Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:1557

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-04-2019
Datum publicatie
10-04-2019
Zaaknummer
05/987044-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dodelijk bedrijfsongeval, vrijspraak van overtreding van artikel 5, lid 1, artikel 8, lid 1 en lid 4, van de Arbeidsomstandighedenwet en artikel 7.3, lid 2, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. De enkele omstandigheid dat het risico van het werken met een Kooiaap niet in de RI&E is opgenomen, heeft naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet tot gevolg gehad dat er levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van werknemers bestond of te verwachten was. Er waren genoeg risico beperkende maatregelen genomen. Er is onder deze omstandigheden geen sprake van overtreding van artikel 32 van de Arbowet door verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/987044-16

Datum uitspraak : 4 april 2019

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige economische kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1963 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,

raadsman: mr. D.V.A. Brouwer, advocaat te 's-Gravenhage.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 21 maart 2019.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een ter terechtzitting toegewezen vordering tot wijziging tenlastelegging, laste gelegd dat:

1.

[verdachte] op of omstreeks 21 mei 2015, te Hedel, gemeente

Maasdriel, althans in Nederland, als werkgever in de zin van artikel 1 van de

Arbeidsomstandighedenwet, al dan niet opzettelijk, handelingen heeft verricht

en/of nagelaten in strijd met voormelde wet en/of de daarop berustende

bepalingen, immers heeft [verdachte] toen aldaar aan of nabij de

[adres] , zijnde een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1,

derde lid onder g van genoemde wet, door een van haar werknemers in de zin van

genoemde wet, te weten [slachtoffer] arbeid doen of laten verrichten,

bestaande die arbeid uit het vervoeren van goederen vanuit een vrachtauto naar

een woning door middel van een kooiaap, terwijl niet was/werd voldaan aan

- Artikel 5 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet

immers heeft [verdachte] bij het voeren van het

arbeidsomstandighedenbeleid niet in een inventarisatie en evaluatie

schriftelijk vastgelegd welke risico's de arbeid met een kooiaap voor de

werknemers met zich meebracht, althans bevatte de risico-inventarisatie en

-evaluatie geen beschrijving voor die kooiaap van de gevaren en de

risico-beperkende maatregelen en de risico's voor bijzondere categorieën van

werknemers en/of

- Artikel 8 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet

immers heeft [verdachte] er niet voor gezorgd dat die [slachtoffer]

doeltreffend was ingelicht over de te verrichten werkzaamheden, te weten het

uitvoeren van werkzaamheden met een kooiaap, en de daaraan verbonden risico's

en/of alsmede over de maatregelen die erop gericht waren deze risico's te

voorkomen of te beperken en/of

- Artikel 8 lid 4 van de Arbeidsomstandighedenwet

immers had [verdachte] niet, althans onvoldoende, toegezien op de

naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen of

beperken van de risico's bij het uitvoeren van werkzaamheden met een kooiaap

en/of niet, althans onvoldoende, toegezien op het juiste gebruik van de

veiligheidsgordel van de kooiaap en/of

- Artikel 7.3 lid 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit

immers had [verdachte] niet voorkomen dat het gebruik van een

arbeidsmiddel, te weten een kooiaap, gevaren voor de veiligheid en gezondheid

van de werknemers opleverde, aangezien de arbeidsmiddelen die op de

arbeidsplaats ter beschikking van de werknemers werden gesteld, niet

uitsluitend werden gebruikt voor het doel, op de wijze en op de plaats

waarvoor zij was ingericht en bestemd, aangezien de gebruikershandleiding niet

aanwezig was op de daarvoor bestemde plaats van de kooiaap en/of werd de

veiligheidsgordel niet gebruikt tijdens de bediening van de kooiaap,

terwijl daardoor, naar [verdachte] wist of redelijkerwijs moest

weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die werknemer(s),

te weten [slachtoffer] , ontstond of te verwachten was, zulks terwijl

verdachte aan deze verboden gedraging(en) feitelijke leiding heeft gegeven

en/of daartoe opdracht heeft gegeven.

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Aanleiding onderzoek

[slachtoffer] was werknemer van [verdachte] , onderdeel van de [X B.V.] Hij was op 21 mei 2015 bij de heer [naam 1] aan [adres] te Hedel om goederen te leveren. [slachtoffer] heeft de goederen uit de vrachtwagen op de Kooiaap geladen en wilde daarmee naar het huis van [naam 1] onder aan de dijk rijden. Op de steile weg van de dijk naar beneden is de Kooiaap omgevallen, vermoedelijk door een combinatie van factoren. [slachtoffer] is uit de Kooiaap gevallen of gesprongen, hij droeg vermoedelijk geen gordel. Hij is vervolgens onder de Kooiaap terechtgekomen en is ter plekke aan zijn verwondingen overleden.

Verdachte was ten tijde van het ongeval de vestigingsmanager in Rosmalen bij [verdachte] en in die hoedanigheid de leidinggevende van [slachtoffer] .

Uit het onderzoek is onder meer het volgende gebleken:

  • -

    de gebruikershandleiding was niet op de Kooiaap aanwezig (pagina 11);

  • -

    de uiteinden van de veiligheidsgordel waren vervuild en er zijn geen gebruikerssporen op aangetroffen, ook was de gordel zelfs voor een tenger figuur te kort afgesteld. Hieruit blijkt dat de gordel vermoedelijk (al langere tijd) niet werd gedragen (bijlage 21);

  • -

    er was een risico- inventarisatie en evaluatie (hierna: RI&E) beschikbaar, maar hierin is het werk met een Kooiaap niet als risico opgenomen (bijlage 10);

  • -

    in het magazijn en in de verkoopruimte hingen posters met instructies voor het gebruik van heftruck. Hierop staat onder meer een instructie over het dragen van de gordel. (bijlage 11, foto’s 5 en 8);

  • -

    de Kooiaap werd elk half jaar onderhouden en regelmatig gekeurd (bijlage 29 - 31)

  • -

    onderdeel van het arbo-beleidsplan is een veiligheidsinstructie voor vorkheftruckchauffeurs van de [X B.V.] , onder 2 staat dat de veiligheidsgordels altijd gebruikt moeten worden (bijlage 26);

  • -

    [naam 2] en verdachte hebben verklaard dat er maatregelen zijn genomen om de risico’s bij het werken met de Kooiaap te beperken, bestaande uit trainingen,
    arbo-meetingen en veiligheidsinstructies. Er is bewust voor gekozen om veiligheidsdeskundigen van een externe partij de (her)certificering van de heftruckchauffeurs te laten doen;

  • -

    verdachte heeft verklaard dat hij op het terrein van bedrijf toezicht hield op de veiligheidsinstructies, dit wordt bevestigd door [getuige] ;

  • -

    [naam 3] verzorgde de (her)certificeringen van de chauffeurs voor de [X B.V.] (bijlage 54); uit het cursusmateriaal blijkt dat aandacht wordt gevraagd voor het dragen van de veiligheidsgordel (bijlage 56);

  • -

    [slachtoffer] is op 26 juni 2014 geslaagd voor de hercertificering, de cursus veiligheid en het efficiënt omgaan met de heftruck (bijlage 57).

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat artikel 5, lid 1, van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet) is overtreden omdat de RI&E geen omschrijving van het werken met de Kooiaap bevatte, terwijl dit werk wel voorkwam.

Artikel 8, lid 1, van de Arbowet is overtreden omdat werknemers niet specifiek door hun werkgever en leidinggevende werden gewezen op de risico-beperkende maatregel van het dragen van een veiligheidsgordel.

Het risico van omvallen van de Kooiaap en de mogelijke maatregel om de veiligheidsgordel te dragen leidde niet tot nadere mondelinge of schriftelijke instructies waarop adequaat toezicht gehouden kon worden. Dit levert een overtreding van artikel 8, lid 4, van de Arbowet op volgens de officier van justitie.

Artikel 7.3, lid 2, van de Arbowet is overtreden omdat in tegenstelling tot wat in de gebruikershandleiding stond, de gebruikershandleiding niet op de daarvoor bestemde plek aanwezig was.

Doordat de werkgever arbeid heeft doen verrichten terwijl deze artikelen werden overtreden en daardoor levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van [slachtoffer] ontstond of te verwachten was, is artikel 32 van de Arbowet overtreden.

De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het ten laste gelegde feit. De officier van justitie heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte maatregelen ter voorkoming van een dergelijk arbeidsongeval achterwege heeft gelaten, hoewel hij daartoe bevoegd en gehouden was als feitelijk leidinggevende. Door zo te handelen heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat een dergelijk arbeidsongeval zich zou kunnen voordoen.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van 120 uren werkstraf, te vervangen door 60 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat in het begrip feitelijk leidinggeven een zelfstandig opzetvereiste is besloten. Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte ten minste voorwaardelijk opzet had op de gedragingen van [verdachte] .

De raadsman heeft aangevoerd dat er een standaardmodel RI&E van de Brancheorganisatie is ingevuld en uitgewerkt. Verdachte is hierbij niet betrokken geweest. Voor het ongeval had verdachte geen wetenschap van de omissie in de RI&E met betrekking tot de Kooiaap en heeft het risico op deze omissie ook niet aanvaard.

Verder heeft de raadsman het volgende aangevoerd. Het verwijt dat [verdachte] haar werknemer(s) onvoldoende doeltreffend heeft ingelicht over de risico’s met het werken met de Kooiaap treft geen doel. De vennootschap heeft haar werknemers naar vermogen en doeltreffend ingelicht over de risico’s. Ten aanzien van het toezicht op de veiligheidsinstructies buiten de vestiging is de vraag welke eisen daaraan rechtens gesteld mogen worden. Het is praktisch niet mogelijk om aan elke chauffeur een toezichthouder te koppelen. Bovendien kan niet vastgesteld worden dat de gordel al langere periode niet is gebruikt op basis van het dossier. Uit niets blijkt dat verdachte wist, kon weten of moest weten dat het toezicht onvoldoende zou zijn. Ook kan niet worden bewezen dat hij dit risico bewust zou hebben aanvaard. Het laatste verwijt ziet op het gebruik van de Kooiaap. De enkele omstandigheid dat de gebruikershandleiding niet op de Kooiaap aanwezig was, betekent niet dat de Kooiaap op onjuiste wijze werd gebruikt. De tweede uitwerking van dit verwijt ziet op het niet dragen van de veiligheidsgordel. Hiervan kan niet worden bewezen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de Kooiaap in strijd met de instructies zou worden gebruikt.

Beoordeling door de rechtbank

Vrijspraak overtreding artikel 8, lid 1, en lid 4, Arbowet en artikel 7.3, lid 2, Arbeidsomstandighedenbesluit

Ten aanzien van het standpunt van de officier van justitie dat [verdachte] haar werknemers niet doeltreffend heeft ingelicht over de risico’s van het werken met de Kooiaap overweegt de rechtbank als volgt. [verdachte] heeft ervoor zorggedragen dat haar werknemers gecertificeerd waren en elke vijf jaar gehercertificeerd werden. Dit werd uitbesteed aan [naam 3] , die deskundig zijn op dit gebied. In deze cursus werd onder meer aandacht besteed aan het belang van het dragen van de veiligheidsgordel in de Kooiaap. Verder was het dragen van de gordel onderdeel van het arbo-beleidsplan en werd het dragen van de gordel expliciet vermeld op de veiligheidsinstructies die op meerdere plaatsen in het bedrijf hingen. Hieruit blijkt ook dat er schriftelijke instructies ten aanzien van het dragen van de gordel beschikbaar en zichtbaar waren.

Verder was verdachte alert op het uitvoeren van de veiligheidsinstructies op het terrein van [verdachte] De rechtbank is van oordeel dat niet van verdachte verwacht kon worden dat hij dit ook buiten het terrein van het bedrijf zelf controleerde of liet controleren. Dit zou praktisch onuitvoerbaar zijn.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte voldoende heeft gedaan om zijn werknemers op het dragen van de veiligheidsgordel te wijzen en ook voldoende hierop heeft toegezien.

Dat de gebruikershandleiding van de Kooiaap niet op de Kooiaap zelf aanwezig was, zoals in de handleiding is voorgeschreven, is niet een omstandigheid waarvan [verdachte] wist of redelijkerwijs moest weten dat hierdoor levensgevaar of ernstige schade voor de gezondheid van haar werknemers te duchten was. Door verdachte is daarover voldoende toegelicht dat er helemaal geen plek was voor deze handleiding op de Kooiaap en dat hij dan zo vies zou worden dat hij helemaal niet meer te lezen was. De aanwezigheid van de handleiding op het bedrijf zelf voldoet naar het oordeel van de rechtbank.

Artikel 5, lid 1, Arbo-wet, de RI&E

De rechtbank constateert dat het werken met de Kooiaap niet is opgenomen in de RI&E van

[verdachte] Daarmee is niet voldaan aan de verplichting genoemd in artikel 5, lid 1, van de Arbowet. Verdachte is wel verantwoordelijk voor het (laten) opmaken een juiste RI&E.

De vraag die echter voorligt is of door het enkele niet opnemen van het werken met de Kooiaap als risico in de RI&E, [verdachte] wist dat hierdoor levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van haar werknemers kon ontstaan.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen, dat er binnen het bedrijf voldoende maatregelen waren genomen om het risico van het werken met de Kooiaap te beperken. Het risico is daarmee binnen het bedrijf voldoende onderkend. De enkele omstandigheid dat dit risico niet in de RI&E is opgenomen, heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet tot gevolg gehad dat er levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van werknemers te duchten was. Er waren immers genoeg risico beperkende maatregelen genomen. Er is onder deze omstandigheden geen sprake van overtreding van artikel 32 van de Arbowet door verdachte.

De rechtbank is daarom van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat sprake is van overtreding van de Arbowet zoals ten laste gelegd. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.G.J. Welbergen (voorzitter), mr. S.H. Keijzer en

mr. F.M.A. 't Hart, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Langstraat, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 april 2019.