorgaande, volstrekt ongeloof- waardig.

Conclusies

De rechtbank trekt uit het voorgaande de conclusie dat [medeverdachte 1] in beide hierboven genoemde periodes een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de verduistering van de geldbedragen van [slachtoffer] . De rechtbank is ervan overtuigd dat [medeverdachte 1] niet alleen weet had van de verrichte transacties en geldopnames van de bankrekening van [slachtoffer] , die immers op zijn naam stond, maar ook dat hij - zowel in de beginperiode vanaf februari 2009 en vervolgens in de periode mei-juni 2013 - zelf transacties ten eigen behoeve heeft verricht, alsmede dat hij de transacties van [verdachte] heeft toegelaten en hiervan heeft (mee)geprofiteerd. Dit leidt tot de conclusie dat sprake is van medeplegen.

Opzet

Uit het voorgaande concludeert de rechtbank bovendien dat verdachte [verdachte] daarbij opzettelijk heeft gehandeld.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hieronder weergegeven en in dier voege dat de rechtbank in de bewezenverklaring zal verduidelijken dat met “administratie” en “financiën” telkens wordt gedoeld op de administratie respectievelijk financiën van [slachtoffer] . Aldus acht de rechtbank bewezen dat:

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 mei 2013 tot en met 29 december 2014 te Lunteren en/of Ede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk een hoeveelheid geld, een totaalbedrag van ruim 40.000 euro, in elk geval een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geld/goed verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) anders dan door misdrijf, te weten als beheerder van de administratie en/of beheerder van de financiën van die [slachtoffer] , onder zich had(den), (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van verduistering, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie meent dat sprake is van ouderenuitbuiting en heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uur subsidiair 50 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een taakstraf een juiste strafmodaliteit is. Verdachte heeft thans een baan die zij niet wil verliezen. Wel verzoekt de verdediging een deel van de gevorderde taakstraf voorwaardelijk op te leggen om daaraan de door de reclassering voorgestelde voorwaarden te koppelen, alsmede om te garanderen dat het behandeltraject dat thans gevolgd wordt ook kan worden afgerond.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 21 februari 2019;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland d.d. 13 november 2018.

De rechtbank overweegt omtrent de strafmaat in het bijzonder als volgt.

Op enig moment in de maand februari 2009 hebben [medeverdachte 1] en [verdachte] het financieel beheer op zich genomen van de bankrekening van de oma van [verdachte] , mevrouw [slachtoffer] . Beiden zouden zorgdragen voor het betalen van rekeningen, het afgeven van contant leefgeld aan [slachtoffer] en alle overige uitgaven doen, die noodzakelijk waren ten behoeve van het levensonderhoud van [slachtoffer] . De verantwoordelijkheid die [medeverdachte 1] en [verdachte] op zich hebben genomen hield mede in dat zij ervoor zouden zorgen dat [slachtoffer] geen schulden zou opbouwen en, mede gelet op haar vergevorderde leeftijd, dat zij onbezorgd van haar oude dag kon genieten. [medeverdachte 1] en [verdachte] kregen het vertrouwen van de familie om het financieel beheer op zich te nemen.

In weerwil van het hen gegunde vertrouwen is vrijwel vanaf het moment dat het financieel beheer werd overgenomen door [medeverdachte 1] en [verdachte] , min of meer structureel misbruik gemaakt van dat vertrouwen. In totaal zijn vanaf februari 2009 ten koste van mevrouw [slachtoffer] vele duizenden euro’s verduisterd.

Nadat [medeverdachte 1] en [verdachte] in mei 2013 door de familie geconfronteerd waren met hun wanbeheer, hebben zij aan de familie beterschap beloofd en hebben zij beloofd de situatie te herstellen. Desondanks zijn beiden echter op dezelfde doortrapte wijze doorgegaan met het plunderen van de bankrekening van [slachtoffer] ten gunste van henzelf. De schulden die daardoor ontstonden voor [slachtoffer] , die zich van een en ander niet bewust was, liepen zo hoog op dat op enig moment een uithuisplaatsing van mevrouw [slachtoffer] dreigde, omdat inmiddels ook een grote huurschuld was opgebouwd.

Op grond van het vorenstaande en uit de structurele wijze waarop de bankrekening van mevrouw [slachtoffer] is misbruikt, trekt de rechtbank de conclusie dat verdachte [verdachte] en haar medeverdachte [medeverdachte 1] geen mededogen met mevrouw [slachtoffer] hadden en dat zij louter uit financieel winstbejag bezig zijn geweest, mogelijk om boven hun stand te kunnen leven.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat met recht gesproken kan worden van ouderenuitbuiting.

De rechtbank rekent het [verdachte] en [medeverdachte 1] zwaar aan dat tot op de dag van vandaag, ondanks de in 2013 gedane toezeggingen richting de familie, nog niets is terugbetaald.

Voorts rekent de rechtbank het [verdachte] zwaar aan dat zij blijft ontkennen dat [medeverdachte 1] enige wetenschap had van de door haar gepleegde verduisteringen om zo [medeverdachte 1] buiten schot te houden. De rechtbank houdt er ernstig rekening mee dat [verdachte] deze keuze maakt vanuit de gedachte dat op haar geen financieel verhaal mogelijk is, maar op [medeverdachte 1] wel.

[verdachte] heeft ter zitting verklaard weet te hebben van, wat zij noemt, haar geldzucht en dat zij niet met geld kan omgaan. Uit het omtrent [verdachte] opgemaakte reclasseringsrapport kan blijken dat zij gedragsproblematiek heeft waarvoor zij thans onder behandeling is bij [naam 2] . De rechtbank is van oordeel dat het goed is dat verdachte haar mogelijke problematiek onderkent. Anderzijds is de rechtbank van oordeel dat verdachte [verdachte] dit al veel eerder had moeten beseffen en al jaren geleden maatregelen had moeten nemen. [verdachte] werd in mei 2013 keihard met de neus op de feiten gedrukt toen ontdekt werd dat zij al sinds 2009 misbruik had gemaakt van de bankrekening van haar oma. Een beter moment om de mogelijke problematiek aan te pakken en hulp te gaan zoeken was er niet.

In plaats van hulp te zoeken, is [verdachte] echter samen met [medeverdachte 1] na mei 2013 nog ruim 1 jaar en 8 maanden doorgegaan met het plunderen van de bankrekening van haar oma.

Het is dat de kantonrechter op 29 december 2014 een bewindvoerder heeft aangesteld voor mevrouw [slachtoffer] , die vervolgens zijn werk goed heeft uitgevoerd en het wanbeheer aan het licht bracht. Anders zouden de bewezen verklaarde verduisteringen mogelijk nog langer zijn doorgegaan en zelfs onbestraft zijn gebleven.

Pas vijf jaar nadat [verdachte] in mei 2013 geconfronteerd werd met het misbruik dat zij van haar oma heeft gemaakt, heeft zij daadwerkelijk stappen gezet om hulp te zoeken. De rechtbank realiseert zich dat deze stappen goed kunnen zijn ingegeven door de hoop dat zij daarmee een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ontloopt.

Het had [verdachte] gesierd indien zij direct in mei 2013 hulp had gezocht, waardoor mogelijk ook het plunderen van de rekening van haar oma zou zijn gestopt en waardoor haar oma een hoge schuldenlast en een dreigende huisuitzetting zouden zijn bespaard.

Verder weegt de rechtbank mee dat [verdachte] al eerder wegens verduistering is veroordeeld. Zij was dus een gewaarschuwd mens.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de straf, zoals door de officier van justitie geëist, geen recht doet aan de ernst van de feiten en dat voor dergelijke feiten in beginsel geen andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is.

Evenwel, de omstandigheden dat sprake is van oude feiten, dat de redelijke termijn is overschreden en dat verdachte niet eerder is veroordeeld, maken dat de rechtbank zal volstaan met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een forse taakstraf, als vergelding, maar ook als signaal naar de samenleving noodzakelijk is.

Anders dan de reclassering heeft geadviseerd, ziet de rechtbank geen reden aan de voorwaarde-lijk op te leggen gevangenisstraf bijzondere voorwaarden te koppelen. De rechtbank gaat ervan uit dat van de voorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf voldoende dreigende werking zal uitgaan voor verdachte om herhaling te voorkomen en dus vrijwillig door te gaan met haar reeds ingezette behandeling bij [naam 2] .

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 47, 57 en 321 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven;

 bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

 bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald, te weten:

o dat de veroordeelde zich niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 een taakstraf gedurende 180 (honderdtachtig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen;

 beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht bij de uitvoering van die straf 4 (vier) uren in mindering zal worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Quak, voorzitter, mr. Y. van Wezel en mr. W.W. Monteiro, rechters, in tegenwoordigheid van S.A. van Hout en R. van Dijk, griffiers en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 april 2019.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door een verbalisant van de Koninklijke Marechaussee, District Noord-Oost, Brigade Veluwe afdeling Recherche, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer [nummer] , gesloten op 7 juni 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Een proces-verbaal van aangifte d.d. 6 mei 2015, inhoudende de verklaring van [naam 1] (pag. 34-36); de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 8 april 2019;

3 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 8 april 2019;

4 Een schriftelijk bescheid, te weten een brief d.d. 9 februari 2009 (pag. 255 e.v.);

5 De verklaring van [medeverdachte 1] , als getuige, ter terechtzitting d.d. 8 april 2019;

6 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 8 april 2019;

7 Schriftelijke bescheiden, te weten overzichten van afschrijvingen van de bankrekening van mw. [slachtoffer] (pag. 409 t/m 420);

8 Een schriftelijk bescheid, overzicht bankafschriften gevoegd achter een proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] d.d. 22 september 2017 (aanvullend proces-verbaal);

9 Een proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 22 september 2017 (aanvullend proces-verbaal);

10 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 8 april 2019;

11 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 8 april 2019, alsmede proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , pag. 352;

12 Een proces-verbaal van verhoor van [verdachte] , d.d. 1 oktober 2015 (pag. 354);

13 Een proces-verbaal van verhoor van [verdachte] d.d. 1 oktober 2015 (pag. 354, 3e alinea van onderen);

14 Een proces-verbaal van verhoor van [verdachte] , d.d. 1 oktober 2015 (pag. 352);

15 Een schriftelijk bescheid, overzicht bankafschriften gevoegd achter een proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] d.d. 22 september 2017 (aanvullend proces-verbaal);

16 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 8 april 2019, alsmede proces-verbaal van verhoor [verdachte] d.d. 30 september 2015, pag. 344, 1e alinea.