Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:1643

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
10-04-2019
Datum publicatie
17-04-2019
Zaaknummer
C/05/350694 / KG ZA 19-94
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Krakers. Art. 8 EVRM en eigendomsrecht. Vordering ontruiming toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/350694 / KG ZA 19-94

Vonnis in kort geding van 12 april 2019

in de zaak van

[naam eiser] ,

wonende te Kapellen,

eiser,

advocaat mr. L.A. Witten te Nijmegen,

tegen

1. DE PERSONEN DIE VERBLIJVEN IN DE ONROERENDE ZAAK OF EEN GEDEELTE DAARVAN, STAANDE EN GELEGEN TE [adres gedaagde sub 1] VAN WIE DOOR EISER DE NAMEN EN WOONPLAATSEN NIET KUNNEN WORDEN ACHTERHAALD

2. DE PERSONEN DIE VERBLIJVEN IN DE ONROERENDE ZAAK OF EEN GEDEELTE DAARVAN, STAANDE EN GELEGEN TE [adres gedaagde sub 2] VAN WIE DOOR EISER DE NAMEN EN WOONPLAATSEN NIET KUNNEN WORDEN ACHTERHAALD

3. DE PERSONEN DIE VERBLIJVEN IN DE ONROERENDE ZAAK OF EEN GEDEELTE DAARVAN, STAANDE EN GELEGEN TE [adres gedaagde sub 3] VAN WIE DOOR EISER DE NAMEN EN WOONPLAATSEN NIET KUNNEN WORDEN ACHTERHAALD

gedaagden,

van wie zich bekend heeft gemaakt:

[gedaagde]

verblijvende te Wijchen,

voor wie mr. M.F. van Hulst te Utrecht als advocaat optreedt.

Partijen zullen hierna [naam eiser], [gedaagde] en de overige gedaagden genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 15 maart 2019 met producties 1 tot en met 6

  • -

    de brief van 27 maart 2019 met productie 7 namens [naam eiser]

  • -

    de brief van 1 april 2019 met productie 8 namens [naam eiser]

  • -

    de brief van 1 april 2019 met producties 1 tot en met 8 namens [gedaagde]

  • -

    de mondelinge behandeling, gehouden op 2 april 2019

  • -

    de pleitnota namens [naam eiser]

  • -

    de pleitnota namens [gedaagde]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[naam eiser] is sinds 2004 eigenaar van de onroerende zaken gelegen aan de [adres Het complex] (hierna gezamenlijk te noemen: het complex).

2.2.

[naam eiser] wil het complex in een herontwikkeling betrekken. [naam eiser] wil in het complex een horeca gelegenheid met een casino en fitness realiseren.

2.3.

In 2012 en 2014 is het complex van [naam eiser] door krakers in gebruik genomen.

2.4.

Op 8 maart 2013 is door de gemeente Wijchen aan [naam eiser] een last onder dwangsom opgelegd, omdat het complex door de krakers werd gebruikt voor bewoning terwijl dit volgens de gemeente Wijchen niet is toegestaan op grond van de gebruiksregels uit het bestemmingsplan.

2.5.

Na een gerechtelijke procedure hebben deze krakers het pand ontruimd.

2.6.

De onderhoudsman van [naam eiser], de heer [naam onderhoudsman], heeft op 25 februari 2019 geconstateerd dat (in ieder geval) twee panden uit het complex opnieuw werden gekraakt. Op 6 maart 2019 heeft de heer [naam onderhoudsman] aangifte van huisvredebreuk gedaan bij de politie, eenheid Oost-Nederland.

2.7.

Bij brief van 5 maart 2019 heeft de advocaat van [naam eiser] de krakers gesommeerd zich te identificeren en de panden te ontruimen. De krakers hebben geen gehoor gegeven aan deze sommatie.

2.8.

Bij brief van 13 maart 2019 heeft de gemeente Wijchen [naam eiser] als volgt bericht:

(…)

Op 8 maart 2013 hebben wij u een last onder dwangsom met kenmerk 13/480 opgelegd. De overtreding waar de last onder dwangsom betrekking op heeft vindt opnieuw plaats. In deze brief leest u wat u moet doen met de strijdige situatie.

Wat is het resultaat van de controle?

Tijdens de controle op 1 maart 2019 heeft de toezichthouder geconstateerd dat de gebouwen gebruikt worden door krakers. De toezichthouder heeft op die datum één van de krakers gesproken. Uit zijn verklaring blijkt dat de gebouwen door zes personen bewoond worden. De gebouwen aan de [adres Het complex] zijn met elkaar verbonden en worden door de krakers gebruikt.

(…)

Overtreding

De percelen [adres Het complex] in Wijchen liggen binnen het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Oost’ (hierna: het bestemmingsplan). De percelen hebben de bestemming ‘Gemengd I’. Binnen deze bestemming is gebruik voor wonen in strijd met de gebruiksregels uit het bestemmingsplan en niet toegestaan.

(…)

We hebben aan u op 8 maart 2013 een last onder dwangsom opgelegd. Deze brief is bijgevoegd. Voor iedere overtreding van artikel 6.5.1 van het bestemmingsplan doordat u gronden of bouwwerken laat gebruiken voor bewoning, verbeurt u een bedrag van € 1.500,- met een maximum van € 7.500,-.

(…)

Wat moet u doen?

U moet zelf maatregelen nemen om de overtreding op te lossen en deze beëindigd te houden. Dit houdt in dat u:

 de nodige stappen moet nemen om tot ontruiming van de panden te kunnen laten overgaan;

 de illegale bewoning van de panden moet laten beëindigen en beëindigd moet laten houden;

 maatregelen moet nemen om te voorkomen dat de panden opnieuw gekraakt worden. U blijft dwangsommen betalen voor iedere keer dat de overtreding opnieuw plaatsvindt.

Onze toezichthouder gaat eind april 2019 weer controleren.

Let op, de panden voldoen niet aan de eisen die vanuit De Woningwet en het Bouwbesluit 2012 aan bewoning en (brand)veiligheid zijn gesteld. De bewoning van de panden levert mogelijk gevaar op voor de krakers en voor de omgeving.

3 Het geschil

3.1.

[naam eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. gedaagden, dan wel gedaagden ieder hoofdelijk, te veroordelen om de onroerende zaken, gelegen aan de Nieuweweg 146, te (6603 BT) Wijchen, [kadastrale gegevens] binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis, althans om binnen een zodanig korte termijn als de voorzieningenrechter zal bepalen, met al diegenen die en al datgene dat zich daarin of daarop vanwege gedaagde(n) bevindt, volledig en behoorlijk te ontruimen en met afgifte van de sleutels in behoorlijke staat ter vrije beschikking van eiser te stellen en vervolgens ontruimd te houden, bij gebreke waarvan gedaagden aan eiser hoofdelijk verbeuren een dwangsom van € 1.000,00 per dag, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat (één van) gedaagde(n) in verzuim daartoe is/zijn en zulks voor zover nodig met machtiging aan eiser bij gebreke van volledige voldoening hieraan deze ontruiming en dit ontruimd houden zelf te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van politie en justitie en op kosten van gedaagde(n),

2. te bepalen dat het in deze zaak te wijzen ontruimingsvonnis binnen de in artikel 557a lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) genoemde termijn van één jaar ook ten uitvoer kan worden gelegd tegen een ieder die zich ten tijde van de ten uitvoerlegging op de onroerende zaken als bedoeld onder 1 bevindt, of daar binnentreedt en telkens wanneer dat zich voordoet,

3. te bepalen dat het in deze zaak te wijzen ontruimingsvonnis ook ten uitvoer gelegd zal kunnen worden tegen eenieder die zich ten tijde van de tenuitvoerlegging zonder recht of titel bevindt in de onroerende zaken, gelegen aan de [kadastrale gegevens] en te bepalen dat het in deze zaak te wijzen ontruimingsvonnis binnen de in artikel 557a lid 3 Rv genoemde termijn ook ten uitvoer gelegd zal kunnen worden tegen eenieder die zich ten tijde van de tenuitvoerlegging in de onroerende zaken aan de [adres Het complex] bevindt of daar binnentreedt en telkens wanneer dat zich voordoet,

4. gedaagden, dan wel gedaagden ieder hoofdelijk, te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2.

[naam eiser] legt, samengevat weergegeven, aan zijn vorderingen ten grondslag dat gedaagden zonder enig recht of titel in het pand verblijven en aldus inbreuk maken op het aan [naam eiser] toekomende eigendomsrecht. Verder heeft [naam eiser] aangevoerd dat de gemeente Wijchen voornemens is om handhavend op te treden in de vorm van het opleggen van dwangsommen, omdat het complex van [naam eiser] in strijd met het geldende bestemmingsplan wordt bewoond. Volgens [naam eiser] is het complex niet geschikt voor bewoning waardoor gevaarlijke situaties voor zowel de krakers als de omwonenden kunnen ontstaan.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[naam eiser] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het complex, naast [gedaagde], nog door andere personen anders dan krachtens een persoonlijk of zakelijk recht wordt bewoond en/of gebruikt, en dat hij in redelijkheid de identiteit van deze bewoners niet heeft kunnen achterhalen. [naam eiser] heeft daardoor de in artikel 45 lid 4 juncto artikel 61 Rv omschreven wijze van dagvaarden mogen toepassen. Bij de uitvoering daarvan zijn vervolgens de wettelijk vereiste formaliteiten in acht genomen. Nu behoudens [gedaagde], geen van de overige, anonieme gedaagden zich ter zitting bekend hebben gemaakt, moet worden geconstateerd dat zij niet zijn verschenen. Gelet hierop wordt verstek verleend tegen de gedaagden, met uitzondering van [gedaagde] voor wie zich immers mr. Van Hulst als advocaat heeft gesteld.

4.2.

[gedaagde] betwist dat [naam eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. Aan die stelling wordt voorbij gegaan nu als onweersproken vaststaat dat gedaagden op dit moment zonder toestemming van [naam eiser] in het pand verblijven, terwijl dat verblijf krachtens publiekrechtelijke regels niet is toegestaan. [naam eiser] beoogt een voortdurende onrechtmatige toestand te beëindigen. Het spoedeisend belang is daarmee gegeven.

4.3.

Vast staat dat gedaagden het complex, althans een gedeelte daarvan, zonder recht of titel in gebruik hebben genomen. Daarmee maken zij inbreuk op het eigendomsrecht van [naam eiser]. Het uitgangspunt is dat [naam eiser] een eigendomsrecht heeft. Ingevolge artikel 5:1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is het eigendomsrecht het meest omvattende recht dat [naam eiser] in casu op een zaak kan hebben. Het staat de eigenaar met uitsluiting van een ieder vrij van de zaak gebruik te maken, mits dit gebruik niet in strijd is met rechten van anderen en de op wettelijke voorschriften en de regels van ongeschreven recht gegronde beperkingen daarbij in acht worden genomen. Een eigenaar heeft in beginsel het recht om, wanneer anderen gebruik maken van zijn zaken en feitelijke beschikking daarover naar zich toe trekken, te verlangen dat die personen het gebruik van de zaak staken op grond van artikel 5:2 BW. Verder kwalificeert het kraken van een onroerende zaak als een misdrijf, op grond van artikel 138a van het Wetboek van Strafrecht. Blijkens de wetsgeschiedenis is het belang van die bepaling vooral gelegen in de bescherming van het eigendomsrecht van de ander. Daarmee is de onrechtmatigheid van het handelen van gedaagden gegeven.

4.4.

[gedaagde] beroept zich op het ‘huisrecht’ uit artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Dat artikel geldt in beginsel slechts in verhouding tot de overheid ('verticale werking'). Onder bepaalde omstandigheden kan horizontale werking toekomen aan grondrechten, in die zin dat het onrechtmatig kan zijn als een burger een andere burger al te zeer beperkt in de uitoefening van diens grondrechten. Uit rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens met betrekking tot het huisrecht moet worden afgeleid dat het gedwongen verlies van iemands huis de meest vergaande vorm van inmenging in de uitoefening van het huisrecht is en dat een ieder die het risico loopt op een dergelijke inmenging in beginsel de mogelijkheid moet hebben de proportionaliteit te laten toetsen door de rechter, voordat de ontruiming wordt geëffectueerd. Door middel van de onderhavige procedure worden gedaagden in staat gesteld de proportionaliteit van de voorgenomen ontruiming te laten toetsen door de (onafhankelijke) rechter, zodat aan voormelde voorwaarde is voldaan.

4.5.

Voor zover degenen die in het complex van [naam eiser] verblijven daar gezamenlijk een woongemeenschap hebben die wordt beschermd door artikel 8 EVRM, is er in dit geval sprake van twee botsende grondrechten, het recht van [naam eiser] op bescherming van eigendom en dat van de bewoners ontleend aan artikel 8 EVRM. De vraag welk grondrecht in dit concrete geval voorrang heeft moet worden uitgemaakt aan de hand van een afweging van belangen.

4.6.

Voorop staat dat [naam eiser] naar eigen inzicht van zijn complex gebruik mag maken. Bij dat gebruik is hij echter wel gebonden aan publiekrechtelijke voorschriften. Deze publiekrechtelijke voorschriften brengen met zich dat bewoning niet is toegestaan in het complex. In dit geval is voldoende aannemelijk dat de gemeente Wijchen kennelijk geneigd is om tegen eventuele bewoning handhavend op te treden. In dat verband is in het verleden aan [naam eiser] een last onder dwangsom opgelegd die [naam eiser] er toe verplicht om eventuele bewoning in strijd met het bestemmingsplan ongedaan te maken op straffe van het verbeuren van een dwangsommen. Daarnaast blijkt uit de brief van de gemeente Wijchen van 13 maart 2019 dat het complex niet geschikt is voor bewoning doordat het niet voldoet aan de eisen die vanuit de Woningwet en het Bouwbesluit 2012 aan bewoning en (brand) veiligheid zijn gesteld. [naam eiser] heeft er belang bij dat hiermee strijdig gebruik wordt beëindigd.

4.7.

Wat betreft het daar tegenover staande belang van de gedaagden moet geconstateerd worden dat zij zich zonder toestemming in het complex hebben gevestigd. Door dat te doen hebben zij zelf de situatie in het leven geroepen waarin bescherming van het samenwonen op grond van artikel 8 EVRM door het eigendomsrecht van [naam eiser] wordt beperkt. Daarom moet geconcludeerd worden dat aan het belang van de gedaagden minder gewicht toekomt dan aan het belang van [naam eiser] die zich moet houden aan de publiekrechtelijke voorschriften die zijn opgelegd door de gemeente Wijchen.

4.8.

Voor het overige kan niet zonder meer kan worden aangenomen dat degene die verblijven in het complex op een behoorlijke manier gebruik maken van dat complex. Evenmin kan zonder meer worden aangenomen dat die bewoners in redelijkheid niet elders op een andere manier huisvesting zouden kunnen vinden. Aan de kant van [naam eiser] staat weliswaar niet vast dat op korte termijn ander gebruik van het complex gemaakt gaat worden. In die zin staat niet vast dat er noodzaak is voor ontruiming op dit moment, maar dat laat onverlet dat het gebruik door de huidige gebruikers naar publiekrechtelijke voorschriften niet is toegestaan. Het is voldoende aannemelijk geworden dat [naam eiser] daardoor dwangsommen gaat verbeuren.

4.9.

De voorgaande feiten en omstandigheden in aanmerking nemend dient het belang van [naam eiser] bij de gevorderde ontruiming zwaarder te wegen dan het belang van [gedaagde] en de overige gedaagden bij het voortgezet gebruik van het pand. De vordering van [naam eiser] zoals weergeven in 3.1. onder 1 zal dan ook worden toegewezen. [gedaagde] heeft geen beroep gedaan op een langere ontruimingstermijn dan de door [naam eiser] gevorderde ontruimingstermijn van vijf dagen waardoor de ontruimingstermijn van vijf dagen zal worden toegewezen.

4.10.

De gedaagden bevinden zich weliswaar feitelijk op twee adressen uit het complex van [naam eiser], maar dat de vier onderhavige panden van Van Schaijk één complex zijn en dat de gebouwen onderling met elkaar in verbinding staan is onweersproken. Daarom moet worden aangenomen dat het gebruik van een deel van het complex in feite het gebruik van hele complex impliceert waardoor het door [naam eiser] gevorderde zoals weergegeven in 3.1. onder 3 ook toewijsbaar is.

4.11.

De voorzieningenrechter acht het onverenigbaar met het belang dat [naam eiser] bij de vordering heeft om inlichtingen als bedoeld in artikel 557a lid 2 Rv in te winnen.

4.12.

De vordering van [naam eiser] de ontruiming eventueel met behulp van de sterke arm van politie en/of justitie te bewerkstelligen zal in de gegeven omstandigheden worden toegewezen. De daaraan verbonden kosten komen voor rekening van gedaagde(n).

4.13.

De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.

4.14.

Ingevolge artikel 557a lid 3 Rv kan de voorzieningenrechter desgevorderd bepalen dat een vonnis, waarbij aan anderen dan aan gebruikers of gewezen gebruikers krachtens een persoonlijk of zakelijk recht de ontruiming wordt bevolen van een gebouwde onroerende zaak of gedeelte daarvan, tot een jaar na de dag waarop het vonnis wordt uitgesproken dan wel bekrachtigd, ten uitvoer kan worden gelegd tegen een ieder die ten tijde van de tenuitvoerlegging zich daar bevindt of daar binnentreedt en telkens wanneer zich dat voordoet. Op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden (onder andere de door [naam eiser] te verbeuren dwangsommen) bestaat daarvoor aanleiding. [naam eiser] heeft er belang bij dat het vonnis ook ten uitvoer kan worden gelegd tegen personen die zich wellicht nu nog niet, maar op het moment van de ontruiming dan wel daarna wel in het pand bevinden.

4.15.

[gedaagde] en de overige gedaagden zullen hoofdelijk als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [naam eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 139,72

- griffierecht 297,00

- salaris advocaat 633,00

Totaal € 1.069,72

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verleent verstek tegen de niet verschenen overige gedaagden,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] en de overige gedaagden om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis het pand aan de [adres gedaagden sub 1] alsmede aan [adres gedaagden sub 3] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken tenzij deze zaken van [naam eiser] zijn, vervolgens ontruimd te houden, en de sleutels af te geven aan [naam eiser], met machtiging van [naam eiser] om die ontruiming en dat ontruimd houden desnoods zelf te bewerkstelligen, eventueel met behulp van de sterke arm van politie en/of justitie, en op kosten van gedaagde(n),

5.3.

bepaalt dat dit vonnis ook ten uitvoer kan worden gelegd tegen eenieder die zich ten tijde van de tenuitvoerlegging zonder recht of titel bevindt in de onroerende zaken, gelegen aan de [adres gedaagden sub 1] en [adres gedaagden sub 2],

5.4.

bepaalt dat deze veroordeling binnen de in artikel 557a lid 3 Rv. genoemde termijn van één jaar ook ten uitvoer zal kunnen worden gelegd tegen een ieder die zich ten tijde van de tenuitvoerlegging daar bevindt of daar binnentreedt en telkens wanneer dat zich voordoet,

5.5.

veroordeelt [gedaagde] en de overige gedaagden, hoofdelijk zodat indien en voor zover de één betaalt ook de anderen zullen zijn bevrijd, om aan [naam eiser] een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag dat de gedaagden niet aan de in 5.2. uitgesproken hoofdveroordeling voldoen, tot een maximum van € 20.000,00 is bereikt, met dien verstande dat geen (verdere) dwangsommen worden verbeurd indien [naam eiser] gebruik maakt van de onder 5.2. bedoelde machtiging tot ontruiming,

5.6.

veroordeelt [gedaagde] en de overige gedaagden in de proceskosten, hoofdelijk zodat indien en voor zover de één betaalt ook de anderen zullen zijn bevrijd, aan de zijde van [naam eiser] tot op heden begroot op € 1.069,72,

5.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken op 12 april 2019.