Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:1453

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-03-2019
Datum publicatie
04-04-2019
Zaaknummer
NL18.2165
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eigenaar van Duits perceel (dat niet betrokken is geweest bij de Nederlandse ruilverkaveling) wil uitweg over Nederlands perceel (een privéweg) naar Nederlandse openbare weg. Rechtsmacht. Toepasselijk recht. Verkrijging van een erfdienstbaarheid door verjaring op de voet van art. 3:99 BW? Invulling ‘goede trouw’. Verkrijging van een erfdienstbaarheid op de voet van art. 3:105 BW? Bezit? Zekere ‘strijdbare verhouding’ vereist. Art. 95 Overgangswet NBW. Zichtbaar en voortdurend teken van toegang tot de privéweg. Alternatieve mogelijkheid via buurweg (art. 719 oud BW) of redelijkheid en billijkheid (HR 4 november 1988)? HR 24 februari 2012 (verrijkingsactie na ruilverkaveling) is niet van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

_

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer: NL18.2165

Vonnis van 27 februari 2019

in de zaak van

1 [eiser / verweerder op de tegenvordering sub 1], wonende te Groesbeek,

2. [eiser / verweerder op de tegenvordering sub 2] wonende te Groesbeek,

eisers van de vordering, verweerders op de tegenvordering, hierna samen te noemen: [eisers / verweerders op de tegenvordering],

advocaat S.A. van Snippenburg te Nijmegen, tegen

1. [gedaagde / eiser van de tegenvordering sub 1], wonende te Kranenburg (Bondsrepubliek Duitsland),

2. [gedaagde / eiser van de tegenvordering sub 2], wonende te Kranenburg (Bondsrepubliek Duitsland), verweerders op de vordering,

eisers van de tegenvordering, hierna samen te noemen: [gedaagden / eisers van de tegenvordering], advocaat R.R.F. van der Mark.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de procesinleiding

- het verweerschrift met een tegenvordering

- het verweerschrift op de tegenvordering

- het proces-verbaal van descente en van mondelinge behandeling op 25 september 2018.

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

[eisers / verweerders op de tegenvordering] is eigenaar van twee percelen grond te Groesbeek, gelegen aan/op het doodlopende deel van de [straatnaam 1] (hierna: de weg). Het eerste perceel ([eerste perceel]), ligt aan het einde van de weg, met als adres [eerste perceel], en omvat naast zijn huis- en bedrijfspand een deel van de weg aldaar. Dit perceel heeft hij oorspronkelijk in 1978 van zijn ouders verkregen. Het tweede perceel ([tweede perceel]) betreft het voorste deel van de weg, tot waar deze uitkomt op de openbare weg de [straatnaam 1]. Dit perceel heeft hij in 2003 verkregen bij akte van toedeling in de ruilverkaveling Groesbeek.

2.2

Vooraan aan de weg ligt de eigendom van [gedaagden / eisers van de tegenvordering]. Deze eigendom, met woning, is geheel in Duitsland gelegen, met als adres [adres woning 1]. De woning maakt deel uit van een twee-onder-een-kap-woning, die tot 1999 geheel toebehoorde aan de familie [naam familie]. Deze woning weegt vanuit de achterzijde uit op de [straatnaam 2]. [gedaagden / eisers van de tegenvordering] heeft daarvan in 1999 het naar Nederland gerichte deel gekocht, onder de verplichting de grens tussen de achtererven dicht te maken, hetgeen is gebeurd. Alleen de familie [naam familie] kan nu nog op de [straatnaam 2] uitwegen. Aan de voorzijde van de beide woningen aan de [straatnaam 2] is nauwelijks een mogelijkheid tot parkeren.

2.3

Aan de hand van een door de rechter (met eigen verbeteringen) aangevulde, aan de landinrichting van 2003 ontleende, noordgerichte kaart kan de situatie ter plaatse als volgt in beeld worden gebracht:

2.4

Op de hierboven opgenomen kaart is het woonhuis van [gedaagden / eisers van de tegenvordering] met een W aangeduid en het huidige woonhuis van de familie [naam familie] met een B. Naast W staat aan de weg een schuur, op de tekening aangeduid met S. [gedaagden / eisers van de tegenvordering] heeft in 2016 van [naam 1]

- wiens woonperceel aan de noordoostzijde grenst aan dat van [eisers / verweerders op de tegenvordering] - een stukje Duitse grond gekocht en daarop een carport gebouwd. Die is op de genoemde kaart aangeduid met een C. Er is vanuit de carport een open toegang tot de weg. De dubbele lijn tussen W en S is het in 1999 door [gedaagden / eisers van de tegenvordering] dichtgemaakte achtererf achter de beide woningen aan de [straatnaam 2]. Ten noordwesten daarvan is sprake van een ruimte tussen W en S, waar [gedaagden / eisers van de tegenvordering] ook voertuigen stalt (hierna: het erf), tot 2016 zelfs alleen daar. Ook hier bestaat een toegang tot de weg, af te sluiten door een hek.

2.5

De weg (de verharding ervan) ligt voor het grootste deel in Nederland. Ter hoogte van de woning van [gedaagden / eisers van de tegenvordering] is de weg iets breder en ligt 30 tot 70 cm van de verharding ervan op de grond van [gedaagden / eisers van de tegenvordering], derhalve in Duitsland.

2.6

[gedaagden / eisers van de tegenvordering] weegt vrijwel iedere dag uit op de weg, vanaf 2016 ook vanuit zijn carport.

2.7.

Bij brief van 22 juni 2017 heeft [eisers / verweerders op de tegenvordering] [gedaagden / eisers van de tegenvordering] te kennen geven het gebruik van de weg door [gedaagden / eisers van de tegenvordering] onrechtmatig te achten, die situatie te willen beëindigen en [maar toch?, rechtbank] open te staan voor een gesprek ter oplossing van het geheel.

3 De vordering

3.1

[eisers / verweerders op de tegenvordering] stelt dat het - dagelijkse - gebruik van de weg door [gedaagden / eisers van de tegenvordering] zonder zijn toestemming of instemming en zonder overigens enig recht geschiedt en onrechtmatig is, dat dat gebruik, ook door bezoek van [gedaagden / eisers van de tegenvordering], hinderlijk en belastend is voor [eisers / verweerders op de tegenvordering] en de weg, dat daardoor meer onderhoud nodig is van de weg, en dat zijn perceel erdoor in waarde vermindert.

3.2

Op grond daarvan vordert [eisers / verweerders op de tegenvordering], kort gezegd, op straffe van verbeurte van dwangsommen:

I. primair: [gedaagden / eisers van de tegenvordering] te bevelen om de toegangen tot de weg op te heffen en opgeheven te houden;

subsidiair: [gedaagden / eisers van de tegenvordering] te bevelen te gehengen en te gedogen dat [eisers / verweerders op de tegenvordering] ter plaatse van de toegangen zijn erf afsluit;

II. [gedaagden / eisers van de tegenvordering] te verbieden gebruik te maken van de weg;

III. [gedaagden / eisers van de tegenvordering] te verbieden aan derden toe te staan de weg te gebruiken; (..)

V. meer subsidiair: voor recht te verklaren dat [gedaagden / eisers van de tegenvordering] ongerechtvaardigd wordt verrijkt als blijkt dat er toch een recht op gebruik kan worden ontleend aan een erfdienstbaarheid, en dat [gedaagden / eisers van de tegenvordering] dan aansprakelijk is voor de schade, op te maken bij staat;

VI. meer subsidiair: [gedaagden / eisers van de tegenvordering] te bevelen met [eisers / verweerders op de tegenvordering] overleg te voeren over een jaarlijkse bijdrage aan de onderhoudskosten, een gebruiksvergoeding, een vergoeding voor waardevermindering, een gebruiksregeling en hoe die afspraken zullen worden vastgelegd.

3.3

[gedaagden / eisers van de tegenvordering] voert verweer. Hij beroept zich op de gang van zaken tijdens de ruilverkaveling in 2003, waarbij [eisers / verweerders op de tegenvordering] het grootste deel van de weg verkreeg en er tevens de nodige erfdienstbaarheden over die weg zijn gevestigd. Hij stelt dat hij vanaf de ruilverkaveling in de veronderstelling verkeerde dat er ook ten behoeve van zijn erf een recht van overpad was gevestigd. Mede in dat verband beroept [gedaagden / eisers van de tegenvordering] zich op verkrijging van een erfdienstbaarheid van weg door verjaring, zowel naar nieuw recht als naar oud recht, nu er door de aanwezigheid van de open toegang met het hekwerk sprake is van een voortdurend en zichtbaar werk. Daarnaast is er ook sprake van verkrijging van een erfdienstbaarheid op de voet van artikel 3:105 BW. Wat betreft de carport stelt [gedaagden / eisers van de tegenvordering] dat [eisers / verweerders op de tegenvordering] daar positief tegenover stond. Verder heeft [eisers / verweerders op de tegenvordering] altijd met het gebruik van de weg ingestemd, zodat hij zijn recht heeft verwerkt om te eisen dat het gebruik van de weg wordt gestaakt.

4 De tegenvordering

4.1

In het verlengde van het verweer tegen de vordering vordert [gedaagden / eisers van de tegenvordering] om voor recht te verklaren dat er ten gunste van zijn erf door verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan om over de weg van en naar de openbare [straatnaam 1] te gaan, [eisers / verweerders op de tegenvordering] te veroordelen om mee te werken aan vastlegging van een dergelijke erfdienstbaarheid en hem te verbieden [gedaagden / eisers van de tegenvordering] in het gebruik van de weg te beperken, het laatste op straffe van verbeurte van een dwangsom.

4.2

Daartegen voert [eisers / verweerders op de tegenvordering] verweer. Volgens [eisers / verweerders op de tegenvordering] was er in het verleden steeds gedoe over het gebruik van de weg tussen de familie [naam familie] - die de weg ook af en toe gebruikte - en de rechtsvoorganger van [eisers / verweerders op de tegenvordering], [naam 2], die de weg geregeld afsloot.

5 De beoordeling

van de vordering en de tegenvordering

5.1

De rechtbank ontleent haar rechtsmacht in dit geschil aan artikel 24 lid 1 van de herschikte EEX-verordening (nr. 1215/2012). Ingevolge artikel 10:127 lid 1 en lid 4 onder e BW (lex sitae) is in deze zaak het Nederlands recht van toepassing. Partijen zijn het daarover ook eens.

5.2

[gedaagden / eisers van de tegenvordering] beroept zich op een langdurig gebruik van de weg en stelt dat daardoor een erfdienstbaarheid van weg is ontstaan, ook volgens oud BW (wat de eis van het voortdurende en zichtbare bezit betreft). Op de verjaring van artikel 3:99 BW kan [gedaagden / eisers van de tegenvordering] zich echter niet met succes beroepen. [gedaagden / eisers van de tegenvordering] heeft immers niet mogen vertrouwen op de aanwezigheid van een gevestigde erfdienstbaarheid die er in werkelijkheid niet bleek te zijn. Ook de ruilverkaveling vormde daartoe geen aanleiding. De onroerende zaak bevindt zich immers in Duitsland en viel daarom uiteraard buiten het bereik van de Landinrichtingswet. De opmerking van reclamant [naam 3] (tijdens de behandeling van zijn bezwaar bij de rechter-commissaris), die de weg ter hoogte van de woning van [gedaagden / eisers van de tegenvordering] had ingebracht, dat [gedaagden / eisers van de tegenvordering] van de weg gebruik moest kunnen blijven maken, maakt dat niet anders.

5.3

[gedaagden / eisers van de tegenvordering] doet ook een beroep op de twintigjarige bevrijdende verjaring, gevolgd door verkrijging van een erfdienstbaarheid op de voet van artikel 3:105 BW. Daartoe is

vereist dat zich gedurende die tijd een onrechtmatige toestand heeft voortgedaan die bezit van een erfdienstbaarheid van weg oplevert. Instemming, goedkeuring of gedogen verhindert een dergelijk bezit. Partijen moeten dus wat het gebruik betreft van de weg door [gedaagden / eisers van de tegenvordering] in een zekere ‘strijdbare verhouding’ tot elkaar hebben gestaan, waarbij ofwel in het geheel geen communicatie over het gebruik van de weg heeft bestaan ofwel een situatie waarin [gedaagden / eisers van de tegenvordering] ondanks bezwaren van de eigenaar van de weg toch van de weg is gebruik blijven maken.

5.4

Partijen verschillen van mening over de duur en de aard van het gebruik. Aan [gedaagden / eisers van de tegenvordering] is het om het bezit van een erfdienstbaarheid gedurende twintig jaar te bewijzen. [gedaagden / eisers van de tegenvordering] heeft daartoe op zichzelf voldoende gesteld, onder meer door overlegging van twee verklaringen die teruggaan tot 1969/1970. Met [gedaagden / eisers van de tegenvordering] is de rechtbank van oordeel dat relevant bezit zich al vóór 1992 kan hebben voorgedaan (en dus niet aan de invloed van artikel 95 Overgangswet Nieuw BW onderhevig hoeft te zijn geweest), nu de ligging van het erf aan de weg, waarbij een directe toegang tot de weg zou hebben bestaan, een zichtbaar en voortdurend teken van toegang tot de weg en daarmee tot de openbare [straatnaam 1] lijkt op te leveren.

5.5

Aan de andere kant heeft [gedaagden / eisers van de tegenvordering] óók gesteld dat [eisers / verweerders op de tegenvordering] altijd met het gebruik van de weg heeft ingestemd (verweerschrift, onder 4), hetgeen zich juist niet met het bezit van een erfdienstbaarheid van weg verdraagt. Herinneringen aan een ‘strijdbare verhouding’ worden daarentegen uitdrukkelijk door [eisers / verweerders op de tegenvordering] opgehaald (verweerschrift in reconventie, onder 4 e.v.). Het lijkt zo een omgekeerde wereld, die vanuit de stellingen van [gedaagden / eisers van de tegenvordering] niet bijdraagt aan zijn standpunt omtrent verjaring en vanuit de stellingen van [eisers / verweerders op de tegenvordering] juist wel.

5.6

Wat betreft de uitgang tot de weg vanaf de carport is verjaring in ieder geval niet aan de orde. Die uitgang bestaat immers pas vanaf 2016. Een andere rechtsgrond voor een uitgang op de weg vanaf de carport doet zich vermoedelijk niet voor (zie ook hierna, 5.9). Dat [eisers / verweerders op de tegenvordering], zoals [gedaagden / eisers van de tegenvordering] zegt (verweerschrift, onder 3, vijfde alinea), positief stond tegenover het realiseren van de carport maakt dat niet anders, nu daarbij meteen een bijdrage in de kosten van het onderhoud van de weg aan de orde is gesteld en partijen het daarover niet eens zijn geworden.

5.7

Hoewel daar als zodanig niets over is gesteld is niet uit te sluiten dat de feiten, zoals deze in een eventuele bewijslevering aan de dag kunnen treden en ook uit de stellingen van partijen lijken te volgen (zie hiervoor, 5.5), voldoende grond kunnen opleveren voor het aannemen van een buurweg. Dan moet daaraan wel zijn voldaan vóór 1992 (zie art. 160 Overgangswet Nieuw BW).

5.8

Ten slotte is het aannemelijk dat als [gedaagden / eisers van de tegenvordering] woning, erf en schuur, uitgaande van dezelfde locatie, in Nederland zouden hebben gelegen, [gedaagden / eisers van de tegenvordering] bij het plan van toedeling in de ruilverkaveling in 2003, net zoals Behet (over het wegdeel van [eisers / verweerders op de tegenvordering]) en [eisers / verweerders op de tegenvordering] (over het wegdeel van Behet), een erfdienstbaarheid zou zijn toegekend. Nu dat niet is gebeurd om de enkele reden dat de grond van [gedaagden / eisers van de tegenvordering] niet onder de Landinrichtingswet viel, is verdedigbaar dat [eisers / verweerders op de tegenvordering] [gedaagden / eisers van de tegenvordering] op grond van de redelijkheid en billijkheid uitweg dient te verlenen. De rechtbank verwijst - ter vergelijking - naar HR 4 november 1988, NJ 1989, 260 (Reulings/Sangen). Het gaat hier dus niet om het ‘vergeten zijn’ in een ruilverkaveling (zoals in HR 24 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0472), maar om een zuiver hypothetische situatie.

5.9

Een dergelijke escape is - als ook een erfdienstbaarheid of een buurweg zou ontbreken - niet nodig als [gedaagden / eisers van de tegenvordering] een beroep op artikel 5:57 BW (noodweg) zou kunnen doen. Men zou met recht kunnen volhouden dat een behoorlijke exploitatie van het erf van [gedaagden / eisers van de tegenvordering] niet mogelijk is als geen mogelijkheid bestaat tot het parkeren van een auto op een redelijke (ook met het oog op de veiligheid) afstand van de woning. De vraag is dan wel of dat ook geldt voor de carport, nu [gedaagden / eisers van de tegenvordering] die situatie van extra uitwegnood recentelijk over zichzelf heeft afgeroepen.

5.10

De buurweg gaat uit van onderhoud voor gemeenschappelijke rekening; de noodweg geschiedt tegen schadeloosstelling; de redelijkheid en billijkheid uit de analogie met Reulings/Sangen kunnen een en ander ook meebrengen en zelfs in geval van een erfdienstbaarheid door verjaring zal [gedaagden / eisers van de tegenvordering] er mogelijk niet aan kunnen ontkomen om gehouden te zijn bij te dragen in het onderhoud van de weg, al dan niet via de weg van de onrechtmatige daad, ongerechtvaardigde verrijking of redelijkheid en billijkheid (analoog aan de onderhoudsverplichting uit de bij de landinrichting gevestigde erfdienstbaarheden). Partijen zullen er daarom waarschijnlijk beter aan doen om wederom te pogen daarover met elkaar een billijke regeling te treffen. Daarbij dient uiteraard ook het gebruik van de weg (intensiteit, lengte) door [eisers / verweerders op de tegenvordering] zelf en door Behet te worden betrokken.

5.11

De rechtbank heeft er behoefte aan, alvorens verder te beslissen, dat partijen zich uitlaten over hetgeen hiervoor onder 5.3 tot en met 5.10 is overwogen. Dat dienen zij gelijktijdig te doen en wel op woensdag 10 april 2019. Partijen kunnen daarbij gezamenlijk ook een mondelinge behandeling of descente voorstellen, maar alleen met het oog op een definitieve onderlinge regeling van het geschil. Daar zal dan Behet ook bij betrokken moeten worden.

5.12

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

6 De beslissing, op de vordering en de tegenvordering

De rechtbank

6.1

Bepaalt dat partijen zich op woensdag 10 april 2019 gelijktijdig uitlaten over hetgeen onder 5.3 tot en met 5.10 is overwogen;

6.2

Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.J. van Acht en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2019.