Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:1728

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
24-04-2019
Zaaknummer
7298964
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Boete vanwege ‘treintje rijden’, geen oneerlijk beding, geen overmacht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/296
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 7298964 \ CV EXPL 18-11685 \ 512 \ 543

uitspraak van

vonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Q-Park Operations Netherlands B.V.

gevestigd te Maastricht

eisende partij

gemachtigde mr. C.F.P.M. Spreksel

tegen

[naam gedaagde]

wonende te [woonplaats gedaagde]

gedaagde partij

gemachtigde R. van Herwaarden

Partijen worden hierna Q-Park en [naam gedaagde] genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 11 oktober 2018 met producties

- de conclusie van antwoord met producties

- de conclusie van repliek met een productie

- de conclusie van dupliek.

2 De feiten

2.1.

Q-Park exploiteert de parkeeraccommodatie EDE-Markt en biedt aldaar tegen betaling parkeerplaatsen aan.

2.2.

Voor het gebruik van deze parkeeraccommodatie is een parkeervergoeding verschuldigd, waarbij een maximum dagtarief van € 12,50 geldt. Betaling hiervan vindt plaats op het moment dat de bezoeker de parkeeraccommodatie verlaat.

2.3.

Op 24 februari 2018 om 14:56 uur is een Volvo V70 D5 AUT met kenteken [kenteken auto] de parkeeraccommodatie uitgereden door vlak achter een voorganger aan te rijden; het zogenaamde ‘treintje rijden’. Het kenteken van de auto staat op naam van [naam gedaagde] .

2.4.

In de Algemene Voorwaarden Parkeren van Q-Park (hierna: de algemene voorwaarden) staat - voor zover van belang - het volgende:

(…)

5.9

De parkeerder en zijn voertuig dienen de parkeerfaciliteit uitsluitend te verlaten met gebruikmaking van een geldig, door Q-Park geaccepteerd parkeerbewijs of middel. Het zonder gebruikmaking van een geldig door Q-Park geaccepteerd parkeerbewijs of middel verlaten van de parkeerfaciliteit is onder geen beding toegestaan. De parkeerder is in dat geval het door Q-Park voor de betreffende parkeerfaciliteit vastgestelde tarief “verloren kaart” verschuldigd (afhankelijk van de parkeerfaciliteit bedraagt dit éénmaal, tweemaal of driemaal het geldende dagtarief), vermeerderd met een bedrag aan aanvullende schadevergoeding ad € 300,- en zulks onverminderd de rechten van Q-Park tot het vorderen van overige daadwerkelijk geleden (gevolg-)schade. Het hiervoor genoemde tarief “verloren kaart” laat onverlet het recht van Q-Park om de parkeerder de werkelijke parkeerkosten in rekening te brengen mochten die hoger zijn dan het tarief “verloren kaart”.

(…)

6.4

Het zonder voorafgaande betaling van het verschuldigde parkeergeld met het voertuig verlaten van de parkeerfaciliteit, bijvoorbeeld door middel van het zogenaamde “treintje rijden” waarbij de parkeerder direct achter zijn voorganger onder de slagboom doorrijdt, is onder geen beding toegestaan.

De parkeerder is in dat geval het door Q-Park voor de betreffende parkeerfaciliteit vastgestelde tarief “verloren kaart” verschuldigd (…), vermeerderd met een bedrag aan aanvullende schadevergoeding ad € 300,-.

(…)

6.6

In geval van verlies of het ontbreken van het parkeerbewijs, is de parkeerder het door Q-Park voor de betreffende parkeerfaciliteit vastgestelde tarief “verloren kaart” verschuldigd (…). De parkeerder dient dit bedrag vóór het verlaten van de parkeerfaciliteit te voldoen.

(…)

3 De vordering en het verweer

3.1.

Q-Park vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de veroordeling van [naam gedaagde] tot betaling aan haar van een bedrag van € 359,38, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van pleging, althans van verzuim, althans vanaf een andere door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag van volledige betaling. Verder vordert Q-Park de veroordeling van [naam gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

Q-Park legt aan haar vordering ten grondslag dat tussen haar en [naam gedaagde] een overeenkomst tot stand is gekomen, waarbij Q-Park aan [naam gedaagde] tegen betaling van de ter plaatse geldende tarieven een parkeerplaats in de parkeeraccommodatie EDE-Markt heeft aangeboden. Q-Park stelt dat [naam gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de op hem rustende verplichtingen uit deze overeenkomst, omdat hij de parkeeraccommodatie is uitgereden door direct achter een voorganger onder c.q. langs de slagboom te rijden (het zogenaamde ‘treintje rijden’), althans zonder gebruikmaking van een geldig parkeerbewijs of –middel de parkaccommodatie te verlaten. Subsidiair stelt Q-Park dat [naam gedaagde] door het ‘treintje rijden’ onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Op grond van de artikelen 5.9, 6.4 en 6.6 van de algemene voorwaarden heeft Q-Park aan [naam gedaagde] het geldende tarief “verloren kaart” ter hoogte van € 12,50 en een schadevergoeding ter hoogte van € 300,00 in rekening gebracht. Aangezien [naam gedaagde] het verschuldigde bedrag niet tijdig heeft betaald, is hij tevens de wettelijke rente verschuldigd. Daarnaast stelt Q-Park buitengerechtelijke werkzaamheden te hebben verricht, dan wel laten verrichten. Zij houdt [naam gedaagde] aansprakelijk voor de daaraan verbonden kosten van € 46,88 (exclusief btw).

3.3.

[naam gedaagde] erkent dat hij de parkeeraccommodatie heeft verlaten door direct achter zijn voorganger aan onder de slagboom door te rijden. Hij voert echter aan dat dit hem niet is toe te rekenen vanwege psychische overmacht en op grond van de redelijkheid en billijkheid. Zijn echtgenote is chronisch ziek en op dat moment was sprake van een acute medische noodsituatie. Daarnaast is hij een vaste klant van Q-Park en heeft hij nooit de opzet gehad om Q-Park te benadelen. [naam gedaagde] voert verder aan dat hij voorafgaand aan het verlaten van de parkeeraccommodatie wel heeft betaald. Hij betwist de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden en de hoogte van de gestelde schade. Tevens betwist [naam gedaagde] dat hij gehouden is buitengerechtelijke incassokosten te betalen.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat tussen hen op

24 februari 2018 een overeenkomst terzake het tegen betaling beschikbaar stellen van een parkeerplaats tot stand is gekomen. Evenmin is in geschil dat [naam gedaagde] op die dag direct achter zijn voorganger aan onder de slagboom door is gereden en zich aldus schuldig heeft gemaakt aan ‘treintje rijden’.

4.2.

[naam gedaagde] heeft allereerst betwist dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn. Q-Park stelt dat bij de ingang van de parkeeraccommodatie voorafgaand aan het naar binnenrijden de (toepasselijkheid van de) algemene voorwaarden conform de wettelijke vereisten kenbaar worden gemaakt door middel van een informatiebord. Daarop staat tevens vermeld waar de algemene voorwaarden kunnen worden opgevraagd. In het licht van deze onderbouwing van Q-Park heeft [naam gedaagde] zijn betwisting onvoldoende gemotiveerd, zodat komt vast te staan dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn.

4.3.

Op grond van artikel 5.9 van de algemene voorwaarden is [naam gedaagde] vanwege het ‘treintje rijden’ in beginsel het vastgestelde tarief “verloren kaart” en een boete van € 300,00 verschuldigd. Nu de overeenkomst tussen Q-Park en [naam gedaagde] moet worden aangemerkt als een consumentenovereenkomst als bedoeld in de Richtlijn 93/13 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn), dient de kantonrechter op grond van rechtspraak van het Hof van Justitie (4 juni 2009, C 243/08) en de Hoge Raad (13 september 2013 ECLI:NL:HR:2013:691) ambtshalve te beoordelen of het beding onredelijk bezwarend is. Daartoe dient artikel 6:233 BW conform de Richtlijn te worden uitgelegd en – indien de kantonrechter vaststelt dat het beding ‘oneerlijk’ is – het beding ambtshalve te worden vernietigd (HR 13 september 2013 ECLI:NL:HR:2013:691).

4.4.

Volgens artikel 3 lid 1 van de Richtlijn wordt een beding als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. In de bijlage bij de Richtlijn wordt vermeld dat een beding onder meer oneerlijk kan zijn als dat beding tot doel of tot gevolg heeft de consument die zijn verbintenissen niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen.

Daarnaast volgt uit artikel 6:233, aanhef en onder a, BW dat een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar is, indien het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden zijn tot stand gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij.

4.5.

In het licht van de Richtlijn en artikel 6:233, aanhef en onder a, BW, zal de kantonrechter bij de beantwoording van de vraag of het boetebeding van artikel 6.4 van de algemene voorwaarden oneerlijk is, als maatstaf hanteren of de boete in een redelijke verhouding staat tot de voor Q-Park te verwachten schade door de gedraging waarop de boete is gesteld, en of de boete als ‘prikkel tot nakoming’ in een redelijke verhouding staat tot het belang voor Q-Park dat met nakoming van de verplichting is gediend. Verder moet de gedraging waarop de boete is gesteld een voldoende ernstige tekortkoming in de nakoming opleveren om een boete te kunnen rechtvaardigen.

4.6.

Gelet op artikel 5.9 van de algemene voorwaarden is het verlaten van de parkeeraccommodatie zonder gebruikmaking van een geldig parkeerbewijs reeds grond om een boete op te leggen. De vraag of [naam gedaagde] voorafgaand aan het verlaten van de parkeeraccommodatie heeft betaald en of Q-Park daadwerkelijk schade heeft geleden, zoals door [naam gedaagde] naar voren is gebracht, is daarbij niet van belang. De kantonrechter is van oordeel dat het ‘treintje rijden’ door [naam gedaagde] op 24 februari 2018 een ernstige tekortkoming oplevert in de nakoming van de overeenkomst, hetgeen in beginsel een boete rechtvaardigt. Dat hij een vaste klant van

Q-Park is en nooit de opzet heeft gehad om Q-Park te benadelen, zoals [naam gedaagde] betoogt, maakt dit niet anders. Dat er sprake was van overmacht omdat zijn echtgenote in een acute medische noodsituatie verkeerde, zoals [naam gedaagde] stelt, is een omstandigheid die, hoe vervelend die ook is, niet maakt dat de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend. Niet is gebleken dat er sprake was van een zodanige noodsituatie die maakte dat [naam gedaagde] niet anders kon handelen. Daarbij acht de kantonrechter ook van belang dat door Q-Park onweersproken is gesteld dat [naam gedaagde] niet kort na zijn gedraging contact met haar heeft opgenomen om de situatie toe te lichten, maar dit verweer pas na het uitbrengen van de dagvaarding naar voren heeft gebracht.

4.7.

Q-Park heeft over het in haar algemene voorwaarden opgenomen boetebeding naar voren gebracht dat zij door het ‘treintje rijden’ niet alleen schade lijdt, maar dat het ‘treintje rijden’ ook gevaarzetting oplevert voor andere verkeersdeelnemers. In de boete zijn in de eerste plaats verdisconteerd de kosten die Q-Park in verband met het ‘treintje rijden’ heeft gemaakt en zal moeten maken. Dit betreft de kosten die voortvloeien uit het inrichten van een observatiesysteem, het bestuderen van camerabeelden, het verwerken van gegevens, het opvragen van kentekengegevens bij RDW, de aanmaak van een dossier en het investeren in preventie- en ontmoedigingsprogramma’s. Verder is het door Q-Park gebruikte parkeersysteem aangesloten op het parkeerrouteinformatiesysteem van de gemeenten. Door het ‘treintje rijden’ worden deze systemen van onjuiste informatie voorzien wat betreft de beschikbaarheid van parkeerplaatsen in een parkeeraccommodatie. Dit heeft nadelige gevolgen voor Q-Park, maar ook voor weggebruikers, belanghebbenden en gemeenten. Los van de gevolgen daarvan voor de mobiliteit in en rondom een stadscentrum, betekent dit dat Q-Park inkomsten misloopt. Verder kunnen door deze manier van uitrijden de slagbomen ontregeld raken en kan er schade aan de slagboom ontstaan.

Daarnaast levert ‘treintje rijden’ op zichzelf een onveilige situatie op. De parkeerder verlaat de garage willens en wetens op een onveilige manier. Deze vorm van gevaarzetting is ernstig en onacceptabel. Bij het ‘treintje rijden’ kan een schrikreactie bij de directe voorganger worden veroorzaakt waardoor een botsing kan ontstaan. De gevaarzetting geldt tevens voor andere kwetsbare verkeersdeelnemers, zoals voetgangers en fietsers die buiten de parkeerfaciliteit om langskomen en geen tweede auto verwachten nadat er één auto is uitgereden. Voorts kunnen de slagbomen ontregeld raken en doorslaan naar de andere zijde waardoor een motorvoertuig of, erger, een persoon geraakt kan worden. Verder is volgens Q-Park uit de praktijk gebleken dat het ‘treintje rijden’ kopieergedrag veroorzaakt.

In verband met voornoemde omstandigheden stelt Q-Park groot belang te hebben bij het tegengaan van deze vorm van parkeerfraude.

4.8.

[naam gedaagde] heeft de juistheid van deze toelichting door Q-Park op het boetebeding niet betwist en de kantonrechter heeft geen reden aan die juistheid te twijfelen. De genoemde schadeposten tezamen hebben Q-Park gebracht tot het vaststellen van de boete op een bedrag van € 300,00, met als bijkomende gedachte dat deze boete ook voldoende afschrikwekkend moet zijn. De kantonrechter is van oordeel dat die boete in een redelijke verhouding staat tot de (te verwachten) schade door de gedraging waarop de boete is gesteld. Bovendien staat de boete als ‘prikkel tot nakoming’ in een redelijke verhouding tot het belang voor Q-Park dat met nakoming van de verplichting is gediend, te weten het voorkomen van verkeersonveilige gedragingen door het financieel onaantrekkelijk maken van ‘treintje rijden’. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat het boetebeding, gelet op al hetgeen door Q-Park is gesteld over de aard en de achtergrond van dit beding, niet aan te merken is als een oneerlijk beding. Gelet op het voorgaande is de door Q-Park gevorderde boete van € 300,00 toewijsbaar. De kantonrechter ziet in de door [naam gedaagde] naar voren gebrachte omstandigheden geen aanleiding om de boete te matigen.

4.9.

De kantonrechter acht het beding dat in geval van ‘treintje rijden’ het “verloren kaart tarief” in rekening wordt gebracht evenmin oneerlijk in de zin van de Richtlijn. Het beding is immers gericht op vergoeding van omzetderving. Zoals hiervoor is overwogen, staat vast dat [naam gedaagde] de parkeeraccommodatie heeft verlaten zonder gebruik te maken van een geldig parkeerbewijs. Die gedraging wordt door artikel 5.9 onder meer gesanctioneerd met de verplichting tot het betalen van het voor de betrokken parkeeraccommodatie geldende tarief “verloren kaart”. Ook hierbij is de vraag of [naam gedaagde] heeft betaald niet van belang. Q-Park heeft onweersproken gesteld dat het tarief “verloren kaart” € 12,50 bedraagt. Dit komt de kantonrechter niet onredelijk voor, zodat ook dit deel van de vordering wordt toegewezen.

4.10.

Q-Park maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is nu het verzuim na 1 juni 2012 is ingetreden. Q-Park heeft aan [naam gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van € 46,88 (exclusief btw) komen overeen met de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit en zullen daarom worden toegewezen.

4.11.

De niet betwiste en op grond van de wet verschuldigde rente wordt toegewezen over de hoofdsom van € 312,50 vanaf 24 februari 2018, zijnde de dag waarop verzuim is ingetreden, tot aan de dag van volledige betaling. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen, omdat niet is gesteld of gebleken dat deze kosten al zijn betaald.

4.12.

[naam gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [naam gedaagde] om aan Q-Park te betalen een bedrag van € 359,38, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 312,50 vanaf 24 februari 2018 tot aan de dag van volledige betaling;

5.2.

veroordeelt [naam gedaagde] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van Q-Park begroot op € 84,21 aan dagvaardingskosten, € 119,00 aan griffierecht en € 144,00 aan salaris voor de gemachtigde;

5.3.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. C.J.M. Hendriks en in het openbaar uitgesproken op