Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:1970

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
08-05-2019
Datum publicatie
23-05-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 1342
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

EFRO-subsidie voor project in metaalbewerking. Concurrent van aanvragers is rechtstreeks in haar belang getroffen en dus belanghebbende. Voorschotbesluiten zijn geen bijkomende beschikkingen. Door geheimhouding van stukken in bezwaar en beroep geen strijd met equality of arms. Advies van ingestelde deskundigencommissie; geen schending vergewisplicht. Geen sprake van ongeoorloofde staatssteun.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 17/1342

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 mei 2019

in de zaak tussen

VSMI B.V., te Varsseveld, eiseres

(gemachtigde: mr. H.J. Kastein),

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland, (lees: de leden van het college van gedeputeerde staten van Gelderland gezamenlijk, in hun hoedanigheid van managementautoriteit (thans: beheersautoriteit) van het Operationeel Programma EFRO Oost-Nederland), te Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan 247TailorSteel B.V. een subsidie van maximaal € 2.000.000,- verleend voor het project ‘Smart bending factory: The Plug-in Company” (het project).

Bij besluit van 1 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd onder aanvulling van de motivering.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 3 mei 2017 aan de rechtbank enkele stukken overgelegd waarbij verweerder op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft verzocht te bepalen dat uitsluitend de rechtbank van deze stukken kennis mag nemen. Bij beslissing verzonden op 6 juni 2017 heeft de rechtbank bepaald dat de verzochte beperking van kennisneming gerechtvaardigd is. Eiseres heeft de rechtbank toestemming verleend om mede op grond van deze stukken uitspraak te doen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2019. Namens eiseres is [een medewerker] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van eiseres en mr. M.A.A. Gockel-Gieskes. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E. Gouw en J.J.T. Ahoud.

Overwegingen

1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

2. Het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) is één van de structuurfondsen van de Europese Unie. Het EFRO levert een bijdrage aan de financiering van bijstand ten behoeve van de versterking van de economische en sociale cohesie door het ongedaan maken van de belangrijkste regionale onevenwichtigheden via steun aan de ontwikkeling en structurele aanpassing van regionale economieën, met inbegrip van de omschakeling van industriegebieden met afnemende economische activiteiten en regio’s met achterstand, alsmede met steun aan grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking. Bij besluit van 11 november 2014 is het Operationeel Programma EFRO Oost-Nederland 2014-2020 (OP) goedgekeurd door de Europese Commissie. Het OP beslaat de provincies Gelderland en Overijssel.

2.1.

Verweerder heeft een deskundigencommissie ingesteld, die tot taak heeft te adviseren over de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd. De werkwijze van de deskundigencommissie is vastgelegd in het Reglement op de deskundigencommissie EFRO Programma 2014-2020 Oost-Nederland van 30 juni 2015 (Reglement) en gepubliceerd in het Provinciaal Blad 2015 nr. 4062.

2.2.

Op 15 september 2015 heeft 247TailorSteel B.V., mede namens acht andere bedrijven en stichtingen, bij verweerder voor het project een aanvraag ingediend voor subsidie in het kader van het OP. Het project houdt in dat de deelnemende partijen voornemens zijn een ultramoderne fabriek op het gebied van metaalbewerking op te zetten, waarin de deelnemende partijen kennis, ervaring en middelen met elkaar kunnen delen en bewerkingsprocessen gezamenlijk kunnen exploiteren. Klanten zullen via internet volledig gedigitaliseerd producten kunnen bestellen, door welke werkwijze efficiëntieslagen, onder meer ten aanzien van prijsstelling, kunnen worden gemaakt.

2.3.

In haar vergadering van 26 november 2015 heeft de deskundigencommissie positief geadviseerd over het project, waarna verweerder bij het primaire besluit een subsidie van maximaal € 2.000.000,- heeft verleend. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Naar aanleiding hiervan heeft de deskundigencommissie op 26 juli 2016 een nader advies uitgebracht.

3. In het bestreden besluit heeft verweerder – onder verwijzing naar het advies van de Commissie van Advies voor Bezwaarschriften en Klachten (de bezwaarcommissie) van 9 januari 2017 – de verlening van subsidie voor het project gehandhaafd. Verweerder is onder verwijzing naar de adviezen van de deskundigencommissie, kort weergegeven, van mening dat de aanvraag voldoet aan de subsidievereisten. Het project levert een goede bijdrage aan de doelstelling van het OP, is in voldoende mate innovatief, de kwaliteit van de businesscase en de aanvraag zijn goed en tot slot voldoet het project aan de duurzaamheidstoets.

Ontvankelijkheid

4. Verweerder betoogt in het verweerschrift allereerst dat eiseres niet kan worden aangemerkt als belanghebbende. Het is niet aannemelijk dat eiseres door de subsidieverlening rechtstreeks in haar belang wordt geraakt. Verweerder heeft in dit verband verwezen naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 20 juni 20181 en 10 oktober 20182 en zich op het standpunt gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

4.1.

De rechtbank stelt vast dat eiseres werkzaam is in hetzelfde marktsegment en hetzelfde verzorgingsgebied als 247TailorSteel B.V en dus een concurrent is van 247TailorSteel B.V. Eiseres is uit hoofde van het zijn van concurrent echter niet zonder meer belanghebbende bij de subsidieverlening aan 247TailorSteel B.V. Dat is alleen het geval als haar belang rechtstreeks is betrokken bij het besluit tot subsidieverlening. Of dat het geval is, hangt af van de gevolgen die eiseres van het besluit ondervindt.

4.2.

Eiseres heeft ter zitting toegelicht dat haar bedrijf en 247TailorSteel B.V. beide in Varsseveld zijn gevestigd en praktisch buren zijn. Zij heeft voorts met voorbeelden uit de dagelijkse praktijk toegelicht dat zij omzet heeft misgelopen en dat klanten zijn overgestapt naar 247TailorSteel B.V. Haar eigen omzet is weliswaar licht gestegen, maar de omzet van 247TailorSteel B.V. is verhoudingsgewijs veel sterker gestegen. Door de subsidieverlening heeft 247TailorSteel B.V. nu eenmaal minder productiekosten hoeven te maken dan haar concurrenten.

4.3.

Hoewel verweerder terecht aanvoert dat niet vast staat dat het verlies van klanten en de grote omzetgroei bij 247TailorSteel B.V het gevolg zijn van de subsidieverlening is aannemelijk dat eiseres door het subsidiebesluit een risico op omzetverlies loopt. Dit is voldoende om aan te nemen dat eiseres rechtstreeks in haar belang is getroffen door dat besluit. Daarom is eiseres belanghebbende bij dat besluit.

Bijkomende beschikkingen

5. Eiseres heeft in beroep drie besluiten overgelegd van 9 februari 2017, 15 december 2017 en 26 juni 2018, waarbij verweerder heeft vastgesteld welke voorschotten aan 247TailorSteel B.V. uitbetaald worden (de voorschotbesluiten). Ook heeft eiseres besluiten overgelegd van 23 maart 2018 en 3 juli 2018 (de wijzigingsbesluiten) waarbij verweerder verzoeken om verschuiving tussen kostensoorten in de begroting en om verlenging van de looptijd van het project heeft gehonoreerd. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep mede betrekking heeft op deze bijkomende besluiten.

5.1.

Op de zitting heeft eiseres haar standpunt dat het beroep mede betrekking heeft op de wijzigingsbesluiten laten vallen. Dit standpunt behoeft daarom geen verdere bespreking.

5.2.

De rechtbank is van oordeel dat de voorschotbesluiten niet samenhangen met de subsidieverlening of met het bestreden besluit. De subsidieverlening is geen beschikking tot betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 4:86 van de Awb. De verlening schept slechts een voorwaardelijke aanspraak op financiële middelen die afhankelijk is van het uitvoeren van de activiteiten en het voldoen aan de subsidieverplichtingen. Van bijkomende beschikkingen in de zin van artikel 4:125 Awb is daarom geen sprake.

5.3.

Omdat het beroep niet mede is gericht tegen de voorschot- en wijzigingsbesluiten en eiseres in het aanvullende beroepschrift van 28 februari 2019 uitdrukkelijk en gemotiveerd heeft aangegeven dat zij het niet eens is met de inhoud van deze besluiten, stuurt de rechtbank met overeenkomstige toepassing van artikel 6:15 van de Awb het aanvullende beroepschrift door naar verweerder. Het ligt op de weg van eiseres om aan te geven of zij prijs stelt op behandeling hiervan als bezwaar tegen de voorschot- en wijzigingsbesluiten.

Equality of arms

6. Eiseres betoogt dat zij ernstig in haar verdediging is geschaad, doordat zij niet heeft kunnen kennis nemen van alle op de zaak betrekking hebbende stukken. Verweerder heeft in bezwaar grote delen van de aanvraag, het projectplan en de daarbij behorende stukken onleesbaar gemaakt en ook in beroep verzocht om geheimhouding van deze (passages van de) stukken op grond van artikel 8:29 van de Awb.

6.1.

De rechtbank stelt voorop dat, hoewel toepassing van artikel 8:29 van de Awb een beperking van het beginsel van de openbaarheid en dat van de equality of arms inhoudt, de beperkingsmogelijkheid in dit artikel met zodanige waarborgen is omkleed dat het in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden neergelegde recht op een eerlijke procesvoering daarmee niet in zijn essentie wordt beperkt. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 13 juni 2001.3

De rechtbank is van oordeel dat dit ook geldt voor de toepassing van artikel 7:4, leden 6 en 7 van de Awb door verweerder, omdat die toepassing door de rechtbank in beroep kan worden getoetst.

6.2.

De rechtbank heeft met toestemming van eiseres kennis genomen van de geheim gehouden stukken en passages en is van oordeel dat verweerder artikel 7:4 van de Awb op een juiste wijze heeft toegepast. In de brief van verweerder van 14 september 2016 en in het advies van de bezwaarcommissie van 9 januari 2017 is uitgebreid – en naar het oordeel van de rechtbank voldoende – onderbouwd dat geheimhouding van de stukken en passages genoemd in de brief van 14 september 2016 om gewichtige redenen geboden was.

6.3.

De rechtbank overweegt verder dat verweerder bij besluit van 30 juni 2015 een onafhankelijke deskundigencommissie heeft ingesteld om advies uit te brengen over de subsidieaanvragen die in het kader van het OP worden ingediend, en het Reglement heeft vastgesteld. Verweerder heeft in het verweerschrift toegelicht op welke wijze de leden van de deskundigencommissie zijn voorgedragen en geselecteerd. Bij de definitieve selectie van de kandidaten is specifiek gekeken naar de onafhankelijkheid, kennis, competenties, ervaring, sekse en geografische spreiding. De deskundigencommissie is uiteindelijk samengesteld op basis van een evenwichtige expertise-verdeling.

Verweerder heeft, onder verwijzing naar het Reglement, voorts toegelicht dat de projecten waarvoor subsidie wordt aangevraagd op basis van expertise worden toebedeeld aan minimaal drie leden van de deskundigencommissie. De voorzitter is verantwoordelijk voor de selectie van de commissieleden en zorgt ervoor dat de leden gezamenlijk voldoende deskundig zijn om over de subsidieaanvraag te adviseren. De geselecteerde deskundigen beoordelen het project onafhankelijk van elkaar en toetsen het projectvoorstel aan de beoordelingscriteria. Het projectvoorstel wordt daarna in een vergadering van de plenaire deskundigencommissie, die uit twaalf leden bestaat, besproken, waarna de voltallige deskundigencommissie het advies aan verweerder vaststelt en formuleert.

6.4

De rechtbank is van oordeel dat de samenstelling en het gewicht van de deskundigencommissie, en de procedure die gevolgd wordt om tot een advies te komen, bijdragen aan een zo objectief mogelijke beoordeling van de subsidieaanvragen, en aldus ook bijdragen aan compensatie van de ongelijkheid in procespositie die ontstaat doordat eiseres niet van alle stukken heeft kunnen kennisnemen.

6.5.

De beroepsgrond slaagt niet.

Advisering door deskundigencommissie

7. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte niet bekend heeft gemaakt welke leden van de deskundigencommissie het advies hebben voorbereid. Ook is verweerder, volgens eiseres, tekortgeschoten in zijn vergewisplicht. Bij gebrek aan een (toereikend) gemotiveerd advies kan geen inzicht worden verkregen in de door de deskundigencommissie verrichte afwegingen. Eiseres verwijst in dit verband naar een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (het CBb) van 14 juni 2017.4

7.1.

Omdat de deskundigencommissie als één geheel adviseert, heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien om de namen bekend te maken van de leden van de deskundigencommissie die de voorbereiding van het advies hebben verzorgd.

7.2.

Ingevolge vaste rechtspraak van de Afdeling dient de rechtbank te beoordelen of verweerder zich ervan heeft vergewist dat het advies van de deskundigencommissie naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en, naar inhoud, inzichtelijk en concludent is.5

7.3.

De rechtbank verwijst allereerst naar wat is overwogen onder 6.3 over de samenstelling en de werkwijze van de deskundigencommissie. De deskundigencommissie heeft op 26 november 2015 een advies uitgebracht, gevolgd door een nader advies op 26 juli 2016. Verweerder heeft deze adviezen aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Gelet op de inhoud van de subsidieaanvraag en het ingediende projectplan twijfelt de rechtbank niet aan de beoordeling door de deskundigencommissie. In het advies van 26 november 2015 heeft de deskundigencommissie aan elk beoordelingscriterium een score toegekend en die score voorzien van een motivering. Deze motivering is vrij summier. In het nadere advies van 26 juli 2016 heeft de deskundigencommissie echter alle beoordelingscriteria, behalve het niet in geschil zijnde criterium ‘d - kwaliteit van de aanvraag’ van een uitgebreide motivering voorzien, waarbij is ingegaan op alle relevante bezwaren van eiseres. In dit advies heeft de commissie ook nog een toelichting gegeven op de gevolgde procedure en de expertise van de commissie.

7.4.

Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen, dat er onvoldoende grond is voor de conclusie dat de inhoud of de wijze van totstandkoming van het advies van de deskundigencommissie zodanig gebrekkig is, dat verweerder dit advies niet aan zijn besluitvorming ten grondslag mocht leggen. Een schending van de vergewisplicht van artikel 3:9 van de Awb is daarom naar het oordeel van de rechtbank niet aan de orde.

7.5.

De uitspraak van het CBb, waarnaar eiseres verwijst, leidt niet tot een ander oordeel. Anders dan in die uitspraak is in dit geval wel sprake van een procedureomschrijving voor de adviescommissie, zijn de toegekende punten wel degelijk in het advies toegelicht en te relateren aan de beoordelingscriteria en heeft de commissie zelf inhoudelijk gereageerd op de bezwaren van eiseres tegen haar eerste advies. De beroepsgrond slaagt niet.

Ongeoorloofde staatssteun

8. Eiseres bestrijdt dat de subsidieverlening past binnen de kaders van de relevante Europese regelgeving. Het project is niet innovatief, althans niet zodanig innovatief dat het subsidiabel is. Zowel bij eiseres als bij de deelnemers aan het project is sprake van een geautomatiseerd en gerobotiseerd productieproces en van het produceren van kleine series. Eiseres werkt met een standaard softwarepakket Radan, gekoppeld aan de centrale bedrijfssoftware en aan de bewerkingsmachine, dat bovendien al in de markt was ten tijde van het primaire besluit. Dit is een vergelijkbaar systeem als het programma Sophia dat in het project ontwikkeld en gebruikt wordt. Het project is niet voor een ieder toegankelijk, terwijl de regelgeving dit wel beoogt. Het verlenen van subsidie aan 247TailorSteel B.V. leidt tot concurrentievervalsing, omdat de subsidie ontvangende onderneming een financieel voordeel heeft, waar deze geen recht op heeft. Het project heeft geen stimulerend effect op de regio en draagt niet bij aan het gemeenschappelijk belang. In de huidige vorm is er derhalve sprake van ongeoorloofde staatssteun. Ter zitting heeft eiseres nog verwezen naar het arrest van 5 maart 2019 van het Hof van Justitie (C-349/17).6

8.1.

Verweerder heeft in het verweerschrift de achtergronden en de rechtsgrondslag van het EFRO en het OP uitvoerig beschreven. Ook de relevante Europese regelgeving en de uitvoeringsregels zijn toegelicht. De rechtbank verwijst daarnaar. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het project experimentele ontwikkeling, gericht op algemene innovatie, betreft, waarbij verweerder verwijst naar de uiterst ruime definitie van de termen ‘experimentele ontwikkeling’ in artikel 2, onder 86, van Verordening 651/2014 (de Verordening) en ‘algemene innovatie’ in artikel 5, onderdeel 1, aanhef en onder b, van Verordening 1301/2013.

8.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder het project niet ten onrechte heeft aangemerkt als een experimentele ontwikkeling, gericht op algemene innovatie en om die reden de gevraagde subsidie heeft kunnen verlenen. Wat er verder zij van de door eiseres aangevoerde gronden, verweerder heeft mogen uitgaan van de adviezen van de deskundigencommissie. De deskundigencommissie heeft op basis van het projectplan vastgesteld en gemotiveerd dat het project innovatief is en op welke wijze het bijdraagt aan de doelstellingen van het OP. De deskundigencommissie heeft bovendien, op basis van het projectplan en de daarin opgenomen uitgebreide toelichting op het softwareprogramma Sophia, vastgesteld dat Sophia verder reikt dan de gebruikelijke programma’s waarin het volautomatisch doorvoeren van wijzigingen in metaaldikte en materiaalsoort mogelijk is.

Eiseres betoogt dat sprake is van een routinematige of periodieke wijziging als bedoeld aan het slot van artikel 2, onder 86, van de Verordening, en dus niet van een experimentele ontwikkeling. Gelet op het advies van de deskundigencommissie en het feit dat eiseres dit standpunt niet heeft onderbouwd, volgt de rechtbank dit standpunt niet.

8.3.

Dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun volgt de rechtbank evenmin. In de Verordening zijn bepaalde categorieën steun op grond van de artikel 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar verklaard. Omdat subsidie is verleend voor een experimentele ontwikkeling valt die subsidie onder de vrijstelling van artikel 25 van de Verordening.

Op grond van artikel 6 van de Verordening wordt steun geacht een stimulerend effect te hebben wanneer de begunstigde ervan, voordat de werkzaamheden aan het project of de activiteit aanvangen, bij de betrokken lidstaat een schriftelijke steunaanvraag heeft ingediend. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat de subsidieaanvraag is ingediend voor aanvang van het project, zodat aan de eis van artikel 6 van de Verordening is voldaan.

Het door eiseres genoemde arrest leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Uit dat arrest volgt immers (punt 69) dat verweerder niet belast is met de taak na te gaan of de steun in kwestie daadwerkelijk een stimulerend effect heeft, maar met de taak na te gaan of de bij hem ingediende steunaanvragen voldoen aan de voorwaarden waaronder steun kan worden geacht een stimulerend effect te hebben. De beroepsgrond slaagt niet.

Subsidiëring buiten het programmagebied

9. Eiseres betoogt dat in strijd met het bepaalde in artikel 70 van EU Verordening 1303/2013 een te groot deel van de subsidie ten goede komt aan een bedrijf buiten het programmagebied van verweerder. Het gaat om projectdeelnemer Visser Group Services B.V. uit ’s-Gravendeel. Volgens eiseres is de kennis die Visser Group in het project zou gaan inbrengen al ruimschoots in de markt in Oost-Nederland voorhanden.

9.1.

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat artikel 70 van Verordening 1303/2013 is opgenomen in verband met de toetreding van Roemenië en Bulgarije. Gevreesd werd dat de verleende subsidie in Roemenië naar de centrale regering zou gaan. De Europese Commissie acht het voldoende wanneer 95% van de subsidie ten goede aan de bedrijven binnen het programmagebied. Achtergrond hiervan is dat de subsidie niet in een andere regio komt dan waarvoor die bedoeld is. Gelet op deze toelichting is de rechtbank van oordeel dat de regeling niet beoogt de belangen van eiseres te beschermen. De beroepsgrond faalt.

Subsidiebedrag

10. Het maximaal te verstrekken subsidiebedrag bedraagt € 2.000.000,-. Aan 247TailorSteel B.V. is voor dit project echter al eerder subsidie verleend. Daarmee komt de verstrekte subsidie volgens eiseres boven het vastgestelde subsidieplafond en geldt de aanmeldingsplicht van artikel 108, derde lid, van het Verdrag EU. Ook is sprake van ongeoorloofde kostenvergoedingen van de partners in het project en worden kanttekeningen geplaatst bij de vaststelling van de subsidiabele kosten, aldus eiseres.

10.1.

Verweerder heeft een besluit van 13 juli 2015 overgelegd, waarbij aan 247TailorSteel B.V. subsidie is verleend. De rechtbank stelt vast dat de toegekende subsidie is gebaseerd op de Regels subsidieverordening vitaal Gelderland 2011. Het gaat bij die toekenning dus om een andere regeling en daarmee ook om een ander subsidieplafond, dan bij het bestreden besluit. Van het overschrijden van het volgens de Verordening geldende subsidieplafond is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

10.2.

Verweerder heeft in de stukken toegelicht op welke wijze en voor welke kostensoorten subsidie is verleend. De rechtbank ziet in het door eiseres gestelde geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van verweerders standpunt. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

Werkgelegenheid als indicator

11. Eiseres betoogt dat haar uit eigen ervaring bekend is dat ‘smart’ werken in de maakindustrie niet leidt tot meer werkgelegenheid. Verweerder heeft niet inzichtelijk gemaakt om welke reden het al dan niet creëren van extra werkgelegenheid geen rol speelt in de beoordeling.

11.1

Verweerder heeft toegelicht dat werkgelegenheid geen onderdeel is van het toetspunt ‘sociale duurzaamheid’ zodat het project daaraan niet is getoetst. De rechtbank volgt verweerder in dit standpunt en stelt, gelet op het nadere advies van de deskundigencommissie, ook vast dat niet gebleken is dat werkgelegenheid als indicator is gebruikt. De beroepsgrond faalt.

Overige beroepsgronden

12. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat verweerder zijn taak niet zonder vooringenomenheid heeft vervuld. Daarvoor zijn geen aanknopingspunten te vinden in de stukken. Eiseres heeft in haar aanvullende beroepschrift van 28 februari 2019 een aantal voorbeelden van een vooringenomen houding opgesomd. Uit het feit dat verweerder over juridische vraagstukken een (ander) standpunt heeft ingenomen dan eiseres, volgt niet dat verweerder vooringenomen is.

13. Het betoog van eiseres dat geen sprake is van een volledige heroverweging als bedoeld in artikel 7:11 van de Awb slaagt evenmin. De heroverweging die verweerder in bezwaar heeft uitgevoerd, voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Daarbij is met name van belang dat verweerder hangende bezwaar een nader advies heeft gevraagd aan de deskundigencommissie, die uitgebreid op de inhoudelijke bezwaren is ingegaan. Ook op grondslag van de andere door eiseres aangevoerde bezwaren heeft verweerder het primaire besluit heroverwogen.

14. Tot slot volgt de rechtbank eiseres niet in haar betoog dat verweerder ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor de proceskosten van het bezwaar, omdat verweerder het primaire besluit niet heeft herroepen.

Resumerend

15. De beroepsgronden van eiseres slagen niet. Het beroep is ongegrond. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, voorzitter, mr. W.P.C.G. Derksen en mr. S.E.M. Lichtenberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H.M. Steigenga-Gerritsen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 8 mei 2019

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage

Artikel 1:2, eerste lid, van Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt:

“Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken”.

Artikel 4:86 van de Awb luidt :

“1. De verplichting tot betaling van een geldsom wordt bij beschikking vastgesteld.

2. De beschikking vermeldt in ieder geval:

a. de te betalen geldsom;

b. de termijn waarbinnen de betaling moet plaatsvinden.”

Artikel 4:125, eerste en tweede lid, van de Awb luidt :

“1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking waarbij de verplichting tot betaling van een geldsom is vastgesteld, heeft mede betrekking op een bijkomende beschikking van hetzelfde bestuursorgaan omtrent verrekening, uitstel van betaling, verlening van een voorschot, vaststelling van de rente of gehele of gedeeltelijke kwijtschelding, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

2. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen een bijkomende beschikking heeft mede betrekking op een latere bijkomende beschikking met betrekking tot dezelfde geldschuld, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.”

Artikel 7:4 van de Awb luidt als volgt:

“1. Tot tien dagen voor het horen kunnen belanghebbenden nadere stukken indienen.

2. Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor belanghebbenden ter inzage.

3. Bij de oproeping voor het horen worden belanghebbenden gewezen op het eerste lid en wordt vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen.

4. Belanghebbenden kunnen van deze stukken tegen vergoeding van ten hoogste de kosten afschriften verkrijgen.

5. Voor zover de belanghebbenden daarmee instemmen, kan toepassing van het tweede lid achterwege worden gelaten.

6. Het bestuursorgaan kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende, toepassing van het tweede lid voorts achterwege laten, voor zover geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. Van de toepassing van deze bepaling wordt mededeling gedaan.

7. Gewichtige redenen zijn in ieder geval niet aanwezig, voor zover ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur de verplichting bestaat een verzoek om informatie, vervat in deze stukken, in te willigen.

8. Indien een gewichtige reden is gelegen in de vrees voor schade aan de lichamelijke of geestelijke gezondheid van een belanghebbende, kan inzage van de desbetreffende stukken worden voorbehouden aan een gemachtigde die hetzij advocaat hetzij arts is.”

Artikel 8:29 van de Awb luidt als volgt:

“1. Partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de bestuursrechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken.

2. Gewichtige redenen zijn voor een bestuursorgaan in ieder geval niet aanwezig, voor zover ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur de verplichting zou bestaan een verzoek om informatie, vervat in de over te leggen stukken, in te willigen.

3. De bestuursrechter beslist of de in het eerste lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

4. Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de weigering gerechtvaardigd is, vervalt de verplichting.

5. Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, kan hij slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken uitspraak doen. Indien de toestemming wordt geweigerd, wordt de zaak verwezen naar een andere kamer.”

Artikel 8:69a van Awb luidt:

"De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."

1 ECLI:NL:RVS:2018:2001.

2 ECLI:NL:RVS:2018:3292.

3 ECLI:NL:RVS:2001:AB6602.

4 ECLI:NL:CBB:2017:240.

5 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2020.

6 ECLI:EU:C:2019:172.