Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:1565

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-03-2019
Datum publicatie
11-04-2019
Zaaknummer
05/840312-16, 05/840024-17 en 05/720019-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland veroordeelt vier mannen en een vrouw voor betrokkenheid bij een drugslaboratorium op een perceel in Voorst. Daarnaast veroordeelt de rechtbank één van deze mannen en de vrouw voor betrokkenheid bij twee hennepkwekerijen op hetzelfde perceel. Ten slotte veroordeelt de rechtbank de eigenaar van één van deze twee hennepkwekerijen.

Op 10 januari 2018 is door de politie een drugslaboratorium aangetroffen op een perceel waar in 2015 en 2017 hennepkwekerijen zijn aangetroffen. In het lab werd amfetamine geproduceerd. Het drugsafval werd geloosd in een nabij gelegen sloot. De productie van harddrugs en de teelt van hennep gaat gepaard met allerlei vormen van criminaliteit en brand- en ontploffingsgevaar. Bovendien zorgt het lozen van drugsafval in de natuur zorgt voor ernstige milieuvervuiling. De rechtbank rekent het alle betrokkenen zwaar aan dat zij zich hebben bezig gehouden met deze feiten. Alleen een langdurige gevangenisstraf is daarom passend.

Twee mannen uit Deventer zijn door de rechtbank aangemerkt als de eigenaren van het lab. Een derde man uit Twello leverde de grondstoffen. Het drietal krijgt celstraffen tussen de 30 maanden en 5 jaar opgelegd. De bewoners van het perceel hebben hun schuur ter beschikking gesteld aan het drietal om daar een lab in te vestigen. Ook hebben zij zich op verschillende manieren bezig gehouden met de eerder aangetroffen hennepkwekerijen. De rol van de man was steeds groter dan die van de vrouw, waardoor de man een celstraf van 24 maanden en een voorwaardelijke geldboete van € 10.000,-- krijgt opgelegd en de vrouw een voorwaardelijke celstraf van een jaar een taakstraf van 240 uur. Een andere man uit Deventer is door de rechtbank aangemerkt als eigenaar van de in 2017 aangetroffen hennepkwekerij. Hij krijgt een celstraf van 6 maanden opgelegd, waarvan de helft voorwaardelijk.

De rechtbank bepaalt dat alle veroordeelden de door hen met de productie van harddrugs en de teelt van hennep verdiende bedragen moeten betalen aan de Staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummers : 05/840312-16, 05/840024-17 en 05/720019-18 (gevoegd ttz)
Datum uitspraak : 27 maart 2019

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd te HvB Ooyerhoekseweg - Zutphen te Zutphen,

raadsvrouw ten aanzien van parketnummer 05/720019-18: mr. M. Schmit, advocaat te Rotterdam,
raadsman ten aanzien van parketnummers 05/840024-17 en 05/840312-16: mr. A.R. Maarsingh, advocaat te Deventer.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
26 februari 2019.

1 De inhoud van de tenlastelegging

05/840312-16

Aan verdachte is, na een door de rechtbank op 26 september 2018 toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 23 november 2015 te Voorst in de uitoefening van beroep of bedrijf, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 1] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 575 hennepplanten en/of delen daarvan en/of ongeveer 125, althans een groot aantal hennepstekken en/of delen

daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangegeven krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid

van een middel (te weten 575 hennepplanten en/of 125 hennepstekken, althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan);

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

een of meer onbekend gebleven personen op of omstreeks 23 november 2015 te Voorst in de uitoefening van beroep of bedrijf, met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan de [adres 1] ) een hoeveelheid van (in totaal)

ongeveer 575, althans een groot aantal hennepplanten en/of ongeveer 125, althans een groot aantal hennepstekken en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel

aangegeven krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten 575 hennepplanten en/of 125 hennepstekken, althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan),
tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2015 tot en met 23 november 2015 te Voorst, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 23 november 2015 te Voorst in de uitoefening van beroep of bedrijf, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 1] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 575 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan en/of ongeveer 125, althans een groot aantal hennepstekken en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2015 tot en met 23 november 2015 te Voorst tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (in totaal) 195.011 kWh, althans een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Liander N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het

misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen elektriciteit, althans dat goed onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

een of meer onbekend gebleven persoon/personen en/of zijn/hun mededaders op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2015 tot en met 23 november 2015 te Voorst tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 195.011 kWh, althans een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Liander N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan die onbeken gebleven personen/personen en of zijn/hun mededaders en/of verdachte, waarbij die onbekend gebleven persoon/personen en/of zijn/hun mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goederen onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2015 tot en met 23 november 2015 te Voorst in elk geval in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door de woning en/of de in die woning aanwezige meterkast en/of de bij die woning behorende behorende schu(u)r(en) voor de teelt en/of het kweken van hennep(planten) ter beschikking te stellen.

05/840024-17

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 4 januari 2017 te Voorst in de uitoefening van beroep of bedrijf, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 1] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 100, althans een groot aantal

hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

[betrokkene] en/of een of meer onbekend gebleven personen op of omstreeks 4 januari 2017 te Voorst met elkaar, althans één van hen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan de [adres 1] een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 100, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,
tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2016 tot en met 4 januari 2017 te Voorst, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of

opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 4 januari 2017 te Voorst in de uitoefening van beroep of bedrijf, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 1] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 100, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen

daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

2.

hij op of omstreeks 4 januari 2017 te Voorst tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden,

verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden gehad, te weten
- 357, althans een of meer bloempotten, en/of
- tien, althans een of meer koolstoffilters, en/of
- 57, althans een of meer assimilatielampen, en/of
- twee watervaten, en/of
- twee dompelpompen, en/of
- twee handsproeiers, en/of
- vier, althans een of meer irrigatiesystemen, en/of
- zeven, althans een of meer flessen met en/of bestemd voor voedingstoffen, en/of
- zeven, althans een of meer jerrycans met en/of bestemd voor voedingsstoffen, en/of
- drie, althans een of meer aan- en afzuiginstallaties, en/of
- een (automatisch) ventilatiesysteem, en/of
- een slakkenhuis,
waarvan hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en/of vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2016 tot en met 4 januari 2017 te Voorst tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 43.881 kWh, althans een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Liander N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen elektriciteit/goed onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling leidt:

[betrokkene] en/of een of meer onbekend gebleven persoon/personen op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2016 tot en met 4 januari 2017 te Voorst tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 43.881 kWh elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Liander N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [betrokkene] en/of zijn mededaders en/of aan verdachte, waarbij die [betrokkene] en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goederen onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking,
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2016 tot en met 4 januari 2017 te Voorst in elk geval in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door de woning en/of de in die woning aanwezige meterkast en/of de bij die woning behorende schu(u)r(en) voor de teelt en/of het kweken van hennep(planten) ter beschikking te stellen;

4.

hij op of omstreeks 4 januari 2017 te Voorst tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te weten een (doorgeladen) vuurwapen

(CZ, 7.65 mm, Model 7.0), en/of munitie van categorie III, te weten (een magazijn met) vijf, althans een of meer patronen, voorhanden heeft gehad.

05/720019-18

Aan verdachte is, na een door de rechtbank op 26 september 2018 toegewezen vordering nadere omschrijving tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 november 2017 tot en met 10 januari 2018 te Voorst, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (in een pand/loods gelegen aan de [adres 1] te Voorst) heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
-1 liter van een materiaal bevattende amfetamine(base), althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine(base) (kenmerk NFI: AAJD5995NL) en/of
-240 liter van een materiaal bevattende amfetamine(base), althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine(base) (kenmerk NFI: AAJD5964NL) en/of
-12,8 liter van een materiaal bevattende amfetamine(base), althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine(base) (kenmerk NFI: AAJD5966NL) en/of
-20 liter van een materiaal bevattende amfetamine(base), althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine(base) (kenmerk NFI: AAIQ0414NL) en/of
-911 gram MDMA(-hydrocholoride), althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA(-hydrochloride) (kenmerk NFI: AAIQ0419NL en/of AAIQ0420NL) en/of
-15 liter GHB, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB (kenmerk NFI: AAIQ0429NL),
in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad,
-1 liter van een materiaal bevattende amfetamine(base), althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine(base) (kenmerk NFI: AAJD5995NL) en/of
-240 liter van een materiaal bevattende amfetamine(base), althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine(base) (kenmerk NFI: AAJD5964NL) en/of
-12,8 liter van een materiaal bevattende amfetamine(base), althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine(base) (kenmerk NFI: AAJD5966NL) en/of
-20 liter van een materiaal bevattende amfetamine(base), althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine(base) (kenmerk NFI: AAIQ0414NL) en/of
-911 gram MDMA(-hydrocholoride), althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA(-hydrochloride) (kenmerk NFI: AAIQ0419NL en/of AAIQ0420NL) en/of
-15 liter GHB, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB (kenmerk NFI: AAIQ0429NL),
zijnde amfetamine en/of amfetaminebase en/of GHB en/of MDMA en/of MDMA-hydrochloride (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of een of meer onbekend gebleven personen op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 november 2017 tot en met 10 januari 2018 te Voorst, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (in een pand/loods gelegen aan de [adres 1] te Voorst) heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
-1 liter van een materiaal bevattende amfetamine(base), althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine(base) (kenmerk NFI: AAJD5995NL) en/of
-240 liter van een materiaal bevattende amfetamine(base), althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine(base) (kenmerk NFI: AAJD5964NL) en/of
-12,8 liter van een materiaal bevattende amfetamine(base), althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine(base) (kenmerk NFI: AAJD5966NL) en/of

-20 liter van een materiaal bevattende amfetamine(base), althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine(base) (kenmerk NFI: AAIQ0414NL) en/of
-911 gram MDMA(-hydrocholoride), althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA(hydrochloride) (kenmerk NFI: AAIQ0419NL en/of AAIQ0420NL) en/of
-15 liter GHB, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB (kenmerk NFI: AAIQ0429NL),
zijnde amfetamine en/of amfetaminebase en/of GHB en/of MDMA en/of MDMA-hydrochloride (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf, hij, verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 november 2017 tot en met 10 januari 2018 te Voorst, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of een of meer onbekend gebleven personen een pand gelegen aan de [adres 1] te Voorst en/of de daarbij horende nutsvoorzieningen voor de bereiding en/of verwerking en/of vervaardiging van amfetamine en/of GHB en/of MDMA ter beschikking te stellen;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 november 2017 tot en met 10 januari 2018 te Voorst, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) al dan niet opzettelijk stoffen, te weten:
-methamfetamine en/of

-norefedrine en/of
-norpseudoefedrine en/of
-n-formylamfetamine en/of
-amfetaminil en/of
-amphetamine en/of
-n-acetyl-amphetamine en/of
-methanol en/of
-aceton,
althans met bovengenoemde stoffen verontreinigd water, heeft gebracht in een sloot (gelegen aan of nabij de [adres 1] te Voorst), zijnde een oppervlaktewaterlichaam, terwijl:
-een daartoe strekkende vergunning niet was verleend door Onze Minister dan wel het bestuur van het betrokken waterschap en
-daarvoor geen vrijstelling was verleend bij of krachtens algemene maatregel van bestuur en
-artikel 6.3 van de Waterwet niet van toepassing was;

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 november 2017 tot en met 10 januari 2018 te Voorst, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) al dan niet opzettelijk een hoeveelheid van de stoffen:
-methamfetamine en/of
-norefedrine en/of
-norpseudoefedrine en/of
-n-formylamfetamine en/of
-amfetaminil en/of
-amphetamine en/of
-n-acetyl-amphetamine en/of
-methanol en/of
-aceton,
heeft geloosd en/of gedeponeerd en/of gedumpt en/of laten liggen in een sloot (aan of nabij de [adres 1] te voorst), in elk geval handelingen heeft verricht en/of nagelaten, terwijl verdachte en/of zijn mededaders wisten of redelijkerwijs hadden kunnen vermoeden dat door die handelingen en/of het nalaten daarvan de bodem en/of de oever van het oppervlaktewaterlichaam, te weten de sloot (gelegen aan of nabij de [adres 1] te Voorst), kon worden verontreinigd en/of aangetast, en hebben verdachte en/of zijn mededaders niet aan zijn/hun verplichting voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van verdachte en/of zijn mededaders konden worden gevergd om die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen, dan wel indien die verontreiniging en/of aantasting zich voordoet, de verontreiniging en/of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken.

1a. Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat het bewijs in de zaak met parketnummer 05/720019-18 onrechtmatig is verkregen. Er is sprake van een onherstelbaar vormverzuim. Primair heeft dat te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, subsidiair tot bewijsuitsluiting en meer subsidiair tot strafvermindering. De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat niet kan worden gecontroleerd hoe en/of op welke wijze de informatie ten aanzien van de woning van verdachte is verkregen, omdat de door de verdediging opgevraagde stukken niet zijn toegevoegd aan het procesdossier. Opsporingsbevoegdheden zijn steeds ingezet onder parketnummer 08/953197-17, maar maken onderdeel uit van onderhavig opsporingsonderzoek. Daarnaast is het bevel observatie op medeverdachte [medeverdachte 1] gegeven op basis van slechts één anonieme brief. Deze onrechtmatigheden in het onderzoek hebben ook consequenties in het onderzoek tegen verdachte.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat geen sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs en dus ook niet van een onherstelbaar vormverzuim. De zaak met parketnummer 08/953197-17 betreft de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte 1] , later administratief gewijzigd naar parketnummer 05/720020-18.

De beoordeling door de rechtbank

Uit het proces-verbaal van verdenking van 21 november 2017 volgt waarom de officier van justitie op 23 november 2017 een bevel tot stelselmatige observatie heeft gegeven ten aanzien van medeverdachte [medeverdachte 1] . Blijkens het proces-verbaal berust dit bevel met name op de anonieme brief van 20 november 2017 in combinatie met eerdere politiemutaties over [medeverdachte 1] en de Opiumwet. Het “afschermproces-verbaal” van 1 december 2017 heeft dus geen rol gespeeld bij dit bevel en dus ook niet bij de start van het onderzoek.

Uit het proces-verbaal van verdenking van 1 december 2017 volgt waarom de officier van justitie op die datum een bevel tot stelselmatige observatie heeft gegeven ten aanzien van (de personen zich bevindende op) de locatie [adres 1] te Voorst. Blijkens het proces-verbaal berust dit bevel op voormelde informatie in combinatie met bevindingen van een observatie op 28 november 2017 en de informatie dat op die locatie in 2015 en 2016 hennepkwekerijen zijn aangetroffen.

De rechtbank is van oordeel dat duidelijk is hoe en op welke wijze opsporingsbevoegdheden zijn ingezet en ook dat de officier van justitie op basis van de beschikbare informatie kon overgaan tot de inzet van die bevoegdheden. Het uit de opsporingsbevoegdheden verkregen bewijs is dan ook niet onrechtmatig en er is geen sprake van een onherstelbaar verzuim. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging en ook de overige door de verdediging voorgestelde consequenties zijn niet aan de orde.

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Op 23 november 2015 is in een schuur op het perceel [adres 1] in Voorst een hennepkwekerij aangetroffen bestaande uit zes kweekruimtes. In vijf van die kweekruimtes zijn in totaal 575 hennepplanten aangetroffen en in één kweekruimte stonden 125 hennepstekken.1 Op 4 januari 2017 is in dezelfde schuur wederom een hennepkwekerij aangetroffen, bestaande uit vijf kweekruimtes en één droogruimte. In één van de kweekruimtes zijn honderd hennepplanten aangetroffen.2 De hennepkwekerijen in 2015 en 2017 zijn vrijwel identiek opgezet en ingericht en bevonden zich op precies dezelfde locatie.3 Verdachten [verdachte] en [medeverdachte 4] zijn getrouwd en de enige bewoners van dit perceel. Zij hebben een massagepraktijk aan huis.4

05/840312-16 5

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de onder feit 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit, omdat het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Uit het dossier volgt geen enkel handelen van verdachte gericht op de productie van hennep.

De beoordeling door de rechtbank

Feit 1

Op de dag van het aantreffen van de hennepkwekerij heeft [verdachte] spontaan tegen de aanwezige verbalisanten verklaard dat hij weet dat in enkele schuurdelen van zijn boerderij een in werking zijnde hennepkwekerij zit en dat deze kwekerij bestaat uit vijf kweekhokken met in elk hok ongeveer 110 hennepplanten.6 De kwekerij is volgens [verdachte] door drie buitenlanders aangelegd en in stand gehouden. Bij zijn verhoor door de politie heeft [verdachte] anders verklaard, namelijk dat de schuur is gehuurd door één persoon – die hij niet bij naam kent – en dat de kwekerij van die persoon is. Ter terechtzitting van 18 november 2016 heeft [verdachte] de naam genoemd van wie de kwekerij zou zijn. Deze persoon is gehoord als getuige en heeft verklaard niets te weten van de kwekerij.

De rechtbank houdt verdachte aan zijn eerste verklaring. [verdachte] vertelt op dat moment immers uit zichzelf over de opbouw en inrichting van de kwekerij terwijl die informatie op dat moment niet algemeen bekend was. Dat is dus daderwetenschap. [verdachte] wijst vervolgens naar drie onbekende buitenlanders maar dit is – bij gebrek aan gegevens over die buitenlanders – op geen enkele wijze verifieerbaar. De rechtbank schuift zijn verklaring op dit punt daarom ter zijde en heeft evenmin aanknopingspunten om aan te nemen dat de door [verdachte] genoemde huurder de eigenaar is geweest van de kwekerij. Van nauwe en bewuste samenwerking met een ander of met anderen is dan ook niet gebleken. De rechtbank is op basis van de door [verdachte] als eerste afgelegde verklaring van oordeel dat [verdachte] de eigenaar is geweest van de aangetroffen hennepkwekerij en dat hij de hennepplanten heeft geteeld.

De aangetroffen hoeveelheid hennepplanten en –stekken betreft een grote hoeveelheid. De hennepteelt heeft naar het oordeel van de rechtbank plaatsgevonden in de uitoefening van een beroep of bedrijf, gelet op die grote hoeveelheid aangetroffen hennepplanten en –stekken en de professionele inrichting van de hennepkwekerij. In de hennepkwekerij zijn namelijk koolstoffilters, assimilatielampen en aan- en afzuiginstallaties aangetroffen.

Op basis van het voorgaande acht de rechtbank het onder feit 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van het daaronder ten laste gelegde medeplegen.

Feit 2

Namens Liander N.V. (hierna: Liander) heeft aangeefster [naam 1] verklaard dat Liander vanaf 14 maart 2011 met medeverdachte [verdachte] een overeenkomst heeft betreffende de aansluiting en het transport van elektriciteit naar het perceel aan de [adres 1] in Voorst. Op 23 november 2015 is bij onderzoek door Liander geconstateerd dat de zegels van de hoofdaansluitkast waren verbroken en dat een illegale elektriciteitsaansluiting was gemaakt die buiten de elektriciteitsmeter om naar de hennepkwekerij liep en deze voorzag van elektriciteit. Door de manipulatie werd de afgenomen elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerij niet via de elektriciteitsmeter geregistreerd. In het perceel was in de periode van april 2015 tot 23 november 2015 een hennepkwekerij ingericht. Aangever heeft berekend dat minimaal 195.011 kWh illegaal is weggenomen ten behoeve van de kwekerij.7

Verdachte was de eigenaar van de kwekerij en is dus daarom ook degene geweest die de elektriciteit heeft weggenomen ten behoeve van de kwekerij. Verdachte erkent ook dat er elektriciteit is weggenomen ten behoeve van de hennepkwekerij.8 Het onder feit 2 primair tenlastegelegde is dan ook wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van het daaronder ten laste gelegde medeplegen.

05/840024-17 9

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de onder 1 en 3 subsidiair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie gesteld dat in de paardenschuur een koolstoffilter en een slakkenhuis zijn aangetroffen en dat deze zaken zonder meer zijn bestemd voor de teelt van hennep. Aangezien medeverdachte [betrokkene] de huurder is geweest van de schuur waarin de hennepkwekerij is aangetroffen, kan niet worden bewezen dat verdachte de zaken die in die schuur zijn aangetroffen aanwezig heeft gehad. Van het tenlastegelegde onder feit 4 heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Ten aanzien van het onder de feiten 1 en 3 primair ten laste gelegde medeplegen heeft de verdediging gesteld dat verdachte geen enkele handeling heeft gepleegd. Wat betreft de onder 1 en 3 ten laste gelegde medeplichtigheid kan niet worden bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op het gronddelict. De huurder heeft de vrije beschikking gehad over de ruimte waarin de hennepkwekerij is aangetroffen en op verdachte rustte geen verplichting om te controleren wat er in die ruimte werd gedaan. Verdachte heeft niet geweten van de aanwezigheid van materialen ten behoeve van hennepteelt of van de aanwezigheid van een vuurwapen, wat maakt dat het onder 1 en 4 tenlastegelegde niet kan worden bewezen.

De beoordeling door de rechtbank

Feit 1

Medeverdachte [betrokkene] heeft bekend dat hij de schuur, waarin de hennepkwekerij is aangetroffen, per 1 oktober 2016 heeft gehuurd van [verdachte] , dat hij daarin de kwekerij alleen heeft opgezet en dat hij alleen bij de kwekerij kwam.10 De vraag is of [verdachte] en [medeverdachte 4] een rol hebben gehad in die kwekerij.

Naar aanleiding van het aantreffen van de hennepkwekerij heeft in de woning een doorzoeking plaatsgevonden, waarbij is geconstateerd dat het in een ruimte van de woning naar hennep rook en dat de kwekerij zich direct achter deze ruimte bevond.11

Het kan daarom niet anders dan dat [medeverdachte 4] en [verdachte] hebben geweten dat er een hennepkwekerij werd geëxploiteerd in de schuur. Zij woonden en werkten namelijk op het perceel en vanuit de woning, grenzend aan de kwekerij, was de geur van hennep te ruiken. [medeverdachte 4] en [verdachte] hebben niet nauw en bewust met [betrokkene] samengewerkt bij de exploitatie van de kwekerij, maar hebben wel hun schuur ter beschikking gesteld en toegestaan dat daarin een hennepkwekerij werd geëxploiteerd. Daarmee hebben [medeverdachte 4] en [verdachte] opzettelijk gelegenheid verschaft tot het exploiteren van de kwekerij, wat maakt dat zij medeplichtig zijn aan de hennepteelt. Het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

In de schuur waarin de hennepkwekerij is aangetroffen, zijn ook de zaken zoals tenlastegelegd onder feit 2 aangetroffen. Deze schuur werd, zoals beschreven, gehuurd door [betrokkene] . Anders dan bij de hennep, die overal wordt geroken, kan niet worden bewezen dat [medeverdachte 4] en [verdachte] wetenschap hebben gehad van de zaken die in de schuur zijn aangetroffen en dus ook niet dat zij deze voorhanden hebben gehad.

In de paardenschuur zijn één koolstoffilter en één slakkenhuis aangetroffen.12 [medeverdachte 4] en [verdachte] hebben over deze paardenschuur verklaard dat alleen het gezin toegang heeft tot die schuur en dat hun dochter haar fiets daar neerzet.13 [betrokkene] heeft verklaard dat hij geen toegang heeft gehad tot die paardenschuur.14 In 2015 is eveneens in de schuur een hennepkwekerij aangetroffen en geruimd. Uit de ruimlijst van destijds volgt dat een slakkenhuis en zeventien koolstoffilters zijn afgevoerd.15

De rechtbank is op basis van het voorgaande van oordeel dat [medeverdachte 4] en [verdachte] het in de paardenschuur aangetroffen koolstoffilter en slakkenhuis voorhanden hebben gehad. Gelet op de eerdere aangetroffen en geruimde hennepkwekerij is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] en [medeverdachte 4] wisten dat het koolstoffilter en slakkenhuis waren bestemd tot het plegen van feiten met betrekking tot hennepteelt. Het tenlastegelegde onder feit 2 met betrekking tot deze zaken is dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Feit 3

Namens Liander N.V. (hierna: Liander) heeft aangever [naam 2] verklaard dat Liander vanaf 14 maart 2011 met [verdachte] een overeenkomst heeft betreffende de aansluiting en het transport van elektriciteit naar het perceel aan de [adres 1] in Voorst. Op 4 januari 2017 is bij onderzoek door Liander geconstateerd dat de zegels van de hoofdaansluitkast vals waren en dat een illegale drie fasen elektriciteitsaansluiting was gemaakt die buiten de elektriciteitsmeter om naar de hennepkwekerij liep en deze voorzag van elektriciteit. Door de manipulatie werd de afgenomen elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerij niet via de elektriciteitsmeter geregistreerd. In het perceel was in ieder geval in de periode van oktober 2016 tot 4 januari 2017 een hennepkwekerij ingericht. Aangever heeft berekend dat minimaal 43.881 kWh illegaal is weggenomen ten behoeve van de kwekerij.16 De meterkast bleek zich in de woning te bevinden.17 Ten tijde van de hennepkwekerij die is aangetroffen in 2015 is ook de elektriciteit afgetapt. Dat wisten [verdachte] en [medeverdachte 4] , omdat [verdachte] heeft verklaard dat hij van die vorige keer nog wist dat een dikke kabel is achtergebleven.18

Onder feit 1 is bewezen verklaard dat [verdachte] en [medeverdachte 4] hebben geweten dat zich een hennepkwekerij naast hun woning heeft bevonden. Zij moeten aldus ook hebben geweten dat de stroom wederom werd afgetapt ten behoeve van die kwekerij. Als eigenaren van de meterkast, die zich nota bene in hun woning bevond, zijn zij daarvoor verantwoordelijk en is het in hun voordeel dat de elektriciteit illegaal wordt afgetapt ten behoeve van de kwekerij. De rechtbank is dan ook van oordeel dat zij nauw en bewust hebben samengewerkt met de eigenaar van de hennepkwekerij bij de diefstal van de elektriciteit. Het primair tenlastegelegde onder feit 3 is daarmee wettig en overtuigend bewezen.

Feit 4

Op 4 januari 2017 is in een ruimte van de schuur waarin de hennepkwekerij zat een pistool en munitie aangetroffen. Zoals onder feit 1 is beschreven, heeft [betrokkene] verklaard dat hij de huurder is van de schuur en dat alleen hij in de kwekerij kwam. Op basis van die verklaring kan niet worden bewezen dat [verdachte] heeft geweten dat in de schuur een pistool met munitie lag. Ook overigens blijkt daarvan niets uit het dossier. [verdachte] zal dan ook worden vrijgesproken van het tenlastegelegde onder feit 4.

05/720019-18 19

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 10 januari 2018 is in een schuur op het perceel aan de [adres 1] in Voorst (hierna: het perceel) een laboratorium ter vervaardiging van synthetische drugs (hierna: drugslaboratorium) aangetroffen.20 Die dag zijn op het perceel verdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [verdachte] aangehouden.21 Verdachten [verdachte] en [medeverdachte 4] zijn de enige bewoners van het perceel.22

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde en de onder feit 3 ten laste gelegde opzetvariant wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Van het tenlastegelegde onder feit 2 heeft de officier van justitie vrijspraak gevraagd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Op geen enkele wijze volgt uit het dossier dat verdachte wetenschap had van wat zich heeft afgespeeld op het perceel. Ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde kan niet worden bewezen dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op totstandkoming van het gronddelict. Indien de rechtbank komt tot bewezenverklaring van enig feit, is verzocht de ten laste gelegde periode te verkorten, omdat rond 5 december 2017 een slot op de schuur kwam te hangen en verdachte vanaf dat moment dus geen beschikkingsmacht meer had.

De beoordeling door de rechtbank

De aangetroffen situatie

Op 10 januari 2018 is door de groep Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmantelen (LFO) bij het naderen van het drugslaboratorium geconstateerd dat ter hoogte van de buitendeur (die toegang gaf tot de “kantine” (een ruimte in de schuur)) de duidelijk herkenbare geur van amfetamine was waar te nemen. Voor de ingang van de kantine stond een witte Peugeot geparkeerd. In de laadruimte van dit voertuig werden onder meer vijftig jerrycans gevuld met zoutzuur aangetroffen.23 De vloer van de gang in de schuur was dermate vervuild met chemicaliën en/of halfproduct of afval dat de geur duidelijk waarneembaar was in alle ruimtes van de schuur.24 Verder heeft de LFO een groot aantal lege zakken caustic soda en APAA(N) aangetroffen, stoffen die gebruikt worden bij de productie van BMK en amfetamine. Volgens de LFO kan op basis van de aangetroffen situatie worden geconcludeerd dat in het drugslaboratorium op grote schaal BMK en amfetamine is geproduceerd.25

Van verschillende aangetroffen materialen zijn door de LFO monsters genomen die vervolgens door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) zijn geanalyseerd. De monsters met NFI-kenmerken AAJD5995NL, AAJD5964NL, AAJD5966NL en AAIQ0414NL bleken amfetamine(base) te bevatten. Het monster met NFI-kenmerk AAIQ0419NL bleek MDMA-hydrochloride te bevatten. Daarvan is 911 gram aangetroffen. Het monster dat is genomen van zeven paarse tabletten en één brok kristal heeft NFI-kenmerk AAIQ0420NL gekregen. De tabletten bleken MDMA te bevatten en de brok kristal bleek MDMA-hydrochloride te bevatten. Het monster met NFI-kenmerk AAIQ0429NL bleek GHB te bevatten.26 De rechtbank stelt vast dat de aangetroffen hoeveelheden van de materialen die door het NFI zijn geanalyseerd en amfetamine(base) en GHB bleken te bevatten, overeenkomen met de in de tenlastelegging opgenomen hoeveelheden.

De monsters die amfetamine(base) bleken te bevatten, zijn volgens het NFI materialen die kunnen worden geclassificeerd binnen het proces van vervaardiging van amfetamine uit BMK met de Leuckartmethode. Ook zoutzuur is een materiaal dat kan worden geclassificeerd binnen dit vervaardigingsproces.27 In een voorraadruimte in de schuur zijn 22 jerrycans aangetroffen die in totaal 110 liter methanol bleken te bevatten en een jerrycan die twaalf liter zwavelzuur bleek te bevatten.28 Methanol en zwavelzuur zijn chemicaliën die nodig zijn voor de omzetting van amfetaminebase in amfetamine-sulfaat (een eindproduct).29 Amfetaminepasta is een mengsel van amfetaminesulfaat, methanol, zwavelzuur en water.30 Methanol en zwavelzuur zijn dus ook benodigde chemicaliën voor de productie van amfetaminepasta (tevens een eindproduct).

Op basis van de aangetroffen en geanalyseerde materialen is de rechtbank van oordeel dat in het drugslaboratorium amfetaminebase en amfetamine is geproduceerd. Van de aangetroffen materialen die MDMA en GHB bleken te bevatten, is niet gebleken dat deze in het drugslaboratorium zijn geproduceerd, omdat niets is gevonden wat met het productieproces van deze stoffen samenhangt.

Het Waterschap Vallei en Veluwe heeft geconstateerd dat vanuit de schuur waarin het drugslaboratorium zich bevond een slang over het terrein liep die uitkwam in een straatkolk. In de straatkolk was een bruin gekleurde vloeistof te zien en er was een penetrante, chemische geur te ruiken. Daarnaast is geconstateerd dat de inhoud van het oppervlaktewaterlichaam aan de andere zijde van de Gravenstraat uit een bruin gekleurde vloeistof bestond en dat de vegetatie op de taluds sterk bruin was verkleurd en was afgestorven. Bij dit oppervlaktewaterlichaam was nog steeds een chemische geur te ruiken.31 De grond uit de sloot is bemonsterd en geanalyseerd en in de grond zijn resten van amphetamine, metamphetamine, n-acetyl-amphetamine aanwezig en van de vluchtige verbindingen zijn methanol en aceton verhoogd aangetroffen.32 Verder is in het water de aanwezigheid van norefedrine, norpseudoefedrine, n-formylamfetamine en amfetaminil aangetoond.33 Voor de locatie is door het waterschap geen vergunning verleend voor het brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam en er zijn geen maatregelen genomen om de verontreiniging of aantasting van bodem en oever van het oppervlaktewaterlichaam te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken.34 De rechtbank is op basis van het voorgaande van oordeel dat vanuit het drugslaboratorium afvalwater is geloosd in de sloot nabij het perceel.

De betrokkenen en de periode

De vraag waarvoor de rechtbank zich voorts ziet gesteld, is wie in welke mate betrokken is geweest bij de exploitatie van het drugslaboratorium. Daarnaast is het de vraag hoe lang het drugslaboratorium in werking is geweest.

Op 28 november, 4 december en 21 december 2017 is er geobserveerd. Op deze dagen is gezien dat een witte Toyota Aygo tussen 07.00 en 08.00 uur vanaf de [adres 2] in Deventer is vertrokken en even later is gestopt op de [adres 3] in Deventer, nabij de uitgang van het schuurtje behorend bij [adres 4] in Deventer. [medeverdachte 1] is op 21 december herkend als de bestuurder van de Toyota Aygo. [medeverdachte 1] heeft tijdens de stop op de [adres 3] plaatsgenomen in het voertuig als passagier en een onbekende man is als bestuurder in de auto gestapt. Daarna is het voertuig naar het perceel in Voorst gereden en daar gestopt.35 Ook op 10 januari 2018 is er geobserveerd en is nagenoeg hetzelfde waargenomen, alleen is er op die dag gereden in een donkerkleurige Peugeot 108.36 Op 21 december zijn de inzittenden van de Toyota Aygo rond 08.15 uur bij een verkeerscontrole gecontroleerd en daarbij is gebleken dat de door [medeverdachte 1] opgehaalde bestuurder [medeverdachte 2] is.37

Op 5 december 2017 is een observatiecamera op het perceel in Voorst geplaatst. Op de beelden van 5 tot en met 19 december 2017 is gezien dat een witte Toyota Aygo bijna elke werkdag tussen 08.00 en 09.00 uur het perceel is opgereden. De bestuurder van die Toyota Aygo heeft het perceel steeds niet eerder verlaten dan aan het eind van de middag, dan wel het begin van de avond. Deze bestuurder is herkend als [medeverdachte 2] .38 Op de beelden is tevens gezien dat een witte Peugeot Expert op meerdere werkdagen op meerdere wisselende momenten het perceel is opgereden en het perceel weer heeft verlaten na één à twee uur. De bestuurder van dit voertuig is herkend als [medeverdachte 3] .39 Op de beelden van 22 december 2017 is gezien dat [medeverdachte 3] zwarte handschoenen droeg.40 Uit de opgenomen beelden is gebleken dat [medeverdachte 1] nagenoeg dagelijks op het perceel kwam.41 Ook is uit de opgenomen beelden gebleken dat [verdachte] en [medeverdachte 4] contact hebben gehad met de personen die zijn aangehouden op het perceel.42 De partner van [medeverdachte 1] is eveneens gezien op het perceel, op 7, 8 en 21 december 2017. Op 7 december is zij met meerdere bigshoppers in de richting van de schuur gelopen.43

[verdachte] heeft verklaard dat hij geen andere mensen op het terrein bij de schuur heeft gezien dan [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zaten altijd in de schuur en [medeverdachte 3] kwam spullen bezorgen en wegbrengen.44

Getuige [getuige] heeft verklaard dat de witte Peugeot Expert op zijn naam staat, maar dat [medeverdachte 3] gebruik heeft gemaakt van dit voertuig en dat [medeverdachte 3] als enige beschikte over de sleutel van het voertuig.45

In een ruimte in de schuur waarin het drugslaboratorium zich bevond, is in een vuilnisbak een tweetal zwarte nitril/latex handschoenen aangetroffen.46 In de bemonsteringen van de handschoenen is DNA aangetroffen dat afkomstig kan zijn van [medeverdachte 2] . De kans dat dit DNA-profiel matcht met een willekeurig ander persoon dan [medeverdachte 2] is kleiner dan één op één miljard.47 In een andere ruimte is een aantekeningenschrift aangetroffen.48 In de bemonstering van de buitenzijde van het schrift is DNA aangetroffen dat afkomstig kan zijn van [medeverdachte 1] . De kans dat dit DNA-profiel matcht met een willekeurig ander persoon dan [medeverdachte 1] is kleiner dan één op één miljard.49 Gelet op deze bevindingen op grond van DNA-onderzoek en het feit dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op het perceel zijn aangetroffen, stelt de rechtbank vast dat zij de donoren zijn van respectievelijk het celmateriaal in de bemonsterde handschoenen en van het celmateriaal aan het bemonsterde schrift.

Conclusies t.a.v. verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]

Op basis van de beschreven bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat het drugslaboratorium van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] is geweest. De rechtbank baseert dit oordeel op het volgende. Vastgesteld is dat een in werking zijnd drugslaboratorium is aangetroffen in een schuur op het perceel in Voorst. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn vaak op het perceel geweest in de ten laste gelegde periode en [verdachte] heeft verklaard dat hij niemand anders bij de schuur heeft gezien dan deze personen. Ook heeft [verdachte] verklaard dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] altijd in de schuur zaten. Op de observatiebeelden zijn ook geen andere personen gezien dan de aangehouden verdachten, [medeverdachte 4] en de partner van [medeverdachte 1] . Van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] is DNA aangetroffen in ruimtes in de schuur waarin het drugslaboratorium zich heeft bevonden. Het standpunt dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op het perceel kwamen met een ander doel dan werken in het drugslaboratorium is gelet op het voorgaande weerlegd. Er was daar niets anders dan een drugslaboratorium en er is daar niemand anders gezien in de ten laste gelegde periode.

[medeverdachte 3] was steeds één à twee uur op het perceel aanwezig en hij had de sleutel van de schuur waarin het drugslaboratorium was gevestigd. Het voertuig waarvan hij gebruik heeft gemaakt was op het moment van het aantreffen van het drugslaboratorium volgeladen met zoutzuur, wat nodig is voor de vervaardiging van amfetamine. Dat [medeverdachte 3] steeds minstens één uur per keer aanwezig was op het perceel, past niet bij zijn verklaring dat hij enkel op het perceel kwam om spullen af te leveren of op te halen. Daarnaast is het onvoorstelbaar dat [medeverdachte 3] over een sleutel van het drugslaboratorium heeft beschikt zonder een rol te hebben gespeeld bij de exploitatie van dat laboratorium. De rechtbank is van oordeel dat [medeverdachte 3] minst genomen de grondstoffen voor de vervaardiging van amfetamine heeft geleverd, wat maakt dat hij een sleutelrol heeft gespeeld bij de exploitatie.

Gelet op de op 10 januari 2018 aangetroffen situatie, is de rechtbank van oordeel dat het drugslaboratorium al enige tijd in werking moet zijn geweest voordat het is aangetroffen. Uit de observaties is gebleken dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] vanaf 28 november 2017 op meerdere werkdagen samen naar het perceel in Voorst zijn gereden en vanaf het moment van het plaatsen van de observatiecamera zijn [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op het perceel gezien op meerdere werkdagen. Het drugslaboratorium is dan ook in ieder geval in de ten laste gelegde periode in werking geweest. Het kan niet anders zijn dan dat het afval uit het drugslaboratorium eveneens gedurende deze periode in de sloot werd geloosd.

[medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben aldus nauw en bewust samengewerkt bij de exploitatie van het drugslaboratorium in de ten laste gelegde periode. De rechtbank acht ten aanzien van de drie genoemde verdachten het medeplegen van het bereiden van amfetamine(base) en het medeplegen van het aanwezig hebben van MDMA(-hydrochloride) en GHB wettig en overtuigend bewezen.

Als medeplegers van de productie van amfetamine in het drugslaboratorium, zijn [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] verantwoordelijk voor het gehele productieproces, dus ook voor de afvoer van het drugsafval. Het is een feit van algemene bekendheid dat bij de bereiding van synthetische drugs afval vrij komt. Vastgesteld is dat het drugsafval terecht is gekomen in de sloot. Door het afval in het laboratorium weg te laten lopen, hebben genoemde verdachten willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het afval in de sloot terecht zou komen. Genoemde verdachten hebben zich dan ook schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk overtreden van artikel 6.2 van de Waterwet. Blijkens de beschreven bewijsmiddelen was de verontreiniging van de straatkolk en de sloot duidelijk waarneembaar en niet is gebleken dat enige maatregel is genomen om de verontreiniging te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. Daarmee hebben [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zich tevens schuldig gemaakt aan het medeplegen van de opzettelijke overtreding van artikel 6.8 van de Waterwet.

Conclusies t.a.v. verdachten [verdachte] en [medeverdachte 4]

[verdachte] en [medeverdachte 4] zijn de bewoners van het perceel waar het drugslaboratorium in werking is geweest en waren daar de gehele dag door aanwezig. Op dit perceel zijn [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] veelvuldig aanwezig geweest. [verdachte] heeft geconstateerd dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] altijd in de schuur zaten en dat [medeverdachte 3] spullen kwam bezorgen en wegbrengen. Ter hoogte van de buitendeur van de schuur rook het duidelijk naar amfetamine en blijkens de observatie heeft [medeverdachte 3] zwarte handschoenen gedragen op het perceel. Vaststaat bovendien dat in dezelfde schuur op het perceel twee keer eerder een hennepkwekerij is aangetroffen, zodat van een verhoogde mate van alertheid bij zowel [verdachte] als [medeverdachte 4] kan en mag worden uitgegaan. Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders zijn dan dat [verdachte] en [medeverdachte 4] op de hoogte waren van de productie van synthetische drugs in de schuur op hun perceel. Van een nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] is niet gebleken. Door echter hun schuur ter beschikking te stellen aan [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , die zich in deze schuur schuldig hebben gemaakt aan de productie van amfetamine(base), zijn [verdachte] en [medeverdachte 4] medeplichtig daaraan.

Door [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] is het drugsafval in de sloot geloosd. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte 4] zich tevens schuldig hebben gemaakt aan het brengen van het drugsafval in de sloot of dat zij daaraan een substantiële bijdrage hebben geleverd. Drugsafval wordt immers niet in alle gevallen op deze manier geloosd en niet kan worden vastgesteld dat zij wisten dat dit in dit geval op deze manier gebeurde. Het feit dat [verdachte] en [medeverdachte 4] hun schuur ter beschikking hebben gesteld, is onvoldoende voor het leveren van een substantiële bijdrage aan het brengen van het drugsafval in de sloot. [verdachte] en [medeverdachte 4] zullen dan ook worden vrijgesproken van het tenlastegelegde onder feit 2.

Zoals reeds vermeld, is het een feit van algemene bekendheid dat bij de bereiding van synthetische drugs afval vrij komt. Vanuit het drugslaboratorium liep over het perceel van [verdachte] en [medeverdachte 4] een slang en middels die slang werd het drugsafval via de straatkolk in de sloot geloosd. Niet is gebleken dat zij hebben gecontroleerd waar het drugsafval heen ging, terwijl zij op de hoogte moeten zijn geweest van de productie van drugs in hun schuur. Zij hebben aldus nagelaten enige handeling te verrichten om verontreiniging van de sloot te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken, terwijl zij redelijkerwijs hadden kunnen vermoeden dat door dat nalaten de sloot kon worden verontreinigd. Zij hebben zich dan ook schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 6.8 van de Waterwet.

De rechtbank deelt niet de visie van de verdediging dat [verdachte] geen beschikkingsmacht meer had over wat in en vanuit de schuur gebeurde vanaf het moment dat er een slot op de deur kwam. [verdachte] is en blijft immers de eigenaar van de schuur en voor medeplichtigheid is beschikkingsmacht geen vereiste. De strafbare feiten zijn dan ook gepleegd gedurende de gehele ten laste gelegde periode.

Hetgeen door de verdediging is aangevoerd, vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen en behoeft in het kader van de bewezenverklaring van het tenlastegelegde geen verdere bespreking.

3 Bewezenverklaring

05/840312-16

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 23 november 2015 te Voorst in de uitoefening van beroep of bedrijf, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 1] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 575 hennepplanten en/of delen daarvan en/of ongeveer 125, althans een groot aantal hennepstekken en/of delen

daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangegeven krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid

van een middel (te weten 575 hennepplanten en/of 125 hennepstekken, althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan);

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2015 tot en met 23 november 2015 te Voorst tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (in totaal) 195.011 kWh, althans een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Liander N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het

misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen elektriciteit, althans dat goed onder zijn/haar/hun bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.

05/840024-17

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

[betrokkene] en/of een of meer onbekend gebleven personen op of omstreeks 4 januari 2017 te Voorst met elkaar, althans één van hen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan de [adres 1] een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 100, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,
tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2016 tot en met 4 januari 2017 te Voorst, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of

opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voormeld pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;

2.

hij op of omstreeks 4 januari 2017 te Voorst tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden,

verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden gehad, te weten
- 357, althans een of meer bloempotten, en/of
- tien, althans een of meer koolstoffilters, en/of
- 57, althans een of meer assimilatielampen, en/of
- twee watervaten, en/of
- twee dompelpompen, en/of
- twee handsproeiers, en/of
- vier, althans een of meer irrigatiesystemen, en/of
- zeven, althans een of meer flessen met en/of bestemd voor voedingstoffen, en/of
- zeven, althans een of meer jerrycans met en/of bestemd voor voedingsstoffen, en/of
- drie, althans een of meer aan- en afzuiginstallaties, en/of
- een (automatisch) ventilatiesysteem, en/of
- een slakkenhuis,
waarvan hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en/of vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2016 tot en met 4 januari 2017 te Voorst tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 43.881 kWh, althans een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Liander N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen elektriciteit/goed onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.

05/720019-18

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of een of meer onbekend gebleven personen op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 november 2017 tot en met 10 januari 2018 te Voorst, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (in een pand/loods gelegen aan de [adres 1] te Voorst) hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
-1 liter van een materiaal bevattende amfetamine(base), althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine(base) (kenmerk NFI: AAJD5995NL) en/of
-240 liter van een materiaal bevattende amfetamine(base), althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine(base) (kenmerk NFI: AAJD5964NL) en/of
-12,8 liter van een materiaal bevattende amfetamine(base), althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine(base) (kenmerk NFI: AAJD5966NL) en/of
-20 liter van een materiaal bevattende amfetamine(base), althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine(base) (kenmerk NFI: AAIQ0414NL) en/of
-911 gram MDMA(-hydrocholoride), althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA(-hydrochloride) (kenmerk NFI: AAIQ0419NL en/of AAIQ0420NL) en/of
-15 liter GHB, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB (kenmerk NFI: AAIQ0429NL),

zijnde amfetamine en/of amfetaminebase en/of GHB en/of MDMA en/of MDMA-hydrochloride (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf, hij, verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 november 2017 tot en met 10 januari 2018 te Voorst, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of een of meer onbekend gebleven personen een pand gelegen aan de [adres 1] te Voorst en/of de daarbij horende nutsvoorzieningen voor de bereiding en/of verwerking en/of vervaardiging van amfetamine en/of GHB en/of MDMA ter beschikking te stellen;

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 november 2017 tot en met 10 januari 2018 te Voorst, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) al dan niet opzettelijk een hoeveelheid van de stoffen:
-methamfetamine en/of
-norefedrine en/of
-norpseudoefedrine en/of
-n-formylamfetamine en/of
-amfetaminil en/of
-amphetamine en/of
-n-acetyl-amphetamine en/of
-methanol en/of
-aceton,
heeft geloosd en/of gedeponeerd en/of gedumpt en/of laten liggen in een sloot (aan of nabij de [adres 1] te voorst), in elk geval handelingen heeft verricht en/of nagelaten, terwijl verdachte en/of zijn mededaders wisten of redelijkerwijs hadden kunnen vermoeden dat door die handelingen en/of het nalaten daarvan de bodem en/of de oever van het oppervlaktewaterlichaam, te weten de sloot (gelegen aan of nabij de [adres 1] te Voorst), kon worden verontreinigd en/of aangetast, en hebben verdachte en/of zijn mededaders niet aan zijn/hun verplichting voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van verdachte en/of zijn mededaders konden worden gevergd om die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen, dan wel indien die verontreiniging en/of aantasting zich voordoet, de verontreiniging en/of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken.

Voor zover er in de bewezenverklaring kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

05/840312-16

Ten aanzien van feit 1

In de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid.

Ten aanzien van feit 2

Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

05/840024-17

Ten aanzien van feit 1

Medeplegen van medeplichtigheid aan het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van feit 2

Medeplegen van het voorhanden hebben van voorwerpen waarvan hij weet of ernstig reden heeft te vermoeden dat zij bestemd zijn voor het plegen van een in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.

Ten aanzien van feit 3

Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

05/720019-18

Ten aanzien van feit 1

Medeplichtigheid aan het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 3

Medeplegen van overtreding van het voorschrift gesteld bij artikel 6.8 van de Waterwet, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van de onder parketnummer 05/840312-16 primair ten laste gelegde feiten, de onder parketnummer 05/840024-17 onder 1 en 3 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde feiten en de onder parketnummer 05/720019-18 onder 1 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren met aftrek van het voorarrest en tot een geldboete van € 7.500,--.

Het standpunt van de verdediging

In het geval van strafoplegging, heeft de verdediging verzocht rekening te houden met de rechtspraak omtrent dergelijke feiten en met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister van 15 januari 2019;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland van 6 augustus 2018.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte in een periode van drie jaar tijd twee hennepkwekerijen en een drugslaboratorium, waarin amfetamine is geproduceerd, op zijn perceel heeft gehad. De eerste hennepkwekerij heeft verdachte zelf geëxploiteerd en aan de exploitatie van de tweede hennepkwekerij en het drugslaboratorium is verdachte medeplichtig geweest door zijn schuur ten behoeve daarvan ter beschikking te stellen. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan (het medeplegen van) diefstal van elektriciteit en aan het medeplegen van overtreding van de Waterwet.

Het produceren van amfetamine is een zeer ernstig strafbaar feit. De opslag van chemicaliën en de uiteindelijke productie van synthetische drugs brengen namelijk gevaren met zich mee. Zo bestaat er gevaar voor brand, ontploffing en het vrijkomen van giftige stoffen. Daarnaast leveren deze harddrugs voor gebruikers ernstige gezondheidsrisico’s op. Ook gaat de productie van en de handel in harddrugs gepaard met diverse vormen van criminaliteit. Hennepkwekerijen zijn eveneens gevaarzettend en de uit hennepplanten verkregen stof THC is schadelijk voor de volksgezondheid. Met de handel in drugs wordt snel en grof geld verdiend. Behaalde drugswinsten leiden tot ontwrichting van bestaande economische, sociale en bestuurlijke structuren. Voorts heeft verdachte zich er geen rekenschap van gegeven waar het drugsafval bleef, waardoor het mede aan zijn schuld te wijten is dat een ernstige milieuvervuiling heeft plaatsgevonden. Al met al veroorzaken de feiten waaraan verdachte zich heeft schuldig gemaakt schade en overlast voor de maatschappij.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij kennelijk slechts zijn eigen financiële gewin voor ogen heeft gehad en daarbij geen acht heeft geslagen op de hierboven beschreven negatieve gevolgen. Verdachte heeft bovendien geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen.

Op de gepleegde strafbare feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van lange duur. De oplegging van een dergelijke straf is ook noodzakelijk om een voldoende afschrikwekkend effect te bewerkstelligen en recidive te voorkomen. De rechtbank tilt nog zwaarder dan de officier van justitie aan het feit dat verdachte zich kennelijk drie keer op rij heeft beziggehouden met druggerelateerde feiten op zijn perceel en zal daarom tot een hogere strafoplegging komen dan geëist.

De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast wordt aan verdachte een voorwaardelijke geldboete opgelegd van € 10.000,--, met een proeftijd van drie jaren, als stok achter de deur. Druggerelateerde feiten worden immers gepleegd met het oogmerk van economisch voordeel en op deze manier is verdachte hopelijk doordrongen dat dit economisch voordeel uitblijft op het moment dat hij in de proeftijd zich weer schuldig maakt aan een dergelijk feit.

Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van het in beslag genomen kasboek aan beslagene.

De verdediging heeft verzocht om teruggave van de in beslag genomen geldbedragen. De rechtbank zal geen beslissing nemen over deze in beslag genomen geldbedragen, omdat zij heeft geconstateerd dat er conservatoir beslag in de zin van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering op is gelegd en omtrent dit beslag daarom geen beslissing bij einduitspraak dient te worden genomen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 47, 48, 49, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 3, 10, 11 en 11a van de Opiumwet en de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van de onder 05/840024-17 1 primair en 4 ten laste gelegde feiten en van de onder 05/720019-18 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf;

 een geldboete van € 10.000,-- (tienduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 85 (vijfentachtig) dagen hechtenis;

 bepaalt, dat deze geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

- dat de veroordeelde zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 gelast de teruggave van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp aan beslagene, te weten: 1 stuk documentenmap, zijnde een kasboek.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.J.M. van Apeldoorn (voorzitter), mr. S.C.A.M. Janssen en
mr. B.F.M. Klappe, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.R. van Damme, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 maart 2019.

1 Het proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij, p. 12-15 van het proces-verbaal met dossiernummer PL0600-2015554431, gesloten op 23 februari 2016.

2 Het proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij, p. 16-19 van het proces-verbaal met dossiernummer PL0600-2016633217, gesloten op 3 april 2017.

3 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 123 van het proces-verbaal met dossiernummer PL0600-2016633217, gesloten op 3 april 2017.

4 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 4] , p. 218-219 van het proces-verbaal met dossiernummer PL0600-2016633217, gesloten op 3 april 2017.

5 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [naam 3] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2015554431, gesloten op 23 februari 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

6 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 65.

7 De aangifte namens Liander N.V., p. 110-111.

8 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 77.

9 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [naam 4] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2016633217, gesloten op 3 april 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

10 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [betrokkene] , p. 250, 252 en 262.

11 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 122.

12 Het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, p. 113.

13 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , p. 195; het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 4] , p. 233.

14 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [betrokkene] , p. 262.

15 Ruimlijst hennep, p. 164-164 van het proces-verbaal met dossiernummer PL0600-2015554431, gesloten op 23 februari 2016.

16 De aangifte namens Liander N.V., p. 133-134.

17 Het proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij, p. 19.

18 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , p. 196.

19 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [naam 5] van de politie Oost-Nederland, district IJsselland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2017536477, gesloten op 20 juli 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

20 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 152.

21 Het proces-verbaal van aanhouding van [medeverdachte 3] , p. 493; het proces-verbaal van aanhouding van [medeverdachte 2] , p. 399; het proces-verbaal van aanhouding van [medeverdachte 1] , p. 366; het proces-verbaal van aanhouding van [verdachte] , p. 443.

22 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] , p. 560.

23 Het proces-verbaal van sporenonderzoek, p. 310; het proces-verbaal van bevindingen LFO, p. 55; bijlage 1 bij het NFI-rapport van 23 maart 2018, p. 11.

24 Het aanvullend proces-verbaal LFO – geuren en deuren, p. 2/4.

25 Het proces-verbaal van bevindingen LFO, p. 57.

26 Het proces-verbaal van bevindingen LFO, p. 48-53; bijlage 1 bij het NFI-rapport van 23 maart 2018, p. 10-11.

27 Het NFI-rapport van 23 maart 2018, p. 6.

28 Het proces-verbaal van bevindingen LFO, p. 52-53; bijlage 1 bij het NFI-rapport van 23 maart 2018, p. 10-11.

29 Het aanvullend proces-verbaal LFO – vraag 1 van 18 december 2018, p. 4/5.

30 Het herzien NFI-rapport van 22 februari 2019, p. 6.

31 Het proces-verbaal van Waterschap Vallei en Veluwe, nummer 2018-005, p. 124.

32 Bijlage 8 bij het proces-verbaal van Waterschap Vallei en Veluwe, nummer 2018-005, p. 64-79.

33 Bijlage 7 bij het proces-verbaal van Waterschap Vallei en Veluwe, nummer 2018-005, p. 63.

34 Het proces-verbaal van Waterschap Vallei en Veluwe, nummer 2018-005, p. 124.

35 Het proces-verbaal van observatie dinsdag 28 november 2017, p. 35-36; het proces-verbaal van observatie maandag 4 december 2017, p. 40-41; het proces-verbaal van observatie donderdag 21 december 2017, p. 43-44.

36 Het proces-verbaal van observatie woensdag 10 januari 2018, p. 133-134.

37 Het proces-verbaal van bevindingen verkeerscontrole, p. 33.

38 Het proces-verbaal van uitkijken camerabeelden, p. 235 en 237; het aanvullend proces-verbaal van uitkijken camerabeelden van 24 september 2018.

39 Het proces-verbaal van uitkijken camerabeelden, p. 239-240; het aanvullend proces-verbaal van uitkijken camerabeelden van 24 september 2018.

40 Het proces-verbaal van 22 februari 2018, p. 256.

41 Het proces-verbaal van 22 februari 2018, p. 263.

42 Het proces-verbaal van 22 februari 2018, p. 245 en p. 249.

43 Het proces-verbaal van uitkijken camerabeelden, p. 242; het proces-verbaal van bevindingen Molier van 30 augustus 2018.

44 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 466.

45 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 281-283.

46 Het proces-verbaal van sporenonderzoek, p. 310.

47 Het proces-verbaalnummer 53, biologisch vooronderzoek; het NFI-rapport van 19 juli 2018.

48 Het proces-verbaal van sporenonderzoek, p. 310.

49 Het proces-verbaalnummer 53, biologisch vooronderzoek; het NFI-rapport van 2 augustus 2018.