Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:156

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-01-2019
Datum publicatie
30-01-2019
Zaaknummer
AWB - 17_1546, 1550, 1551,1552, 1553,1555,1556, 1557
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor het wijzigen van een rundveehouderij naar een biologische pluimveehouderij en het bouwen van een pluimveestal (artikel 2.1, eerste lid, onder a en i, Wabo)

Verweerder heeft in redelijkheid kunnen besluiten dat geen aanleiding bestaat voor het opstellen van een milieueffectrapport.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 17/1546, 17/1550, 17/1551, 17/1552, 17/1553, 17/1555, 17/1556 en 17/1557

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eisers] , , [eisers], [eisers], [eisers], [eisers] en [eisers],

allen te [woonplaats], eisers

(gemachtigde: mr. J.J.H. Hulshof),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij], te [woonplaats].

(gemachtigde: mr. P.P.A. Bodden)

Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een pluimveestal en het wijzigen van de inrichting.

Bij besluit van 10 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2018. [eisers], [eisers] en [eisers] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde mr. J.J.H. Hulshof. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.L. de Vries en ing. G.H. Landeweerd. Derde-partij is verschenen, bijgestaan door gemachtigde mr. P.P.A. Bodden.

Overwegingen

Inleiding

1. De rechtsvoorganger van de derde-partij heeft op 15 februari 2016 een aanvraag ingediend om de inrichting op het perceel [locatie] te [woonplaats] te wijzigen van een rundveehouderij naar een biologische pluimveehouderij en om op het perceel een pluimveestal te bouwen. Op de pluimveehouderij zullen 24.000 legkippen worden gehouden die naar buiten kunnen in een uitloopgebied van ongeveer 10 hectare.

2. Verweerder heeft een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (hierna: OBM) verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo.

Wet natuurbescherming

3. Eisers betogen dat op grond van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling had moeten worden opgesteld en dat daarvoor een milieueffectrapport had moeten worden opgesteld. Volgens eisers is het project daarnaast in strijd met de Habitatrichtlijn, omdat in de door het college van gedeputeerde staten verleende vergunning op grond van de Wet natuurbescherming de gevolgen van beweiding niet zijn beoordeeld. Eisers verwijzen naar de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2018 (ECLI:EU:C:2018:882).

4. De rechtbank is van oordeel dat de rechtmatigheid van de vergunning op grond van de Wet natuurbescherming en de vraag of in dat kader een milieueffectrapport had moeten worden opgesteld in deze procedure niet ter discussie staan. Het betoog heeft geen betrekking op het bestreden besluit en kan dus niet de rechtmatigheid daarvan aantasten.

Het betoog faalt daarom.

OBM

Beoordelingskader

5. In artikel 2.17 van de Wabo is bepaald dat, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken algemene maatregel van bestuur. Deze algemene maatregel van bestuur is het Besluit omgevingsrecht (Bor).

6. In artikel 2.2a, eerste lid, onder e, van het Bor is bepaald dat als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo onder meer wordt aangewezen de activiteit bestaande uit het houden van ten hoogste 40.000 stuks pluimvee.

7. In artikel 5.13b, eerste lid, van het Bor is bepaald dat een omgevingsvergunning voor de categorieën activiteiten bedoeld in artikel 2.2a, eerste lid, onder a tot en met i, wordt geweigerd indien het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17, eerste lid, van de Wet milieubeheer heeft beslist dat een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

8. Ingevolge artikel 7.17, eerste lid, van de Wet milieubeheer neemt het bevoegd gezag, behoudens in het geval dat toepassing is gegeven aan artikel 7.16, derde lid, een beslissing omtrent de vraag of voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

9. Uit het voorgaande volgt dat de omgevingsvergunning voor de pluimveehouderij door verweerder uitsluitend mag worden geweigerd indien een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Indien geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld, dan moet verweerder de omgevingsvergunning verlenen.

10. Bij de vraag of een milieueffectrapport moet worden opgesteld dient te worden beoordeeld of de verandering van een inrichting met 36 melkkoeien en 27 stuks jongvee naar een inrichting met 24.000 legkippen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft.

Bij die beoordeling moet worden vooropgesteld dat eerst vanaf 60.000 kippen een milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) verplicht is en eerst vanaf 40.000 kippen een m.e.r. beoordelingsplicht bestaat. De omvang van de aangevraagde inrichting is behoorlijk kleiner en er dient dus alleen een zogenaamde vormvrije m.e.r, beoordeling plaats te vinden. Daarbij dient te worden gekeken naar de kenmerken en plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten. Hierbij heeft verweerder een behoorlijke mate van beslissingsruimte, die de rechtbank heeft te respecteren.

Omvang uitloopgebied

11. Eisers betogen dat verweerder in het bestreden besluit een te kleine oppervlakte van het uitloopgebied heeft opgenomen. Op pagina 18 van het primaire besluit is immers een deel van het uitloopgebied niet opgenomen. Het weiland van 2,5 hectare ten noordwesten van het perceel is daar ten onrechte niet als deel van de uitloop opgenomen.

De rechtbank is van oordeel dat, zoals verweerder ook heeft toegegeven, de contouren van het uitloopgebied aan de noordzijde onjuist zijn weergegeven op pagina 18 van het primaire besluit. Dit is in het bestreden besluit niet aangepast. In zoverre kent het bestreden besluit een gebrek.

12. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, aangezien verweerder bij zijn besluitvorming en vormvrije m.e.r.- beoordeling wel is uitgegaan van een juiste omvang van het uitloopgebied. Op de gestempelde tekeningen die bij de omgevingsvergunning horen, is het uitloopgebied immers wel juist weergegeven.

13. Het betoog leidt dus niet tot vernietiging van het bestreden besluit.

Vormvrije m.e.r. beoordeling

14. Eisers betogen verder dat verweerder bij de vormvrije m.e.r. beoordeling onvoldoende rekening heeft gehouden met de emissies die plaatsvinden in de uitloop en de gevolgen hiervan op de luchtkwaliteit, de geurhinder, ammoniakuitstoot en bodemvervuiling. Verweerder heeft alleen de emissies uit de stal in zijn oordeel betrokken. De emissies van de buiten lopende kippen worden – anders dan in een stal – niet geconcentreerd, zodat er reden is deze te onderzoeken. De praktijk is immers dat de kippen voor een groot deel buiten lopen. Omdat de emissies van deze buiten lopende kippen niet in de emissienormen worden meegenomen is temeer aanleiding een milieueffectrapport op te stellen. De totale hoeveelheid fijnstof en geur neemt verder ten opzichte van de eerdere situatie explosief toe waardoor de gevolgen van een pluimveehouderij op de gezondheid niet moeten worden onderschat. Er bestaat aanleiding om deze gevolgen voor het milieu met een milieueffectrapport inzichtelijk te maken, aldus eisers.

15. Verweerder heeft overwogen dat het project zich kenmerkt door een stal die aan beide zijden beschikt over een overdekte uitloop. De kippen hebben daarnaast de beschikking over ongeveer 10 hectare onoverdekte uitloopmogelijkheid in het omliggende weiland. De overdekte uitloop is circa 10 uur per dag bereikbaar en de onoverdekte uitloop 8 uur per dag.

Het perceel is gelegen in een landbouwontwikkelingsgebied, op ongeveer 1,2 km van de kern van [woonplaats]. In de omgeving is geen sprake van een hoge bevolkingsdichtheid. Binnen een zone van 500 meter rondom het perceel bevinden zich 19 woonbestemmingen, 21 agrarische bedrijfsbestemmingen (met bedrijfswoning) en 4 bedrijfsbestemmingen (met bedrijfswoning). Het agrarisch landschap gaat door de aanwezigheid van (biologisch gehouden) hennen op het grasland niet verloren en de bouw van de stal leidt niet tot een wijziging van het historische landschap, nu ter plaatse reeds een (kleinere) stal aanwezig was.

De totale geurbelasting ten opzichte van de oude situatie met 36 melkkoeien en 27 stuks jongvee neemt toe van 0 odour units/m³ (ouE/m³) naar 8.160 ouE/m³. Echter de geurbelasting op de dichtstbijzijnde woningen ([locatie] 9 en 10) is tussen de 1,0 ouE/m³ en 1,9 ouE/m³, terwijl de norm voor deze woningen respectievelijk 14 ouE/m³ (7 en 9) en 20 ouE/m³ (10) is. Ook de geluidsbelasting is beperkt.

Verweerder heeft met betrekking tot het aspect fijnstof overwogen dat de uitstoot de normen niet overschrijdt. Uit berekeningen blijken de volgende concentraties:

23,41 microgram/m³ voor [locatie] met 12,1 dagen overschrijding, 23,72 microgram/m³ voor Hulstweg 9 met 12,,7 dagen overschrijding, 23,80 microgram/m³ voor [locatie], met 13,9 dagen overschrijding en 23,79 microgram/m³ voor [locatie] met 13,0 dagen overschrijding. Dit is ruim binnen de normen voor fijnstof. Ten slotte voldoet het toegepaste stalsysteem aan de normering voor Best Beschikbare Techniek (BBT) door het nemen van extra maatregelen ten aanzien van de ventilatoren in de nok en door plaatsing van een warmtewisselaar, aldus verweerder.

16. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op de definitie van het begrip project in het kader van de m.e.r. en de mogelijkheden om milieueffecten te meten, de milieueffecten vanuit de stal als uitgangspunt heeft mogen nemen. Deze effecten zijn op de omliggende woningen beperkt. Zowel wat betreft geur als wat betreft fijnstof blijven de hoeveelheden ruim binnen de toepasselijke normen. Omdat deze zo ruim binnen de normen blijven, heeft verweerder de omstandigheid dat de milieugevolgen van het verblijf van de kippen in de uitloop niet zijn berekend, niet doorslaggevend hoeven te achten om een m.e.r. te eisen. Daarbij is nog van belang dat het verblijf van de kippen buiten de stal is beperkt tot 8/10 uur per dag en in een maatwerkvoorschrift is opgenomen dat de afstand van het uitloopgebied tot woningen in ieder geval 50 meter moet zijn. Ook is in dat maatwerkvoorschrift bepaald dat de niet overdekte uitloop minimaal wekelijks moet worden gecontroleerd op aanwezige kadavers, vervuiling met mest en aanwezigheid van ongedierte en dat deze verontreinigingen uit de uitloop moeten worden verwijderd. Op deze wijze zal ook de door eisers gevreesde overlast door vliegen en ratten beperkt blijven.

Dat de totale uitstoot aan geur en fijnstof ten opzichte van de oude situatie fors toeneemt, is op zichzelf evenmin aanleiding voor verweerder om reeds daarom een m.e.r. te eisen. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat de milieugevolgen voor de omliggende woningen beperkt zijn en dat de stal en het uitloopgebied in een landbouwontwikkelingsgebied ligt. Nu wat betreft fijnstof ruim binnen de toepasselijke normen wordt gebleven en gelet op de stand van de wetenschap over de gevolgen van de pluimveehouderij voor de volksgezondheid, heeft verweerder ook hierin geen aanleiding hoeven te zien om een m.e.r. op te laten stellen.

Conclusie is dat verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende heeft gemotiveerd dat de wijziging van de inrichting geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft en in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat geen aanleiding bestaat voor het opstellen van een milieueffectrapport.

17. De door eisers aangehaalde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 1 februari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:260) leidt niet tot een ander oordeel. In deze zaak had verweerder zich op het standpunt gesteld dat, omdat aan de milieunormen is voldaan, reeds daarom geen milieueffectrapport hoefde te worden opgesteld. Dat standpunt heeft verweerder in deze zaak niet ingenomen. Deze uitspraak is daarom niet vergelijkbaar. Ook de uitspraak van de rechtbank Limburg van 18 april 2018 (ECLI:NL:RBLIM:2018:3604) is niet vergelijkbaar. In deze uitspraak was sprake van een fors hogere geurbelasting en daarmee een aanzienlijk grotere aantasting van het milieu. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat verweerder bij de vraag of een m.e.r. moet worden gemaakt, een ruime beslissingsruimte heeft.

De beroepsgrond faalt.

Bouwen

Ontvankelijkheid beroep tegen het onderdeel bouwen

18. De voorliggende omgevingsvergunning bestaat naast de OBM ook nog uit een onderdeel bouwen. Voor een ontvankelijk beroep tegen het onderdeel bouwen moeten in het bezwaarschrift gronden tegen dit onderdeel zijn aangevoerd. Dit volgt uit artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank stelt vast dat alleen eiser [eisers] in zijn bezwaarschrift gronden heeft aangevoerd tegen het onderdeel bouwen, aangezien hij heeft aangevoerd dat zijn uitzicht wordt belemmerd door de pluimveestal. De overige eisers hebben weliswaar in het bezwaarschrift gesteld dat zij tegen de pluimveestal zijn, maar niet nader aangegeven waarom zij tegen de bouw van de stal zijn. Deze eisers hebben dus in bezwaar geen gronden aangevoerd tegen het onderdeel bouwen. Dat betekent dat het beroep van alle eisers, behalve [eisers], voor zover gericht tegen het onderdeel bouwen, niet-ontvankelijk is.

Alleen het beroep van eiser [eisers] is op dit punt ontvankelijk.

Archeologie

19. De rechtbank komt ondanks het ontvankelijke beroep van eiser [eisers] niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgrond met betrekking tot het bouwen. Eiser [eisers] heeft in beroep immers betoogd dat het bestreden besluit in strijd is met de archeologische dubbelbestemming, terwijl het belang van eiser is gelegen in de bescherming van zijn woon- en leefklimaat, en niet in de bescherming van archeologische waarden. De dubbelbestemming strekt niet tot bescherming van de belangen van eiser [eisers].

Het beroep op de archeologische dubbelbestemming kan daarom op grond van artikel 8:69a van de Awb niet leiden tot vernietiging van de omgevingsvergunning. Zie ter vergelijking de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1825).

Overeenstemming bestemmingplan

Groenstroken

20. Tussen de weilanden die in het bestemmingsplan “Buitengebied 2012” zijn bestemd als “Agrarisch” liggen groenstroken die zijn bestemd als “Groen”. Binnen deze bestemming is agrarisch grondgebruik niet toegestaan.

Anders dan verweerder in het verweerschrift stelt, is de rechtbank van oordeel dat bij de vergunning niet alleen toestemming is gegeven de gronden met een agrarische bestemming als uitloopgebied te gebruiken, maar ook om de gronden met de bestemming “Groen” die in het uitloopgebied zijn gelegen als zodanig te gebruiken. De vergunning is immers verleend zoals aangevraagd, zodat ook de gronden in het uitloopgebied met de bestemming “Groen” – waarbinnen agrarisch gebruik niet is toegestaan – bij het bestreden besluit zijn vergund.

21. De rechtbank stelt vast dat eisers in hun bezwaarschriften geen gronden hebben aangevoerd ten aanzien van het gebruik van deze groenstroken. Voor een ontvankelijk beroep tegen dit gebruik moeten in het bezwaarschrift gronden hiertegen zijn aangevoerd. Dit volgt, zoals eerder al overwogen, uit artikel 6:13 van de Awb. Niemand heeft in bezwaar echter aangevoerd dat verweerder in het primaire besluit ten onrechte niet is ingegaan op dit gebruik in strijd met het bestemmingsplan. Dat betekent dat het beroep van alle eisers, voor zover het het onderdeel gebruik betreft, niet-ontvankelijk is.

Conclusie

22. Uit het voorgaande volgt dat het betoog van eisers dat verweerder ten onrechte een vergunning voor het onderdeel OBM heeft verleend, faalt. Het beroep is in zoverre ongegrond. Voorts is het beroep van alle eisers tegen het onderdeel gebruik van het bestreden besluit niet-ontvankelijk. Ook het beroep van alle eisers, behalve eiser [eisers], tegen het onderdeel bouwen van het bestreden besluit is niet-ontvankelijk. Het betoog van eiser [eisers] over de archeologie kan niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden omdat de betrokken normen niet zijn belangen beschermen. Ook in zoverre is het beroep ongegrond.

23. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eisers gelet op het onder 12 gepasseerde gebrek. Voorts bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep van eiser [eisers] voor zover gericht tegen het onderdeel bouwen ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep van de andere eisers voor zover gericht tegen het onderdeel bouwen niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep van alle eisers voor zover gericht tegen het onderdeel gebruik niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep van alle eisers voor zover gericht tegen het onderdeel OBM ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.024;

  • -

    draagt verweerder op het griffierecht van € 168 aan eisers te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzitter, mr. drs. M.S.T. Belt en mr. J.J.W.P. van Gastel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Mengerink, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.