Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:1504

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
08-04-2019
Datum publicatie
10-04-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3919
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WOZ. Proceskosten en wegingsfactor. Eigen koopcijfer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 11-04-2019
FutD 2019-1064
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 18/3919

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 8 april 2019

in de zaak tussen

[X] , te [Z] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de heffingsambtenaar van Tribuut, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [A-straat 1] te [Z] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2017, vastgesteld voor het kalenderjaar 2018 op € 372.000. In het desbetreffende geschrift is ook de aanslag onroerende-zaakbelasting (hierna: ozb) bekend gemaakt.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 30 juni 2018 de waarde verminderd tot € 360.000 en de daarop gebaseerde aanslag ozb dienovereenkomstig verminderd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 6 juli 2018, ontvangen door de rechtbank op 9 juli 2018, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft partijen bij brief van 4 oktober 2018 medegedeeld dat zij van oordeel is dat het niet nodig is om een zitting te houden, omdat zij voldoende informatie heeft om een uitspraak te doen. In die brief is medegedeeld dat een zitting achterweg zal blijven, tenzij een van de partijen aangeeft dat zij mondeling op een zitting wil worden gehoord (artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht).

Partijen hebben niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

Feiten

1. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 30 juni 2018 de waarde verminderd tot € 360.000 en de daarop gebaseerde aanslag ozb dienovereenkomstig verminderd. Verweerder heeft een kostenvergoeding toegekend van € 249 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 249 en een wegingsfactor 0,5). Verweerder heeft geen kostenvergoeding voor een taxatierapport toegekend.

Geschil

2. In geschil is de kostenvergoeding in de bezwaarfase.

3. Eiseres heeft gesteld dat zij recht heeft op een kostenvergoeding van € 498. Volgens eiseres is er geen aanleiding uit te gaan van een lagere wegingsfactor dan 1, omdat de waarde van de woning in geding is. Ook de kosten van het taxatierapport van € 121 inclusief omzetbelasting dienen te worden vergoed.

4. Verweerder heeft gesteld dat een wegingsfactor 0,5 volstaat omdat een eigen koopcijfer van de woning voorhanden is. Om die reden was het volgens verweerder redelijkerwijs ook niet nodig om met behulp van een taxatierapport aannemelijk te maken dat de beschikte waarde onjuist was.

Beoordeling van het geschil

5. Ten aanzien van de gehanteerde wegingsfactor stelt de rechtbank voorop dat de beoordelende instantie zelfstandig – op grond van een eigen waardering – dient te beoordelen in welke gewichtscategorie een zaak valt (Hoge Raad 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2293).

6. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een zaak in de bezwaarprocedure in beginsel behoort tot de categorie gemiddeld (wegingsfactor 1), tenzij er duidelijke redenen zijn om hiervan af te wijken. Een andere wegingsfactor dan 1 wordt slechts gehanteerd bij een naar juridische en/of feitelijke complexiteit van het gemiddelde afwijkende zaak. De wegingsfactor kan variëren van 0,25 voor een zeer lichte zaak tot wegingsfactor 2 voor een zeer zware zaak, afhankelijk van de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandsverlener. Indien naar het oordeel van het bestuursorgaan sprake is van de categorie licht of zeer licht, dient het bestuursorgaan dit te motiveren.

7. Verweerder heeft gesteld dat een wegingsfactor 0,5 volstaat omdat een eigen koopcijfer van de woning voorhanden is. De heffingsambtenaar van Tribuut heeft ‘Beleidsregels hoorzittingen en proceskosten Tribuut 2018’ vastgesteld en in die beleidsregels is geregeld dat factor 0,5 wordt gehanteerd als sprake is van een lichte zaak, bijvoorbeeld in een geval waarin een eigen koopcijfer aanleiding geeft de waarde te verminderen. Vanwege het eigen koopcijfer was het volgens verweerder ook niet redelijk om de hulp van een deskundige (taxateur) in te roepen.

8. Naar het oordeel van de rechtbank kan het door verweerder aangedragen argument de wegingsfactor 0,5 in dit geval niet dragen. In een geval als dit, waarin het tegen de beschikking of aanslag ingestelde bezwaar (mede) de toepassing van het materiële recht (Wet WOZ) betreft, gaat de rechtbank in de regel uit van een gemiddeld gewicht van de zaak (wegingsfactor 1), tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die tot een (hogere of) lagere wegingsfactor leiden. Aan verweerder kan worden toegegeven dat het bezwaarschrift van de gemachtigde zeer beknopt is omdat in wezen slechts wordt verwezen naar het bijgevoegde taxatierapport van [A] . De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat het voor eiseres op voorhand duidelijk moest zijn dat de enkele verwijzing naar het eigen koopcijfer voldoende zou zijn om verweerder te overtuigen van een lagere waarde dan de beschikte waarde. In dat licht ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven tot een lager dan gemiddeld gewicht van de zaak. In de omstandigheden van dit geval kan niet worden gezegd dat het op zichzelf maken van de kosten van bezwaar of de hoogte ervan niet redelijk is. De rechtbank zal de kostenvergoeding voor de bezwaarfase daarom vaststellen op € 498 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 249 en een wegingsfactor 1). De rechtbank merkt daarbij op dat het niet is gebonden aan de Beleidsregels hoorzittingen en proceskosten Tribuut 2018, des te minder indien met die regels ten nadele van eiseres wordt afgeweken van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

9. Gelet op de overweging dat het voor eiseres op voorhand niet duidelijk hoefde te zijn dat de enkele verwijzing naar het eigen koopcijfer voldoende zou zijn om verweerder te overtuigen van een lagere waarde dan de beschikte waarde van € 372.000, is de rechtbank van oordeel dat het eiseres ook vrijstond om naast de verwijzing naar een eigen koopcijfer een taxatierapport in te dienen ter onderbouwing van haar bezwaar.

10. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van kosten van het taxatierapport van € 121 en heeft verwezen naar de ‘Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties, Raad voor de Rechtspraak’ (hierna: de richtlijn).

11. De rechtbank stelt voorop dat de richtlijn niet geldt als algemeen verbindend voorschrift omdat zij niet krachtens enige wetgevende bevoegdheid is gegeven, maar zij bindt wel de rechter op grond van algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging, en leent zich naar haar aard en strekking ertoe jegens de daarbij betrokkenen als rechtsregel te worden toegepast (Hoge Raad 27 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3370). In de richtlijn zoals die gold tot 1 juli 2018 is geregeld dat bij een niet-inpandige woningtaxatie kan worden uitgegaan van 2 uren maal een uurtarief van € 50, hetgeen neerkomt op een vergoeding van € 121 inclusief omzetbelasting. Het taxatierapport van taxateur [A] , op basis van een zogenoemde bureautaxatie of administratieve taxatie, is echter zeer summier en maakt, ondanks de vermelding van toepassing van de vergelijkingsmethode, op geen enkele wijze inzichtelijk welke vergelijkingsobjecten hebben gediend ter vergelijking of op welke wijze de vergelijkingsmethode heeft geleid tot de getaxeerde waarde van € 345.000. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat vergoeding van 1 uur daarvoor passend is, zodat voor vergoeding in aanmerking komt € 60,50 (1 uur maal een uurtarief van € 50 te vermeerderen met omzetbelasting). De totale kostenvergoeding voor de bezwaarfase bedraagt dan € 558,50 (€ 498 + € 60,50).

12. Gelet op het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.

13. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 256 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde van € 512 en een wegingsfactor 0,5 omdat het beroep uitsluitend gaat over de kostenvergoeding voor bezwaar). De totale (proces)kostenvergoeding voor de bezwaar- en beroepsfase komt daarmee op € 814,50. Hierop kan verweerder in mindering brengen hetgeen hij reeds aan eiseres heeft betaald. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover het de kostenvergoeding betreft;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van de uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 814,50;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 46 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R.W.H. van Brandenburg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 8 april 2019

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.