Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:206

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
22-01-2019
Zaaknummer
05/882010-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, heeft een 47-jarige man veroordeeld tot betaling aan de Staat van een bedrag van ruim € 670.000 aan wederrechtelijk verkregen voordeel. De man is veroordeeld in verband met deelname aan een criminele organisatie, welke organisatie verantwoordelijk was voor diverse hennepkwekerijen in (met name) de Achterhoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/882010-15

Datum zitting : 18 december 2019 en 7 januari 2019

Datum uitspraak: 21 januari 2019

Verstek

Uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [veroordeelde] (hierna te noemen: veroordeelde),

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

adres : [geboorteplaats]

.

raadsman : mr. ing. R.B.M. Poppelaars, advocaat te Breda.

1 De inhoud van de vordering

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank, conform artikel 36 e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel voorlopig is geschat op € 694.149,90.

2 De procedure

Ter terechtzitting van 18 december 2018 heeft de officier van justitie de ontnemingsvordering aanhangig gemaakt.

De zaak is op 18 december 2018 en op 7 januari 2019 ter terechtzitting aan de orde geweest. Daarbij is veroordeelde niet verschenen. Zijn raadsman mr. Poppelaars is evenmin verschenen.

Voorafgaand aan de zitting, op 17 december 2018, heeft mr. Poppelaars een schriftelijke conclusie ingediend.

3 De standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten uit jarenlange kweek van en handelen in hennep. De officier van justitie heeft ter zitting de vordering bijgesteld tot een bedrag van € 674.639,78.

De verdediging heeft zich (schriftelijk) op het standpunt gesteld dat ter zake van meerdere hennepkwekerijen er onvoldoende aanwijzingen zijn voor betrokkenheid van veroordeelde. In de ontnemingsrapportages is het aantal oogsten, dan wel de hoeveelheid mogelijk geoogste hennep onvoldoende onderbouwd en is onvoldoende rekening gehouden met bepaalde kosten. Voor zover wel aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten, dient het voordeel gelijkelijk over alle deelnemers van de criminele organisatie (per kwekerij) te worden verdeeld.

4 De beoordeling van de vordering

Bij de beoordeling van de onderhavige vordering heeft de rechtbank kennisgenomen van het op 18 juli 2017 tegen veroordeelde gewezen vonnis. In dit vonnis is onder meer bewezen verklaard dat veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie in de periode van 28 juni 2011 tot en met 28 juni 2016.

Gelet op deze bewezenverklaarde periode is in navolging van het arrest van de Hoge Raad van 29 november 2016 (ECLI:HR:2016:2714), artikel 36e van het wetboek van Strafrecht zoals dat gold vóór 1 juli 2011 van toepassing. Dat artikel luidde (voor zover van belang):

1. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

2. De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde strafbare feit of soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan.

Veroordeelde is over genoemde periode veroordeeld ter zake van (kort gezegd) deelname aan een criminele organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en vijfde lid, of 11a Opiumwet, aan welke organisatie verdachte leiding gaf. In de in het veroordelende vonnis gehanteerde bewijsoverwegingen zijn specifieke hennepkwekerijen genoemd. Deze kwekerijen kunnen worden toegerekend aan de criminele organisatie. Over het bewijs van deze kwekerijen zal de rechtbank volstaan met verwijzingen naar het vonnis. Opbrengsten uit deze kwekerijen zullen aan veroordeelde, als de leidende en leidinggevende figuur van die organisatie, worden toegerekend.

Ten aanzien van niet in het vonnis genoemde hennepkwekerijen zal de rechtbank bezien of deze kunnen worden toegerekend aan genoemde criminele organisatie gedurende de bewezen verklaarde periode dan wel (buiten de bewezen verklaarde periode) of er voldoende aanwijzingen bestaan dat veroordeelde voor die kwekerijen strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden.

De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten. De beslissing dat veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.1

In de uitgebrachte rapporten berekening wederrechtelijk verkregen voordeel en door de officier van justitie ter terechtzitting is een aantal posten voor mogelijk door veroordeelde gemaakte kosten in de berekening meegenomen. Ook de raadsman van veroordeelde heeft in zijn schriftelijke conclusie gesteld dat bepaalde kosten op het voordeel in mindering moeten worden gebracht.

De rechtbank overweegt dat bij de bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel slechts die kosten die in directe relatie staan tot het delict, kunnen gelden als kosten die voor aftrek in aanmerking komen. De wetgever heeft de rechter grote vrijheid gelaten of en zo ja, in welke mate hij rekening wil houden met zodanige kosten. De beslissing daaromtrent behoeft in het algemeen geen motivering. Indien evenwel namens de betrokkene gemotiveerd en met specificatie van de desbetreffende posten het verweer is gevoerd dat bepaalde kosten bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel dienen te worden afgetrokken, zal de rechter bij verwerping van het verweer in zijn uitspraak gemotiveerd tot uitdrukking behoren te brengen hetzij dat de gestelde kosten niet kunnen gelden als kosten die in directe relatie staan tot het delict, hetzij dat deze gestelde kosten wel als zodanig kunnen gelden maar dat deze - al dan niet gedeeltelijk - voor rekening van de betrokkene dienen te blijven kosten (Hoge Raad 9 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:834).

De rechtbank zal de ook door het openbaar ministerie gehanteerde kostenposten, ongeacht of zij van de zijde van de verdediging van nadere motivering en specificering zijn voorzien, in het voordeel van veroordeelde (toch) meenemen, nu op basis van het onderliggende strafdossier aannemelijk is dat die kosten zijn gemaakt.

De rechtbank overweegt voorts als volgt.

[adres 1] te Doesburg

Op 24 april 2012 werd in een loods bij een woning aan de [adres 1] te Doesburg een zeer grote en professionele hennepkwekerij aangetroffen. Er werden 2.285 planten aangetroffen. De verbalisant stelt dat zeker één keer eerder is geoogst.2 In de verslaglegging van Liander is opgenomen dat de aanname van een eerdere oogst is gebaseerd op: vervuiling van koolstoffilters, gevonden knipschaartjes met hennepresten, gevonden afvalzakken met hennepresten van eerdere oogsten, stofresten op armaturen, ventilatoren, voorschakelapparatuur en overige elektra, verkleuring van gebruikt houtwerk en kalkaanslag op potten en grondzeil.3

Binnen de kwekerij werden sporen veiliggesteld. Op een van die sporen werd het DNA van verdachte aangetroffen.4

De verhuurder van het pand, [betrokkene 1] heeft verklaard dat het pand sinds november 2011 aan [medeverdachte 1] is verhuurd. Aan het begin heeft [betrokkene 1] een compagnon gezien bij [medeverdachte 1] . Deze compagnon was een grote Turkse man, kale kop, zeker 1,90 meter lang.5

Getuige [getuige 1] omschreef veroordeelde (onder andere) als zijnde ongeveer 1.80-1.85 m, kaal hoofd.6

[medeverdachte 1] , eveneens als verdachte veroordeeld ter zake van deelname aan dezelfde criminele organisatie, heeft verklaard dat veroordeelde (een keer) samen met [betrokkene 1] en [medeverdachte 1] in het pand is geweest.7

Bij de hennepkwekerij is een rode Mercedes-Benz aangetroffen, welke auto op naam van veroordeelde stond.8 [medeverdachte 1] wilde (op 26 april 2012) niet zeggen op wiens naam de rode Mercedes stond. Volgens hem stond die auto er al twee maanden.9

Liander heeft aangifte gedaan van diefstal van stroom. Daarbij is namens Liander opgemerkt dat uit hun onderzoek is gebleken dat de hennepplantage in ieder geval in de periode december 2011 tot 24 april 2012 was ingericht.10

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat deze hennepkwekerij werd geëxploiteerd door de criminele organisatie waaraan veroordeelde leiding gaf en dat tenminste één keer is geoogst. Nu bij de ontdekking 2.285 planten zijn aangetroffen, en nu van de zijde van veroordeelde geen informatie anderszins is verstrekt, gaat de rechtbank ervan uit dat de eerdere oogst datzelfde aantal planten betrof.

De raadsman van veroordeelde heeft in zijn conclusie gesteld dat aannemelijk is dat de hennepresten afkomstig zijn van een mislukte oogst, waarna een nieuwe teelt heeft plaatsgevonden. De rechtbank volgt deze verklaring niet, nu deze niet door veroordeelde (op zitting of bij de politie) is afgelegd en nu de raadsman niet heeft gesteld te verklaren uit eigen wetenschap. Uit de bewijsmiddelen volgt in ieder geval niet dat sprake was van een mislukte oogst.

De rechtbank volgt de in het rapport opgenomen berekening (inclusief de verwijzing naar het rapport BOOM) over de opbrengst (28,2 gram per plant, € 3,28 opbrengst per gram hennep) tot een bedrag van € 211.353,96.

In het voordeel van veroordeelde zal de rechtbank de door het openbaar ministerie genoemde kosten meenemen, en wel tot een totaal van (€ 2,85 + € 3,33 kosten per plant, € 8.481,00 huisvestingskosten, afschrijvingskosten € 1.200,00, knipkosten € 4.570,00) € 28.372,30.

Door de raadsman van veroordeelde zijn vragen gesteld of veroordeelde een nota (dan wel veroordeling) voor de weggenomen elektriciteit heeft ontvangen of betaald. Nu veroordeelde echter niet gemotiveerd en met specificaties van de desbetreffende posten heeft gesteld dat bepaalde kosten in mindering dienen te worden gebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding verdere kosten op het voordeel in mindering te brengen.

Het totaal aan wederrechtelijk verkregen voordeel van deze kwekerij wordt dan ook berekend op € 182.981,66.

[adres 2] te Silvolde

Op 2 maart 2011 werd een in werking zijnde hennepkwekerij met daarin 531 hennepstekken aangetroffen aan de [adres 2] te Silvolde. De woning stond op naam van (onder andere) [betrokkene 2] . In de woonkamer werd een brief aangetroffen waaruit kon worden opgemaakt dat [betrokkene 3] vanaf 1 oktober 2009 de overstap heeft gemaakt van de Nuon naar de Nederlandse Energiemaatschappij. [betrokkene 3] stond (op 2 februari 2011) nog geregistreerd als contractant bij energiebedrijf Alliander. Ook werd een huurovereenkomst aangetroffen tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , welke geldig zou zijn van 1 mei 2009 tot met 30 april 2010. [betrokkene 3] verbleef echter sinds mei 2009 in een gesloten psychiatrische inrichting, zodat het de verbalisant onwaarschijnlijk leek dat hij in 2009 en in december 2010 een huurovereenkomst had getekend.11

Getuige [getuige 2] heeft op 4 maart 2011 verklaard dat de familie [betrokkene 2] 2,5 jaar daarvoor waren gescheiden, dat [betrokkene 2] toen uit de woning is vertrokken en dat ongeveer twee jaar voor het getuigenverhoor de overige gezinsleden vertrokken, waarna na drie Turkse mannen bij de woning kwamen. Een aantal weken daarna werden er materialen uitgeladen, zoals zilverkleurige buizen en kappen. Getuige [getuige 2] zag dat deze buizen en kappen de woning weer uitgingen, nadat de politie was gekomen.12

Veroordeelde heeft, na eerst te hebben ontkend in de kwekerij te zijn geweest, verklaard dat hij 500 hennepstekjes naar de woning in Silvolde heeft gebracht en dat hij ze op de bovenverdieping (waar de kwekerij zat) op de potgrond in de kamer heeft gezet.13

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat [veroordeelde] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] al 10 à 15 jaar betrokken zijn bij hennepkwekerijen.14

Voorts overweegt de rechtbank dat uit genoemde bewijsmiddelen voldoende blijkt dat bij deze kwekerij gebruik is gemaakt van tenminste één zwakker of kwetsbaar persoon. Dat past bij de handelswijze van de organisatie waaraan veroordeelde leiding gaf, zoals volgt uit (de strafmaatoverweging) bij het veroordelende vonnis.

Gelet hierop, op de verklaring van [medeverdachte 2] , de betrokkenheid van veroordeelde bij deze kwekerij en nu reeds bewezen is verklaard dat veroordeelde vanaf 28 juni 2011 leiding gaf aan genoemde criminele organisatie, is de rechtbank van oordeel dat voldoende aanwijzingen bestaan dat deze hennepkwekerij werd geëxploiteerd door de criminele organisatie waaraan veroordeelde leiding gaf. Dat iemand in dat pand (hard- en soft-)drugs kocht van de op dat moment daar aanwezige persoon, waarop de raadsman wees, maakt niet dat deze kwekerij niet aan de organisatie kan worden toegerekend. Dit temeer nu deze organisatie zich door diverse personen liet bijstaan.

Gelet op de verklaringen van getuige [getuige 2] en de aangetroffen brieven volgt de rechtbank de berekening van het openbaar ministerie dat de kwekerij minimaal 72 weken in werking is geweest, zodat aannemelijk is dat tenminste zeven oogsten zijn geweest.

De rechtbank volgt de in het rapport opgenomen berekening15 (inclusief de verwijzing naar het rapport BOOM, een eerder opgemaakt rapport wederrechtelijk verkregen voordeel en de correctie daarop). Er is geen aanleiding verdere kosten op het voordeel in mindering te brengen, nu veroordeelde niet gemotiveerd en met specificaties van de desbetreffende posten heeft gesteld dat bepaalde kosten in mindering dienen te worden gebracht.

De rechtbank berekent het totaal aan wederrechtelijk verkregen voordeel van deze kwekerij op € 296.769,66.

[adres 3] te Halle

In genoemd veroordelend vonnis heeft de rechtbank deze kwekerij in haar bewijsconstructie gebruikt, waarnaar de rechtbank verwijst. Voldoende aannemelijk is dat op die locatie één oogst is geweest.

Over deze kwekerij is een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel opgesteld.16 De rechtbank volgt de in het rapport opgenomen berekening17 van de opbrengst en kosten van deze kwekerij over één oogst. Het wederrechtelijk verkregen voordeel uit deze kwekerij wordt dan ook berekend op een totaal van € 122.147,76.

[adres 4] te Doetinchem

In genoemd veroordelend vonnis heeft de rechtbank deze kwekerij in haar bewijsconstructie gebruikt, waarnaar de rechtbank verwijst. Over deze kwekerij is een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel opgesteld.18 De rechtbank neemt de in het rapport opgenomen berekening van de opbrengst en kosten van deze kwekerij per oogst tot een totaalbedrag van wederrechtelijk verkregen voordeel groot (2 / € 69.762,68 =) € 34.881,34 tot uitgangspunt.

Met de officier van justitie gaat de rechtbank uit van één oogst van deze kwekerij. Daartoe

overweegt de rechtbank als volgt.

Op 4 januari 2016 is een verbalisant naar aanleiding van een anonieme melding naar deze woning gegaan. De melder verklaarde dat op 4 januari 2016 vier (mogelijk Turkse) mensen lege grijze plastic bloembakken uit een auto de woning in brachten. De verbalisant trof de woning verlaten aan, de ramen van de bovenverdieping waren afgesloten. In de tuin trof hij een aantal goederen aan waardoor hij de indruk kreeg dat er mogelijk een hennepkwekerij werd opgebouwd.19

Op 15 februari 2016 verklaarde een wijkbeheerder dat hij anderhalve week daarvoor aangesproken werd door buren van de woning. Zij hadden het vermoeden dat er een hennepkwekerij was.20

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de kwekerij vanaf 4 januari 2016 is opgebouwd en dat eenmaal is geoogst (voordat de tweede oogst ‘geript’ werd).

De rechtbank volgt de officier van justitie en de verdediging dat een totaalbedrag van € 670,04 aan huurkosten in mindering moet worden gebracht. Het wederrechtelijk verkregen voordeel uit deze kwekerij wordt dan ook berekend op een totaal van € 34.211,30.

[adres 4]

In genoemd veroordelend vonnis heeft de rechtbank deze kwekerij in haar bewijsconstructie gebruikt, waarnaar de rechtbank verwijst. Over deze kwekerij is een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel opgesteld.21 De rechtbank neemt de in het rapport opgenomen berekening van de opbrengst en kosten van deze kwekerij per oogst tot een totaalbedrag van wederrechtelijk verkregen voordeel groot € 36.292,48 tot uitgangspunt.

De verdediging heeft aangevoerd dat voor deze locatie huurgelden zou zijn betaald en dat kosten zijn gemaakt voor knippers, ter onderbouwing waarvan is gewezen op het aantreffen van meerdere schaartjes. De kosten zouden in totaal € 2.344,00 bedragen. Ook omdat in het dossier vaker sprake was van het inzetten van personeel om te knippen, zal de rechtbank in het voordeel van veroordeelde de verdediging hierin volgen en zal genoemd bedrag van het voordeel in mindering brengen.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel uit deze kwekerij wordt dan ook berekend op een totaal van € 33.948,48

Wederrechtelijk verkregen voordeel

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, stelt de rechtbank op grond van genoemde hennepkwekerijen het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 670.058,86, welk bedrag (minimaal) kan worden toegerekend aan voornoemde criminele organisatie.

Zoals reeds gezegd, is veroordeelde aangemerkt als leidende figuur en leidinggevende van de criminele organisatie. Opbrengsten van deze organisatie kunnen dan ook in eerste instantie worden toegerekend aan veroordeelde. De schriftelijke stelling van de raadsman van veroordeelde dat voordeel evenredig tussen veroordeelde en de zes andere in het vonnis genoemde medeverdachten, dan wel -veroordeelden moet worden toegerekend, volgt de rechtbank niet. Deze stelling is niet nader gemotiveerd of gespecificeerd en niet duidelijk is waar deze stelling op is gebaseerd. Veroordeelde zelf heeft (hieromtrent) geen verklaring bij de politie dan wel ter terechtzitting willen afleggen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt daarentegen uit het dossier wel dat het juist veroordeelde was die zeggenschap over het geld van de organisatie. Daartoe wijst de rechtbank op de volgende tapgesprekken.

Het gesprek op 21 mei 2016 tussen [veroordeelde] en [medeverdachte 1] :

“ [medeverdachte 1] : Ze hebben per persoon 150 lira afgesproken.

[veroordeelde] : per dag?

[medeverdachte 1] : Ja.

[veroordeelde] : Hoe veel mensen zijn er gekomen?

[medeverdachte 1] : Er zijn 5 mensen gekomen. 400… [medeverdachte 3] had 400 Lira. Ik heb alle 400 aan hen gegeven. Ik zei; doe maar dinges… maandag komen nog 3 andere mensen. De aarde, we zijn eer ook nog, dus 5 mensen. Alleen zo nog dinges…

[veroordeelde] : Euhhhh.. Ik betaal we als ik kom. Ik kom donderdag of vrijdag.

[medeverdachte 1] : Moeten ze op jou wachten?

[veroordeelde] : (stilte) eeuuh.. er is geen ander geld.” 22

Het gesprek op 21 mei 2016 om 18:04:48 tussen [veroordeelde] en [medeverdachte 6] :

“ [medeverdachte 6] zegt dat de moeder van (ntv) boos is omdat de kosten voor brandstof niet zijn betaald. [medeverdachte 6] legt uit dat voor 5 mensen 400 euro is betaald. Die vrouw vraagt dus waar de brandstofkosten blijven.

[veroordeelde] zegt dat hij ‘hen’ zal betalen wanneer hij er is. (…)

[veroordeelde] zegt dat die mensen maar brandstof moeten kopen en dat hij het zal betalen wanneer hij er is. (…)

[veroordeelde] zegt dat [medeverdachte 6] tegen hen moet zeggen ‘als hij komt, hij is in Turkije, jullie geld is geen probleem’.

(…)

[veroordeelde] zegt dat hij het ook druk is. Als zij vraagt wat hij in Turkije doet zegt hij dat hij uitrust. Ze vraagt of hij aan het renoveren is. Hij geeft hier geen antwoord op. Ze zegt dat hij veel geld heeft. Hij zegt dat hij ‘daar’ veel stress had. (…)

[veroordeelde] zegt dat hij gisteren naar het huis van [medeverdachte 2] is geweest. [veroordeelde] zegt dat hij eigenlijk een van diens appartementen zou afpakken. [veroordeelde] zegt dat zijn mensen hiertegen zijn.” 23

Het gesprek op 22 mei 2016 om 17:00:37 tussen [veroordeelde] en [medeverdachte 6] :

“(…) [veroordeelde] zegt dat hij zal betalen wanneer hij over een paar dagen komt. (…) [medeverdachte 6] zegt dat ze tegen die mensen heeft gezegd hij komt misschien al in het weekend, jullie geld zal niet verloren gaan. [medeverdachte 6] zegt dat die mensen toch aan het einde van de dag hun geld willen hebben.

[medeverdachte 6] : Wat moet ik gaan zeggen?

[veroordeelde] : Zeg maar: de baas zegt, ik *scheldwoord*

[medeverdachte 6] vraagt of ze moet gaan zeggen dat de baas zegt als ik kom zal ik iedereen geven wat hem/haar toekomt?

[veroordeelde] : Hmm, ik moet die wel betalen. (…) [veroordeelde] zegt dat hij geen benzinekosten kan betalen. [medeverdachte 6] vraagt wat ze nu moet doen.

[veroordeelde] : 10 lira uurprijs, 100 lira reiskosten. Als ze gaan werken dan doen ze dat en als ze dat niet doen, dan moeten ze maar niet komen. Ik zal donderdag de man sturen. [medeverdachte 2] komt vrijdag. (…) Als hij vrijdag gekomen is dan zal hij het oplossen/regelen. (…)” 24

Het gesprek op 25 mei 2016 tussen [medeverdachte 1] en [veroordeelde] :

“(…) [medeverdachte 1] : Oke. Jij.. Jij bent aan het zonnebaden in Antalya, wij zijn hier aan het zweten.

[veroordeelde] : Ik... Jullie verdienen natuurlijk van mijn. (…)” 25

Het gesprek op 30 mei 2016 tussen [veroordeelde] en [medeverdachte 5] :

“(…) [veroordeelde] zegt dat hij ze allemaal zal komen neerschieten als ze het geld aan Max zouden geven. (…)

[medeverdachte 5] : ik zal het geven aan wie jij zegt dat ik het moet geven. (…)

[veroordeelde] : Doe het werk. (…)” 26

Het gesprek op 26 juni 2016 tussen [veroordeelde] en [medeverdachte 4] :

“ [medeverdachte 4] : Vanmorgen euhh… had ik van (ntv) te krijgen. Hij zei: “kom maar naar een bepaalde plek”. Ik ging daar naar toe. Hij was niet gekomen…Ik kwam er aan. Die van jou speelde daar.

[veroordeelde] : Hmm…Speelt hij?

[medeverdachte 4] : hmm

[veroordeelde] : Eee??

[medeverdachte 4] : [medeverdachte 5] .

[veroordeelde] : hmm. Hij moet maar spelen man. Die man zit toch niet met het geld? Euuhh..mijn geld.” 27

Uit het vonnis en voorgaande bewijsmiddelen blijkt voldoende dat het geld dat de organisatie met het kweken en handelen in hennep verdiende veroordeelde toekwam en dat hij bepaalde waaraan dat werd uitgegeven. Uit het dossier volgt niet dat opbrengsten evenredig werden verdeeld. Weliswaar kan uit het dossier blijken dat veroordeelde bepaalde kosten heeft moeten maken voor het ingeschakelde personeel, waaronder zijn medeverdachten, veroordeelde heeft echter op geen enkele wijze deze (nadere) personeelskosten gemotiveerd, laat staan voldoende gespecificeerd, aannemelijk gemaakt. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding tot het in mindering brengen van nadere kosten.

5 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

6 De beslissing

De rechtbank:

  • -

    stelt vast het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 670.058,86 (zegge: zeshonderdzeventigduizend achtenvijftig euro en zesentachtig eurocent);

  • -

    legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 670.058,86 (zegge: zeshonderdzeventigduizend achtenvijftig euro en zesentachtig eurocent).

Aldus gegeven door mr. D.R. Sonneveldt (voorzitter), mr. C. Kleinrensink en mr. S.A. van Hoof, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C. Aalders, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 januari 2019.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, team Recherche Achterhoek, opgemaakte proces-verbaal, proces-verbaalnummer 2015456494, gesloten op 24 september 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Tevens is het bewijs te vinden het in rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, rapportnummer 201610101000.36E, d.d. 15 februari 2017, met bijlagen, welke rapport hierna ook wordt aangeduid als: het rapport.

2 Een mutatierapport, proces-verbaal 201610101000.36E, bijlage 2.6, p. 638.

3 Proces-verbaal 201610101000.36E, bijlage 3, tweede pagina.

4 Proces-verbaal 201610101000.36E, bijlage 2.1, p. 659.

5 Proces-verbaal 201610101000.36E, bijlage 2.4, p. 644.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 346.

7 Proces-verbaal 201610101000.36E, bijlage 2.3, p. 657.

8 Proces-verbaal 201610101000.36E, bijlage 2.5, p. 643.

9 Proces-verbaal 201610101000.36E, bijlage 2.3, p. 657.

10 Proces-verbaal 201610101000.36E, bijlage 2.8, een aangifte door Liander, p. 2.

11 Proces-verbaal 201610101000.36E, bijlage 4.1, proces-verbaal van bevindingen, bladen 2 en 6.

12 Proces-verbaal 201610101000.36E, bijlage 4.1, proces-verbaal van bevindingen, blad 3.

13 Proces-verbaal 201610101000.36E, bijlage 4.2, proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 107.

14 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 782.

15 Het rapport, p. 12 en 13.

16 Proces-verbaal 201610101000.36E, bijlage, 5.6, rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, bladen 1 t/m 6.

17 Proces-verbaal 201610101000.36E, bijlage, 5.6, rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, blad 6.

18 Proces-verbaal 201610101000.36E, bijlage, 7.1, rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, bladen 1 t/m 5 en 1 (zijnde de laatste pagina).

19 Proces-verbaal van bevindingen, p. 913.

20 Proces-verbaal van bevindingen, p. 918.

21 Proces-verbaal 201610101000.36E, bijlage 7, rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, bladen 1 t/m 5.

22 Gesprek d.d. 21 mei 2016, p. 1992.

23 Gesprek d.d. 21 mei 2016, p. 1994 en 1995.

24 Gesprek d.d. 22 mei 2016, p. 1998.

25 Gesprek d.d. 25 mei 2016, p. 1817.

26 Gesprek d.d. 30 mei 2016, p. 2026.

27 Gesprek d.d. 26 juni 2016, p. 3430.