Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:1760

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-03-2019
Datum publicatie
24-04-2019
Zaaknummer
348027
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Kort geding. Kantonrechter heeft het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst afgewezen en het tegenverzoek tot wedertewerkstelling toegewezen. Werknemer vordert in kort geding onder meer toelating tot overeengekomen werkzaamheden op een specifieke afdeling. Uitleg doel en strekking van de veroordeling tot wedertewerkstelling. Werkgever heeft niet voldaan aan de haar opgelegde veroordeling. De toelating tot werkzaamheden moet geschieden op de wijze zoals vóór het indienen van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst uitwerking aan de arbeidsovereenkomst is gegeven. Toelating op een andere afdeling met specifieke randvoorwaarden valt hier naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet onder. De gevraagde voorzieningen worden toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0459
Prg. 2019/165
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/348027 / KG ZA 19-11 / 876

Vonnis in kort geding van 11 maart 2019

in de zaak van

[naam eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

advocaat mr. M.A. de Jager te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

ALLIANDER N.V.,

gevestigd te Arnhem,

verweerster,

advocaat mr. A. Robustella te Ede (Gelderland).

Partijen zullen hierna [naam eiser] en Alliander genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 27;

  • -

    het e-mailbericht van de advocaat van Alliander van 20 januari 2019, waarin staat dat Alliander vrijwillig zal verschijnen;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 6;

  • -

    de van de zijde van [naam eiser] toegezonden producties 28 en 29, ingekomen op

22 februari 2019;

- de van de zijde van Alliander toegezonden ontbrekende productie 6, ingekomen op

25 februari 2019;

  • -

    de mondelinge behandeling van 25 februari 2019;

  • -

    de pleitnota van [naam eiser] ;

  • -

    de pleitnota van Alliander.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Alliander is als netwerkbedrijf verantwoordelijk voor een groot deel van het energietransport van gas en elektriciteit in Nederland. Alliander draagt samen met de bedrijfsonderdelen Liander en Qirion (tot 26 november 2018 genaamd Liandon) zorg voor onderhoud, vernieuwing, uitbreiding en aanpassing van het energienetwerk.

2.2.

Bedrijfsonderdeel Qirion bedenkt, bouwt en beheert innovatieve energie-infrastructuur, zoals grote (industriële) installaties van Liander, de hoogspanningsnetten van TenneT en de warmte- en koudenetten van Nuon.

2.3.

[naam eiser] is sinds 1 augustus 2012 werkzaam bij Alliander in de functie van Consultant E en tewerkgesteld binnen het bedrijfsonderdeel Qirion (voorheen genaamd Liandon) bij de afdeling Engineering.

2.4.

In het door Alliander gehanteerde functieprofiel ‘Consultant E’ staat, voor zover hier van belang:

“Doel van de functie

Het adviseren en ondersteunen van het lijnmanagement op concern-, divisie- of unitniveau en/ of klanten bij het implementeren van (complexe) veranderings- en migratietrajecten op diverse onderwerpen en/of functioneel gebieden, teneinde een bijdrage te leveren aan de doelstellingen van het concern, de divisie of unit en/of klanten.

(…)

Functiespecifieke kenmerken

- (…)

- Coaching van consultants niveau t/m niveau [naam eiser]

- Richt zelfstandig complexe projecten in en is in staat grote teams te sturen en te motiveren.

- Tevens primair verantwoordelijk voor de klantrelatie, de intake en de definitie van de opdrachten

- (…)”.

2.5.

Alliander heeft [naam eiser] per 15 april 2018 vrijgesteld van werk vanwege een arbeidsconflict.

2.6.

Alliander heeft op 21 juni 2018 bij verzoekschrift de kantonrechter verzocht de tussen haar en [naam eiser] bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden. Aan haar verzoek heeft Alliander, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen en nalaten van [naam eiser] , althans subsidiair van een verstoorde arbeidsverhouding op grond waarvan van Alliander gelet op het bepaalde in artikel 7:671b BW jo artikel 7:669 lid 1 en 3 aanhef en onder sub e en g BW, redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. [naam eiser] heeft bij wijze van tegenverzoek de kantonrechter verzocht hem met onmiddellijke ingang weder te werk te stellen in zijn functie als Consultant E, op straffe van een dwangsom. Bij wijze van voorwaardelijk tegenverzoek heeft [naam eiser] de kantonrechter verzocht om hem, indien tot ontbinding zal worden overgegaan, een transitievergoeding en een billijke vergoeding toe te kennen.

2.7.

In de beschikking van deze rechtbank van 4 oktober 2018 (zaaknummer 7009379 | HA VERZ 18-120) zijn, voor zover voor de beoordeling van belang, de volgende overwegingen en veroordelingen opgenomen:

“ 4.5 (…)

Tot slot is ook van ontoelaatbaar gedrag geen sprake. Weliswaar blijkt uit de overgelegde stukken dat [naam eiser] onbehouwen en bot reageert, maar daar staat tegenover dat het op de weg van Alliander had gelegen om op duidelijke en niet mis te verstane wijze aan [naam eiser] kenbaar te maken dat hij daarmee naar haar mening disfunctioneerde en hem vervolgens in de gelegenheid moeten stellen om zijn functioneren te verbeteren. Dat heeft Alliander nagelaten. Dit klemt naar het oordeel van de kantonrechter te meer daar [naam eiser] een aantal kenmerken vertoont die overeenkomen met een stoornis in het autisme-spectrum (de Asperger-variant). Door Alliander is niet (voldoende) gemotiveerd weersproken dat zij hiervan op de hoogte was. (…) Van een behoorlijk verbetertraject is evenmin gebleken. Alliander had [naam eiser] op een zorgvuldige wijze moeten invoeren in een verbetertraject, dat betrekking dient te hebben op voor de werknemer kenbare tekortkomingen in de uitoefening van zijn functie. Het dient heldere afspraken te bevatten over wat precies van de werknemer wordt verwacht. Het opgestelde verbeterplan moet vooral opgevat worden als een allesomvattend voorschrift van de werkgever over de wijze waarop de werknemer zijn werkzaamheden dient uit te voeren. Daar waar die gewenste werkwijze een afwijking is van de eerdere wijze waarop de werknemer gewoonlijk gewend was zijn werkzaamheden te doen, is het aan de werkgever om daarover eerst met de werknemer in gesprek te gaan en daarover duidelijke en wederzijds kenbare afspraken te maken. Daarvan is geen sprake geweest. (…)

Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat [naam eiser] in de uitvoering van zijn functie steken heeft laten vallen – hetgeen overigens door [naam eiser] wordt betwist – geldt dat Alliander onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dit gestelde handelen en/of nalaten [naam eiser] dermate ernstig is dat van Alliander in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst voor te laten duren, bij afwezigheid van (ernstige) verwijtbaarheid aan de zijde van [naam eiser] .

Kortom, het ontbindingsverzoek op de e-grond wordt afgewezen.

(…)

Dat [naam eiser] zich in zijn reactie op het detacheringsvoorstel richting [werknemer Alliander] in botte en scherpe bewoordingen heeft uitgelaten, is niet diplomatiek, maar, mede gelet op zijn persoonlijkheidstrekken, in de gegeven omstandigheden niet onbegrijpelijk. De kantonrechter begrijpt dat Alliander problemen had met de houding c.q. werkwijze van [naam eiser] . De indruk is echter gewekt dat, mede gelet op de diverse e-mailberichten, er veel óver [naam eiser] is gesproken en in veel mindere mate mét hem. Blijkens de overgelegde e-mailberichten (r.ov. 2.8., 2.9., 2.11., 2.12. tot en met 2.14.) ontstond er een verwijtende sfeer, zonder dat concreet is getracht gezamenlijk tot verbetering te komen. Na het e-mailbericht van [naam eiser] aan [werknemer Alliander] (r.ov. 2.12.) is niet gebleken dat Alliander – via enig (verbeter)traject – heeft geprobeerd om het functioneren van [naam eiser] te (doen) verbeteren, dan wel de verhouding te normaliseren en te herstellen. Dat [werknemer Alliander] problemen had met de houding c.q. werkwijze van [naam eiser] zal zo zijn, maar van Alliander mag in dat geval verwacht worden dat zij probeert deze verhoudingen te herstellen. Dat is niet (voldoende) gebleken. (…) Alliander miskent echter dat zij daarbij een groot aantal stappen heeft overgeslagen en [naam eiser] de mogelijkheid heeft ontnomen om zijn visie te geven, dan wel zijn houding c.q. werkwijze te verbeteren. (…)

Voor zover al kan worden gesproken van enige verstoring in de arbeidsverhouding, is deze naar het oordeel van de kantonrechter veroorzaakt door het feit dat de Alliander onvoldoende heeft gedaan om de zaken ten goede te keren. Dat aan de houding c.q. werkwijze van [naam eiser] een en ander is te verbeteren, kan zo zijn – en kan ook uit de verslagen (r.ov. 2.4. tot en met 2.7.) en e-mailberichten (r.ov. 2.10. tot en met 2.14.) worden afgeleid – , maar laat onverlet dat het op de weg van Alliander ligt om daar samen met [naam eiser] aan te werken. Dat inmiddels sprake is van een enigszins verstoorde arbeidsverhouding, acht de kantonrechter aannemelijk geworden, doch van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onderdeel g BW is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake. Voor zover Alliander een ernstig verstoorde arbeidsrelatie ervaart, is die door haarzelf is veroorzaakt, nu Alliander niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich in voldoende mate heeft ingespannen om deze relatie te herstellen. Dit klemt, zoals hiervoor reeds is overwogen, te meer in verband met [naam eiser] ’s hiervoor vermelde persoonlijkheidstrekken. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is geen sprake van een situatie waarin van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsverhouding te laten voortduren. De conclusie luidt dat (ook) geen sprake is van een redelijke grond voor ontbinding zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onderdeel g BW.

(…)

4.9

Nu het verzoek van Alliander om de arbeidsovereenkomst met [naam eiser] te ontbinden is afgewezen, dient zij hem, gelet op zijn primaire tegenverzoek, in staat te stellen om zijn huidige functie van Consultant E volledig en naar behoren uit te oefenen. (…)

5 De beslissing

De kantonrechter,

inzake het verzoek ex artikel 7:671b BW jo 7:669 lid 3 sub e en g BW en het zelfstandig tegenverzoek

5.1.

wijst het door Alliander verzochte af;

5.2.

veroordeelt Alliander om [naam eiser] binnen 48 uur na betekening van deze beschikking toe te laten tot zijn werkzaamheden als consultant E, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag dat Alliander [naam eiser] niet toelaat tot zijn werkzaamheden, met een maximum van € 3.000,00;

(…)”.

2.8.

De (toenmalige) advocaat van Alliander heeft bij e-mailbericht van 9 oktober 2018 op verzoek daartoe van (de advocaat van) [naam eiser] bericht dat Alliander vrijwillig aan de veroordeling tot wedertewerkstelling zal voldoen, waarbij volgens Alliander afspraken over terugkeer gemaakt zouden moeten worden onder begeleiding van een mediator.

2.9.

Op 11 oktober 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [naam eiser] en zijn leidinggevende, [naam leidinggevende] , over werkhervatting en het starten van een mediationtraject, welk traject daarna is gestart.

2.10.

Op 22 oktober 2018 heeft [naam eiser] zijn werkzaamheden binnen de afdeling Engineering hervat.

2.11.

Uit een e-mailbericht van 6 november 2018 van (de advocaat van) [naam eiser] aan (de advocaat van) Alliander wordt als volgt geciteerd:

“Omdat cliënt primair gericht is op terugkeer op de werkvloer - evenals Alliander stelde te zijn - is hij tot op heden op kantoor verschenen en heeft hij zoals te doen gebruikelijk werkzaamheden verricht voor verschillende projecten (dit tot volle tevredenheid van de betrokken personen)

Van cliënt heb ik echter vernomen dat de heer [naam leidinggevende] hem (wederom) te horen heeft gegeven dat hij niet op kantoor dient te verschijnen totdat de mediation zal zijn doorlopen. (…)

Dit gezegd hebbende, is cliënt evenwel bereid om de mediation een serieuze kans te geven en gedurende deze periode, doch uiterlijk tot 1 december 2018 gehoor geven aan het verzoek van de heer [naam leidinggevende] om niet te verschijnen op kantoor, mits partijen constructief aan de mediation zullen deelnemen en zij uiterlijk op 30 november a.s. tot een afronding daarvan zijn gekomen. (…)

Bij het einde van de mediation, ook in het geval deze voortijdig wordt afgebroken en ongeacht op wiens initiatief zulks geschiedt, zal cliënt op zijn eerste verzoek tewerk worden gesteld in zijn functie. (…)”.

2.12.

Op 21 november 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [naam eiser] (vergezeld van een vertrouwenspersoon), de heer [werknemer Alliander] , directeur Liandon (Qirion), en [werknemer Alliander] , afdeling HR, op verzoek van [naam eiser] . [naam eiser] wenstte een excuus van Alliander omtrent de gang van zaken rondom het verzoek tot ontbinding. Alliander heeft excuus gemaakt voor het niet bewandelen van de juiste stappen in de gevolgde procedure. Alliander heeft geen excuus gemaakt voor het benoemen van het gedrag van [naam eiser] als ongepast en onwenselijk. Partijen hebben gesproken over de bestaande opties, te weten het beëindigen van de arbeidsovereenkomst middels een vaststellingsovereenkomst of het weer te werk stellen van [naam eiser] binnen Alliander.

2.13.

Na dit gesprek heeft [naam eiser] de mediation op 23 november 2018 stopgezet.

2.14.

Bij exploot van 23 november 2018 heeft de gerechtsdeurwaarder in opdracht van [naam eiser] de beschikking van 4 oktober 2018 aan Alliander betekend.

2.15.

Bij brief van 27 november 2018 heeft de huidige advocaat van Alliander [naam eiser] verzocht om niet op kantoor te verschijnen totdat duidelijke afspraken zijn gemaakt over hervatting van werkzaamheden.

2.16.

In reactie daarop antwoordt (de advocaat van) [naam eiser] in een e-mailbericht van 27 november 2018, kort samengevat, dat Alliander is veroordeeld om [naam eiser] toe te laten tot zijn werkzaamheden als Consultant E en dat geen sprake is van een noodzaak voor het ‘duiden en inkaderen van de werkzaamheden’. [naam eiser] is echter bereid om vanaf donderdag 29 november 2018 thuis te blijven, indien zijn loon zal worden doorbetaald. De in de beschikking van 4 oktober 2018 opgelegde dwangsommen zullen volgens [naam eiser] met ingang van 29 november 2018 verbeuren.

2.17.

Bij brief van 30 november 2018 heeft (de advocaat van) Alliander (de advocaat van) [naam eiser] als volgt, voor zover hier van belang, bericht:

“(…)

3. Tegelijkertijd onderschrijf ik de eveneens van rechtsoverweging 4.7 van de beschikking deel uitmakende analyse dat uit de overgelegde verslagen en e-mailberichten kan worden afgeleid dat aan de houding en werkwijze van uw cliënt een en ander is te verbeteren en het op de weg van cliënte ligt om daar samen met uw cliënt aan te werken.

4. Moet cliënte daarbij rekening houden met - wat in het verzoekschrift wordt genoemd - een niet neurotypische persoonlijkheid van uw cliënt, is het belang bij het maken van en handelen conform duidelijke afspraken met betrekking tot de in de functie van consultant E te verrichten werkzaamheden (het duiden en inkaderen van de te verrichten werkzaamheden), aansturing (wie is voor uw cliënt binnen de organisatie van cliënte zijn aanspreekpunt?), de (wijze van) samenwerking met collega’s en externe partijen alsook de wijze van communicatie een vereiste voor het (kunnen) continueren van de arbeidsovereenkomst.

Hoe nu verder?

5. Indachtig de overweging van de kantonrechter dat het op de weg van cliënte ligt om duidelijk te maken wat zij van uw cliënt verwacht respectievelijk wat uw cliënt van haar kan verwachten (zie ondermeer) rechtsoverweging 4.5 van de beschikking merk ik het volgende op:

Werkzaamheden

In de functie van consultant E wenst cliënte in overleg met uw cliënt de in bijlage 1 geformuleerde opdrachten uitgevoerd te zien worden.

Voor wat betreft de uitvoering van de opdrachten gelden de in bijlage 2 genoemde basisafspraken en randvoorwaarden.

(…)”.

2.18.

In bijlage 1 staat, voor zover hier van belang:

“Opdrachtformulering 1 => Safety by Design

(…)

Aanleiding/inleiding:

Qirion heeft van de wet- en regelgeving (oa. ARBO besluit) verplichting om ontwerpverantwoording af te leggen op het gebied van veiligheid. Op dit moment hebben we onvoldoende inzicht en overzicht of we compliance zijn aan deze verplichting.

Hoofdvraag:

Op welke wijze kunnen we binnen Qirion Safety by Design toepassen en wat moeten we doen om compliance te zijn/worden?

(…)

Opdrachtformulering 1 => Machine richtlijnen

(…)

Aanleiding/inleiding:

Qirion heeft van de wet- en regelgeving verplichting om aan machine richtlijnen eisen en regels te voldoen. Op dit moment hebben we onvoldoende inzicht en overzicht of we compliance zijn aan deze verplichting.

Hoofdvraag:

Op welke wijze kunnen we binnen Qirion machine richtlijn compliance te zijn/worden?

(…)”.

2.19.

In bijlage 2 staat, voor zover hier van belang:

“Basis afspraken en randvoorwaarden

(…)

Overleg:

 2x per week afspraak op locatie (Duiven of Amsterdam) face to face

 (…)

Houding en gedrag:

 Vastgestelde gesprekspartners voor operatie ( [werknemer Alliander] , [werknemer Alliander] )

 (…)

 Geen contact met klant/externe en afdelingen tenzij (schriftelijk) overeengekomen met Martijn

 (…)”.

2.20.

De advocaat van [naam eiser] heeft in een e-mailbericht van 6 december 2018 op het voorstel van Alliander gereageerd door, kort gezegd, te stellen dat de aangeboden functie een gecreëerde functie is die niet aansluit op de kennis en ervaring van [naam eiser] , dat [naam eiser] de functie als een demotie ziet en dat Alliander hem alleen in deze functie plaatst, zodat hij zo min mogelijk contact heeft met collega’s en klanten. [naam eiser] concludeert dat Alliander niet voldoet aan de gegeven beschikking door hem niet te werk te stellen in zijn functie als Consultant E en hem wil overplaatsen naar een andere afdeling onder oplegging van beperkende randvoorwaarden.

2.21.

Tussen (de advocaten van) partijen is vervolgens uitvoerig gecorrespondeerd over de vraag of het aanbod van Alliander voldoet aan de veroordeling tot wedertewerkstelling, hetgeen niet tot een oplossing heeft geleid.

2.22.

Bij brief van 21 december 2018 kondigde de advocaat van Alliander aan over te zullen gaan tot een voorwaardelijke loonstop. Indien in het aangekondigde kort geding vast komt te staan dat [naam eiser] de aangeboden werkzaamheden moet uitvoeren, zal Alliander het vanaf 21 december 2018 tot dan betaalde loon terugvorderen.

3 Het geschil

3.1.

[naam eiser] vordert dat de voorzieningenrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

1. Alliander gebiedt om [naam eiser] binnen 24 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis toe te laten tot zijn overeengekomen werkzaamheden bij Alliander als Consultant E op de afdeling Engineering, op straffe van een dwangsom van € 25.000,00 voor iedere dag, dan wel ieder dagdeel, dat Alliander in strijd handelt met het te deze zake gegeven rechterlijk bevel, tot een maximum van € 750.000,00, dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen maximum,

2. Alliander veroordeelt tot betaling van een voorschot van € 3.000,00 op de vanaf

29 november 2018 verbeurde dwangsommen,

3. Alliander veroordeelt tot betaling van een voorschot van € 30.000,00 op de kosten ex artikel 6:96 BW,

4. Alliander veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente over de nakosten indien binnen 8 dagen na betekening van het vonnis daaraan geen gehoor is gegeven,

alsmede,

indien en voor zover Alliander de loonbetalingen zou staken, zoals door haar is aangekondigd, Alliander voorwaardelijk veroordeelt;

5. tot correcte doorbetaling van het loon cum annexis,

6. tot betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid tot aan de dag van volledige betaling.

3.2.

[naam eiser] legt - samengevat - aan zijn vorderingen ten grondslag dat Alliander niet heeft voldaan aan de veroordeling uit hoofde van de beschikking van de kantonrechter van

4 oktober 2018. Alliander wil hem niet te werk stellen in zijn functie als Consultant E op de afdeling Engineering, zoals hij deze voor het verzoek tot ontbinding heeft uitgevoerd, maar wil hem onvrijwillig en zonder gegronde reden overplaatsen naar een andere afdeling onder eenzijdige oplegging van hem in de uitoefening van zijn functie zeer beperkende voorwaarden.

3.3.

Alliander voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering. Alliander stelt dat zij aan de veroordeling tot, samengevat, wedertewerkstelling heeft voldaan nu zij [naam eiser] heeft opgeroepen om de werkzaamheden als Consultant E binnen de afdeling HSEQ, met inachtneming van de daarbij geformuleerde randvoorwaarden, te verrichten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In deze procedure moet worden beoordeeld of de vordering in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat vooruitlopend daarop toewijzing gerechtvaardigd is. Gelet op het voorlopige karakter van de kortgedingprocedure past geen uitgebreid onderzoek naar de feiten, noch is er plaats voor nadere bewijsvoering.

4.2.

Genoegzaam gebleken is dat [naam eiser] een spoedeisend belang bij de door hem gevraagde voorziening tot wedertewerkstelling heeft. Nu het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst is afgewezen en het tegenverzoek tot wedertewerkstelling is toegewezen, wenst hij zijn eigen werkzaamheden als Consultant E bij de afdeling Engineering weer uit te oefenen. Hij stelt dat hem dit zonder redelijke gronden wordt geweigerd.

4.3.

Het gaat aldus om de vraag of Alliander aan de in de beschikking van 4 oktober 2018 opgenomen veroordeling van de kantonrechter heeft voldaan, namelijk of zij [naam eiser] heeft toegelaten tot zijn werkzaamheden als Consultant E door hem op te roepen voor het verrichten van werkzaamheden als Consultant E op de afdeling HSEQ met de daarbij onder 2.19 geformuleerde en opgelegde randvoorwaarden.

Beoordeeld moet worden of Alliander hiermee overeenkomstig doel en strekking van de beschikking van 4 oktober 2018 heeft gehandeld. Voor de uitleg van de inhoud van de veroordeling moet de in het dictum uitgesproken veroordeling worden gelezen in verband met de daaraan voorafgaande rechtsoverwegingen waarop zij steunt (HR 25 februari 1994 NJ 1996,362). Daarbij dient de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in dier voege dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (HR 15 november 2002 NJ 2004,410).

4.4.

In het functieprofiel ‘Consultant E’ is niet vastgelegd op welke afdeling(en) een Consultant E werkzaam is. Uit de overgelegde arbeidsovereenkomst blijkt dat [naam eiser] is aangenomen als Consultant E binnen het bedrijfsonderdeel Liandon (thans Qirion), maar daarin is niet vermeld dat hij is aangenomen voor die functie op een specifieke afdeling Ter zitting heeft [naam eiser] onweersproken gebleven gesteld dat hij steeds onder de vlag van Liandon (later Qirion) werkzaam was bij de afdeling Engineering. Nooit eerder is hij ingezet op projecten bij de afdeling Energy Consulting of de afdeling HSEQ (de afdeling waar Alliander [naam eiser] ter uitvoering van de beschikking van 4 oktober 2018wilde plaatsen en, vooruitlopend daarop, inmiddels organisatorisch heeft geplaatst). Alliander heeft dit niet weersproken. Na de gewezen beschikking heeft [naam eiser] enkele dagen op zijn (eigen) afdeling Engineering gewerkt, tot het moment waarop Alliander hem heeft verzocht daarmee te stoppen met als reden dat [naam eiser] zo de mediation een betere kans zou geven.

4.5.

Het aanbod waarmee Alliander stelt te voldoen aan de beschikking van 4 oktober 2018 betreft een opdracht op de afdeling HSEQ ten aanzien van ‘Safety by design’ en ‘machinerichtlijnen’ (zie onder 2.18). Aan deze opdracht heeft Alliander een aantal randvoorwaarden gekoppeld (opgenomen onder 2.19). Alliander heeft het geven van deze opdracht toegelicht met de stelling dat dit project en de daarbij horende werkzaamheden passend zijn op het niveau van een Consultant E, dat de kennis en expertise van [naam eiser] nodig zijn voor dit project, dat geen sprake is van een demotie en dat er geen wijziging is in functie of arbeidsvoorwaarden. Voorts heeft Alliander aangevoerd dat zij bij dit voorstel duidelijke werkafspraken en duidelijke kaders heeft geschetst om te voldoen aan de signalering van de kantonrechter in de beschikking van 4 oktober 2018 dat [naam eiser] dergelijke afspraken nodig heeft, gelet op zijn neuro-a-typische karakter. Als werkgever dient zij daarop in te spelen, hetgeen zij met dit voorstel heeft gedaan. Bij de afdeling HSEQ hebben ze geen voorgeschiedenis met [naam eiser] hetgeen ten goede komt aan de wedertewerkstelling, aldus Alliander.

4.6.

[naam eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat Alliander met het aanbieden van deze functie bij HSEQ met de daarbij geformuleerde randvoorwaarden niet voldoet aan de veroordeling om hem weer toe te laten tot zijn werkzaamheden als Consultant E.

Daartoe stelt [naam eiser] het volgende. De werkzaamheden op het gebied van HSEQ passen niet bij zijn kennis en ervaring. In deze functie zou hij moeten rapporteren aan de heer Imminga, een beleidsadviseur, terwijl hij binnen de afdeling Engineering opereerde op het niveau van de teamleiders. Daarnaast mag hij volgens de randvoorwaarden alleen contact hebben met klanten en externen na (schriftelijke) toestemming van Imminga. Dit verhoudt zich niet met de functieomschrijving van Consultant E, aangezien daarin staat dat deze ‘primair verantwoordelijk is voor de klantrelatie’. Afgezien van het feit dat hij best bereid is om een project voor HSEQ te doen, maken de eenzijdig opgelegde randvoorwaarden dat van een volwaardige Consultant E functie zoals hij die verrichtte en waarop de veroordeling tot wedertewerkstelling ziet niet kan worden gesproken, aldus [naam eiser] .

4.7.

Om te bepalen wat valt onder het begrip ‘zijn werkzaamheden als Consultant E ’ als door de kantonrechter in haar beschikking genoemd, moet worden gekeken naar de uitwerking zoals deze voor het verzoek tot ontbinding aan de arbeidsovereenkomst is gegeven.

4.8.

Onder 4.4. is reeds overwogen dat [naam eiser] gedurende zijn arbeidsovereenkomst zijn werkzaamheden steeds heeft uitgevoerd op de afdeling Engineering. Met [naam eiser] is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat de functie bij HSEQ met de daarbij geformuleerde randvoorwaarden niet voldoet aan de veroordeling zoals die door de kantonrechter is uitgesproken in het kader van de wedertewerkstelling. Gelet op het feit dat

[naam eiser] zijn werkzaamheden altijd voor de afdeling Engineering verrichtte en daarbij vrijelijk contact met derden had kwalificeert de functie bij HSEQ niet als ‘zijn werkzaamheden’, nog daargelaten dat [naam eiser] niet over kennis van en ervaring met de werkzaamheden bij HSEQ beschikt. Bovendien doen de gestelde randvoorwaarden afbreuk aan het functieprofiel van Consultant E en de wijze waarop [naam eiser] die steeds heeft uitgevoerd.

4.9.

Alliander heeft ter rechtvaardiging van haar beslissing [naam eiser] bij HSEQ te plaatsen aangevoerd dat [naam eiser] bij wedertewerkstelling op de afdeling Engineering te maken zal krijgen met collega’s die bekend zijn met zijn voorgeschiedenis hetgeen tot problemen zou kunnen leiden, de verhouding met [werknemer Alliander] (directeur Liandon, thans Qirion) is verstoord en voorts dat Alliander, met de randvoorwaarden, uitvoering heeft willen geven aan de opdracht van de kantonrechter in de beschikking van 4 oktober 2018 om rekening te houden met de specifieke persoonlijkheidsstructuur van [naam eiser] .

Dat [naam eiser] op de afdeling Engineering weer te maken zou krijgen met collega’s die bekend zijn met zijn voorgeschiedenis en/of dat de relatie met [werknemer Alliander] is verstoord rechtvaardigt niet om [naam eiser] , in het kader van de veroordeling tot wedertewerkstelling, bij HSEQ te plaatsen. De dagen dat [naam eiser] na de beschikking werkzaamheden op de afdeling Engineering heeft uitgevoerd, hebben - voor zover bekend – niet tot relevante problemen geleid. Ook de verstoorde relatie met [werknemer Alliander] is daartoe geen reden. [naam eiser] heeft gemotiveerd gesteld dat hij voorheen in zijn eigen werk niet veel te maken had met [werknemer Alliander] . Dit heeft Alliander niet (voldoende) weersproken.

4.10.

Alliander leest in de beschikking van de kantonrechter van 4 oktober 2018 een opdracht aan haar als werkgever om rekening te houden met de persoonlijkheidsstructuur van [naam eiser] (het neuro-a-typische karakter), waarbij [naam eiser] gebaat is bij duidelijke werkafspraken en een duidelijk kader en daarom - zoals Alliander dat noemt - niet op de oude voet door te gaan. Indachtig die beschikking meent Alliander randvoorwaarden te moeten opleggen om aldus rekening te houden met de specifieke karakterstructuur van [naam eiser] . De voorzieningenrechter deelt deze uitleg van de beschikking niet. De kantonrechter heeft met name in de overwegingen onder 4.5 (hiervoor opgenomen onder 2.7) geoordeeld dat Alliander [naam eiser] duidelijk had moeten maken dat hij met zijn werkwijze of wijze van communiceren naar haar mening disfunctioneerde en had [naam eiser] in de gelegenheid moeten stellen om zijn functioneren te verbeteren. Daarvoor had Alliander op een zorgvuldige wijze een verbetertraject moeten starten, dat betrekking heeft op de voor [naam eiser] kenbare tekortkomingen in de uitoefening van zijn functie. Kortom, Alliander had met [naam eiser] in gesprek moeten gaan over zijn functioneren en dan met hem een verbetertraject moeten starten. Het eenzijdig opleggen van randvoorwaarden, zoals nu door Alliander is gebeurd, rijmt niet met het ‘in gesprek gaan’ met [naam eiser] en het starten van een verbetertraject voor de uitoefening van zijn functie. Een gedwongen wijziging van afdeling valt daar ook niet onder. Deze uitleg van de beschikking valt ook niet te volgen indien uitgegaan wordt van de door Alliander gelezen opdracht van de kantonrechter ‘om niet op dezelfde voet verder te gaan’. Het verwijt dat de kantonrechter Alliander als werkgever maakt is dat zij niet met [naam eiser] in gesprek is gegaan en dat zij geen verbetertraject is gestart. In het licht van de beschikking zou op dezelfde voet doorgaan betekenen wederom niet in gesprek gaan met [naam eiser] en, indien nodig, geen verbetertraject starten. De kantonrechter heeft voorts onder 4.7 overwogen dat het op de weg van Alliander ligt om samen met [naam eiser] te werken aan de onderlinge verhouding. Alliander heeft in het geheel niet geprobeerd om [naam eiser] op zijn eigen afdeling, te weten Engineering, toe te laten tot zijn werkzaamheden, waarbij zij met hem in gesprek zou gaan over de door haar gewenste te hanteren werkwijze en manier van communiceren. De door Alliander opgelegde beperkingen in klantencontact stroken niet met de functieomschrijving van een Consultant E.

4.11.

Een en ander leidt tot het voorlopig oordeel dat Alliander niet heeft voldaan aan de haar opgelegde veroordeling om [naam eiser] toe te laten tot zijn werkzaamheden als Consultant E. Deze toelating dient te geschieden op de wijze zoals vóór het indienen van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst uitwerking aan de arbeidsovereenkomst is gegeven, te weten met de voorheen door [naam eiser] uitgevoerde taken volgend uit het functieprofiel van Consultant E op de afdeling Engineering. De voorzieningenrechter wijst daarom de gevraagde voorziening toe.

4.12.

De gevorderde dwangsom wordt bepaald op € 1,000,- per dag met een maximum van € 100.000,-.

4.13.

[naam eiser] vordert voorts betaling van een voorschot van € 3.000,00 op de volgens [naam eiser] vanaf 29 november 2018 verbeurde dwangsommen. Alliander heeft tegen toewijzing hiervan verweer gevoerd. De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande als volgt. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De voorzieningenrechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de voorzieningenrechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening. Voornoemde drie criteria zijn communicerende vaten. Dit houdt in dat hoe zekerder de vordering is, hoe minder het restitutierisico meeweegt en hoe sneller een voldoende spoedeisend belang aanwezig geacht mag worden.

4.14.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter aannemelijk is geworden dat Alliander niet heeft voldaan aan de veroordeling van de kantonrechter tot toelating van [naam eiser] tot zijn werkzaamheden als Consultant E. Daarmee is voldoende aannemelijk geworden dat [naam eiser] een vordering heeft op Alliander ten aanzien van verbeurde dwangsommen. Nu de hoofdvordering zal worden toegewezen, is de proceseconomie erbij gebaat dat in hetzelfde geding ook over de verbeurde dwangsom wordt beslist. De voorzieningenrechter gaat er aldus vanuit dat ook toewijzing van deze nevenvordering uit hoofde van onverwijlde spoed geboden is. Omtrent een restitutierisico is niets gesteld. De voorzieningenrechter zal dan ook de gevorderde betaling van een voorschot van € 3.000,00 op verbeurde dwangsommen toewijzen.

4.15.

Ten aanzien van het gevorderde voorschot van € 30.000,00 op de gemaakte kosten van rechtsbijstand oordeelt de voorzieningenrechter als volgt. De onder 4.13. en 4.14. opgenomen uitgangspunten met betrekking tot de toewijzing van een veroordeling tot betaling van een geldsom in kort geding, gelden ook onverkort voor dit deel van de vordering. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat [naam eiser] juridische bijstand heeft moeten inschakelen nadat de beschikking van 4 oktober 2018 is gewezen. De weigering van Alliander om [naam eiser] toe te laten tot zijn werkzaamheden heeft consequenties gehad voor [naam eiser] . Hierdoor is hij genoodzaakt geweest om juridische bijstand in te schakelen. [naam eiser] heeft geen specificatie van de werkzaamheden noch de betreffende facturen van zijn advocaat in het geding gebracht. Toewijzing van het volledig gevorderde bedrag als voorschot ligt dan ook niet in de rede. De voorzieningenrechter acht toewijzing van een voorschot van € 10.000,00 redelijk.

4.16.

De gevorderde voorwaardelijke veroordeling van Alliander tot doorbetaling van loon en betaling van de wettelijke verhoging wijst de voorzieningenrechter af, nu [naam eiser] daar thans geen belang bij heeft. De loonbetaling is immers niet gestaakt noch is voldaan aan de door Alliander aan de staking van de loonbetaling gekoppelde voorwaarde, inhoudende dat de voorzieningenrechter tot het oordeel moet komen dat [naam eiser] de aangeboden werkzaamheden moet uitvoeren.

4.17.

Alliander zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [naam eiser] worden begroot op:

- griffierecht 297,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.113,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

gebiedt Alliander om [naam eiser] binnen 24 uur na betekening van het vonnis toe te laten tot zijn overeengekomen werkzaamheden als Consultant E op de afdeling Engineering op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat Alliander daarmee in gebreke is tot een maximum van € 100.000,00,

5.2.

veroordeelt Alliander tot betaling van een voorschot van € 3.000,00 op de vanaf

29 november 2018 verbeurde dwangsommen,

5.3.

veroordeelt Alliander tot betaling van een voorschot van € 10.000,00 op de kosten ex artikel 6:96 BW,

5.4.

veroordeelt Alliander in de proceskosten, aan de zijde van [naam eiser] tot op heden begroot op € 1.113,00,

5.5.

veroordeelt Alliander in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Alliander niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.W. de Groot en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2019.