Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:2083

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-05-2019
Datum publicatie
17-05-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 261
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de omzetbelasting 1968. Een melkveebedrijf ontvangt van een waterschap vergoedingen voor het aanleggen van natuurvriendelijke oevers op eigen grond. De aanlegvergoedingen zijn naar het oordeel van de rechtbank geen vergoedingen voor prestaties van eiseres jegens het waterschap. Er is geen sprake van verbruik door het waterschap als bedoeld in de arresten van het Hof van Justitie Mohr en Landboden. De omzetbelasting die in verband met de aanleg van de oevers aan eiseres in rekening is gebracht, komt voor aftrek in aanmerking omdat sprake is van rechtstreekse en onmiddellijke samenhang met de belaste handelingen van eiseres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 20-05-2019
V-N Vandaag 2019/1215
FutD 2019-1436
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 18/261

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 15 mei 2019

in de zaak tussen

[X] V.O.F., te [Z] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] RB),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Hoofddorp, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak vierde kwartaal 2015 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 1.638. Tevens is bij beschikking € 95 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 1 december 2017 de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 10 januari 2018, ontvangen door de rechtbank op 11 januari 2018, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2019. Namens eiseres zijn verschenen drs. [A] RB en de gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] en mr. [B] . De zaak is ter zitting gelijktijdig behandeld met de zaak AWB 18/259. Deze laatste zaak is ter zitting ingetrokken.

Verweerder heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres exploiteert sinds 2013 een melkveebedrijf in de vorm van een vennootschap onder firma. De vennoten in 2015 waren de heer [C] en mevrouw [D] . Eiseres oefent haar bedrijf uit op een aantal percelen weiland waarvan de oevers grenzen aan watergangen van Waternet (een gemeenschappelijke organisatie van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht, hierna: AGV, en de gemeente Amsterdam) . Vóór 2015 heeft eiseres betonnen veeroosters aan de oevers bevestigd om afkalving van de oevers te voorkomen.

2. Bij brief van 24 juni 2015 heeft Waternet aan eiseres te kennen gegeven dat zij aanspraak kan maken op een eenmalige aanlegvergoeding van € 47.174 voor de aanleg van natuur- en boervriendelijke oevers. De vergoeding was mogelijk op grond van de ‘Stimuleringsregeling Natuurvriendelijke Oevers’ van AGV. In de inleiding van de Uitvoeringsbepalingen POP project ‘Aanleg natuur- en boervriendelijke oevers Groot Wilnis –Vinkeveen’ is het volgende vermeld:

“(…)Waternet heeft als een van de taken de chemische en ecologische kwaliteit van watergangen en plassen te laten verbeteren. Dit kan het echter niet alleen. Daarom heeft Waternet de samenwerking met agrariërs gezocht.(…)”

3. Door het insturen van een antwoordkaart kon eiseres in aanmerking komen voor een voorschot van € 37.739 (80% van de geraamde kosten). Eiseres heeft deze antwoordkaart op 24 juli 2015 ondertekend. Voorwaarde voor het ontvangen van de eenmalige vergoeding was dat de werkzaamheden vóór 31 oktober 2015 waren afgerond.

4. Eiseres heeft het voorschot van € 37.739 in het derde kwartaal van 2015 ontvangen. De werkzaamheden zijn door eiseres vóór 31 oktober 2015, in het vierde kwartaal van 2015, afgerond. De totale aanlegvergoeding bedroeg uiteindelijk € 53.333,70. Het resterende bedrag van de aanlegvergoeding ad € 16.150 heeft eiseres in februari 2016 ontvangen.

5. Eiseres heeft over het vierde kwartaal van 2015 een aangifte omzetbelasting ingediend die resulteerde in een terug te ontvangen bedrag aan omzetbelasting van € 19.713. Deze teruggaaf is onder voorbehoud van correctie bij later onderzoek verleend met dagtekening 26 februari 2016.

6. Verweerder heeft met dagtekening 29 mei 2017 een naheffingsaanslag opgelegd over het restant van de (onder 2. genoemde, aanvankelijk vastgestelde) aanlegvergoeding van Waternet van € 47.174, te weten € 9.435. De naheffing bedraagt (€ 9.435 x 21/121%=) € 1.638.

Geschil

7. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil :

  • -

    of verweerder de aanlegvergoeding terecht in de heffing heeft betrokken;

  • -

    of de omzetbelasting die de loonwerker in verband met de aanleg van de oevers in rekening heeft gebracht voor aftrek in aanmerking komt.

Beoordeling van het geschil

Vooraf

8. Tussen partijen is niet in geschil dat indien omzetbelasting verschuldigd is, de omzetbelasting over de (resterende) aanlegvergoeding van € 16.150 in het vierde kwartaal van 2015 verschuldigd is geworden, omdat de werkzaamheden in dit kwartaal zijn afgerond. De rechtbank zal hierbij aansluiten, omdat dit uitgangspunt geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

Aanlegvergoeding

9. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanlegvergoeding niet onderworpen is aan de heffing van omzetbelasting omdat zij door de deelname aan het project geen prestatie onder bezwarende titel is overeengekomen met Waternet. Indien wel sprake zou zijn van een prestatie onder bezwarende titel, is de aanleg ook ten eigen behoeve gedaan en is Waternet geen individuele gebruiker omdat de aanleg haar geen voordeel heeft opgeleverd. Waternet heeft als publiekrechtelijke organisatie het algemeen belang gediend. De vooroever is niet aangelegd op grond van een overeenkomst. De aanleg is ook niet afdwingbaar geweest. Eiseres heeft verwezen naar de arresten Mohr (Hof van Justitie EU 29 februari 1996, ECLI:EU:C:1996:72) en Landboden (Hof van Justitie 18 december 1997, ECLI:EU:C:1997:627) en naar arresten van de Hoge Raad van 26 april 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AD3908), van 20 februari 2009 (ECLI:NL:HR:2009:AU9529) en van 14 juli 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1332, Natuurmonumenten).

10. Volgens verweerder heeft eiseres een overeenkomst gesloten met Waternet. Verweerder heeft gesteld dat de vergoeding voor de aanlegkosten van de oevers die eiseres heeft ontvangen rechtstreeks verband houdt met de reële waarde van de prestatie. Het algemene belang van een goed beheer van de waterproblematiek door AGV staat niet in de weg aan verbruik van de prestatie door Waternet. Waternet is gebaat bij de aanleg van de natuur- en boervriendelijke oevers door eiseres en verbruikt hiermee de prestatie. Dat de grond waarop eiseres haar werkzaamheden aan de oevers uitvoert haar eigendom is, doet hier niets aan af volgens verweerder.

11. De rechtbank overweegt als volgt. Of sprake is van een overeenkomst acht de rechtbank niet doorslaggevend voor de beoordeling, zodat dit punt in het midden kan blijven. Vaststaat dat geen sprake is van een prijssubsidie, dat wil zeggen een subsidie die rechtstreeks verband houdt met leveringen van goederen of het verrichten van diensten van eiseres jegens derden. Vervolgens moet worden beoordeeld of sprake is van verbruik als bedoeld in de hiervoor genoemde arresten Mohr en Landboden van het Hof van Justitie (punt 9. van deze uitspraak). Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval. Er is geen sprake van een verbintenis die Waternet of AGV een voordeel oplevert waardoor zij als verbruikers van een dienst kunnen worden aangemerkt. Evenmin is gesteld of gebleken dat sprake is van een voordeel dat als bestanddeel van de kosten van de activiteit van een andere deelnemer aan het economisch verkeer kan worden beschouwd. Waternet wil niet als eigenaar of verbruiker aanleg van de natuur- en boervriendelijke oevers maar zij wil dit alleen in het kader van het algemeen belang. De voorschriften die Waternet heeft gesteld zijn ook niet ten bate van Waternet zelf maar deze zijn gesteld om het algemeen belang, namelijk het verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watergangen en plassen, optimaal te dienen. Het onderhoud van de oevers en het voorkomen van afkalving van de oevers is een taak die op eiseres zelf rust. Eiseres neemt geen taak van Waternet en/of AGV over en verricht ook geen werkzaamheden op de grond of in de watergangen van Waternet of AGV. In zoverre is sprake van een andere situatie dan in het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 14 juli 2017. In dat geval verrichtte de agrarisch ondernemer wel werkzaamheden op grond in eigendom toebehorend aan de subsidieverstrekker, te weten Natuurmonumenten. De omstandigheid dat een klein deel van het werk plaatsvindt in het water van Waternet leidt niet tot een ander oordeel. Gelet op het voorgaande is geen sprake van een dienst in de zin van artikel 4 van de Wet OB en is de vergoeding niet belast.

Aftrek voorbelasting loonwerker/ te veel geclaimde aftrek in het vierde kwartaal 2015

12. Verweerder heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat, als de rechtbank tot de conclusie komt dat geen sprake is van een economische prestatie, de voorbelasting die is toe te rekenen aan de aanleg van de oevers niet voor aftrek in aanmerking komt. Bovendien blijkt volgens verweerder uit het grootboek dat eiseres in het vierde kwartaal 2015 € 972,81 te veel voorbelasting in aftrek heeft gebracht.

13. Eiseres heeft gesteld dat bij de aanleg van de oeverbescherming geen sprake is geweest van door haar verrichte handelingen voor derden. Zij heeft gewerkt op haar eigen grond. Zij heeft rekening gehouden met de wensen van het algemeen belang en zij heeft een bijdrage gekregen voor een deel van de kosten. De gronden van eiseres worden volledig gebruikt voor belaste handelingen. Eiseres heeft de stelling van verweerder dat zij in het vierde kwartaal 2015 te veel voorbelasting in aftrek heeft gebracht niet weersproken.

14. Naar het oordeel van de rechtbank komt de voorbelasting die toerekenbaar is aan de aanleg van de oevers volledig voor aftrek in aanmerking. Er is sprake van rechtstreeks en onmiddellijke samenhang met de belaste handelingen van eiseres. Het gaat hier namelijk om bescherming van de landbouwgronden tegen afkalving. De landbouwgronden worden gebruikt voor belaste handelingen. De bescherming tegen afkalving betreft dus kosten die toerekenbaar zijn aan die belaste handelingen. De kosten van het voorkomen van afkalving van de percelen behoren, voor zover zij de aanlegvergoeding overschrijden, tot de kosten van de onderneming van eiseres en zullen in zoverre worden doorberekend in de belaste leveringen van eiseres. Ten aanzien van het aanleggen van de oevers is geen sprake van zelfstandige handelingen van eiseres, maar van handelingen die uitsluitend worden verricht om de belaste handelingen zo goed mogelijk te kunnen verrichten (vergelijk Hoge Raad 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5405 en Hof van Justitie 22 oktober 2015, ECLI:EU:C:2015:712, Sveda). De aan eiseres ter zake van de aanleg van de oevers in rekening gebrachte omzetbelasting komt volledig voor aftrek in aanmerking.

15. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat eiseres in het vierde kwartaal 2015 € 972,81 te veel omzetbelasting in aftrek heeft gebracht. In zoverre is de naheffingsaanslag terecht opgelegd. De naheffingsaanslag moet dus verminderd worden tot € 972.

16. Nu eiseres geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente heeft aangevoerd, dient de beschikking belastingrente verminderd te worden overeenkomstig de vermindering van de naheffingsaanslag.

17. Gelet op het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.

18. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.532 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 254, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 972;

  • -

    vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.532;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 338 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, voorzitter, mr. F.M. Smit en mr. R.A. Eskes, rechters, in tegenwoordigheid van M. Brouwer, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 15 mei 2019

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.