Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:2039

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-05-2019
Datum publicatie
13-05-2019
Zaaknummer
NL18.12840
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Internationale handelskoop. Vorderingen zijn onvoldoende feitelijk onderbouwd. Een duidelijk verband tussen de overgelegde producties en de aangevoerde grondslag van de vordering ontbreekt. Daarbij verjaring van vorderingen tot vernietiging en dwaling (3:52 BW) en verjaring van vorderingen tot ontbinding, ongedaanmaking en schadevergoeding (7:23 lid 2 BW). Afwijzing vorderingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer: NL18.12840

Vonnis van 1 mei 2019

in de zaak van

De rechtspersoon naar het recht van de Verenigde Arabische Emiraten

SDB GENERAL TRADING L.L.C.,
gevestigd te Dubai (VAE),
eiseres,

Hierna ter noemen: SDB

advocaat mr. A. Kara te Maastricht,

tegen

de besloten vennootschap

ITT CONTROLS BV,
gevestigd te Barneveld,
verweerster, hierna te noemen: ITT

advocaat mr. A.J.P. Ariëns.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de procesinleiding

- het verweerschrift

- de comparitie van partijen van 15 februari 2019.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

SDB en ITT hebben drie overeenkomsten met elkaar gesloten voor de levering van industriële kleppen door ITT aan SDB. De eerste overeenkomst is in juli 2014 gesloten. ITT heeft daarvoor op 20 juli 2014 een factuur van € 18.100,00 gezonden, die SBB heeft voldaan. De producten van deze eerste overeenkomst zijn op 30 september 2014 naar SDB verzonden. De twee andere overeenkomsten zijn gesloten op 15 augustus 2014. Ook hier heeft SDB de door ITT gezonden facturen – € 205.200,00 en € 371.000,00 – voldaan. SDB heeft de producten van deze bestellingen afgekeurd. De producten zijn in januari en in oktober/november 2015 af fabriek geleverd. Een deel van de producten staat nog bij ITT.

2.2.

Tussen partijen zijn discussies ontstaan over de overeengekomen termijn waarop de producten moesten worden geleverd en over de vraag of zij conform de overeengekomen specificaties zijn.

3 Het geschil

3.1.

SDB vordert primair vernietiging, subsidiair ontbinding van de tussen partijen gesloten overeenkomsten, alsmede veroordeling van ITT tot terugbetaling aan SDB van

€ 594.350,00 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente. Daarnaast vordert zij vergoeding van door haar geleden schade op te maken bij staat.

3.2.

Aan haar vordering tot vernietiging legt SDB ten grondslag dat sprake is van bedrog of dwaling. Bij het sluiten van de overeenkomsten is haar door ITT voorgehouden dat de producten uit voorraad leverbaar waren, waardoor zij van een korte levertijd is uitgegaan. Dat bleek niet het geval want SDB heeft heel lang op de producten moeten wachten. Daarnaast heeft ITT haar bewogen alvast voor de tweede en de derde overeenkomst te betalen door haar voor te houden dat de producten van de eerste bestelling al klaar stonden voor verzending. Ook dat bleek, zoals zij achteraf heeft moeten concluderen, niet het geval te zijn. Aan haar subsidiaire vordering tot ontbinding legt SDB ten grondslag dat de bestelde producten te laat zijn geleverd en niet voldoen aan de overeengekomen specificaties. De producten zijn volgens haar niet van het overeengekomen type.

3.3.

ITT voert gemotiveerd verweer. Naast een inhoudelijk verweer, beroept zij zich op verjaring.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

SDB stelt dat zij bij het aangaan van de overeenkomsten aan ITT heeft aangegeven dat de levertijden van de producten voor haar essentieel was. ITT heeft levertijden van zes tot acht weken toegezegd, die niet werden gehaald. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit echter niet dat SBB is voorgehouden dat de producten uit voorraad leverbaar waren. Een daarop gebaseerd beroep op dwaling of bedrog kan daarom niet slagen. Ook uit het enkele feit dat overeengekomen levertijden niet zijn gehaald kan, wat daar ook van zij, niet worden afgeleid dat ter zake sprake is van bedrog of dwaling.

4.2.

Het niet halen van overeengekomen levertijden kan mogelijk worden gekwalificeerd als een tekortkoming die in de context van nakoming/niet-nakoming moet worden beoordeeld, waaraan door SBB met haar vorderingen tot ontbinding, ongedaanmaking en schadevergoeding ook wordt gerefereerd. De leerstukken van bedrog of dwaling hebben daarmee niets van doen. SBB heeft veel producties overgelegd waaronder talloze e-mails tussen partijen, maar in haar procesinleiding ontbreekt een duidelijk verband tussen deze e-mails en de hiervoor beschreven context. Uit haar stellingen, noch uit de overgelegde producties kan worden opgemaakt wat partijen precies aan specificaties zijn overeengekomen en in hoeverre ITT in haar daaruit voortvloeiende verbintenissen is tekortgeschoten, in gebreke is gesteld, dan wel zonder ingebrekestelling in verzuim is gekomen. Bij het merendeel van de stellingen wordt volstaan met algemene verwijzingen naar de vele overgelegde e-mails. Het is allemaal onvoldoende concreet voor toewijzing van de vorderingen.

4.3.

Ook de stelling dat ITT haar op enige moment heeft bewogen tot betaling door haar te zeggen dat de producten van de eerste overeenkomst klaarstonden voor verzending, kan niet leiden tot een vernietiging van de overeenkomsten op grond van dwaling of bedrog. Dit handelen betreft namelijk de uitvoering van de overeenkomsten en niet de totstandkoming daarvan, nog daargelaten dat, zoals door SBB niet is bestreden, zij op grond van hetgeen partijen daarover zijn overeengekomen tot directe betaling van de koopsom was gehouden en daarmee met de betaling in feite niets anders heeft gedaan dan voldoen aan een op dat moment opeisbare verplichting.

4.4.

Naast het voorgaande staat aan toewijsbaarheid ook een verjaring van de vorderingen in de weg, op welke verjaring ITT zich in algemene zin heeft beroepen. Ingevolge artikel 3:52 lid 1 aanhef, onder c BW dienen rechtsvorderingen tot vernietiging op grond van bedrog of dwaling te worden ingesteld binnen drie jaren nadat degene die daarop een beroep doet daarvan is gebleken. Het beroep op bedrog of dwaling is gebaseerd op feiten die SDB reeds in 2014 bekend waren. Immers, reeds toen was sprake van een volgens SDB te late levering en heeft zij haar ongenoegen daarover richting ITT geuit. De onderhavige procedure is op 9 juli 2018 ingesteld. Gelet op de hiervoor genoemde verjaringstermijn is dat te laat.

4.5.

Ook met haar vorderingen tot ontbinding, ongedaanmaking en schadevergoeding is SDB te laat. Ingevolge artikel 7:23 lid 2 BW verjaren rechtsvorderingen gegrond op feiten die de stelling rechtvaardigen dat de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt door verloop van twee jaren na eerste kennisgeving daarvan aan verkoper. SDB heeft de door ITT geleverde producten in 2014 en 2015 onderzocht of laten onderzoeken waarna zij ITT direct daarna van de resultaten op de hoogte heeft gesteld. De onderhavige procedure is, zoals hiervoor vermeld, op 9 juli 2018 geïnitieerd. Gelet op de hiervoor genoemde verjaringstermijn van twee jaren is ook dat voor wat betreft de ingestelde vorderingen tot ontbinding, ongedaanmaking en schadevergoeding te laat.

4.6.

Tijdens de comparitie is van de zijde van SBB gezegd dat zij ervan uitgaat dat zij de verjaring op enig moment wel (tijdig) heeft gestuit. Wanneer dat is geweest kon zij niet aangeven. Zij zou dat nog moeten nakijken in haar dossier. Dit alles is echter zo weinig concreet dat de rechtbank daaraan voorbij gaat. ITT heeft in haar verweerschrift gewezen op het bepaalde in artikel 7:23 lid 2 BW en voorafgaand aan de comparitie was er voor SDB voldoende tijd om zich, met stukken, voor te bereiden op het tijdens de comparitie toegelichte verjaringsverweer. SDB zal geen termijn worden gegeven om haar dossier nu alsnog op dat punt door te lichten.

4.7.

Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van SDB worden afgewezen. SDB zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze worden aan de zijde van ITT begroot op € 3.946,00 voor het griffierecht en € 6.198,00 aan salaris advocaat (2 punten x tarief VII). De proceskosten worden verhoogd met rente en nakosten zoals hierna te bepalen. ITT heeft verzocht de kosten te verhogen met de wettelijke handelsrente maar een grondslag daarvoor ontbreekt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt SBB in de kosten van de procedure, aan de zijde van ITT begroot op

€ 10.144,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening daarvan, alsmede met de nakosten van € 157,00 die met

€ 82,00 worden verhoogd als betekening van dit vonnis plaatsvindt nadat SDB schriftelijk is verzocht binnen 14 dagen aan het vonnis te voldoen en zij daaraan niet voldaan zou hebben,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Veerman en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2019.