Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:1454

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-04-2019
Datum publicatie
04-04-2019
Zaaknummer
05/740607-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 20 jaar voor het medeplegen van moord en brandstichting van een vluchtauto en voor het voorhanden hebben van wapens en munitie. Daarnaast dient hij schadevergoeding te betalen aan de partner en dochter van het slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0590
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/740607-17

Datum uitspraak : 4 april 2019

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats] ( [land] ),

wonende te [adres 1] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te P.I. Overijssel - HvB Zwolle te Zwolle.

Raadsvrouw: mr. N.W.A. Dekens, advocaat te Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 8 maart 2018, 31 mei 2018, 7 augustus 2018, 2 oktober 2018, 20 december 2018 en 7 maart 2019.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering tot wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 28 november 2017 te Nieuwegein, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met een of meer vuurwapen(s) één of meerdere kogel(s) in en/of door en/of in de richting van het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] te schieten/af te vuren;

2.

Primair

hij op of omstreeks 28 november 2017 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht door een brandend voorwerp in aanraking te brengen met (het interieur van) een auto, althans open vuur in aanraking heeft gebracht met (het interieur van) een auto, in ieder geval een brandend voorwerp in een auto heeft gegooid, ten gevolge waarvan die auto geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan en daarvan gemeen gevaar voor die auto en de daarin gelegen goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij op of omstreeks 28 november 2017 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een auto, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, door opzettelijk en wederrechtelijk de auto in brand te steken, althans een brandend voorwerp in de auto te gooien;

3.

hij op of omstreeks 28 november 2017 te Amsterdam, althans in Nederland, twee vuurwapens van categorie III en/of drie onderdelen van vuurwapens van categorie III, te weten

  • -

    een vuurwapen merk Walther model PPQ kaliber 7.65 mm en/of

  • -

    een vuurwapen merk Reck model Goliath kaliber 9 mm en/of

  • -

    drie onderdelen van een vuurwapen, te weten: twee patroonmagazijnen en 1 patroonmagazijnhuis

en/of munitie van categorie III, te weten (in totaal) 117 scherpe patronen,

voorhanden heeft gehad.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 28 november 2017 tussen 07.45 uur en 07.50 uur is er door een persoon met een vuurwapen geschoten op [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ). Deze is hierbij om het leven gekomen. Hij zat op dat moment op de bestuurdersstoel van een personenauto die geparkeerd stond op de parkeerhaven voor zijn woning aan de [adres 2] te Nieuwegein.2 Na onderzoek aan zijn lichaam is vastgesteld dat hij is overleden aan de gevolgen van schotverwondingen in het hoofd en de romp, met respectievelijk traumatische hersenbeschadiging en ernstig bloedverlies in de borstkas.3 Op de plaats-delict zijn twaalf hulzen aangetroffen van het kaliber 9 mm Parabellum.4

Na het schietincident rende de persoon weg en stapte aan de passagierszijde van een zwarte personenauto, model Seat, in. Dit voertuig reed vervolgens met hoge snelheid en zonder verlichting weg.5 Omstreeks 08.10 uur werd melding gedaan van een autobrand op de [adres 3] te Utrecht. De afstand tussen deze plek en de [adres 2] te Nieuwegein bedraagt ongeveer twintig minuten.6 Het voertuig, een zwarte personenauto van type Seat Leon, bleek volledig uitgebrand.7 Getuigen hebben waargenomen dat een persoon, naar later is gebleken verdachte [verdachte]8, een brandend voorwerp in een auto gooide en daarna als bijrijder in een Volkswagen Golf, met kenteken [kenteken 1] , stapte. Het voertuig reed in eerste instantie rustig weg.9 De politie heeft de achtervolging van de getuigen overgenomen en na een wilde rit heeft de politie voormelde auto klemgereden op de [adres 4] te Amsterdam.10 [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) zijn vervolgens aangehouden.11

Het bij de liquidatie gehanteerde wapen is niet aangetroffen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de onder 1 en 2 (primair) ten laste gelegde feiten en aan het onder 3 ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat verdachte de schutter is geweest. Verdachte is niet herkend en er zijn geen sporen van verdachte aangetroffen op de plaats-delict. In de rechter handschoen, met daarop 284 munitiedeeltjes, is geen DNA van verdachte aangetroffen. Het is geen gegeven dat verdachte deze handschoen heeft gedragen ten tijde van de liquidatie. Ten aanzien van de linker handschoen is niet met zekerheid vast te stellen dat verdachte zijn DNA heeft achtergelaten op het moment van de liquidatie, nu in die handschoen een mengprofiel is aangetroffen. Dit geldt eveneens voor de andere kledingstukken waarin een mengprofiel is aangetroffen. Het is niet uitgesloten dat een derde persoon betrokken is geweest bij de liquidatie, welke persoon is ontkomen met het wapen en zijn kleding heeft achtergelaten bij verdachte. Er heeft geen vergelijkend onderzoek plaatsgevonden tussen de munitie die in de woning van verdachte is aangetroffen en de schotresten op de aangetroffen kledingstukken. Niet kan worden uitgesloten dat de schotresten op de kleding door een ander schietincident zijn veroorzaakt. Medeplegen van de liquidatie kan eveneens niet bewezen worden verklaard. Niet kan worden vastgesteld dat er een gezamenlijk plan was, met gedeeld opzet, op de samenwerking en op de levensberoving.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van de feiten 1 en 2

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verdachten [medeverdachte] en [verdachte] betrokken zijn geweest bij de liquidatie van [slachtoffer] . Voordat zij toekomt aan het beantwoorden van die vraag, gaat zij over tot bespreking van de onderzoeksresultaten.

Forensische beschouwing – conclusies van de rechtbank

In de Volkswagen Golf, waarin verdachten op het moment van aanhouding reden, zijn onder meer kledingstukken aangetroffen. Deze kledingstukken zijn onderworpen aan onderzoek, net zoals de handen van verdachten en de jassen die zij droegen op het moment van hun aanhouding. Ook zijn de aangetroffen hulzen op de plaats-delict van de liquidatie onderzocht. Voorts zijn glasdeeltjes, die zich bevonden op de kleding die is aangetroffen in de vluchtauto van verdachten, vergeleken met het glas van de ruiten van het voertuig waarin het slachtoffer [slachtoffer] zat. Allereerst worden de resultaten van dit forensisch onderzoek besproken, alsook de conclusies die de rechtbank aan dit onderzoek verbindt.

Aangetroffen hulzen op de plaats-delict

Op de plaats-delict zijn 12 hulzen gevonden [AAJL3503NL t/m -14NL]. De aangetroffen hulzen zijn van het kaliber 9 mm Parabellum.12 De bevindingen van het huls vergelijkend onderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer de hulzen zijn verschoten met één en hetzelfde vuurwapen, dan wanneer de hulzen zijn verschoten met twee vuurwapens van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemsporen.13

De rechtbank concludeert hieruit dat er in elk geval 12 keer een kogel is afgevuurd met één en hetzelfde vuurwapen en de hulzen hiervan zijn uitgeworpen.

Schotrestenonderzoek schiethanden en jassen van verdachten en vergelijkend onderzoek hulzen

De handen [AAEU9928NL] en mouwen van de jas [AAIO1521NL] van verdachte [medeverdachte] en de handen [AAEU9505NL] en mouwen van de jas [AAIO1525NL] van verdachte [verdachte] zijn bemonsterd op de aanwezigheid van schotresten. In alle bemonsteringen zijn categorie A deeltjes met een GdZnTi elementsamenstelling aangetroffen, oftewel deeltjes die specifiek voorkomen in gemarkeerde (politie) munitie. Dergelijke deeltjes worden regelmatig aangetroffen bij onderzoeken als deze, maar dat beperkt zich vrijwel altijd tot slechts enkele deeltjes. Dit is het geval bij de bemonsteringen van verdachte [verdachte] . Bij de bemonsteringen van verdachte [medeverdachte] is het aantal aangetroffen deeltjes van gemarkeerde munitie uitzonderlijk hoog. Deze deeltjes zijn niet afkomstig van het verschieten van de aangetroffen hulzen, maar duiden waarschijnlijk op secundaire overdracht door de politie. De gemarkeerde deeltjes zijn in de conclusies buiten beschouwing gelaten.14

Voor zowel de handen15 als de mouwen van de jassen16 van beide verdachten geldt dat de bevindingen van het onderzoek zeer veel waarschijnlijker zijn wanneer er schotresten op deze bemonstering aanwezig zijn, dan wanneer er géén schotresten op deze bemonstering aanwezig zijn.

Vanwege het aantreffen van een groot aantal deeltjes afkomstig van gemarkeerde munitie moet rekening gehouden worden met de bron van herkomst van alle aangetroffen deeltjes bij verdachte [medeverdachte] .17

De rechtbank concludeert hieruit dat op de handen en jassen van beide verdachten schotresten zijn aangetroffen, maar dat niet valt uit te sluiten dat deze schotresten door middel van secundaire overdacht door de politie op de handen en jassen van verdachten terecht zijn gekomen. Dit geldt met name ten aanzien van verdachte [medeverdachte] .

De aangetroffen schotresten op de handen en mouwen van de jas van de verdachten zijn vergeleken met de schotresten aangetroffen in de hulzen op de plaats-delict.

Voor zowel verdachte [medeverdachte] als verdachte [verdachte] geldt dat de bevindingen van het vergelijkend schotrestenonderzoek iets waarschijnlijker zijn wanneer de deeltjes die zijn aangetroffen op verdachte afkomstig zijn van het verschieten van de op de plaats-delict aangetroffen hulzen, dan wanneer deze afkomstig zijn van willekeurige andere verschoten

hulzen.18

Aangetroffen kledingstukken in de Volkswagen Golf

Op de vloer voor de bijrijderstoel is een hoes [AAKE1665NL] aangetroffen met daarin een zwarte Adidas trui [AAKE1667NL] en een zwarte Nike sportbroek [AAKE1666NL].

Daarnaast is op de vloer achter de bestuurderstoel een zwarte trui [AAKE1660NL], een zwarte rechter handschoen [AAKE1661NL], een zwarte linker handschoen [AAKE1664NL], twee Nike sportschoenen [AAKE1662NL] en een jas (met daarin een portemonnee van [medeverdachte] ) [AAKE1659] aangetroffen. In het opbergvak van het rechter voorportier is een paar (in elkaar gerolde) zwarte handschoenen [AAKE1650NL] aangetroffen en op de vloer achter de bijrijdersstoel is een trui [AAKE1663NL] aangetroffen.19

DNA-onderzoek kledingstukken Volkswagen Golf

In bemonsteringen van de kraag van de zwarte Adidas trui [AAKE1667NL#01] en van de binnenzijde van de linker manchet van de trui [AAKE1667NL#03] is een DNA-profiel aangetroffen, dat matcht met het DNA-profiel van verdachte [verdachte] (matchkans is kleiner dan één op één miljard).20

In bemonsteringen van de ingangsrand aan de binnenkant van de linker steekzak van de zwarte Adidas sportbroek [AAKE1666NL#03] is een DNA-profiel aangetroffen, dat matcht met het DNA-profiel van verdachte [verdachte] (matchkans is kleiner dan één op één miljard).21

In bemonsteringen van de opening van de hoes [AAKE1665NL#01] is een

DNA-mengprofiel aangetroffen, waarvan een DNA-hoofdprofiel is afgeleid dat matcht met het DNA-profiel van verdachte [verdachte] (matchkans is kleiner dan één op één miljard).22

In een bemonstering van de binnenzijde van de zwarte linkerhandschoen [AAKE1664NL#01] is een DNA-mengprofiel aangetroffen. Hiervan is een

DNA-hoofdprofiel afgeleid dat matcht met het DNA-profiel van verdachte [medeverdachte] (matchkans kleiner dan één op één miljard).23

In een bemonstering van de binnenzijde van de linkerhandschoen uit het rechter voorportier [AAKE1650NL#01] is een DNA-mengprofiel aangetroffen. Het afgeleid DNA-hoofdprofiel matcht met het DNA-profiel van verdachte [verdachte] (matchkans kleiner dan één op één miljard).24

Schotrestenonderzoek kledingstukken uit Volkswagen Golf

Het forensisch onderzoek naar de aanwezigheid van schotresten op de bemonsteringen van de kledingstukken heeft het volgende opgeleverd.

Op het paar in elkaar gerolde handschoenen [AAKE1650NL] zijn 284 categorie A deeltjes aangetroffen. Op de mouwen van de zwarte Adidas trui (AAKE1667NL) zijn 148 categorie A deeltjes aangetroffen. Op de handschoenen op de vloer achter de bestuurdersstoel zijn 2 categorie A deeltjes [AAKE1661NL] respectievelijk 3 categorie A deeltjes [AAKE1664NL] aangetroffen. Op de zwarte trui op de vloer achter de bestuurdersstoel zijn 5 categorie A deeltjes aangetroffen. Op de trui op de vloer achter de bijrijdersstoel [AAKE1663NL] en op de jas [AAKE1659NL] zijn alleen categorie B deeltjes aangetroffen.25

De bevindingen van de onderzoeken naar de aanwezigheid van schotresten op het paar (in elkaar gerolde) zwarte handschoenen [AAKE1650NL] en de zwarte Adidas trui [AAKE1667NL] zijn voor beide stukken van overtuiging extreem veel waarschijnlijker wanneer er schotresten op het kledingstuk aanwezig zijn, dan wanneer er géén schotresten op het kledingstuk aanwezig zijn.26

De bevindingen van de onderzoeken naar de aanwezigheid van schotresten op de zwarte rechter handschoen op de vloer achter de bestuurderstoel [AAKE1661NL], de zwarte linker handschoen op de vloer achter de bestuurderstoel [AAKE1664NL] en de zwarte trui op de vloer achter de bestuurderstoel [AAKE1660NL] zijn voor elk van de stukken van overtuiging zeer veel waarschijnlijker wanneer er schotresten op het kledingstuk aanwezig zijn, dan wanneer er géén schotresten op het kledingstuk aanwezig zijn.27

De bevindingen van de onderzoeken naar de aanwezigheid van schotresten op de mouwen van de trui op de vloer achter de bijrijder stoel [AAKE1663NL] en de jas (met daarin een portemonnee van [medeverdachte] ) [AAKE1659NL] zijn voor beide stukken van overtuiging ongeveer even waarschijnlijk wanneer er schotresten op het kledingstuk aanwezig zijn, als wanneer er géén schotresten op het kledingstuk aanwezig zijn.28

Vergelijkend schotrestenonderzoek kledingstukken Volkswagen Golf en hulzen

De aangetroffen schotresten op het paar (in elkaar gerolde) zwarte handschoenen [AAKE1650NL], de zwarte Adidas trui [AAKE1667NL], de zwarte rechter handschoen op de vloer achter de bestuurderstoel [AAKE1661NL], de zwarte linker handschoen op de vloer achter de bestuurderstoel [AAKE1664NL] en de mouwen van de trui op de vloer achter de bijrijdersstoel [AAKE1663NL] zijn vergeleken met de schotresten aangetroffen in de hulzen op de plaats-delict.

De bevindingen van het vergelijkend schotrestenonderzoek zijn waarschijnlijker wanneer de deeltjes die zijn aangetroffen op de kledingstukken uit de auto afkomstig zijn van het verschieten van de op de plaats-delict aangetroffen hulzen, dan wanneer deze afkomstig zijn

van willekeurige andere verschoten hulzen.29

Vergelijkend onderzoek kledingstukken Volkswagen Golf en glas voertuig slachtoffer

In het vergelijkend glasonderzoek zijn de stukken van overtuiging uit de Volkswagen Golf onderzocht op de aanwezigheid van glasdeeltjes. Deze zijn vergeleken met referentieglas van de voorruit van de auto van het slachtoffer [AAJU3243NL]-A / [AAJU3244NL]-A (“gekleurd glas voorruit”) en [AAJU3243NL]-B / [AAJU3244NL]-B (“kleurloos glas voorruit”) en het portier linksvoor van de auto van het slachtoffer [AAJL3535NL].

Uit de stukken van overtuiging zijn 82 op glas lijkende sporen verkregen, waarvan er 80 zijn onderzocht. Hiervan zijn 59 glassporen geschikt voor analyse. Hiervan zijn 4 glassporen niet te onderscheiden van het referentieglas, aangetroffen op de trui in een hoes op de vloer bij de bijrijdersstoel (AAKE1667NL), op een handschoen achter de bestuurdersstoel (AAKE1661NL), op de broek in de hoes bij de bijrijdersstoel (AAKE1666NL) en op een schoen achter de bestuurdersstoel (AAKE1662NL).30

De resultaten van het vergelijkend glasonderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer deze glassporen afkomstig zijn van de vernielde autoruiten, waartoe het referentieglas [AAJU3243NL]-A / [AAJU3244NL]-A (“gekleurd glas voorruit”), [AAJU3243NL]-B / [AAJU3244NL]-B (“kleurloos glas voorruit”) en [AAJL3535NL) (portier linksvoor auto slachtoffer) heeft behoord, dan wanneer alle onderzochte glassporen afkomstig zijn van (een) willekeurig andere ruit(en) of glazen object(en).31

Resumé naar aanleiding van de forensische beschouwing

  • -

    Op de plaats-delict zijn 12 hulzen aangetroffen. Deze hulzen zijn verschoten met één en hetzelfde vuurwapen.

  • -

    Op de handen van verdachten en op de mouwen van de jassen die zij droegen tijdens hun aanhouding, zijn schotresten aangetroffen. Met name ten aanzien van verdachte [medeverdachte] kan niet worden uitgesloten dat deze schotresten door middel van secundaire overdracht op zijn handen en mouwen terecht zijn gekomen.

  • -

    De schotresten op de handen en mouwen van de jassen van verdachten zijn vergeleken met de schotresten van de hulzen op de plaats-delict. De bevindingen van het vergelijkend schotrestenonderzoek zijn iets waarschijnlijker wanneer de deeltjes die zijn aangetroffen op verdachten afkomstig zijn van het verschieten van de op de plaats-delict aangetroffen hulzen, dan wanneer deze afkomstig zijn van willekeurige andere verschoten hulzen.

  • -

    In de Volkswagen Golf zijn een hoes en een aantal kledingstukken aangetroffen.
    In de hoes en in diverse kledingstukken is een DNA-profiel aangetroffen, dat matcht met het DNA-profiel van [medeverdachte] dan wel van [verdachte] .

  • -

    Op diverse kledingstukken in de Volkswagen Golf zijn schotresten aangetroffen. Dit geldt zowel voor kledingstukken waarop een DNA-profiel van [medeverdachte] of [verdachte] is aangetroffen als voor kledingstukken waarbij geen DNA-profiel is verkregen.

  • -

    Ten aanzien van een aantal kledingstukken waarop schotresten zijn aangetroffen, zijn deze schotresten vergeleken met de schotresten van de hulzen die op de plaats-delict zijn aangetroffen. De bevindingen van het vergelijkend schotrestenonderzoek zijn (10-100 keer) waarschijnlijker wanneer de deeltjes die zijn aangetroffen op de kledingstukken afkomstig zijn van het verschieten van de op de plaats-delict aangetroffen hulzen, dan wanneer deze afkomstig zijn van willekeurige andere verschoten hulzen.

  • -

    Op diverse kledingstukken in de Volkswagen Golf zijn glassporen aangetroffen. Dit geldt zowel voor kledingstukken waarop een DNA-profiel van [verdachte] is aangetroffen als voor kledingstukken waarbij geen DNA-profiel is verkregen.

  • -

    Ten aanzien van een aantal kledingstukken waarop glassporen zijn aangetroffen, zijn deze glassporen vergeleken met referentieglas uit de auto van het slachtoffer. De bevindingen van dit onderzoek zijn zeer veel (10.000 - 1.000.000 keer) waarschijnlijker wanneer deze glassporen afkomstig zijn van de vernielde autoruit, waartoe het referentieglas heeft behoord, dan wanneer alle onderzochte glassporen afkomstig zijn van (een) willekeurig andere ruit(en) of glazen object(en).

Enkele vaststellingen ten aanzien van de overige onderzoeksresultaten

Bij de aanhouding van verdachte [medeverdachte] zijn twee aanstekers aangetroffen in zijn fouillering.32

Verder is bij de aanhouding van verdachten naast de vluchtauto een mobiele telefoon van het merk iPhone 6 aangetroffen (imei nummer 353316073597430). Deze telefoon werd gebruikt in combinatie met onder meer het telefoonnummer [telefoonnummer 1] .33 Volgens de moeder van [medeverdachte] maakte haar zoon gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] .34 Bij de instellingen van de iPhone 6 was de naam [medeverdachte] als kennelijke gebruiker ingevoerd.35 Gelet op het vorengaande gaat de rechtbank ervan uit dat de iPhone 6 en het telefoonnummer [telefoonnummer 1] in gebruik zijn geweest bij [medeverdachte] .

In de vluchtauto is een PGP-toestel aangetroffen (imei-nummer [nummer 2] ). Uit de analyse hiervan bleek dat het toestel alleen in de periode van 13 november 2017 tot en met 28 november 2017 is gebruikt. Dit in combinatie met een Amerikaans telefoonnummer.36 [medeverdachte] heeft verklaard dat hij het PGP-toestel op 28 november 2017 in gebruik heeft gehad.37 De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat het PGP-toestel in ieder geval op 28 november 2017 bij [medeverdachte] in gebruik is geweest.

Uit een CIOT-bevraging op het GBA-adres van [verdachte] is gebleken dat het telefoonnummer [telefoonnummer 2] is afgegeven aan [verdachte] . Dit telefoonnummer heeft in een telefoontoestel gezeten met het imei nummer [nummer 3] . Dit imei nummer komt overeen met de tijdens een doorzoeking op de slaapkamer van [verdachte] aangetroffen iPhone 7.38 Bij een doorzoeking op het adres van [verdachte] is ook een laptop in beslag genomen. Op de laptop zijn onder meer WhatsApp-gesprekken aangetroffen die zijn gevoerd met het telefoonnummer [telefoonnummer 2] en onder de naam ‘ [naam 1] ’. In een WhatsApp-gesprek van 6 juni 2017 zegt ‘ [naam 1] ’ dat hij [verdachte] heet.39 Gelet op het vorengaande gaat de rechtbank ervan uit dat het telefoonnummer [telefoonnummer 2] in gebruik is geweest bij [verdachte] .

Voicenotes tijdens de vlucht

Op de iPhone 6, die in gebruik is geweest bij [medeverdachte] , is een grote hoeveelheid voicenotes aangetroffen. Op 28 november 2017 zijn onderstaande bestanden aangemaakt en via WhatsApp naar het telefoonnummer van [naam 2] , de partner van [medeverdachte] , verstuurd:

  • -

    08.27.23 uur: “Prinses, luister, uhh, ja, maak je alsjeblieft geen zorgen, er is iets gebeurd”;

  • -

    08.27.39 uur: “Ga niet lopen stressen, ik ehhh ja…”;

  • -

    08.28.54 uur: “Ik heb een probleem [naam 3] , ik heb een probleem. Ik weet eens niet of ik het nu nog wel zal gaan halen”.40

Verder zijn op 28 november 2017 onderstaande bestanden aangemaakt en via WhatsApp verstuurd naar het telefoonnummer [telefoonnummer 3] , welk telefoonnummer in de contactenlijst van de telefoon is gekoppeld aan [getuige 1] :

  • -

    08.32.05 uur: “Die torie.. ik… probleem man! Probleem, probleem, probleem”;

  • -

    08.32.50 uur: “ (…) tijd voor dat niet eens bro’s, die mannen rijden nu achter mij aan. Ik ben aan het dampen”.41

Gelet op de datum en het tijdstip waarop de voicenotes zijn verstuurd, stelt de rechtbank vast dat de voicenotes zijn verstuurd op het moment dat [medeverdachte] en [verdachte] achtervolgd werden door de politie.

Gebruik van de voertuigen Volkswagen Golf en Seat Leon

Ter terechtzitting is niet betwist dat de uitgebrande Seat Leon het voertuig betreft dat tijdens de liquidatie op de plaats-delict is gezien. De rechtbank stelt dan ook vast dat de Seat Leon is gebruikt om van de [adres 2] te Nieuwegein weg te komen en dat daarmee naar de [adres 3] te Utrecht is gereden. De rechtbank merkt dit voertuig aan als de eerste vluchtauto. De Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 1] , waarin verdachten zijn aangehouden, merkt de rechtbank aan als tweede vluchtauto. Deze tweede vluchtauto staat op naam van [getuige 2] en is van haar en haar partner [getuige 1] . [medeverdachte] heeft de auto van hen geleend.42

Na de liquidatie is door een getuige een deel van het kenteken van de eerste vluchtauto genoteerd, waaronder (onder meer) ‘ [nummer 4] ’.43 Het uitgebrande voertuig bleek geen kentekenplaten te bevatten. Ook de kentekenplaathouders werden niet aangetroffen.44

In de kofferbak van de tweede vluchtauto zijn twee kentekenplaten aangetroffen, voorzien van het kenteken [kenteken 2] en gevat in een kentekenplaathouder.45 [getuige 1] heeft verklaard dat er geen kentekenplaten in zijn auto lagen toen hij deze uitleende aan [medeverdachte] .46 Verbalisant [verbalisant] heeft geconcludeerd dat de aangetroffen kentekenplaten vals zijn. Nader onderzoek naar de uitgebrande Seat Leon wees uit dat aan de achterzijde daarvan - op de plek waar gebruikelijk een kenteken aanwezig is - een viertal schroeven aanwezig waren, kennelijk bedoeld voor de bevestiging van een kentekenplaathouder.47 In de kofferbak van de Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 1] is een valse autosleutel aangetroffen die visueel overeen kwam met de originele autosleutel van de uitgebrande Seat Leon.48

Gelet op het voorgaande, stelt de rechtbank vast dat de valse kentekenplaten bevestigd zijn geweest op de eerste vluchtauto en dat deze kentekenplaten van de auto zijn verwijderd voordat het voertuig in brand is gestoken.

Klaarzetten eerste vluchtauto

Van de kentekens van de vluchtauto’s zijn de historische gegevens bevraagd voor de nacht van 28 november 2017. Dit leverde onder meer de volgende resultaten op:

Tijdstip

Kenteken(s)

Plaats

02.12 uur

[kenteken 1] en
[kenteken 2]

Rijksweg A12 t.h.v. hectometerpaal 61.9 ri. Woerden

02.14 uur

[kenteken 1] en
[kenteken 2]

Rijksweg A12 t.h.v. hectometerpaal 58.8 ri. Woerden

02.30 uur

[kenteken 1]

Rijksweg A2 t.h.v. Maarssen

02.45 uur

[kenteken 1]

Rijksweg A2 afrit Burgemeester Stramanweg Amsterdam

06.31 uur

[kenteken 1]

Rijksweg A2 t.h.v. Abcoude

06.41 uur

[kenteken 1]

Rijksweg A2 t.h.v. Maarssen

06.59 uur

[kenteken 2]

Rijksweg A12 t.h.v. afrit Nieuwegein

Het telefoonnummer dat in gebruik is geweest bij [medeverdachte] , straalde op 28 november 2017 omstreeks 02.30 uur een zendmast aan in Maarssen.49 Omstreeks 03.07 uur straalde dit telefoonnummer zendmast [naam 4] te Amsterdam aan. Laatst vermelde zendmast is gelegen in de onmiddellijke omgeving van de woning van [verdachte] , te weten [adres 1] te Amsterdam.50 Het PGP-toestel straalde omstreeks 03.23 en 05.23 uur aan te Vinkeveen en omstreeks 07.23 uur te Maarssen.51 Met het telefoonnummer dat in gebruik is geweest bij [medeverdachte] , is omstreeks 06.03 uur en 06.15 uur uitgebeld naar het telefoonnummer dat bij [verdachte] in gebruik is geweest.52

[medeverdachte] heeft verklaard dat hij in de nacht van 28 november 2017 samen was met [verdachte] om de (eerste vlucht-) auto te verplaatsen. [medeverdachte] reed in de auto van [getuige 1] . Ze reden met twee auto’s achter elkaar aan en ze gingen naar de [adres 3] . Ze zijn teruggegaan naar Amsterdam. In de ochtend heeft hij [verdachte] weer opgehaald en zijn ze samen naar de [adres 3] gereden.53

Gelet op het voorgaande, stelt de rechtbank vast dat bij de liquidatie in ieder geval twee voertuigen betrokken zijn geweest, namelijk de eerste vluchtauto, zijnde de Seat Leon die volledig is uitgebrand op de [adres 3] in Utrecht, en de tweede vluchtauto, zijnde de Volkswagen Golf waarin verdachten zijn aangehouden. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat de eerste vluchtauto in de nacht voorafgaand aan de liquidatie is klaargezet op de [adres 3] te Utrecht. Mede gelet op de verklaring van [medeverdachte] acht de rechtbank het zeer waarschijnlijk dat [medeverdachte] en [verdachte] dit gezamenlijk hebben gedaan. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank voorts af dat [verdachte] ’s ochtends is opgehaald door [medeverdachte] en dat zij gezamenlijk, in de tweede vluchtauto, naar de [adres 3] te Utrecht zijn gegaan.

Voorverkenning Nieuwegein

In de iPhone 6, die in gebruik is geweest bij [medeverdachte] , is op 12 november 2017 omstreeks 18:47 uur de volgende notitie aangemaakt: [adres 2] Nieuwegein.54 De rechtbank stelt vast dat voormeld adres het adres van het slachtoffer [slachtoffer] betreft.

Bij de doorzoeking op het adres van [medeverdachte] is een navigatietoestel in beslag genomen. Bij het uitlezen daarvan is gebleken dat het navigatiesysteem zich op 15 november 2017 omstreeks 00.38 uur bevond op de kruising [straatnaam 1] en [straatnaam 2] te Nieuwegein. De afstand tussen dit kruispunt en het adres [adres 2] te Nieuwegein bedraagt 400 meter.55 Bij het uitlezen van het navigatiesysteem is tevens gebleken dat het adres [adres 5] te Nieuwegein is ingevoerd.56

Bij het uitlezen van de telefoon is een chatsessie aangetroffen met de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] , te weten [getuige 1] . Met het telefoonnummer dat aan [medeverdachte] toebehoort, zijn op de avond van 14 november 2017 onder meer de volgende berichten verstuurd, welke zijn vertaald door een tolk in de Surinaamse taal:

  • -

    omstreeks 21.46 uur: “Oke, ik kom je snel meete en die kari klemmen (Oke ik kom je snel ontmoeten en die telefoon nemen) hoe laat ben je klaar?”

  • -

    omstreeks 21:52 uur: “Ow shitt die karrie was bij [naam 5] id auto (Ow shit de telefoon was bij [naam 5] in de auto) ga em nu appen”

  • -

    omstreeks 22.31 uur: “Ben er”.57

Verdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij op een bodybuildersgala het adres van het slachtoffer heeft gekregen. Op 14 of 15 november 2017 is hij samen met [getuige 1] naar Nieuwegein gegaan voor een voorverkenning. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij een paar dagen later nog een keer naar Nieuwegein is gereden om de omgeving te verkennen.58

Uit voorgaande gegevens leidt de rechtbank af dat [medeverdachte] op 12 november 2017 het adres van het slachtoffer heeft verkregen. In de periode daarna is hij tweemaal naar Nieuwegein gereden voor een voorverkenning.

Overig onderzoek gegevensdragers [medeverdachte] en [verdachte]

Afbeeldingen iPhone 6 [medeverdachte]

Op de iPhone 6 is een hoeveelheid afbeeldingen aangetroffen. Er is onder meer een afbeelding aangetroffen van een automatisch vuurwapen, met daarnaast twee houders en een doosje munitie. Op het doosje van de munitie staat 9 mm Luger. Deze afbeelding is aangemaakt op

18 november 2017. Ook is een afbeelding aangetroffen van een vuurwapen, Pietro Berretta. Deze afbeelding is aangemaakt op 23 november 2017. De afbeeldingen zijn niet gemaakt met de iPhone 6, maar zijn mogelijk afkomstig van het internet of opgeslagen nadat deze via een derde partij zijn ontvangen.59

WhatsApp-gesprekken [verdachte]

Bij de doorzoeking op het adres van [verdachte] is een laptop in beslag genomen, waarop onder meer WhatsApp-gesprekken zijn aangetroffen, die onder de naam ‘ [naam 1] ’ zijn verstuurd met het telefoonnummer dat bij [verdachte] in gebruik was. Tussen ‘ [naam 1] ’ en ‘ [naam 6] ’ hebben tussen 12 september 2017 en 28 oktober 2017 de volgende WhatsApp-gesprekken plaatsgevonden, welke zijn vertaald door een tolk in de Surinaamse taal:

  • -

    [naam 1] stuurt een foto van een wapen

  • -

    [naam 1] : “hij wacht op mijn antwoord nu”

  • -

    [naam 6] : “die man heeft die geld al achter gelaten bij me”

  • -

    [naam 6] : “ (…) ga voor de hele team nakoes (vuurwapens) brengen. We gaan deze junta (klus) serio (serieus) doen (…)”

  • -

    [naam 1] : “100”.60

Hete torie

Bij het uitlezen van de iPhone 6 is een WhatsApp-gesprek aangetroffen van 15 november 2017 met de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] , te weten [naam 7] , waarin [medeverdachte] vraagt: “Heb je niet iemand die op een hete torie wilt?”61

In een gesprek op 3 januari 2018 tussen [verdachte] en zijn broer en neef in het huis van bewaring heeft [verdachte] gezegd:

  • -

    “door mij is die torie geslaagd man (…)”

  • -

    “(…) ik ben nog jong, ik ben sowieso max vijfendertig ben ik weer buiten.”62

Door een tolk in de Surinaamse taal is aangegeven dat met ‘een hete torie’ wordt bedoeld: ‘een gevaarlijke zaak (iets waar je voor moet uitkijken)’.63

Zijn verdachten betrokken geweest bij de liquidatie?

De rechtbank komt op grond van de hiervoor vermelde onderzoeksresultaten tot het oordeel dat [medeverdachte] en [verdachte] betrokken zijn geweest bij de liquidatie van [slachtoffer] . Zij overweegt daartoe als volgt.

Uit de onderzoeksresultaten leidt de rechtbank af dat [medeverdachte] op 12 november 2017 (van een onbekend gebleven opdrachtgever) informatie heeft verkregen over het slachtoffer [slachtoffer] . Twee dagen later is hij naar Nieuwegein gereden om de omgeving te verkennen. Op zijn telefoon zijn afbeeldingen van wapens aangetroffen en uit een WhatsApp-gesprek bleek dat hij iemand zocht die op ‘een hete torie’ wilde. Op de telefoon van [verdachte] zijn eveneens afbeeldingen van en gesprekken over wapens aangetroffen. In de nacht voorafgaand aan de liquidatie zijn [medeverdachte] en [verdachte] met twee auto’s op pad gegaan om de eerste vluchtauto klaar te zetten op de [adres 3] te Utrecht. Ze zijn teruggereden naar Amsterdam en vroeg in de ochtend zijn ze weer naar de [adres 3] gereden.

Omstreeks 07.45 uur is het slachtoffer [slachtoffer] te Nieuwegein geliquideerd. Er is één (in het donker geklede) schutter gezien, die vervolgens aan de passagierszijde van de eerste vluchtauto is ingestapt. Twintig minuten later is de eerste vluchtauto, zonder kentekenplaten, volledig uitgebrand aangetroffen op de [adres 3] . Getuigen hebben gezien dat één persoon, naar later is gebleken [verdachte] , het voertuig in brand heeft gestoken en vervolgens in de tweede vluchtauto is gestapt. Na een wilde achtervolging, waarbij [medeverdachte] onder meer [getuige 1] voicenotes heeft gestuurd over problemen met ‘die torie’, zijn [medeverdachte] en [verdachte] door de politie aangehouden. In de auto zijn telefoons, waaronder een PGP-toestel, valse kentekenplaten die van de eerste vluchtauto kwamen, een valse sleutel die paste bij die vluchtauto en diverse kledingstukken aangetroffen.

Zowel op de handen als op de mouwen van de jassen van [medeverdachte] en [verdachte] zijn schotresten aangetroffen. Uit het forensisch dossier volgt dat niet kan worden uitgesloten dat deze schotresten door middel van secundaire overdracht door de politie op de handen en jassen van verdachten, met name van [medeverdachte] , terecht zijn gekomen.

Op basis van het vergelijkend onderzoek tussen de schotresten op de handen en mouwen van de jassen en de hulzen op de plaats-delict, overweegt de rechtbank als volgt. De aanwezigheid van schotresten op de handen en jassen van verdachten geeft weliswaar geen directe aanwijzing ten aanzien van het schietproces op de plaats-delict, maar de bevindingen zijn hiermee ook niet in strijd.

Ten aanzien van de in de tweede vluchtauto aangetroffen kledingstukken overweegt de rechtbank als volgt. Niet van alle kledingstukken kon een DNA-profiel worden verkregen. De rechtbank acht het aannemelijk dat alle bij de aanhouding aangetroffen kledingstukken, met uitzondering van de door [getuige 1] genoemde kleding die hij in de kofferbak had liggen (te weten een wit trainingspak en een bruine doos met Nike schoenen), aan verdachten toebehoren. Op diverse kledingstukken zijn schotresten aangetroffen. Deze schotresten zijn vergeleken met de schotresten in de hulzen van de plaats-delict. De rechtbank heeft geconstateerd dat de bevindingen van dit vergelijkend schotrestenonderzoek op zichzelf geen sterke bewijswaarde hebben. Er zijn echter ook glasdeeltjes aangetroffen op diverse kledingstukken, welke overeenkomen met het referentieglas van het voertuig waarin het slachtoffer zat op het moment dat hij werd doodgeschoten. De rechtbank overweegt dat aan het geheel van bevindingen, te weten de diverse kledingstukken die in de tweede vluchtauto -waarin verdachten zaten- zijn aangetroffen met daarop het DNA-profiel van verdachten en/of schotresten en/of glasdeeltjes, wél een sterke bewijswaarde moet worden toegekend.

Het vorengaande in onderling verband en in samenhang bezien, acht de rechtbank overtuigend bewezen dat beide verdachten betrokken zijn geweest bij de liquidatie en ten tijde van de liquidatie aanwezig zijn geweest op de plaats-delict. Zij heeft daarbij met name gelet op de forensische bewijsmiddelen. Zij heeft eveneens gelet op het gedetailleerde, vooraf uitgedachte plan, waaronder de voorverkenning door [medeverdachte] en het klaarzetten van de vluchtauto door beide verdachten. Dat een derde, onbekend gebleven persoon (al dan niet als schutter) bij de uitvoering van de liquidatie betrokken zou zijn geweest, is in het geheel niet gebleken.

De rechtbank acht eveneens overtuigend bewijs aanwezig dat [verdachte] de schutter is geweest. Op de zwarte trui, die in een hoes op de vloer voor de bijrijdersstoel is aangetroffen en waaruit een DNA-profiel van [verdachte] is verkregen, zijn zowel glasdeeltjes als een grote hoeveelheid schotresten aangetroffen. Voorts is op het paar in elkaar gedraaide handschoenen, dat in het opbergvak van het rechterportier is aangetroffen (naast de bijrijdersplek, waar [verdachte] zat) en waarbij uit de linkerhandschoen het DNA-profiel van [verdachte] is verkregen, eveneens een grote hoeveelheid schotresten aangetroffen. Nu deze kledingstukken in de auto zijn aangetroffen (de trui bovendien in een hoes), acht de rechtbank secundaire overdracht door de politie, dan wel door een ander, vrijwel uitgesloten. Dat [verdachte] de schutter is geweest, verklaart ook dat op de kledingstukken van [medeverdachte] een minimale hoeveelheid aan schotresten is aangetroffen. Dit kan immers door secundaire overdracht door [verdachte] zijn overgebracht.

Ten aanzien van feit 2, de brandstichting, heeft [verdachte] een bekennende verklaring afgelegd. De rechtbank overweegt daarover nog het volgende. Op de eerste vluchtauto waren valse kentekenplaten bevestigd. Na de liquidatie zijn die valse kentekenplaten van de auto afgetrokken en is het voertuig in brand gestoken. In de fouillering van [medeverdachte] zijn twee aanstekers zijn aangetroffen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het zich ontdoen van de eerste vluchtauto, door dit voertuig in brand te steken, onderdeel was van het gehele liquidatieplan.

Medeplegen liquidatie en brandstichting

De rechtbank is van oordeel dat [medeverdachte] en [verdachte] nauw en bewust samen hebben gewerkt bij de liquidatie. Zij hadden een gezamenlijk en concreet doel voor ogen. In dit geheel heeft ieder zijn eigen rol ingenomen, maar de bijdrage van iedere verdachte is steeds van wezenlijk belang geweest in het geheel van de feiten en omstandigheden. [medeverdachte] heeft voorafgaand aan de liquidatie de omgeving, waar het slachtoffer woonachtig was, voorverkend. In de nacht voorafgaand aan de liquidatie zijn [medeverdachte] en [verdachte] gezamenlijk op pad gegaan om de eerste vluchtauto alvast klaar te zetten in Utrecht. Op de ochtend van de liquidatie zijn zij gezamenlijk naar Utrecht gereden om die auto op te halen en vervolgens naar Nieuwegein te gaan. Na de liquidatie zijn zij teruggereden naar Utrecht, heeft [verdachte] de eerste vluchtauto in brand gestoken en zijn ze vertrokken. Uit het hiervoor overwogene volgt tevens dat sprake is geweest van voorbedachte raad om [slachtoffer] van het leven te beroven. Er was sprake van kalm beraad en er zijn vele momenten geweest waarop van het plan kon worden afgezien. Er is niet gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, verdachte en zijn medeverdachte hebben de gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van hun voorgenomen daad en hebben zich daarvan rekenschap kunnen geven. Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen, acht zij het in brand steken van de vluchtauto een onderdeel van het gehele plan. Dit levert het medeplegen van de liquidatie en brandstichting op.

Eindconclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van moord, zoals ten laste is gelegd onder feit 1, en aan het medeplegen van brandstichting, zoals primair ten laste is gelegd onder feit 2.

Ten aanzien van feit 3

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats-delict, p. 805;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 817;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 maart 2019.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 28 november 2017 te Nieuwegein, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met een of meer vuurwapen(s) één of meerdere kogel(s) in en/of door en/of in de richting van het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] te schieten/af te vuren;

2.

hij op of omstreeks 28 november 2017 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht door een brandend voorwerp in aanraking te brengen met (het interieur van) een auto, althans open vuur in aanraking te brengen met (het interieur van) een auto, in ieder geval een brandend voorwerp in een auto heeft gegooid, ten gevolge waarvan die auto geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan en daarvan gemeen gevaar voor die auto en de daarin gelegen goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

3.

hij op of omstreeks 28 november 2017 te Amsterdam, althans in Nederland, twee vuurwapens van categorie III en/of drie onderdelen van vuurwapens van categorie III, te weten

  • -

    een vuurwapen merk Walther model PPQ kaliber 7.65 mm en/of

  • -

    een vuurwapen merk Reck model Goliath kaliber 9 mm en/of

  • -

    drie onderdelen van een vuurwapen, te weten: twee patroonmagazijnen en 1 patroonmagazijnhuis

en/of munitie van categorie III, te weten (in totaal) 117 scherpe patronen,

voorhanden heeft gehad.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

medeplegen van moord.

Ten aanzien van feit 2:

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Ten aanzien van feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van de onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 23 jaren. De officier van justitie heeft daarbij opgemerkt dat verdachte en medeverdachte in gelijke mate verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor de moord en de brandstichting. De officier van justitie heeft verder rekening gehouden met het strafblad van verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om ingeval van bewezenverklaring een lagere straf op te leggen. De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met onder meer de jeugdige leeftijd van verdachte en zijn strafblad, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld wegens geweldsdelicten. Blijkens het dossier is verdachte pas laat in beeld gekomen. Niet is gebleken dat hij betrokken is geweest bij de voorbereidingshandelingen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 17 januari 2019;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 4 december 2017.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich, samen met medeverdachte, schuldig gemaakt aan de moord op [slachtoffer] . Op de vroege ochtend is [slachtoffer] vlak voor zijn woning beschoten, terwijl hij net in zijn auto was gestapt. Zijn vriendin en zijn dochtertje waren op dat moment thuis, net als veel buurtbewoners die de schoten hebben gehoord en de vluchtauto hebben zien wegrijden. Vervolgens zijn verdachten er vandoor gegaan, hebben de vluchtauto in brand gestoken en hebben geprobeerd te ontkomen aan de politie. Dit alles heeft voor veel gevoelens van onrust en onveiligheid gezorgd in de maatschappij. Met deze liquidatie hebben verdachten blijk gegeven van een volstrekt gebrek aan respect voor het leven van een medemens. Ze hebben niet alleen [slachtoffer] het leven ontnomen, maar ook de nabestaanden, in het bijzonder zijn familie, partner en dochter, een onherstelbaar verlies en groot verdriet toegebracht. De dochter van het slachtoffer, die destijds 4 maanden oud was, zal geen herinneringen hebben aan haar vader en hem niet leren kennen. De nabestaanden zullen hun leven lang het verdriet moeten dragen, zoals ook naar voren is gekomen uit de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring van de partner van [slachtoffer] . De rechtbank neemt verdachten dit ernstig kwalijk.

Deze moord heeft, mede door de wijze waarop die is uitgevoerd, alle schijn van een kille liquidatie. Verdachten hebben geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor wat ze hebben gedaan en hebben daarover ook niets willen verklaren. De rechtbank ziet in de toedracht geen andere verklaring dan dat verdachten deze koelbloedige liquidatie in opdracht van een ander hebben verricht, maar ook daarover hebben zij niets willen verklaren.

De wetgever heeft voor moord als maximumstraf een levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste 30 jaren vastgesteld. Voor feiten als deze zijn binnen de rechtspraak geen landelijke oriëntatiepunten. De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachten enkel een zeer langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. Zij merkt daarbij op dat een gevangenisstraf voor de nabestaanden niet lang genoeg kan zijn, maar het leed voor de nabestaanden is niet het enige criterium waarmee de rechtbank bij strafoplegging rekening moet houden. De rechtbank betrekt bij de strafoplegging ook de straffen die doorgaans voor soortgelijke misdrijven worden opgelegd. Gelet daarop zal de rechtbank tot een iets lagere straf komen dan door de officier van justitie is geëist.

De rechtbank zal, net als de officier van justitie, onderscheid maken tussen de verdachten ten aanzien van de strafoplegging. De rechtbank heeft daarbij met name rekening gehouden met het strafblad van verdachte. Daaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens soortgelijke- of geweldsdelicten.

Alles afwegende zal de rechtbank voor het bewezenverklaarde onder de feiten 1, 2 en 3 aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 20 jaren. De tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorarrest zal hierop in mindering worden gebracht.

7a. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De volgende benadeelde partijen hebben zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding voor het onder 1 bewezenverklaarde feit:

  • -

    [benadeelde 1] vordert een bedrag van € 22.492,88 aan materiële schade;

  • -

    [benadeelde 2] vordert een bedrag van € 6.448,52 aan materiële schade;

  • -

    [benadeelde 3] vordert een bedrag van € 21.600,- aan materiële schade;

  • -

    [benadeelde 4] vordert € 7.678,54 aan materiële schade, € 25.000,- aan immateriële schade en € 92,04 aan proceskosten.

De benadeelde partij [benadeelde 5] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding voor het onder 2 bewezenverklaarde feit. Hij vordert een bedrag van € 1.913,93, bestaande uit € 1.713,93 aan materiële schade en € 200,- aan immateriële schade. Verder vordert hij een bedrag van € 138,34 aan proceskosten.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] hoofdelijk toe te wijzen tot een bedrag van € 950,- (kosten rouwkleding en eigen risico reparatie autoruit), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Ten aanzien van de proceskosten heeft de officier van justitie verzocht de reiskosten hoofdelijk toe te wijzen tot een bedrag van € 1.511,05.

De officier van justitie heeft verzocht de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Ten aanzien van de proceskosten heeft de officier van justitie verzocht de reiskosten hoofdelijk toe te wijzen tot een bedrag van € 159,12,

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] hoofdelijk toe te wijzen tot een bedrag van € 21.200,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. De officier van justitie heeft verzocht de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] hoofdelijk toe te wijzen tot een bedrag van € 27.564,68, bestaande uit € 2.564,68 aan materiële kosten en € 25.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft verzocht de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Ten aanzien van de proceskosten heeft de officier van justitie verzocht de reiskosten hoofdelijk toe te wijzen tot een bedrag van € 50,44.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [benadeelde 5] ten aanzien van de gevorderde materiële en immateriële schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering. De officier van justitie heeft verzocht de proceskosten hoofdelijk toe te wijzen tot een bedrag van € 138,34.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld - gelet op de door haar bepleitte vrijspraak - dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard moeten worden in de vorderingen.

Subsidiair heeft de raadsvrouw het volgende bepleit. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft de raadsvrouw zich geconformeerd aan het standpunt van de officier van justitie. Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 3] heeft de raadsvrouw verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de gevorderde shockschade, de begrafeniskosten en het eigen risico. De post gederfde inkomsten kan slechts gedeeltelijk toegewezen worden en de benadeelde partij dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard. De benadeelde partij dient eveneens niet-ontvankelijk te worden verklaard voor wat betreft de post opslag inboedel. De gevorderde reiskosten kunnen niet worden toegewezen, nu deze kosten niet kunnen worden aangemerkt als materiële schade.

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 5] heeft de raadsvrouw verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2]

De rechtbank stelt ten aanzien van de gevorderde materiële kosten het volgende voorop.

Nabestaanden van een slachtoffer kunnen slechts in vier gevallen aanspraak maken op een vergoeding: als erfgenaam onder algemene titel, als nabestaande als het gaat om kosten voor gederfd levensonderhoud, als degene ten wiens laste de kosten van lijkbezorging zijn gekomen en in het geval van shockschade.

Gelet hierop is voor de volgende (gevorderde) posten geen juridische grondslag:

[benadeelde 2] :

  • -

    reiskosten naar Aruba;

  • -

    reiskosten periode 02-12-2017 t/m 01-01-2018;

[benadeelde 1] :

  • -

    wijzigingskosten tickets KLM;

  • -

    vrije dagen echtgenote [benadeelde 1] ;

  • -

    ticket echtgenote [benadeelde 1] ;

  • -

    reiskosten periode 02-12-2017 t/m 01-01-2018;

  • -

    kosten in verband met verhuizing naar Nederland;

  • -

    kosten in verband met afkoop arbeidscontract;

  • -

    opzeggen huurcontract woning Aruba;

  • -

    overnachting hotel op 08-07-2018;

  • -

    huur appartement in de periode 28-06-2018 t/m 12-07-2018;

  • -

    kosten douane;

  • -

    keuring RDW auto;

  • -

    huur woning slachtoffer;

  • -

    premie zorgverzekering slachtoffer;

  • -

    verzekering motoren Honda en Yamaha.

De rechtbank is - anders dan de officier van justitie - van oordeel dat de kosten die zien op rouwkleding niet onder kosten van lijkbezorging vallen. Verder is de rechtbank van oordeel dat het eigen risico voor de reparatie van de (beschoten) autoruit eveneens niet vergoed kan worden, nu de benadeelde partij [benadeelde 1] geen erfgenaam is van het slachtoffer en derhalve niet onder algemene titel een vordering van het slachtoffer kan verkrijgen.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de benadeelde partijen in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in de vorderingen. Over de gevorderde reiskosten door de benadeelde partijen beslist de rechtbank onder het kopje proceskosten.

Proceskosten

De benadeelde partijen hebben ook vergoeding gevorderd van de reiskosten die verband houden met het bijwonen van de zittingen in eerste aanleg. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1600) overweegt de rechtbank als volgt. In het geval geprocedeerd wordt bij gemachtigde in procedures die in persoon gevoerd mogen worden, bestaat in beginsel enkel aanspraak op vergoeding van proceskosten bestaande uit het ‘salaris gemachtigde’ en ‘verschotten’. De door de benadeelde partij gemaakte reiskosten kunnen in dat geval alleen toegekend worden als sprake is van schade ex art. 6:96 van het Burgerlijk Wetboek. Daarvoor is, gelet op hetgeen eerder is overwogen, geen plaats. De rechtbank zal de benadeelde partijen in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Ten aanzien van de vordering namens de benadeelde partij [benadeelde 3]

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is, nu het gaat om kosten van gederfd levensonderhoud.

Namens de benadeelde partij is vergoeding gevraagd van gederfd levensonderhoud, gerekend vanaf het moment van de liquidatie tot aan haar achttiende verjaardag. Daarbij is uitgegaan van een bedrag van € 100,- per maand. De rechtbank is van oordeel dat deze schadepost voldoende is onderbouwd. Zij acht de vordering niet onredelijk en zal de vordering dan ook toewijzen tot een bedrag van € 21.200,-. Voor het overige zal de benadeelde partij

niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 28 november 2017.

De verdachte is niet meer tot vergoeding gehouden indien en voor zover het gevorderde door zijn mededader is of wordt voldaan.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

Kosten lijkbezorging

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen tot de gevorderde bedragen schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is, nu het gaat om kosten die zijn gemaakt voor de begrafenis. De schadeposten ten aanzien van de kosten voor de uitvaart (bloemen, rouwzegels, rouwkaarten en kosten as verstrooiing) zijn door de verdediging niet weersproken. De rechtbank zal deze schadeposten dan ook toewijzen tot een bedrag van € 1.237,21.

Shockschade, gederfde inkomsten en medische kosten

Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van shockschade sluit de rechtbank aan bij de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (onder andere HR 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356, Taxibus-arrest). Vergoeding van shockschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door (i) het waarnemen van het tenlastegelegde, of (ii) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het tenlastegelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zal zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De hoogte van de geleden shockschade dient te worden vastgesteld met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van de benadeelde partij. Voorts dient bij de begroting van die schade, indien mogelijk, te worden gelet op vergelijkbare gevallen.

Niet is weersproken dat de benadeelde partij, zoals zij heeft gesteld, als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade in de vorm van shockschade heeft geleden. Gelet op hetgeen in vergelijkbare gevallen aan immateriële schade wordt toegewezen, schat de rechtbank de omvang van de immateriële shockschade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar billijkheid op € 25.000,-.

Ten aanzien van de overige schadeposten die verband houden met shockschade, te weten de gederfde inkomsten, medische kosten en een deel van de reiskosten, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank acht het aannemelijk dat de benadeelde partij met ingang van

12 januari 2019 materiële schade heeft ten gevolge van gederfde inkomsten. Op dit moment is er geen redelijke verwachting ten aanzien van de duur van die arbeidsongeschiktheid. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de vordering toewijsbaar is tot een bedrag van € 1.327,47, betreffende de drie maanden die gelegen zijn tussen 12 januari 2019 en het uitspreken van het vonnis.

Anders dan de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank de medische kosten, bestaande uit het eigen risico over 2018, voldoende onderbouwd en voor toewijzing vatbaar. Gelet op het vorengaande zal de rechtbank dit deel van de vordering toewijzen tot een bedrag van € 366,94.

Het deel van de reiskosten dat ziet op de gesprekken met Slachtofferhulp en de officier van justitie, waarbij - naar mag worden aangenomen - ook de vordering zal zijn besproken, vormen wat de rechtbank betreft buiten rechte gemaakte kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid en schade, zoals bedoeld in artikel 6:96 BW, waarvoor verdachte aansprakelijk is. Deze kosten ad in totaal € 16,64 komen voor toewijzing in aanmerking. Over de verdere reiskosten beslist de rechtbank onder het kopje proceskosten.

Overige materiële schade

De benadeelde partij heeft verder vergoeding gevraagd van de kosten voor verhuismaterialen, opslag van de inboedel en huur van een verhuiswagen. Gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , zal de rechtbank de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Proceskosten

Gelet op hetgeen de rechtbank eerder heeft overwogen ten aanzien van het toekennen van proceskosten in het geval geprocedeerd wordt bij gemachtigde in procedures die in persoon gevoerd mogen worden, zal de rechtbank de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 28 november 2017.

De verdachte is niet meer tot vergoeding gehouden indien en voor zover het gevorderde door zijn mededader is of wordt voldaan.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het met betrekking tot het onder feit 2 bewezenverklaarde schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

Bij de liquidatie is de - eerder gestolen - auto van de benadeelde partij gebruikt als vluchtauto. Deze auto is vervolgens in brand gestoken en is volledig uitgebrand. De verzekeraar van de benadeelde partij heeft de schade van de auto vergoed. De benadeelde partij heeft vergoeding gevraagd voor zijn spullen die ten tijde van de diefstal in zijn auto lagen. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat die spullen ook ten tijde van het voorhanden krijgen van de auto door verdachte dan wel de brandstichting nog in de auto lagen. De benadeelde partij zal voor dit deel van de vordering dan ook

niet-ontvankelijk worden verklaard.

De benadeelde partij heeft voorts een vergoeding van de immateriële schade gevraagd. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er geen juridische grondslag is voor toewijzing van de gevorderde immateriële schade, gelet op hetgeen is bepaald in de artikelen 6:95 juncto 6:106 BW. De benadeelde partij zal in zoverre dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Proceskosten

Nu de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk is verklaard, ziet de rechtbank geen ruimte om de proceskosten, bestaande uit reiskosten, van de benadeelde partij toe te kennen. Zij zal de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 47, 57, 91, 157 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

  • -

    veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

  • -

    verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering van de proceskosten;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde 1] in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

  • -

    verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering van de proceskosten;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde 2] in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

De beslissing op de vordering namens de benadeelde partij [benadeelde 3]

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 3], van een bedrag van € 21.200,- (éénentwintigduizendtweehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 november 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 3] , een bedrag te betalen van € € 21.200,- (éénentwintigduizendtweehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 november 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hoofdsom 141 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;

  • -

    verstaat dat indien en voor zover door de mededader het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 4], van een bedrag van € 27.948,46 (zevenentwintigduizendnegenhonderdachtenveertig euro en zesenveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 november 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [benadeelde 4] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vordering van de proceskosten;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 4] , een bedrag te betalen van € € 27.948,46 (zevenentwintigduizendnegenhonderdachtenveertig euro en zesenveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 november 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van volledige betaling en volledig van de hoofdsom 174 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;

  • -

    verstaat dat indien en voor zover door de mededader het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]

  • -

    verklaart de benadeelde partij [benadeelde 5] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [benadeelde 5] niet-ontvankelijk in de vordering van de proceskosten;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde 5] in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.G.J. Welbergen (voorzitter), mr. C.J.M. van Apeldoorn en

mr. J.M. Hamaker, rechters, in tegenwoordigheid van C. van Dam, MSc. en mr. S. Blankenspoor, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 april 2019.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door een verbalisant van de politie Midden Nederland, Dienst Regionale Recherche, Generieke Opsporing, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0900-2017360215, onderzoek [naam 8] / MDRAB17015, gesloten op 10 april 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 53.

3 Deskundig verslag van het pathologisch onderzoek, opgesteld door prof. Dr. [naam 9] , opgenomen in de map van het Forensisch Dossier, als aparte bijlage bij het eindproces-verbaal gevoegd, p. 280.

4 Munitieonderzoek d.d. 16 maart 2018, opgesteld door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), opgenomen in de map van het Forensisch Dossier, als aparte bijlage bij het eindproces-verbaal gevoegd,
p. 309.

5 Proces-verbaal verhoor getuige 1442946, p. 571 en proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 593.

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 198.

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 699.

8 Verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 7 maart 2019.

9 Proces-verbaal uitwerking anonieme getuige 01A, p. 733 en proces-verbaal uitwerking anonieme getuige 01B, p. 738.

10 Proces-verbaal van bevindingen, p. 770-771.

11 Proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 1007 en proces-verbaal van aanhouding [verdachte] ,
p. 894.

12 Munitieonderzoek d.d. 16 maart 2018, opgesteld door het NFI, opgenomen in de map van het Forensisch Dossier, als aparte bijlage bij het eindproces-verbaal gevoegd, p. 309.

13 Munitieonderzoek d.d. 16 maart 2018, opgesteld door het NFI, opgenomen in de map van het Forensisch Dossier, als aparte bijlage bij het eindproces-verbaal gevoegd, p. 314.

14 Aanvullend schotrestenonderzoek d.d. 25 januari 2018, opgesteld door het NFI, opgenomen in de map van het Forensisch Dossier, als aparte bijlage bij het eindproces-verbaal gevoegd, p. 303-304.

15 Aanvullend schotrestenonderzoek d.d. 25 januari 2018, opgesteld door het NFI, opgenomen in de map van het Forensisch Dossier, als aparte bijlage bij het eindproces-verbaal gevoegd, p. 305.

16 Tweede aanvullend schotrestenonderzoek d.d. 4 april 2018, opgesteld door het NFI, opgenomen in de map van het Forensisch Dossier, als aparte bijlage bij het eindproces-verbaal gevoegd, p. 338.

17 Aanvullend schotrestenonderzoek d.d. 25 januari 2018, opgesteld door het NFI, opgenomen in de map van het Forensisch Dossier, als aparte bijlage bij het eindproces-verbaal gevoegd, p. 305.

18 Tweede aanvullend schotrestenonderzoek d.d. 4 april 2018, opgesteld door het NFI, opgenomen in de map van het Forensisch Dossier, als aparte bijlage bij het eindproces-verbaal gevoegd, p. 339.

19 Proces-verbaal forensisch onderzoek vervoermiddel, opgenomen in de map van het Forensisch Dossier, als aparte bijlage bij het eindproces-verbaal gevoegd, p. 155-157.

20 DNA-onderzoek d.d. 6 februari 2018, opgesteld door het NFI, opgenomen in de map van het Forensisch Dossier, als aparte bijlage bij het eindproces-verbaal gevoegd, p. 383.

21 DNA-onderzoek d.d. 6 april 2018, opgesteld door het NFI, opgenomen in de map van het Forensisch Dossier, als aparte bijlage bij het eindproces-verbaal gevoegd, p. 392.

22 DNA-onderzoek d.d. 8 mei 2018, opgesteld door het NFI, opgenomen in de map van het Forensisch Dossier, als aparte bijlage bij het eindproces-verbaal gevoegd.

23 DNA-onderzoek d.d. 8 februari 2018, opgesteld door het NFI, opgenomen in de map van het Forensisch Dossier, als aparte bijlage bij het eindproces-verbaal gevoegd, p. 388.

24 DNA-onderzoek d.d. 6 februari 2018, opgesteld door het NFI, opgenomen in de map van het Forensisch Dossier, als aparte bijlage bij het eindproces-verbaal gevoegd, p. 388.

25 Tweede aanvullend schotrestenonderzoek d.d. 4 april 2018, opgesteld door het NFI, opgenomen in de map van het Forensisch Dossier, als aparte bijlage bij het eindproces-verbaal gevoegd, p. 325-327.

26 Tweede aanvullend schotrestenonderzoek d.d. 4 april 2018, opgesteld door het NFI, opgenomen in de map van het Forensisch Dossier, als aparte bijlage bij het eindproces-verbaal gevoegd, p. 338.

27 Tweede aanvullend schotrestenonderzoek d.d. 4 april 2018, opgesteld door het NFI, opgenomen in de map van het Forensisch Dossier, als aparte bijlage bij het eindproces-verbaal gevoegd, p. 338.

28 Tweede aanvullend schotrestenonderzoek d.d. 4 april 2018, opgesteld door het NFI, opgenomen in de map van het Forensisch Dossier, als aparte bijlage bij het eindproces-verbaal gevoegd, p. 338.

29 Tweede aanvullend schotrestenonderzoek d.d. 4 april 2018, opgesteld door het NFI, opgenomen in de map van het Forensisch Dossier, als aparte bijlage bij het eindproces-verbaal gevoegd, p. 339.

30 Vergelijkend glasonderzoek d.d. 9 april 2018, opgesteld door het NFI, opgenomen in de map van het Forensisch Dossier, als aparte bijlage bij het eindproces-verbaal gevoegd, p. 369.

31 Vergelijkend glasonderzoek d.d. 9 april 2018, opgesteld door het NFI, opgenomen in de map van het Forensisch Dossier, als aparte bijlage bij het eindproces-verbaal gevoegd, p. 371.

32 Proces-verbaal IBN fouillering [naam 10] , p. 711.

33 Proces-verbaal van bevindingen, p. 209.

34 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 603.

35 Proces-verbaal onderzoek GSM, p. 234.

36 Proces-verbaal van bevindingen, p. 226-227.

37 Verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 7 maart 2019.

38 Proces-verbaal van bevindingen identificatie gebruiker telefoonnummer [telefoonnummer 2] , p. 204-205.

39 Proces-verbaal bevindingen onderzoek DELL laptop IBN code [nummer 5] , p. 281-283 (inclusief bijlage).

40 Proces-verbaal van bevindingen, p. 236-241 en proces-verbaal van verhoor getuige [naam 2] , p. 651.

41 Proces-verbaal van bevindingen, p. 242-243.

42 Proces-verbaal van bevindingen, p. 170 en proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 621.

43 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 594.

44 Proces-verbaal van bevindingen, p. 699.

45 Proces-verbaal van bevindingen, p. 67.

46 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 639.

47 Proces-verbaal onderzoek (valse) kentekenplaten en autosleutel, p. 76.

48 Proces-verbaal onderzoek (valse) kentekenplaten en autosleutel, p. 78.

49 Proces-verbaal van bevindingen, p. 91.

50 Proces-verbaal van bevindingen, p. 346.

51 Proces-verbaal van bevindingen, p. 315.

52 Proces-verbaal van bevindingen, p. 346.

53 Verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 30 mei 2018.

54 Proces-verbaal onderzoek GSM, p. 235.

55 Proces-verbaal van bevindingen, p. 255 en proces-verbaal van bevindingen, p. 257.

56 Proces-verbaal van bevindingen onderzoek reisbewegingen 14/15 november 2017, p. 327.

57 Proces-verbaal van bevindingen, p. 328-329 en proces-verbaal van bevindingen, p. 337-338.

58 Verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 30 mei 2018.

59 Proces-verbaal van bevindingen, p. 246-247, 250.

60 Proces-verbaal van bevindingen onderzoek DELL laptop IBN code [nummer 5] , p. 281 (inclusief bijlagen p. 287 en 290).

61 Proces-verbaal van bevindingen, p. 227.

62 Proces-verbaal uitwerken OVC, p. 486 en proces-verbaal van bevindingen, p. 502.

63 Proces-verbaal van bevindingen, p. 226.