Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:1223

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-02-2019
Datum publicatie
02-04-2019
Zaaknummer
NL17.14165
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Perikelen rondom liquidatie van een vennootschap onder firma.

- Is sprake van voortzetting van de VOF door de ene vennoot (eiseres) nadat de andere vennoot (gedaagde) deze had opgezegd?

- Was de ene vennoot (eiseres) gerechtigd om de onmiddellijke ontbinding van de VOF in te roepen?

- Was sprake van schuldeisersverzuim aan de zijde van eiseres?

Voorts:

- Wijze van verdeling van de vermogensbestanddelen van de VOF conform het (aangepaste) voorstel van eiseres.

- Restitutie van een bedrag dat gedaagde van de zakelijke rekening heeft overgeboekt naar zijn privérekening en afgifte van rekeningafschriften aan eiseres.

- Gebod aan gedaagde om aan eiseres onbeperkte toegang te verlenen tot het zakelijke internetaccount van de VOF.

- Een door de VOF ingehuurde freelancer heeft geen boetes verbeurd wegens overtreding van de geheimhoudingsovereenkomst en eiseres behoeft geen medewerking te verlenen aan het starten en voeren van een procedure tegen deze freelancer. Eiseres heeft zelf ook geen boetes verbeurd.

Vorderingen van eiseres worden toegewezen, tegenvordering van gedaagde wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2019/617
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer: NL17.14165

Vonnis van 1 februari 2019

in de zaak van

[naam eiseres] ,
wonende te [woonplaats eiseres] ,
eiseres van de vordering,
verweerster op de tegenvordering,
hierna te noemen: [naam eiseres] ,
advocaat mr. R.C.H. Bruinier te Ede,

tegen

[naam verweerder] ,
wonende te [naam verweerder] ,
verweerder op de vordering,
eiser van de tegenvordering,
hierna te noemen: [naam verweerder] ,
advocaat mr. M.A.M. Lem te Breda.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de procesinleiding met producties

- het verweerschrift tevens houdende tegeneis met producties

- het verweerschrift op tegeneis, tevens akte wijziging eis met producties

- de antwoordakte eiswijziging met producties`

- de akte overlegging producties en de akte overlegging producties II van [naam eiseres]

- enkele nadere producties van [naam verweerder]

- het proces-verbaal van mondelinge behandeling op 30 mei 2018

- de beslissing van de wrakingskamer van deze rechtbank van 16 juli 2018 op het verzoek

van 31 mei 2018 van [naam verweerder] tot wraking van de rechter.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[naam verweerder] is van oorsprong HR-manager en heeft in die hoedanigheid zo’n 20 jaar werkervaring opgedaan.

2.2.

[naam eiseres] is eveneens van oorsprong HR-manager en heeft in die hoedanigheid ook zo’n 20 jaar ervaring opgedaan.

2.3.

Partijen hebben elkaar in het ‘werkveld’ ontmoet en op enig moment besloten om een partnerschap aan te gaan in de vorm van een vennootschap onder firma onder de naam ‘ [naam vof] ’. De bedrijfsactiviteiten bestonden uit het voeren van een organisatieadviesbureau alsook het verzorgen van trajectbegeleiding voor medewerkers zonder toekomstperspectief in een bedrijf of organisatie, door hen te helpen te bewegen van werk naar werk. [naam eiseres] besteedde vooral tijd aan het voor haar bekende netwerk in de regio, terwijl [naam verweerder] zich met name richtte op de administratieve taken, alsmede de financiële c.q. boekhoudkundige zaken.

2.4.

De samenwerking van partijen is vastgelegd in een ‘contract vennootschap onder firma [naam vof] ’ van 19 november 2012 (hierna: de overeenkomst). Hierin is onder meer het volgende opgenomen:

Artikel 3: Duur en opzegging

De vennootschap is met ingang van 4 oktober 2012 voor onbepaalde tijd aangegaan. Ieder van de vennoten heeft het recht de vennootschap door opzegging te beëindigen. Dit dient te geschieden bij aangetekende brief aan de andere vennoot, met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden en niet anders dan tegen het einde van het boekjaar.

Artikel 6: Bevoegdheid

Lid 1: Iedere vennoot is bevoegd voor de vennootschap te handelen en te tekenen, gelden voor haar uit te geven en te ontvangen, de vennootschap aan derden en derden aan de vennootschap te verbinden, tenzij dit niet met het doel van de vennootschap in verband staat.

Lid 2: De medewerking van alle vennoten wordt echter gevorderd voor:

a. (…)

b. (…)

c. het in dienst nemen en het ontslaan van personeel, externe inhuur en overige contracten met derden, anders dan wegens een dringende reden in de zin der wet, alsmede het verlenen en intrekken van procuratie;

d. (…)

e. (…)

f. (…)

g. (…)

h. (…)

i. het voeren van rechtsgedingen (met uitzondering van rechtsmaatregelen die geen uitstel kunnen lijden), het berusten in rechtsvorderingen, het aangaan van dadingen, compromissen of akkoorden, het opdragen van de berechting van geschillen met derden aan scheidslieden of bindend adviseurs;

j. het aangaan van rechtshandelingen, anders dan hiervoor genoemd, waarvan het belang of de waarde een bedrag van

€ 1.000,00 te boven gaat, waaronder niet begrepen het opnemen van beschikbare gelden bij de bankier van de vennootschap; splitsing van de overeenkomst teneinde de werking van deze bepaling te ontgaan is daarbij niet toegestaan.

Artikel 7: Samenwerking

De vennoten verdelen hun werkzaamheden in onderling overleg. Zij verbinden zich jegens elkaar om geen handelingen te verrichten waartegen één van hen zich uitdrukkelijk heeft verzet.

Artikel 8: Boekjaar, balans en winst- en verliesrekening

(…)

Lid 2: Na afloop van elk boekjaar, alsmede bij het einde van de vennootschap in de loop van enig boekjaar, worden de boeken van de vennootschap afgesloten en wordt een balans en winst- en verliesrekening (hierna jaarrekening) opgemaakt. De vennoten tekenen deze ten bewijze van goedkeuring en van onderlinge décharge binnen zes maanden na afloop van het boekjaar, of, ingeval de vennootschap eindigt, binnen drie maanden na het einde van de vennootschap.

Artikel 11: Opname winstaandeel

Lid 1: Voor zover dit de bedrijfsvoering en financiering van de vennootschap niet in gevaar brengt, is ieder der vennoten bevoegd om als voorschot op het hem toekomende winstaandeel uit de vennootschap wekelijks of maandelijks een bedrag uit de kas van de vennootschap op te nemen, waarvan de omvang door de vennoten in onderling overleg wordt vastgesteld.

Artikel 13: Einde vennootschap

De vennootschap eindigt:

a. (…)

b. door opzegging door een van de vennoten, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3;

c. (…)

d. indien één der vennoten zijn recht op onmiddellijke ontbinding van de vennootschap inroept vanwege het feit dat de andere venno(o)t(en) één of meer van de bepalingen van deze overeenkomst overtreedt, niet nakomt of niet behoorlijk nakomt;

e. (…)

Artikel 14: Liquidatie

Lid 1: Indien de vennootschap eindigt door opzegging, danwel in onderling overleg, zullen de zaken der vennootschap zo spoedig mogelijk door de vennoten worden geliquideerd, tenzij het bedrijf wordt voortgezet op de manier zoals hierna vermeld in artikel 15.

Lid 2: Bij het eindigen der vennootschap is ieder van de vennoten in het vermogen van de vennootschap gerechtigd, voor de bedragen waarvoor hij in de boeken der vennootschap is gecrediteerd, vermeerderd of verminderd met zijn aandeel in de winst of het verlies, gemaakt of geleden blijkens de overeenkomstig artikel 8 opgemaakte jaarrekening.

Lid 3: Op de na het eindigen der vennootschap op te maken balans zullen, tenzij schriftelijk onderling anders wordt overeengekomen, de activa worden gewaardeerd tegen de door de vennoten geschatte waarde.

Lid 4: In de liquidatiewinst of het liquidatieverlies, casu quo de meerwaarde of de minderwaarde (één en ander indien van toepassing) zal door ieder der vennoten, met toepassing van de onder de artikelen 9 en 10 weergegeven winstverdeling worden deelgenomen.

Artikel 15: Voortzetting, overname en verblijven

Lid 1: Indien de vennootschap eindigt bestaat een recht tot voortzetting van het bedrijf van de vennootschap en wel:

a: In het geval als bedoeld in artikel 13 sub b voor de niet-opzeggende vennoot;

b: (…)

c: (…)

d: In geval van ontbinding overeenkomstig het bepaalde in artikel 13 sub d voor de vennoot die met recht de ontbinding heeft/hebben ingeroepen.

Lid 2: De vennoot die aldus de zaken der vennootschap voortzet, dient zijn verlangen daartoe binnen drie maanden na het eindigen der vennootschap schriftelijk te kennen geven aan de andere vennoot of diens rechtverkrijgenden, op straffe van verval van het recht.

(…)

Artikel 16: Concurrentie

Lid 1: Het is ieder der vennoten verboden tijdens de duur van de vennootschap bij een andere onderneming werkzaam te zijn of daarbij rechtstreeks of zijdelings betrokken te zijn, behoudens schriftelijke toestemming van de andere vennoot.

Lid 2: Bij uittreding uit de vennootschap door één der vennoten, terwijl de andere vennoot de onderneming voortzet, zal het aan de uitgetreden vennoot verboden zijn gedurende 1 jaar na uittreden en binnen een kring, met de vennootschap als middelpunt, een soortgelijke onderneming als die der vennootschap uit te oefenen of te doen uitoefenen, bij een zodanige onderneming werkzaam ofwel rechtstreeks of zijdelings betrokken te zijn.

Lid 3: De vennoot die deze bepalingen overtreedt verbeurt, nadat hij in gebreke is gesteld, op grond van het bovenstaande een boete van € 25.000.00 ten behoeve van de andere vennoot voor elke overtreding; onverminderd alle verdere rechten van de andere vennoot ingevolge de onderhavige overeenkomst en ingevolge de wet.

2.5.

Op 1 mei 2016 heeft [naam vof] voor de duur van een jaar een ‘Freelance Overeenkomst’ gesloten met de onderneming van [naam ondernemer] , een [familielid] van [naam eiseres] .

2.6.

Op 28 juni 2016 zijn [naam vof] en [naam ondernemer] een ‘Geheimhoudingsovereenkomst en concurrentie- en relatiebeding [naam vof] ’ overeengekomen (hierna: de geheimhoudingsovereenkomst). Hierin is onder meer het volgende opgenomen:

3. Opdrachtnemer is uitsluitend gerechtigd de verkregen informatie te gebruiken voor het doel, waarvoor zij is bestemd en waartoe de overeengekomen samenwerking reikt. De verplichting tot geheimhouding zoals genoemd in artikel 1 en 2 van deze overeenkomst geldt niet voor zover de informatie noodzakelijkerwijs aan derden kenbaar dient te worden gemaakt om de overeengekomen werkzaamheden in het kader van de samenwerking te kunnen verrichten. Het is opdrachtnemer slechts toegestaan om deze informatie aan derden openbaar te maken voor zover dat noodzakelijk is voor het uitvoeren van de overeengekomen werkzaamheden in het kader van de samenwerking.

4. Het is opdrachtnemer verboden, hetzij gedurende de periode van de samenwerking, hetzij gedurende één (1) jaar na beëindiging van de samenwerking, behoudens schriftelijke toestemming van [naam vof] , in dienst te treden bij dan wel, op enigerlei wijze, direct of indirect voor zichzelf of voor anderen, tegen vergoeding of om niet, in enigerlei vorm diensten aan te bieden die [naam vof] in de ruimste zin des woords aan haar klanten aanbiedt aan (potentiële) klanten of andere relaties van [naam vof] . Alleen indien voorafgaand aan of tijdens de samenwerking toestemming is verleend door de directie van [naam vof] is het mogelijk om van dit artikel af te wijken.

(…)

6. ( Potentiële) klanten en relaties zijn in ieder geval maar niet uitsluitend alle klanten waarmee [naam vof] overeenkomsten mee heeft afgesloten en/of werkgevers voor wie [naam vof] werkzaamheden verricht en de werknemers die in dienst zijn van de hiervoor genoemde klanten.

7. Potentiële klanten en relaties zijn in ieder geval maar niet uitsluitend die klanten en relaties waarmee [naam vof] gedurende het laatste half jaar voorafgaand aan het einde van de samenwerking op enigerlei wijze zakelijk contact heeft gehad, hetzij door middel van een prijsopgave of offerte, hetzij door middel van een andersoortig contract.

8. Boetebeding. Indien opdrachtnemer in strijd met zijn verplichtingen uit hoofde van het bepaalde in de artikelen 1 tot en met 5 handelt, zal opdrachtnemer aan [naam vof] zonder dat enige ingebrekestelling is vereist, voor iedere overtreding een onmiddellijke boete verbeuren ten bedrage van € 15.000,=, alsmede een boete ten bedrage van € 5.000,= voor elke dag of gedeelte daarvan dat de overtreding na mededeling van de ontdekking daarvan door [naam vof] voortduurt, onverminderd het recht van [naam vof] om in plaats van deze boete een volledige schadevergoeding te vorderen. Betaling van de boete ontslaat opdrachtnemer niet van de in artikel 1 tot en met 5 genoemde verplichtingen.

2.7.

Bij aangetekende brief van 23 maart 2017 heeft [naam verweerder] onder meer het volgende aan [naam eiseres] bericht:

Afgelopen vrijdag, 17 april heb ik je mondeling aangegeven dat ik tegen het einde van het boekjaar 2017 stop met de vennootschap [naam vof] . Conform het bepaalde in artikel 3 van de samenwerkingsovereenkomst stuur ik je deze brief daarom per aangetekende brief. Tevens wordt een kopie van deze brief je op 23 maart persoonlijk door mij overhandigd.

In reactie op mijn mondelinge opzegging heb je aangegeven dan ook met de vennootschap [naam vof] te willen stoppen. Dan doen we, zoals jij het zei: "‘samen het licht uit".

Na jouw vakantie in april plannen we een overleg in om nadere afspraken te maken op de wijze waarop wij tot liquidatie van de onderneming [naam vof] aan het einde van het boekjaar overgaan.

2.8.

Bij e-mailberichten van 11 april en 15 mei 2017 heeft [naam verweerder] [naam eiseres] verzocht schriftelijk te bevestigen dat zij de vennootschap na 1 januari 2018 niet zal voortzetten. Aan dit verzoek heeft [naam eiseres] bij e-mailberichten van 11 april en 6 juni 2017 gehoor gegeven. Zo schreef zij op 6 juni 2017:

Naar aanleiding van jouw besluit te stoppen met [naam vof] op 1-1-2018 en uit de VOF te stappen heb ik besloten de VOF [naam vof] niet als enige vennoot te continueren. Dus einde [naam vof] op 1-1-2018.

2.9.

Bij e-mailbericht van 28 april 2017 heeft [naam verweerder] onder meer het volgende aan [naam eiseres] bericht:

Inzet/omzet

Afgelopen woensdag heb ik tijdens onze bespreking mijn zorgen uitgesproken over het toenemende verschil in inzet declarabel werk en omzet tussen jou en mij. Jij beaamde ook de verschillen.

Bij een ongewijzigde situatie voorzie ik de komende maanden de verschillen tussen jou en mij alleen maar verder oplopen.

Ook beaamden we dat de eventuele inzet van [naam ondernemer] vanaf 1 mei niet ten koste mag gaan van declarabel werk wat jij zelf uit zou kunnen voeren.

We zijn in mijn beleving afgelopen week onvoldoende toegekomen aan het maken van concrete afspraken hoe we deze verschillen aan gaan pakken.

Mijn vraag aan jou is hoe wij deze onbalans in inzet/omzet financieel of middels een andere werkverdeling oplossen?

Laten we er volgende week nog even verder over spreken. Ik wil meedenken. Er zijn vele wegen die naar Rome leiden.

Vanaf mei wil ik van [naam ondernemer] elke week een weekoverzicht ontvangen met de door haar uitgevoerde werkzaamheden en mate van declarabiliteit.

Vanaf mei wordt [naam ondernemer] alleen nog ingezet als ik vooraf schriftelijk mijn instemming heb gegeven. Ik wil vooraf weten wat zij per dag voor [naam vof] gaat uitvoeren. Mijn uitgangspunt is dat zij geen werkzaamheden meer verricht die jij ook

kan uitvoeren.

2.10.

In de periode daarna hebben partijen meerdere malen overleg gevoerd over de wijze van liquidatie c.q. verdeling van de vennootschap. In dit verband heeft [naam eiseres] aan [naam verweerder] te kennen gegeven dat zij voornemens is na het einde van de vennootschap een nieuwe onderneming te willen beginnen met soortgelijke werkzaamheden als [naam vof] . Bij die nieuwe onderneming is tevens mogelijk [naam ondernemer] en een derde persoon betrokken.

2.11.

[naam verweerder] heeft daarop bij e-mailbericht van 29 september 2017 onder meer het volgende aan [naam eiseres] bericht:

Middels deze mail doe ik je eenmalig een finaal voorstel tot overname van VOF [naam vof] .

Samenvatting aanbod

• Einddatum samenwerking = 1 oktober 2017

• [naam eiseres] krijgt mobiliteitstrajecten twv minimaal 13.000 nog te factureren omzet toebedeeld.

• [naam verweerder] gaat uit kantoor [naam vof]

• [naam eiseres] krijgt op een paar spullen na alle inboedel

• Het positief saldo op de zakelijke rekeningen wordt na aftrek van alle te betalen facturen 50-50 verdeeld

• Het concurrentiebeding zoals bedoeld in de samenwerkingsovereenkomst tussen ons uit 2012 is niet van

toepassing.

• [naam eiseres] kan de naam bedrijfsnaam [naam vof] blijven voeren.

• Overnamefee = 25.000 door [naam eiseres] te betalen aan [naam verweerder]

2.12.

In reactie hierop heeft [naam eiseres] bij e-mailbericht van 30 september 2017 onder meer het volgende aan [naam verweerder] bericht:

Hierbij wil ik je laten weten dat ik niet in ga op het door jou per e-mail op 29/9/2017 gedane voorstel.

Ik heb niet langer de wens onder de naam [naam vof] door te gaan c.q. [naam vof] over te nemen.

Laten we afspraken maken over het opheffen van de VOF [naam vof] per 1/11/2017 of 1/12/2017.

Ik zal je volgende week daartoe een voorstel sturen.

2.13.

Bij e-mailbericht van 2 oktober 2017 heeft [naam verweerder] onder meer het volgende bericht aan mevrouw [naam medewerker] van [naam klant 3] Werkt! te Zutphen, een van de grotere klanten van [naam vof] :

De onderneming [naam vof] staakt haar activiteiten uiterlijk 31-12-2017. [naam eiseres] en ik hebben geen overeenstemming over het aangaan van verplichtingen met [naam klant 3] inzake het traject met [naam 1] vanaf 1-1-2018. Ik kan dan ook geen zakelijke verantwoording nemen voor afspraken die eventueel gemaakt gaan worden die de datum van 1-1-2018 overschrijden.

2.14.

Nadat [naam medewerker] daarop had gereageerd heeft ook [naam eiseres] bij e-mailbericht van

4 oktober 2017 onder meer als volgt gereageerd:

Zoals je zult hebben gezien heeft [naam medewerker] jou gisteren een e-mail gestuurd waarin zij haar ongemak kenbaar maakt over het feit dat jij zonder medeweten van mij, je compagnon, over het beëindigen van [naam vof] hebt gecommuniceerd. Ik neem je dat zeer kwalijk. Wij hebben afgesproken samen een communicatieplan naar bestaande klanten op te stellen hierover. Daaraan heb jij je nu niet gehouden. Daarbij heb je mij behoorlijk te kijk gezet.

Ik wil graag van je weten of je dergelijke communicatie ook naar andere klanten hebt verstuurd of geuit en zo ja, naar welke klanten dan wel. Verder stel ik voor dat wij in de week van 15 oktober een brief opstellen naar klanten over het beëindigen van [naam vof] per 31 december waarin wij beschrijven wat dat voor de klanten betekent. Daarvoor zullen wij dan ook moeten afspreken met welke klanten jij en ik ieder verder wensen te gaan. Ik zal een voorbeeldtekst opstellen voor een dergelijke brief.

2.15.

Voorts heeft [naam eiseres] bij e-mailbericht van 5 oktober 2017 onder meer het volgende aan [naam verweerder] bericht:

Op de vooravond van mijn afwezigheid van ruim een week wil ik je laten weten dat ik de verantwoordelijkheid voor het opzeggen van de contracten op mij neem.

Een aantal partijen heb ik al gesproken, morgenochtend voor mijn vertrek probeer ik de rest te bereiken en anders volgende week. Als ik nog vragen heb, laat ik je dat weten.

Je had me gezegd me vanavond een e-mail te sturen. Deze is echter nog niet binnengekomen.

Je zei aan de telefoon vanmiddag dat er in mijn e-mail aan jou over [naam klant 3] geen vragen stonden. Dat is niet het geval. Ik ga ervan uit dat ik antwoord op mijn vragen tegemoet kan zien.

Je beweerde vandaag dat ik niet bereid zou zijn afspraken met je te maken. Dat is niet het geval. Je hebt echter gewacht totdat er geen tijd meer was om een afspraak te maken. Het feit dat je mij een week geleden de toegang tot je agenda hebt ontzegd, draagt niet bij aan het efficiënt kunnen maken van afspraken met elkaar.

Ik verzoek je daarom je agenda weer voor mij open te stellen, zoals het altijd het geval is geweest de afgelopen jaren bij [naam vof] .

Nu je pas in de loop van de dag mij hebt gevraagd hebt een afspraak te maken en ik druk was met het afronden van mijn werkzaamheden was het te laat om nog een afspraak te kunnen maken voor mijn vertrek.

Daarom moet deze afspraak wachten tot na onze vakanties. Als er beslissingen zijn die voordien genomen moeten worden, verzoek ik jou mij daarover mailen en zal ik op je mail antwoorden.

2.16.

[naam verweerder] heeft bij e-mailbericht van 6 oktober 2017 onder meer het volgende aan [naam eiseres] bericht:

Het is jou meer dan bekend dat ik in voorkomende situaties transparantie, eerlijkheid en zorgvuldigheid betracht naar onze klanten en hen op de hoogte stel van de beëindiging van [naam vof] . Als voorbeeld geef ik je mijn communicatie naar onze grootste klant, [naam klant 1] / [naam klant 1] .

De afgelopen dagen heb ik intensief contact gevoerd met onze opdrachtgever, [naam medewerker] .

Ik neem het je zeer kwalijk dat je op 2-10 niet transparant naar onze klant [naam klant 3] bent geweest. Dat is een manier van onzorgvuldig handelen vanuit jou naar een klant die schadelijk kan zijn voor een toekomstige samenwerking.

Door je aanvankelijke ontkenning van de beëindiging van [naam vof] en te doen alsof je niet weet waar [naam medewerker] het over had mbt het niet meer werken van [naam klant 1] stel je de zakelijke relatie met [naam klant 3] op het spel.

Bovendien had [naam medewerker] er een vervelend gevoel aan overgehouden. Niet fijn voor haar.

Jouw keuze om de beëindiging van de werkervaringsplaats van [naam klant 1] per 1 juni 2017 niet aan de klant te melden

-maar onder de pet te houden- is schadelijk voor de zakelijke relatie die wij met [naam klant 3] hebben. Het had gewoonweg aan [naam klant 3] gemeld moeten worden dat hij per juni opgestapt is.

Jouw keuze om dit niet aan de klant te melden is niet de mijne.

Dat je je te kijk gezet voelde, is daarmee het gevolg van je eigen handelen. Prima dat je een conceptbrief wil opstellen naar onze klanten. Denk dan ook na over een conceptbrief aan onze deelnemers. Graag ontvang ik deze concepten per omgaande. 15 oktober is veel te laat.

(…)

Als compagnon van [naam vof] hou ik je aan je verantwoordelijkheid om met mij tijdig en zorgvuldig alle zaken te overleggen en uit te voeren die verband houden met de beëindiging van het bedrijf.

Tot op heden zeg je wel dat je dat wilt doen, maar je handelen toont anders aan.

Ik hoop dat je op korte termijn tot inzicht komt.

2.17.

Ook heeft [naam verweerder] bij e-mailbericht van 6 oktober 2017 onder meer het volgende aan [naam eiseres] bericht:

Deze mail kan gezien worden als een reactie op je communicatieve uitingen van de afgelopen dagen.

Jij bent volgende week afwezig. Ik ben de week erop afwezig. Er zijn een aantal praktische zaken die op korte met elkaar afgestemd moeten worden.

Hieronder nogmaals een eerste aanzet van te bespreken onderwerpen. Jij kan aanvullen als je wilt:

• Verdeling caseload

• Inzet [naam ondernemer]

• Voortgang opzeggingen contracten [naam vof]

• Communicatie naar klanten over beëindiging

• Communicatie naar deelnemers over beëindiging

• Inzet en omzet

Gisteren tussen 17 en 18 heb ik geprobeerd om een tot een afspraak voor werkoverleg met je te komen. Je gaf aan niet telefonisch te willen overleggen. Je gaf aan niet per mail te willen overleggen, je wilt niet via skype of facetime overleggen. Je wilt alleen na mijn vakantie op de 23ste overleggen. Dat is ruim twee weken verder en dat is niet ok.

Dat je vandaag niet beschikbaar bent voor het noodzakelijke werkoverleg is des te pijnlijker, gezien het feit dat op jouw verzoek een ochtendsessie afgezegd is, waardoor je in ieder geval anderhalf uur tijd gehad zou hebben om met mij de belangrijke zaken door te nemen.

Je hebt er echter voor gekozen om vandaag afwezig te zijn en ook niet op een andere manier met mij te willen overleggen.

Ik nodig je nogmaals uit om via telefoon, skype of facetime volgende week een aantal praktische werkzaken met elkaar af te stemmen. Belangrijk is de schriftelijke communicatie richting onze klanten en deelnemers bijvoorbeeld.

Ook wil ik een update van je vorderingen met betrekking tot het opzeggen van contracten die [naam vof] heeft afgesloten. Je zegt wel dat je het doet, maar aantoonbaar gebeurt er niets vanuit jou.

Nogmaals, wegduiken voor de realiteit en verzanden in beschuldigende mails aan mij biedt geen enkele constructieve oplossing.

Volgende week en ook tijdens mijn verlof ben ik goed bereikbaar voor je.

Los van mijn verzoek tot snel werkoverleg volgende week, reserveer ik in ieder geval wel 23-10 om 13:30 uur in vooroverleg in Veenendaal.

2.18.

Daarop heeft [naam eiseres] bij e-mailbericht van 7 oktober 2017 onder meer als volgt gereageerd:

23-10 om 13:30 uur overleg in Veenendaal is akkoord.

Tot die tijd kan natuurlijk de nodige communicatie tussen ons plaatsvinden, ook al ben ik eerst een week vrij en jij daarna. Zoals ik je heb laten weten doe ik in de volgende week een opleiding. Ik heb dan lange schooldagen.

Ik stel voor dat de nodige communicatie per e-mail zal geschieden. Steeds met duidelijke vermelding van het onderwerp, zoals jij dat gisteren ook hebt gedaan. Ben je daarmee akkoord?

Ik stel ook voor dat wanneer er in een e-mail vragen staan, de geadresseerde in het antwoord op die e-mail ook de vragen beantwoord. Ben je daarmee akkoord?

Ik wil geen telefonisch overleg. Enerzijds omdat ik telefonisch overleg tussen ons de laatste tijd als bijzonder onplezierig ervaar. Anderzijds omdat telefonisch overleg niet leidt tot afspraken die op schrift staan en waarvan de inhoud dus teruggezocht kan worden wanneer nodig. En bovendien en vooral omdat het mijn ervaring is dat jij en ik de dingen die gezegd worden vaak blijkbaar anders onthouden, zodat het voor jou misschien lijkt alsof ik afspraken niet nakom of ontken en voor mij lijkt het alsof jij afspraken niet nakomt of ontkent.

Ten slotte is het ook qua timing gunstiger. We zijn allebei druk, en zodoende is het lastig een moment te vinden waarop we beiden beschikbaar zouden zijn voor rustig telefonisch overleg. Zo is het dan ook geweest dat jij tot de laatste dag voor mijn vertrek hebt gewacht om contact met mij te zoeken voor overleg, terwijl je wist dat ik een week weg ging. In het geval van e-mailcommunicatie kunnen wij beiden reageren op e-mails van de ander op momenten die wij daarvoor vrij kunnen maken.

Naar aanleiding van jouw onderstaande e-mail zullen er derhalve i.i.g. mails kunnen ontstaan met als onderwerpen de onderstaande, die jij opsomde in jouw e-mail, plus de laatste die ik heb toegevoegd. Waar niets bij staat heb ik op dit moment geen vragen of mededelingen over die nodig zijn voor 23/10. Mocht jij die wel hebben, dan lees ik dat graag in een e-mail.

• Verdeling caseload

• Inzet [naam ondernemer]

• Voortgang opzeggingen contracten [naam vof] : ik zal je daarover vandaag een mail sturen.

• Communicatie naar klanten over beëindiging: ik zal je vandaag een opzet sturen.

. Communicatie naar deelnemers over beëindiging: ik zal je vandaag een opzet sturen.

• Inzet en omzet

• Verdeling klantenportefeuille: zou jij een eerste e-mail hierover willen opstellen waarin je aangeeft wat jouw voorstel tot verdeling van de klantenportefeuille zou zijn? Dit zou moeten leiden tot een lijst van klanten aan wie we de brief met de aankondiging van beëindiging moeten sturen.

Als laatste wil ik je zeggen dat ik het je kwalijk neem dat je (in je e-mail van gisteren met onderwerp " [naam klant 3] / [naam 1] ") insinueert dat ik me ziek zou hebben gemeld zonder dat ik ziek was. ("Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat je mij ontloopt door je wederom ziek te melden...") Dat is absoluut niet het geval geweest. Ik was vrijdag 29 september zo ziek dat ik bijna de hele dag in bed ben geweest. Wij zijn nu 5 jaar compagnons en hebben altijd in vertrouwen met elkaar gewerkt. Ik snap niet waarom dat nu anders is. Ik ben dezelfde [naam eiseres] .

Ik verzoek je jouw agenda weer voor mij open te stellen, zoals mijn agenda ook voor jou open is, en zoals dat altijd zo geweest is in onze samenwerking. Mocht je dat niet willen doen, kun je me dan alsjeblieft laten weten wat daarvan de reden is?

2.19.

Op 7 oktober 2017 heeft [naam eiseres] nog vier e-mailberichten aan [naam verweerder] verzonden en daarin onder meer het volgende opgemerkt:

Ten aanzien van het beëindigen van contracten het volgende.

Ik ben bereid de eindverantwoordelijkheid voor het opzeggen van de contracten op mij te nemen. Dat betekent ook dat, mocht het zo zijn dat er contracten zijn die niet tijdig worden opgezegd en dientengevolge doorlopen tot voorbij 1/1/2018, ik daarvoor de kosten op mij zal nemen. Tenzij ik ze niet zou hebben kunnen opzeggen omdat jouw medewerking ontbreekt, maar daar ga ik helemaal niet vanuit natuurlijk. In nogal wat gevallen blijken de contracten namelijk op jouw naam te staan en het is denkbaar dat ik dat dan niet zonder jouw medewerking zal kunnen opzeggen.

Ik stel voor dat we middels een document, dat is bijgevoegd, over de opzegging communiceren daar waar nodig.

Ik heb besloten op de Vendelier 11 verder te gaan met een nieuwe VOF i.s.w. met [naam ondernemer] op het gebied van werkmobiliteit.

Dat betekent dat voor sommige contracten, zoals [namen klanten] en de vaste telefoonlijn, het praktisch is als ik die contracten overzet van [naam vof] naar de nieuwe VOF. Deze zullen wij midden oktober inschrijven bij de KvK, met startdatum 1-1-2018. Het

overnemen van sommige van de contracten moet daarop wachten.

en:

Ik stel voor de aangehechte brief naar onze klanten te sturen.

Ik stuur deze in een Word bestand, zodat jij daar wijzigingen die je wil voorstellen in kan maken en de brief weer naar mij retour kan sturen.

Zo kunnen wij dan komen tot een brief om te versturen. Wat mij betreft sturen we die brief dan zo spoedig mogelijk uit, nadat we het eens zijn over een definitieve versie. Dat kan betekenen dat jij de brief naar sommige of alle klanten al volgende week verstuurt tijdens mijn vakantie of dat ik dat doe tijdens jouw vakantie.

In mijn beleving hebben wij afgesproken niet eenzijdig naar klanten te communiceren dat [naam vof] na 2017 stopt totdat we het eens zijn over de vorm en het moment. Jij hebt dat echter wel gedaan, zowel naar [naam klant 3] toe als naar [naam klant 1] .

Ik vind dat je daarmee hebt gehandeld in strijd met onze afspraken. Heb je nog andere klanten op de hoogte gesteld? Zo ja, welke?

Ik zie een versie van de brief met jouw aanvullingen/opmerkingen graag tegemoet.

en:

Ik stel voor een brief naar onze kandidaten te sturen.

Ik zal je deze sturen in een Word bestand, zodat jij daar wijzigingen die je wil voorstellen in kan maken en de brief weer naar mij retour kan sturen.

Zo kunnen wij dan komen tot een brief om te versturen. Wat mij betreft sturen we die brief dan zo spoedig mogelijk uit, nadat we het eens zijn over een definitieve versie. Dan kan betekenen dat jij de brief naar sommige of alle kandidaten al volgende week verstuurt tijdens mijn vakantie of dat ik dat doe tijdens jouw vakantie.

Zullen we de brief opstellen naar alle actieve kandidaten die momenteel deelnemen aan een traject? Of zullen we alle kandidaten die de afgelopen jaren in traject zijn geweest aanschrijven? Let op, 1 kandidaat is overleden (Jan Borgonjen)

en:

Wat is jouw voorstel ten aanzien van de gegevensopslag op de NAS?

Het lijkt mij dat de gegevens van [naam vof] ook juridisch nog een aantal jaar toegankelijk moeten blijven. Er staan bovendien gegevens op die ik nodig zou kunnen hebben zoals er ook gegevens op staan die jij nodig zou kunnen hebben.

Een voorstel: we schaffen van de rekening van [naam vof] , voordat de eindafrekening word gemaakt, apparatuur aan waaronder i.i.g. een NAS, van vergelijkbare kwaliteit als die we hebben. Die is voor jou en daarop kan je de gegevens kopiëren. Wat in Veenendaal staat blijft staan en is dan voor mij.

Is dit een goed idee?

2.20.

Bij e-mailbericht van 24 oktober 2017 heeft [naam verweerder] onder meer het volgende aan [naam eiseres] bericht:

Vanochtend tussen 11.15 en 11:40 uur hebben wij samen op kantoor in Veenendaal overleg gevoerd over de beëindiging van [naam vof] .

Ik heb je aangegeven erg geschrokken te zijn van de aankondigingen de afgelopen periode van jou en van [naam ondernemer] om vanaf

1 januari 2018 samen verder te gaan met de activiteiten van [naam vof] .

Aansluitend heb ik aangegeven hiermee niet akkoord te gaan.

Tevens heb ik aangegeven dat [naam ondernemer] haar geheimhoudings- en concurrentiebeding tot tweemaal toe heeft overtreden en dat ik je verzoek en desnoods sommeer om de boetes die hiervoor gelden bij [naam ondernemer] te incasseren Jij hebt aangegeven hieraan niet mee te zullen werken.

Ten slotte heb ik aangegeven dat [naam ondernemer] als gevolg van haar handelen per direct op non-actief gesteld moet worden en ik verzocht je om hieraan mee te werken.

Jij vroeg mij wat ik zou doen als om jou te dwingen hieraan mee te werken. Ik heb hierop geantwoord dat ik jou dan via de daarvoor geldende regels jou zal dwingen om je verplichtingen na te komen.

In reactie op voorgaande gaf je aan dat je vanaf 1 januari 2018 door zult gaan met de activiteiten die wij nu ook uitvoeren. Je hebt ook aangegeven dat je dat niet alleen gaat doen. Je wenst de beëindiging van [naam vof] netjes uit te voeren.

Ik heb aangegeven dat zoals jij de beëindiging van [naam vof] nu vorm wil geven niet mogelijk is. Bovendien heb ik aangegeven ik er niet mee akkoord ga dat je vanaf 1-1-2018 met [naam ondernemer] gaat samenwerken.

Vervolgens heb ik je mijn brief van 24 oktober ter hand gesteld, die je in eerste instantie niet wenste aan te nemen. Hierop heb ik aangegeven mijn brief ook per mail en aangetekend post aan je te zullen zenden.

Je gaf aan antwoorden te willen hebben op de mails die je eerder gezonden had. Ik heb aangegeven dat wij eerst de wijze waarop [naam vof] zal eindigen met elkaar moeten regelen. Ook heb ik aangegeven dat we dat binnen een week na heden geregeld moeten hebben.

Hierop is het gesprek geëindigd.

2.21.

Bij aangetekende brief van 24 oktober 2017 heeft [naam verweerder] onder meer het volgende aan [naam eiseres] bericht:

Onder verwijzing naar de inhoud van de diverse gesprekken en (email) correspondentie die we onlangs hebben gevoerd met betrekking tot de beëindiging van onze samenwerking (en daarmee de opheffing van [naam vof] ) per 1 januari 2018, bericht ik je als volgt.

Zoals je bekend zijn wij op 19 november 2012 de overeenkomst V.o.f. [naam vof] (hierna: “ [naam vof] ”) aangegaan. In 2017 hebben wij in onderling overleg besloten de V.o.f. per 1 januari 2018 te beëindigen, en dientengevolge [naam vof] op te heffen per die datum. Op 17 september 2017 heb je mij vervolgens telefonisch aangegeven [naam vof] na 1 januari 2018 te willen voortzetten, welk voornemen door jou is bevestigd op 20 en 27 september 2017. Per email d.d. 29 september 2017 heb ik je vervolgens in het kader van artikel 15 jo. artikel 14 [naam vof] (een meer dan redelijk) voorstel gedaan ten aanzien van de voortzetting door jou van [naam vof] per 1 januari 2018. Per email bericht d.d. 30 september 2017 heb je mij daarop meegedeeld dat je niet wenst in te gaan op dat voorstel, en eveneens dat je niet langer de wens zou hebben [naam vof] na 1 januari 2018 voort te zetten. Je liet weten er zelfs de voorkeur aan te geven reeds per 1 november a.s. dan wel per 1 december a.s. tot opheffing van [naam vof] over te gaan.

Op 4 oktober 2017 heb ik voorts van [naam ondernemer] ( [naam ondernemer] ) die wij heden op ZZP-basis voor [naam vof] inzetten, vernomen dat je desondanks voornemens bent [naam vof] na 1 januari 2018, tezamen met [naam ondernemer] , voort te zetten. Per email bericht d.d. 7 oktober 2017 heb je mij voorts meegedeeld dat je voornemens bent om per 1 januari 2018 in samenwerking met [naam ondernemer] een nieuwe V.o.f. te gaan starten, waarbij je tevens voornemens bent om activa van [naam vof] over te nemen, alsook diverse passiva. Je hebt daar ook onmiddellijk opvolging aan willen geven door de klanten van [naam vof] daarvan meteen per brief op de hoogte te stellen. Daar ben ik echter niet mee akkoord gegaan.

Onder verwijzing naar de inhoud van onze overeenkomst d.d. 19 november 2012, alsook naar de inhoud van de overeenkomst tussen [naam vof] en [naam ondernemer] d.d. 28 juni 2016, alsook naar de inhoud van de tussen ons gevoerde correspondentie en gesprekken, deel ik je hierbij mede dat jij [naam vof] (deels) slechts kan voortzetten, indien je daarbij conform de overeenkomst [naam vof] V.o.f. met mij afrekent conform artikel 15 jo.14 [naam vof] . Bovendien is [naam ondernemer] in ieder geval sinds 4 oktober 2017 in overtreding van artikel 2, 4, 6 Geheimhoudingsovereenkomst en concurrentie- en relatiebeding

[naam vof] d.d. 28 juni 2016. [naam ondernemer] heeft immers aantoonbaar:

- aan een toekomstige op te richten nieuwe V.o.f. direct mededeling gedaan over informatie waarvan zij in het kader van de inleenovereenkomst kennis heeft genomen betreffende [naam vof] en die als vertrouwelijk moet worden aangemerkt;

- het voornemen geuit zonder mijn schriftelijke toestemming per 1 januari 2018 door middel van een in samenwerking met jou op te richten nieuwe V.o.f. in enigerlei vorm diensten aan te bieden die [naam vof] aan haar (potentiële) klanten aanbiedt.

De laatste mededeling is aan te merken als een mededeling ex artikel 6:80 BW, waarmee [naam ondernemer] thans tweemaal de Geheimhoudingesovereenkomst en concurrentie- en relatiebeding [naam vof] d.d. 28 juni 2016 heeft overtreden en om die reden ingevolge artikel 8 Geheimhoudingesovereenkomst en concurrentie- en relatiebeding [naam vof] d.d. 28 juni 2016 een bedrag ad € 30.000,- verschuldigd is, te vermeerderen met een bedrag ad € 500,- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, tot op heden is dat ten aanzien van de eerste overtreding (van 4 oktober tot en met 24 oktober 2017) een bedrag van in totaal 20 x € 500,- =€ 10.000,-. De totale boete bedraagt heden aldus € 40.000.-.

Ik verzoek jou hierbij dan ook, en voor zover vereist sommeer ik jou daartoe om mij uiterlijk binnen 7 dagen na dagtekening van deze brief schriftelijk te bevestigen:

(1) dat jij per 1 januari 2018 geen nieuwe V.o.f. zal oprichten zonder met mij een afrekening te maken conform artikel 15 jo. 14 Overeenkomst V.o.f. [naam vof] :

(2) dat jij je medewerking verleent aan het met onmiddellijke ingang op non actief stellen van [naam ondernemer] ;

(3) dat jij je medewerking verleent om voornoemd totaalbedrag aan verbeurde boetes (ad in totaal € 40.000,- netto) met onmiddellijke ingang te verrekenen met de aan [naam ondernemer] verschuldigde fees, en voor het overige op haar te verhalen;

(4) dat jij, voor dat gedeelte van de verbeurde boetes die niet bij [naam ondernemer] geïncasseerd kunnen worden vanwege het feit het aan jou te verwijten zou zijn dat de boetes ten aanzien van [naam ondernemer] verbeurd zijn geraakt, dat gedeelte van de niet verbeurde boetes aan mij zal vergoeden;

(5) dat jij je zal onthouden van iedere samenwerking met [naam ondernemer] zowel tijdens [naam vof] als binnen 1 jaar na afloop ervan, zoals geformuleerd in de tussen [naam vof] en [naam ondernemer] gesloten Geheimhoudingsovereenkomst en concurrentie-

en relatiebeding [naam vof] d.d. 28 juni 2016.

Indien je niet (tijdig) geheel of gedeeltelijk aan deze sommatie voldoet dan stel ik je hierbij reeds voor alsdan aansprakelijk voor alle schade die ik dientengevolge lijdt en nog zal lijden. Voorts dien je er in dat geval rekening mee te houden dat ik mogelijk een kort geding zal starten om te voorkomen dat ik (nog meer) schade zal lijden als gevolg van de handelwijze van jou en [naam ondernemer] . Vooralsnog ga ik er van uit dat dit niet nodig moet zijn.

Dit schrijven is per aangetekende post alsmede per mail aan je verzonden. Tevens is dit schrijven op 24 oktober persoonlijk aan je ter hand gesteld.

2.22.

[naam verweerder] heeft vervolgens [naam ondernemer] per direct de toegang ontzegd tot de (computer)systemen van [naam vof] . Ook heeft [naam verweerder] [naam eiseres] op 25 oktober 2017 aansprakelijk gesteld voor alle schade die hij lijdt en nog zal lijden als gevolg van het laten verrichten van werkzaamheden voor [naam vof] door [naam ondernemer] .

2.23.

Bij brief van 25 oktober 2017 heeft de advocaat van [naam eiseres] onder meer het volgende aan [naam verweerder] bericht:

Cliënte wenst op dit moment tot liquidatie van de onderneming over te gaan zulks met inachtneming van de gemaakte afspraken in artikel 14 van de overeenkomst van 19 november 2012. Zij heeft in dat kader u op 5, 6 en 7 oktober 2017 diverse e-mailberichten gestuurd op welke e-mailberichten u niet dan wel afwijzend heeft gereageerd.

Om de beëindiging van de samenwerking zowel intern als extern op correcte wijze te regelen, stelt cliënte voor op korte termijn met elkaar in overleg te treden en daarbij tevens te betrekken uw gezamenlijke accountant, mevrouw [naam accountant] , alsook uw eventuele juridische adviseur. In het kader van het overleg kan dan door mevrouw [naam accountant] een liquidatiebegroting worden opgesteld.

Tot slot merkt cliënte op dat op basis van de overeenkomst van 19 november 2012 de vennoten over en weer zich dienen te onthouden van het doen van negatieve uitlatingen over elkaar alsook elkaars werkzaamheden en ook dienen zij geen handelingen te verrichten waartegen de ander zich uitdrukkelijk verzet. In strijd met deze verplichtingen ex de artikelen 2 en 7 van de overeenkomst heeft u in de eerste plaats op 2 oktober 2017 een e-mail toegezonden naar mevrouw [naam medewerker] van [namen klanten] . Zolang tussen u en cliënte geen overeenstemming is bereikt over de liquidatie van de onderneming en de wijze van berichtgeving daaromtrent richting derden, dienen u en cliënte zich te onthouden van het doen van (negatieve) mededelingen tegenover derden. Cliënte gaat er dan ook vanuit dat dergelijke berichtgeving zich niet meer zullen voordoen.

In de tweede plaats verzet cliënte zich uitdrukkelijk tegen de door u reeds genomen alsook voorgenomen maatregelen richting mevrouw [naam ondernemer] , bestaande uit het uiten van verwijten over schending van contractuele afspraken, haar op non-actief te zetten, haar internet- en e-mailtoegang blokkeren alsook het aanvangen van rechtsmaatregelen. De thans door u reeds getroffen maatregelen dienen dan ook te worden opgeheven nu de onderneming als gevolg daarvan schade leidt. De inzet van mevrouw [naam ondernemer] komt immers ten goede aan de onderneming.

Cliënte verneemt graag uiterlijk aanstaande vrijdag 27 oktober 2017 of u de interne en externe gevolgen van de liquidatie van de onderneming in onderling overleg wenst te regelen respectievelijk of u uw (voorgenomen) maatregelen richting mevrouw [naam ondernemer] opheft. Uitgaande van een positieve reactie kan aansluitend een concrete datum en tijdstip voor een bespreking (samen met mevrouw [naam accountant] , uw eventuele juridische adviseur en ondergetekende) worden afgesproken. Een eventuele gerechtelijke traject - bestaande uit een of meerdere procedures - zal namelijk aanzienlijke kosten met zich meebrengen en verdergaande schade toebrengen aan de onderneming alsook de toekomstige ondernemingen van u en cliënte.

2.24.

[naam verweerder] heeft niet op voornoemde brief gereageerd. Wel heeft hij in de periode van 24 oktober tot en met 1 november 2017 met [naam eiseres] gecorrespondeerd over – kort gezegd – een map met contracten van de vennootschap (waaronder al dan niet ook de met [naam ondernemer] gesloten freelanceovereenkomsten), het begeleidingstraject van [naam ondernemer] , de wijze van betaling van facturen van [naam vof] en declaraties van partijen en de betaling van de openstaande facturen van [naam ondernemer] .

2.25.

Bij brief van 1 november 2017 heeft de advocaat van [naam verweerder] onder meer het volgende aan [naam eiseres] bericht:

Uit de inhoud van het door cliënt aan mij ter beschikking gesteld dossier blijkt geenszins van een opzegging van de V.o.f. [naam vof] door cliënt.

Uit de inhoud van mijn dossier blijkt hetgeen cliënt in zijn brief d.d. 24 oktober jl. aan u heeft beschreven.

Cliënt heeft geconstateerd dat u niet aan de sommatie uit zijn brief d.d. 24 oktober 2017 heeft voldaan. Sterker nog, inmiddels is hem gebleken dat mevrouw [naam ondernemer] reeds op 25 september 2017 en op 18 oktober 2017 met medewerking van u onder eigen naam diensten aangeboden heeft aan cliëntèle van [naam vof] V.o.f., zonder medeweten, laat staan toestemming, van cliënt. Dat betekent niet alleen dat ten aanzien van mevrouw [naam ondernemer] ter zake andermaal een boete verbeurd is geraakt van € 30.000,-, maar ook dat u reeds vanaf 25 september 2017 respectievelijk 18 oktober 2017 heeft gehandeld in strijd met de overeenkomst [naam vof] V.o.f, d.d. 19 november 2012. Ten aanzien van cliënt bent u dan ook reeds vanaf 25 september 2017, resp. 18 oktober 2017 en in ieder geval vanaf 30 oktober 2017 in verzuim, met alle gevolgen van dien.

Namens cliënt stel ik u hierbij dan ook aansprakelijk voor de schade die cliënt lijdt en nog zal lijden als gevolg van het feit dat u ten opzichte van hem handelt in strijd met de inhoud van de overeenkomst [naam vof] V.o.f. d.d. 19 november 2012. Voorts houdt cliënt u hierbij aansprakelijk voor de schade die hij lijdt en nog zal lijden als gevolg van het feit dat u (actief) medewerking verleent aan het overtreden door mevrouw [naam ondernemer] van de tussen V.o.f. [naam vof] en mevrouw [naam ondernemer] gesloten Geheimhoudingsovereenkomst en concurrentie- en relatiebeding [naam vof] d.d, 28 juni 2016.

Om zijn schade zo veel als mogelijk te beperken zal cliënt namens V.o.f. [naam vof] per omgaande overgaan tot de op non actiefstelling van mevrouw [naam ondernemer] , alsook tot het incasseren van de inmiddels door mevrouw [naam ondernemer] verbeurde boetes ad in totaal € 74.000,-. Client zal iedere betaling die V.o.f [naam vof] verschuldigd is aan mevrouw [naam ondernemer] verrekenen met de openstaande boetes. Uit de inhoud van de brief van uw advocaat blijkt ook geenszins dat u de verschuldigdheid van genoemde boetes door mevrouw [naam ondernemer] aan V.o.f. [naam vof] betwist.

Cliënt zal dan ook in kort geding een verbod vorderen iedere samenwerking tussen u en mevrouw [naam ondernemer] , zowel gedurende de overeenkomst [naam vof] V.o.f. d.d. 19 november 2012, als binnen 1 jaar na afloop ervan (datum afloop is 1 januari 2018), zoals geformuleerd in de tussen Vof [naam vof] en mevrouw [naam ondernemer] gesloten Geheimhoudingsovereenkomst

en concurrentie- en relatiebeding [naam vof] d.d. 28 juni 2016.

2.26.

Eveneens op 1 november 2017 heeft [naam verweerder] [naam eiseres] per e-mail bericht dat hij [naam ondernemer] namens [naam vof] per direct op non-actief heeft gesteld. Ook heeft hij [naam eiseres] verzocht om samen de caseload van [naam ondernemer] te herverdelen tussen beiden.

2.27.

Daarop heeft [naam eiseres] bij e-mailbericht van 1 november 2017 gereageerd met de mededeling dat zij dit onderwerp met [naam verweerder] wil bespreken in het kader van de algehele afwikkeling van de samenwerking, zoals voorgesteld bij brief van 25 oktober 2017 van haar advocaat. Verder heeft zij aangegeven niet akkoord te zijn met de eenzijdig genomen beslissing van [naam verweerder] om [naam ondernemer] op non-actief te stellen. Daarop heeft [naam verweerder] [naam eiseres] aansprakelijk gesteld voor alle additionele schade als gevolg van de weigering om zo snel mogelijk de caseload van [naam ondernemer] te herverdelen.

2.28.

Bij brief van 1 november 2017 heeft [naam verweerder] onder meer het volgende aan [naam ondernemer] bericht:

Zoals je bekend hebben mijn compagnon [naam eiseres] en ik in onderling overleg besloten de V.o.f. [naam vof] ingaande 1 januari 2018 te beëindigen, en dientengevolge V.o.f. [naam vof] op te heffen per die datum. Op 4 oktober 2017 heb ik van jou vernomen dat je voornemens bent de onderneming van V.o.f. [naam vof] na 1 januari 2018, tezamen met [naam eiseres] , voort te zetten in een nog op te richten nieuwe V.o.f. Daar ben ik uitdrukkelijk niet mee akkoord gegaan.

Sinds 4 oktober 2017 ben je in overtreding van artikel 2, 4, 6 Geheimhoudingsovereenkomst en concurrentie- en relatiebeding [naam vof] d.d. 28 juni 2016 nu jij aantoonbaar:

• aan een toekomstige op te richten nieuwe V.o.f. direct mededeling hebt gedaan over informatie waarvan jij in het kader van de inleenovereenkomst kennis hebt genomen betreffende V.o.f. [naam vof] , en die als vertrouwelijk moet worden aangemerkt;

• het voornemen hebt geuit zonder mijn schriftelijke toestemming per 1 januari 2018 door middel van een - in samenwerking met [naam eiseres] - op te richten nieuwe V.o.f., in enigerlei vorm diensten aan te bieden die V.o.f. [naam vof] thans aan haar (potentiële) klanten aanbiedt en/of heeft aangeboden.

De laatste mededeling is aan te merken als een mededeling ex artikel 6:80 BW, waarmee jij tweemaal de Geheimhoudingsovereenkomst en concurrentie- en relatiebeding [naam vof] d.d. 28 juni 2016 hebt overtreden, en om die reden ingevolge artikel 8 Geheimhoudingsovereenkomst en concurrentie- en relatiebeding [naam vof] d.d. 28 juni 2016 een bedrag ad € 30.000,- aan V.o.f. [naam vof] verschuldigd bent, te vermeerderen met een bedrag ad € 500,- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, tot op heden is dat ten aanzien van de eerste overtreding (van 4 oktober tot en met 1 november 2017) een bedrag van in totaal 28 x € 500,- = € 14.000,-.

Daarnaast heb ik inmiddels geconstateerd dat jij op 29 september 2017 en 18 oktober 2017 met medewerking van [naam eiseres] onder eigen naam diensten hebt aangeboden aan clientèle van [naam vof] V.o.f., zonder medeweten, laat staan toestemming, van mij. Dat betekent dat andermaal een boete verbeurd is geraakt van (2 x € 15.000,-) = € 30.000,-

De totale boete bedraagt tot en met heden aldus € 74.000.-.

Namens V.o.f. [naam vof] deel ik jou hierbij dan ook mede dat jij met onmiddellijk ingang op non actief bent gesteld, tot aan de datum dat de overeenkomst tussen jou en V.o.f. [naam vof] rechtsgeldig zal zijn geëindigd, zijnde 1 januari 2018.

Voorts deel ik je hierbij mede dat V.o.f. [naam vof] ten aanzien van enige aan jou verschuldigde betaling hierbij een beroep op verrekening doet met de door jou (hiervoor genoemde) aan V.o.f, [naam vof] verschuldigde boetes.

Voorts verzoekt ik jou hierbij, en voor zover vereist sommeer ik jou daartoe, om uiterlijk binnen 7 dagen na dagtekening van deze brief:

1. een bedrag ad € 69.199,95 te voldoen aan V.o.f. [naam vof] ter zake restant verbeurde boetes uit hoofde van de tussen V.o.f. [naam vof] en jou gesloten Geheimhoudingsovereenkomst en concurrentie- en relatiebeding [naam vof] d.d. 28 juni 2016;

2. schriftelijk te bevestigen dat jij je zal onthouden van iedere samenwerking met [naam eiseres] zowel gedurende het bestaan van V.o.f. [naam vof] als binnen 1 jaar na afloop ervan (zijnde 1 januari 2918), zoals geformuleerd in de tussen V.o.f. [naam vof] en [naam ondernemer] gesloten Geheimhoudingsovereenkomst en concurrentie- en relatiebeding [naam vof] d.d.

28 juni 2016.

Indien je niet (tijdig) geheel of gedeeltelijk aan deze sommatie voldoet dan stel ik je hierbij reeds nu voor alsdan aansprakelijk voor alle schade die V.o.f. [naam vof] dientengevolge lijdt en nog zal lijden. Voorts dien je er in dat geval rekening mee te houden dat ik een kort geding zal starten om te voorkomen dat V.o.f. [naam vof] (nog meer) schade zal lijden als gevolg van de handelwijze van jou en [naam eiseres] .

2.29.

Bij e-mailbericht van 3 november 2017 aan [naam verweerder] met een cc aan [naam eiseres] heeft de advocaat van [naam ondernemer] , mr. R.D. Rischen, de gepretendeerde vordering van [naam verweerder] weerlegd en aanspraak gemaakt op betaling van de op dat moment openstaande facturen van [naam ondernemer] voor een totaalbedrag van € 4.800,05.

2.30.

Omdat [naam verweerder] weigerde de facturen van [naam ondernemer] te voldoen, heeft [naam eiseres] op 7 november 2017 vanuit de zakelijke rekening van [naam vof] de op dat moment openstaande facturen van [naam ondernemer] voldaan.

2.31.

Daarop heeft [naam verweerder] zonder medeweten en toestemming van [naam eiseres] het positieve saldo van de zakelijke rekening van [naam vof] voor een bedrag van op dat moment € 30.373,00 overgemaakt naar zijn privérekening. Ook heeft [naam verweerder] klanten van [naam vof] aangeschreven met het verzoek de openstaande facturen te voldoen op zijn privérekening. Twee klanten van [naam vof] hebben vervolgens op 10 november 2017 (Supergarant B.V.) en op 1 december 2017 (IW4) een totaalbedrag van € 3.009,88 overgemaakt op de privérekening van [naam verweerder] .

2.32.

Bij emailbericht van 8 november 2017 heeft [naam verweerder] onder meer het volgende aan [naam eiseres] bericht:

Op 7 november om 12:33 uur heb je zonder mijn toestemming en zonder mij te informeren eenzijdig de facturen aan [naam ondernemer] ter hoogte van € 3.394,00 en € 1.406,00 (totaal € 4.800,00) aan haar overgemaakt via onze bedrijfsrekening. En dat ten eerste terwijl ik degene ben die sinds de oprichting van V.o.f. [naam vof] alle betalingen verricht en ik je voorts in een eerder stadium schriftelijk expliciet heb meegedeeld niet akkoord te gaan met het betalen van de 2 facturen aan [naam ondernemer] , vanwege het feit dat door [naam ondernemer] ten aanzien van V.o.f. [naam vof] tenminste een aantal boetes van ruim € 70.000,- zijn verbeurd, wegens het meermaals overtreden van het Geheimhoudings- en concurrentiebeding tussen haar en [naam vof] .

Je hebt met de betaling van deze facturen aantoonbaar in strijd met de overeenkomst V.o.f. [naam vof] gehandeld althans ten opzichte van V.o.f. [naam vof] en mij onrechtmatig gehandeld. Ik stel je hierbij dan ook aansprakelijk voor de schade die V.o.f. [naam vof] en ik dientengevolge lijden en nog zullen lijden. Voorts sommeer ik je hierbij per omgaande om er binnen 3 dagen na heden voor zorg te dragen dat voornoemde betalingen aan [naam ondernemer] worden teruggedraaid, bij gebreke waarvan ik de verplichtingen van V.o.f. [naam vof] en mij ten opzichte van jou opschort, totdat de betalingen aan [naam ondernemer] ongedaan zijn gemaakt.

Met het eenzijdig en zonder mijn toestemming betalen van deze facturen aan [naam ondernemer] ben je een grens overgegaan.

Helaas ben ik alle vertrouwen in jou met betrekking tot onze bedrijfsrekening daardoor verloren. Ter voorkoming van verdere door V.o.f. [naam vof] en mij te lijden financiële schade heb ik het positieve saldo van de bedrijfsrekening ter hoogte van

€ 30.373,00 daarom veiliggesteld.

2.33.

Op of omstreeks 9 november 2017 heeft [naam verweerder] nog een bedrag van € 4.114,00 van de bedrijfsrekening naar zijn privérekening overgeboekt.

2.34.

Bij aangetekend schrijven van 13 november 2017 heeft de advocaat van [naam eiseres] onder meer het volgende aan [naam verweerder] bericht:

Cliënte stelt vast dat sinds haar e-mail van 30 september 2017 - bij welke e-mail uw voorstel tot voortzetting van [naam vof] door cliënte per 1 oktober 2017 niet werd aanvaard - verdere samenwerking als gevolg van uw handelwijze onmogelijk is geworden alsook dat u bij herhaling in strijd heeft gehandeld met diverse bepalingen in het vennootschapscontract van 19 november 2012. In dat kader heeft u in strijd met de vereiste toestemming van cliënte:

- maatregelen genomen richting mevrouw [naam ondernemer] , bestaande feitelijk uit het uitsluiten van haar binnen de vennootschap en het haar beletten van de uitvoering van haar werkzaamheden voor de vennootschap (schending artikel 6 lid 2 sub c);

- diverse klanten en kandidaten van de vennootschap benaderd welke klanten en kandidaten door cliënte respectievelijk mevrouw [naam ondernemer] werden bediend en daarbij tevens onjuiste uitlatingen gedaan (artikel 7);

- op 8 en 9 november 2017 een totaalbedrag van € 34.487,00 overgeboekt van de zakelijke rekening van de vennootschap naar uw privérekening (artikel 6 lid 2 sub j alsook artikel 11 lid 1);

- klanten van de vennootschap aangeschreven met het verzoek verdere betalingen te verrichten op uw privérekening in plaats van op de zakelijke rekening van de vennootschap.

Als gevolg van voornoemde toerekenbare tekortkomingen roept cliënte door middel van deze brief/e-mail haar recht op onmiddellijke ontbinding van de vennootschap in. Zij verwijst daarbij naar het bepaalde in artikel 13 sub d van het vennootschapscontract.

Als gevolg van de ontbinding dient per direct tot liquidatie van (het vermogen van) de vennootschap moeten worden overgegaan. In dat kader sommeert cliënte u uiterlijk 17 november 2017 de navolgende acties te verrichten:

- mevrouw [naam accountant] toegang te verstrekken tot het computer- en boekhoudsysteem van de vennootschap zodat zij de administratie van de vennootschap vanaf 1 januari 2016 in orde kan maken;

- het verlenen van medewerking aan het opstellen van een liquiditeitsbalans door mevrouw [naam accountant] ;

- het restitueren van het totaalbedrag van € 34.487,00 op de bankrekening van de vennootschap en het zich onthouden van het doen van verdere onttrekkingen, behoudens wederzijdse instemming met cliënte, zulks in afwachting van de uitkomst

van de liquidatie;

- de door u inmiddels aangeschreven klanten van de vennootschap te berichten dat de thans openstaande facturen alsnog dienen te worden voldaan op de bankrekening van de vennootschap in plaats van uw privérekening .

2.35.

[naam verweerder] heeft hierop niet gereageerd. Evenmin heeft hij gevolg gegeven aan de sommatie. Daarop heeft [naam eiseres] diverse partijen, waaronder Rabobank als verhuurder van het kantoorpand en klanten van [naam vof] , van de ontbinding van de vennootschap op de hoogte gesteld.

2.36.

Op 28 november 2017 heeft [naam verweerder] zichzelf zonder toestemming van [naam eiseres] een fee toegekend van € 5.000,00.

2.37.

Begin januari 2018 heeft [naam verweerder] de toegang van [naam eiseres] tot haar

e-mailaccount alsook haar agenda van [naam vof] geblokkeerd door haar wachtwoord te wijzigen. Ook de toegang tot het zakelijk account van [naam vof] bij Microsoft van de systeembeheerder [naam bedrijf] . is door [naam verweerder] geblokkeerd.

2.38.

Bij e-mailbericht van 13 januari 2018 heeft [naam eiseres] [naam verweerder] gesommeerd om haar weer onmiddellijk toegang te geven tot haar e-mailaccount en agenda. [naam verweerder] heeft dit niet gedaan.

2.39.

Partijen hebben daarna nog veelvuldig met elkaar gecorrespondeerd. Ook is [naam verweerder] nog verschillende malen door [naam eiseres] in de gelegenheid gesteld de gevolgen van de beëindiging van de samenwerking en de onmiddellijke ontbinding van de vennootschap in onderling overleg te regelen. Tot een oplossing heeft dat niet geleid.

2.40.

Op 7 maart 2018 heeft [naam verweerder] onder meer het volgende per e-mail aan [naam eiseres] bericht:

De Belastingdienst heeft mij desgevraagd bevestigd dat je op 6-3-2018 rond 16:45 uur het vestigingsadres van VOF [naam vof] gewijzigd hebt naar je privéadres aan (…) te Arnhem.

Ook heb je een nieuwe gebruikersnaam en wachtwoord voor het beveiligde gedeelde van de internetsite van de Belastingdienst voor de VOF [naam vof] aangevraagd. Zie onder.

Je hebt eenzijdig en zonder mijn toestemming het adres van de VOF naar je privéadres laten overzetten. Ook heb je eenzijdig en zonder mijn toestemming het huidige wachtwoord geblokkeerd en een nieuw wachtwoord voor het beveiligde deel van de internetsite van de Belastingdienst aangevraagd.

Je eenzijdig handelen is des te opmerkelijker, omdat ik sinds 2012 bij [naam vof] degen ben die alle digitale aangiftes bij de belastingdienst verzorg.

Ik ga niet akkoord met de adreswijziging van VOF [naam vof] naar je privéadres in Arnhem. Ook ga ik niet akkoord met het door jou eenzijdig wijzigen van het wachtwoord.

Ik sommeer je om de wijzigingen bij de Belastingdienst per direct ongedaan te maken.

2.41.

Daarop heeft [naam eiseres] bij e-mailbericht van 11 maart 2018 onder meer als volgt gereageerd:

Aangezien noch jij, noch ik, verdere stappen kunnen zetten totdat wij eens zijn geworden hoe wij gaan liquideren, zie ik niet in waarvoor jij de inloggegevens van de belastingdienst nodig hebt, en ook niet de map met administratie. Daarom zal ik die allemaal goed in bewaring houden.

Jij hebt zonder mijn toestemming aangifte omzetbelasting 4e kwartaal 2017 gedaan terwijl ik je heb gevraagd daarvoor uitstel te vragen wegens ons juridische conflict. Dat jij in het verleden de administratieve handelingen voor [naam vof] verrichtte is van geen enkel belang. Wij waren toen vennoten en hadden dat zo afgesproken, maar zijn nu in conflict. Wij kunnen niet verder tenzij wij het eens worden hoe. Het ziet er naar uit dat dit in een rechterlijk vonnis zal worden vastgelegd, tenzij jij bereid bent met mijn advocaat en mijzelf en [naam accountant] om tafel te gaan om tot een oplossing te komen. Dat is je ettelijke malen gevraagd en daaraan heb je geen gehoor gegeven.

Wanneer je een correct voorstel tot liquidatie voorlegt zal ik die in overweging nemen. Deze dient uit te gaan van liquidatie per 13 november 2017, eerlijke verdeling van het tegoed van [naam vof] in twee gelijke delen na betaling van verschuldigde bedragen aan derden en ontvangst van bedragen die derden aan [naam vof] verschuldigd zijn. Ik verzoek je met klem mij een nieuw overzicht van de geldstromen van [naam vof] vanaf het moment waarop jij de tegoeden naar een rekening op jouw naam overmaakte te sturen en het tegoed van [naam vof] naar de rekening van [naam vof] terug te storten. Ik heb sinds 3 december geen overzicht meer van jou ontvangen. Betalingen van fees aan de vennoten, zijnde jou en mij, moeten gelijk zijn. In een eerder overzicht had jij jezelf een fee van € 5.000 betaald voor de maand november en mij niet. Gelieve dit bedrag terug over te maken naar het saldo van [naam vof] , dan wel mij ook deze fee uit te keren z.s.m.

2.42.

Bij e-mailbericht van 14 maart 2018 heeft [naam verweerder] onder meer het volgende aan [naam eiseres] bericht:

De aangifte voor Q4 2017 omzetbelasting is gebaseerd op de mij bekende omzet en inkoopcijfers van [naam vof] over het vierde kwartaal. Wegens jouw weigering om mij de financiële administratie/gegevens over Q4 2017 van [naam vof] ter

beschikking te stellen, is de aangifte een zo goed mogelijke inschatting van de af te dragen BTW. Bij nacalculatie kan er een suppletie btw-aangifte gedaan worden zoals te doen gebruikelijk.

Jouw suggestie om geen btw-aangifte over Q4 2017 te doen is door de Belastingdienst niet toegestaan en zou leiden tot additionele financiële schade voor VOF [naam vof] . Ik verwijs je hiervoor ook naar je eigen eerdere correspondentie

hierover.

Ik ben op zich altijd bereid om aan tafel te gaan, maar wij laten ons nu beiden bijstaan door advocaten. Ik stel dan ook voor om jouw advocaat zich met een redelijk voorstel voor een mogelijke oplossing te laten wenden tot mijn advocaat.

2.43.

[naam eiseres] heeft bij e-mailbericht van 18 maart 2018 onder meer het volgende aan [naam verweerder] bericht:

In onderstaande e-mail geef jij aan bereid te zijn om aan tafel te gaan, en stel jij voor dat mijn advocaat zich met een redelijk voorstel voor een mogelijke oplossing wendt tot jouw advocaat. Wij staan open voor overleg zoals vanaf het begin door

ons is aangegeven.

Nu jij een verweer en tegeneis hebt ingediend bij de rechtbank, vinden wij het eerst noodzakelijk daarop een reactie te geven naar de rechtbank. Nadat deze reactie op jouw verweer en tegeneis is ingediend begin april, zullen wij een voorstel doen via

jouw advocaat om naar aanleiding daarvan om tafel te gaan.

2.44.

Na daartoe op 23 maart 2018 verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft [naam eiseres] op 26 maart 2018 ten laste van [naam verweerder] conservatoir derdenbeslag laten leggen onder Rabobank en een opdrachtgever van [naam verweerder] , te weten Keerpunt B.V., alsmede conservatoir beslag op een personenauto (Audi A4) van [naam verweerder] .

2.45.

Na daartoe op 2 mei 2018 verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft [naam eiseres] op 14 mei 2018 ten laste van [naam verweerder] conservatoir derdenbeslag laten leggen onder een andere opdrachtgever van [naam verweerder] , te weten [naam klant 1] Netwerk B.V.

3 Het geschil

de vordering

3.1.

[naam eiseres] vordert na wijzing van eis dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

1. voor recht verklaart dat de vennootschap per 13 november 2017 rechtsgeldig is

ontbonden,

2. [naam verweerder] veroordeelt om binnen zeven dagen na dit vonnis zijn volledige medewerking

te verlenen aan het opstellen van de jaarrekening 2016 alsook een liquidatiebalans c.q.

-jaarrekening per de peildatum van 13 november 2017 door de accountant van de

vennootschap mevrouw [naam accountant] , op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per

dag voor iedere dag dat [naam verweerder] geheel of gedeeltelijk in gebreke is of blijft aan deze

verplichting of veroordeling te voldoen,

3. bepaalt dat de kosten voor het opstellen van de jaarrekening 2016, alsook de

liquidatiebalans c.q. -jaarrekening voor rekening komen van de vennootschap en bij

onvoldoende vermogen voor rekening van partijen zelf, ieder voor de helft,

4. bepaalt dat partijen overeenkomstig de nader op te stellen liquidatiebalans c.q.

-jaarrekening binnen 14 dagen na totstandkoming tot financiële afwikkeling dienen over

te gaan,

5. de wijze van verdeling gelast ex artikel 3:185 BW met inachtneming van de standpunten

van [naam eiseres] zoals uiteengezet in de namens [naam eiseres] ingediende

processtukken,

6. [naam verweerder] veroordeelt aan de vennootschap te restitueren een bedrag van € 37.244,51 uit

hoofde van de overgeboekte gelden van 8, 9 en 10 november 2017, alsook 1 december

2017, te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente ex artikel 6:119 BW over

voornoemd bedrag vanaf 18 november 2017 tot aan de dag van voldoening,

7. [naam verweerder] veroordeelt om binnen 14 dagen na dit vonnis (a) te overleggen zijn

rekeningafschriften respectievelijk de bij- en afschrijvingen op zijn privérekening met

nummer [rekeningnummer 2] vanaf 7 november 2017 ter vaststelling van de

ontvangst van en de omvang van de aan de vennootschap toekomende gelden afkomstig

van klanten zoals vermeld in productie 41 bij procesinleiding en (b) op de zakelijke

rekening van de vennootschap met nummer [rekeningnummer 3] te storten

alle aan de vennootschap toekomende gelden zoals die kunnen worden vastgesteld aan de

hand van de hiervoor genoemde rekeningafschriften, op straffe van een dwangsom van

€ 1.000,00 per dag voor iedere dag dat [naam verweerder] geheel of gedeeltelijk in gebreke is of

blijft aan deze verplichtingen of veroordelingen (ieder afzonderlijk) te voldoen,

8. [naam verweerder] veroordeelt om binnen 14 dagen na dit vonnis [naam eiseres] , alsook de

systeembeheerder van de vennootschap, te weten [naam bedrijf] . te Nootdorp, onbeperkte

toegang te verlenen en te blijven verlenen tot het zakelijke (internet)account van de

vennootschap, en wel op een zodanige wijze dat alle opgeslagen informatie vanaf

1 januari 2015 ten aanzien van de vennootschap in het algemeen, ten aanzien van Van der

Vlag en ten aanzien van [naam ondernemer] toegankelijk wordt, op straffe van een dwangsom van

€ 1.000,00 per dag voor iedere dag dat [naam verweerder] geheel of gedeeltelijk in gebreke is of

blijft aan deze verplichtingen of veroordelingen (ieder afzonderlijk) te voldoen,

9. [naam verweerder] veroordeelt in de kosten van deze procedure, alsook de kosten van de gelegde

conservatoire beslagen, primair zijnde een integrale proceskostenveroordeling en

subsidiair conform het liquidatietarief, en bepaalt dat [naam verweerder] de wettelijke rente over

de proceskosten verschuldigd zal zijn als hij niet binnen 14 dagen na dit vonnis heeft

betaald,

10. [naam verweerder] veroordeelt in de nakosten voor een bedrag van € 131,00 zonder betekening

en voor een bedrag van € 199,00 met betekening en bepaalt dat [naam verweerder] de wettelijke

rente over de nakosten verschuldigd zal zijn als hij niet binnen 14 dagen na dit vonnis

heeft betaald.

3.2.

[naam verweerder] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

de tegenvordering

3.4.

[naam verweerder] vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [naam eiseres] veroordeelt:

1. aan [naam verweerder] te voldoen een bedrag van € 100.000,00 ter zake door [naam eiseres] ten

opzichte van [naam verweerder] verbeurde boetes ex artikel 16 lid 3 juncto artikel 16 lid 1 van de

overeenkomst,

2. ingevolge artikel 6 lid 2 sub i van de overeenkomst medewerking te verlenen aan het

starten en het voeren van een gerechtelijke procedure tegen mevrouw M.L. [naam ondernemer] door

[naam vof] , ter zake de incasso van door [naam ondernemer] ten opzichte van [naam vof]

verbeurde boetes ingevolge de overtreding van de geheimhoudingsovereenkomst en

concurrentie- en relatiebeding [naam vof] d.d. 28 juni 2016, door middel van het

verlenen van een schriftelijke volmacht aan [naam verweerder] ter zake, uiterlijk binnen twee

dagen na dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag voor iedere dag

dat [naam eiseres] in verzuim is met de aan haar bij vonnis opgelegde medewerking,

3. in de kosten van deze procedure.

3.5.

[naam eiseres] voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

van de vordering

4.1.

In de kern genomen gaat het in deze zaak om de liquidatie van de vennootschap onder firma [naam vof] . In dat verband zijn er tussen de twee vennoten, [naam eiseres] en [naam verweerder] , allerlei geschilpunten ontstaan.

4.2.

Een van die geschilpunten betreft de vraag of [naam eiseres] [naam vof] heeft overgenomen nadat [naam verweerder] had aangegeven te stoppen met [naam vof] (zie 2.7). De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Op 17 maart 2017 heeft [naam verweerder] mondeling te kennen gegeven dat hij tegen het einde van het boekjaar 2017 met [naam vof] wil stoppen. Dit heeft hij op 23 maart 2017 bij aangetekend schrijven aan [naam eiseres] bevestigd. Op grond van artikel 13 aanhef en sub b van de overeenkomst (zie 2.4) eindigt de vennootschap door opzegging door een van de vennoten. Indien de vennootschap door opzegging eindigt, bestaat ingevolge artikel 15 lid 1 sub a van de overeenkomst voor de niet-opzeggende vennoot een recht tot voortzetting van het bedrijf van de vennootschap. Deze niet-opzeggende vennoot dient op straffe van verval van het recht zijn verlangen daartoe binnen drie maanden na het eindigen van de vennootschap schriftelijk te kennen te geven aan de andere vennoot (artikel 15 lid 2).

4.3.

De rechtbank stelt vast dat het dossier geen aanknopingspunten bevat dat [naam eiseres] op enig moment aan [naam verweerder] schriftelijk heeft kenbaar gemaakt dat zij [naam vof] wilde voortzetten. De transcriptie van de opname van een bespreking tussen [naam verweerder] en [naam eiseres] op 20 september 2017 (productie 11 van [naam verweerder] ), in welke bespreking [naam eiseres] heeft aangegeven [naam vof] toch te willen voortzetten, kan niet als zo’n aanknopingspunt worden beschouwd. Het betreft hier immers geen schriftelijk stuk van [naam eiseres] en bovendien heeft zij onweersproken gesteld dat dit een van de voorstellen was die tijdens genoemde bespreking aan de orde zijn gekomen in het kader van de voortzetting dan wel liquidatie van de vennootschap en dat zij niet tot enige wilsovereenstemming zijn gekomen.

4.4.

Er zijn daarentegen verschillende duidelijke aanwijzingen die erop wijzen dat [naam eiseres] [naam vof] niet wilde voortzetten. Zo heeft [naam verweerder] bij e-mailberichten van 11 april en 15 mei 2017 [naam eiseres] verzocht schriftelijk te bevestigen dat zij de vennootschap na 1 januari 2018 niet zal voortzetten. Aan dit verzoek heeft [naam eiseres] bij e-mailberichten van 11 april en 6 juni 2017 gehoor gegeven (zie 2.8). Later, op 30 september 2017, heeft [naam eiseres] aan [naam verweerder] geschreven dat ze niet langer de wens heeft om onder de naam [naam vof] door te gaan c.q. [naam vof] over te nemen (zie 2.12). Overigens lijkt [naam verweerder] hier – in ieder geval in correspondentie – zelf ook van uit te gaan. Zo schrijft hij op 2 oktober 2017 aan mevrouw [naam medewerker] van [naam klant 3] Werkt! te Zutphen dat de onderneming [naam vof] haar activiteiten uiterlijk 31-12-2017 staakt (zie 2.13), schrijft hij op 4 oktober 2017 aan [naam ondernemer] dat zij, [naam ondernemer] , heeft aangegeven na het beëindigen van de werkzaamheden van [naam vof] samen met [naam eiseres] in een nieuwe constructie te willen doorgaan en schrijft hij op 6 oktober 2017 aan [naam eiseres] dat hij in voorkomende situaties transparantie, eerlijkheid en zorgvuldigheid betracht naar klanten en hen op de hoogte stelt van de beëindiging van [naam vof] (zie 2.16).

4.5.

Op grond van het voorgaande is [naam vof] door de opzegging van [naam verweerder] per aangetekende brief van 23 maart 2017 in beginsel dan ook op 31 december 2017 beëindigd.

4.6.

[naam eiseres] heeft evenwel bij brief van 13 november 2017 met een beroep op het bepaalde in artikel 13 sub d van de overeenkomst de onmiddellijke ontbinding van [naam vof] ingeroepen (zie 2.34). De vraag die derhalve voorligt, is wanneer [naam vof] nu is beëindigd, per 13 november 2017 of per 31 december 2017. Om tot de conclusie te kunnen komen dat [naam vof] al per 13 november 2017 is beëindigd, dient eerst komen vast te staan dat [naam eiseres] de onmiddellijke ontbinding van de vennootschap terecht heeft ingeroepen.

4.7.

[naam eiseres] heeft aan die ontbinding verschillende (vermeende) toerekenbare tekortkomingen aan de zijde van [naam verweerder] ten grondslag gelegd. Centraal staan daarbij de gebeurtenissen rondom [naam ondernemer] . Op 4 oktober 2017 heeft [naam verweerder] een gesprek gehad met [naam ondernemer] . Over de inhoud van dit gesprek verschillen partijen van mening. Wel staat vast dat [naam verweerder] [naam ondernemer] op 1 november 2017 per direct op non-actief heeft gesteld. Volgens [naam verweerder] overtrad [naam ondernemer] de tussen haar en [naam vof] overeengekomen geheimhoudingsovereenkomst.

4.8.

Naar het oordeel van de rechtbank valt uit de stukken echter niet evident af te leiden dat aan [naam ondernemer] is kenbaar gemaakt op welke concrete feiten en/of omstandigheden de op non-actiefstelling ziet. Het enige stuk waaruit dat zou kunnen worden afgeleid is de brief van [naam verweerder] van 1 november 2017 (zie 2.28), maar die ziet vooral op de gestelde overtredingen van de geheimhoudingsovereenkomst, op grond waarvan [naam ondernemer] boetes heeft verbeurd. In die brief staat ten aanzien van de op non-actiefstelling niet meer dan dat [naam verweerder] [naam ondernemer] namens [naam vof] meedeelt dat zij “dan ook” met onmiddellijke ingang op non-actief is gesteld.

4.9.

Mede gelet op het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling gaat het [naam verweerder] kennelijk met name om het verwijt dat [naam ondernemer] [naam vof] beconcurreert, door klanten van [naam vof] te benaderen. Vaststaat dat [naam ondernemer] ook ten tijde van haar samenwerking met de VOF wel als zzp-er zelf nieuwe klanten voor haarzelf mocht werven. Ze werkte dus niet exclusief voor de vennootschap. De rechtbank acht het in zo’n geval voor de hand liggend dat er een gesprek plaatsvindt met de betreffende freelancer/zzp-er, waarin wordt aangegeven wat er is geconstateerd, waarom dat in strijd is met het overeengekomen concurrentie- en/of relatiebeding en waarom dit onmiddellijke op non-actiefstelling rechtvaardigt, dan wel wat voor sancties er eventueel volgen indien dit nogmaals gebeurt. Gesteld noch gebleken is dat [naam ondernemer] in de onderhavige zaak een dergelijk gesprek of waarschuwing heeft gekregen. [naam verweerder] is direct overgegaan tot op non-actiefstelling, terwijl hij ook in de brief van 24 oktober 2017 aan medevennoot [naam eiseres] niet duidelijk heeft aangegeven welke specifieke gedragingen met betrekking tot welke klanten hij [naam ondernemer] verwijt (zie 2.20). Wel eiste hij in genoemde brief van [naam eiseres] onder meer dat zij zou meewerken aan de op non-actiefstelling van [naam ondernemer] en dat zij zich zou onthouden van iedere samenwerking met [naam ondernemer] zowel tijdens [naam vof] als binnen een jaar na afloop daarvan. Naar het oordeel van de rechtbank behoefde [naam eiseres] als medevennoot evenwel niet stilzwijgend langs de zijlijn toe te kijken en deze eenzijdig door [naam verweerder] aangekondigde sanctie van op non-actiefstelling te accepteren. Het gaat hier om een groter belang van de VOF waar [naam eiseres] ook voor moest waken. [naam ondernemer] werd als zzp-er immers vanuit [naam vof] ingezet bij de begeleiding van verschillende trajecten van personeel van werk naar werk. Wanneer die begeleiding als gevolg van een niet voorzienbare op non-actiefstelling ineens zou eindigen of vertraging zou oplopen, zonder dat het traject op een goede wijze was afgerond, is het niet denkbeeldig dat er onrust en/of schade zou ontstaan bij degenen die werden begeleid en hun werkgevers, de klanten van de vennootschap. Daarmee komt indirect dus ook het voortbestaan van de onderneming op het spel te staan.

4.10.

Los van het voorgaande stond het [naam verweerder] overigens ook niet vrij om zonder medeweten en instemming van [naam eiseres] tot op non-actiefstelling van [naam ondernemer] over te gaan. Het is op zichzelf juist, zoals [naam verweerder] stelt, dat artikel 6 lid 1 van de overeenkomst onder meer bepaalt dat iedere vennoot bevoegd is voor de vennootschap te handelen. Maar uitgerekend in een situatie als hier aan de orde bepaalt artikel 6 lid 2 sub c dat de medewerking van alle vennoten wordt gevorderd voor het in dienst nemen en het ontslaan van personeel, externe inhuur en overige contracten met derden. Dat hier niet met zoveel woorden ook ‘op non-actiefstellen’ wordt genoemd betekent niet dat daarvoor andere regels gelden. Het had ook voor [naam verweerder] duidelijk moeten zijn dat het op non-actiefstellen van een derde (in dit geval een freelancer) waarmee je als vennootschap een overeenkomst hebt gesloten eveneens onder deze bepaling dient te worden begrepen.

4.11.

Bij dit alles komt bovendien dat de advocaat van [naam ondernemer] bij e-mail van

3 november 2017 heeft aangegeven dat [naam ondernemer] niet begrijpt waarop de schending van het geheimhoudings- en/of relatiebeding ziet, maar dat zij bovenal iedere vermeende overtreding betwist, alsmede dat zij bezwaar maakt tegen de op non-actiefstelling en dat zij onverkort aanspraak maakt op betaling van haar openstaande facturen. De advocaat heeft [naam verweerder] gesommeerd om deze facturen te voldoen, bij gebreke waarvan aanspraak wordt gemaakt op de wettelijke rente. Ook worden rechtsmaatregelen in het vooruitzicht gesteld. Het is in dit verband met deze plotselinge niet onderbouwde op non-actiefstelling door [naam verweerder] alleszins voorstelbaar en zelfs logisch dat [naam eiseres] er in het belang van [naam vof] voor heeft gekozen ter voorkoming van grotere schade de facturen van [naam ondernemer] vanuit de zakelijke rekening van [naam vof] te betalen, toen [naam verweerder] bleef weigeren deze te voldoen (zie 2.30).

4.12.

Vervolgens bleek [naam eiseres] echter dat [naam verweerder] zonder medeweten en toestemming van [naam eiseres] het positieve saldo van de zakelijke rekening van [naam vof] had overgemaakt naar zijn privérekening. Ook bleek haar dat hij klanten van [naam vof] had aangeschreven met het verzoek de openstaande facturen te voldoen op zijn privérekening. Twee klanten van [naam vof] hebben dat ook daadwerkelijk gedaan (zie 2.31). Ten slotte bleek [naam eiseres] dat [naam verweerder] ondanks andersluidende afspraken eenzijdig naar klanten toe mededelingen deed over het beëindigen van [naam vof] .

4.13.

Naar het oordeel van de rechtbank maken de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien dat [naam eiseres] op dat moment op grond van overtreding door [naam verweerder] van de artikelen 6 lid 2 sub c, 6 lid 2 sub j, 7 en 11 lid 1 van de overeenkomst gerechtigd was de vennootschap onmiddellijk te ontbinden. Dit betekent dus dat [naam vof] per 13 november 2017 is beëindigd. Het gevorderde onder 3.1 sub 1 ligt daarmee voor toewijzing gereed.

4.14.

[naam verweerder] voert nog aan dat zowel [naam ondernemer] als [naam eiseres] zich reeds tijdens de duur van [naam vof] hebben gericht op de door hen voort te zetten, dan wel nieuw op te richten onderneming/samenwerking/vof, hetgeen in strijd is met de overeenkomst en de geheimhoudingsovereenkomst. Daarnaast heeft [naam verweerder] geconstateerd dat [naam ondernemer] met toestemming van [naam eiseres] aan een klant van [naam vof] op naam van haar eigen onderneming een offerte heeft uitgebracht over een coaching- en begeleidingstraject. Verder heeft [naam verweerder] geconstateerd dat [naam ondernemer] op haar eigen bedrijfsnaam en briefpapier met toestemming van [naam eiseres] een offerte heeft uitgebracht aan een klant/relatie van [naam vof] , te weten de heer [naam klant 2] . [naam verweerder] heeft een en ander bij brief van 24 oktober 2017 aan [naam eiseres] kenbaar gemaakt. Omdat [naam eiseres] volgens [naam verweerder] hierop niet reageerde, is [naam eiseres] bij brief van 1 november 2017 medegedeeld dat zij sinds eind oktober 2017 in verzuim is. Aldus is [naam eiseres] in schuldeisersverzuim geraakt, als gevolg waarvan [naam verweerder] niet in verzuim kan raken. Nadat [naam eiseres] de facturen van [naam ondernemer] van de zakelijke rekening van [naam vof] had voldaan, is zij opnieuw in verzuim geraakt. Aangezien [naam verweerder] al zijn verplichtingen uit de overeenkomst ten opzichte van [naam eiseres] heeft opgeschort totdat [naam eiseres] de betalingen aan [naam ondernemer] ongedaan heeft gemaakt, is [naam eiseres] andermaal in schuldeisersverzuim geraakt, aldus [naam verweerder] .

4.15.

De rechtbank overweegt dat dit verweer van [naam verweerder] voor een deel al is verworpen met hetgeen hiervoor is overwogen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat [naam eiseres] de voorgaande stellingen van [naam verweerder] gemotiveerd heeft betwist. Zo stelt zij dat [naam ondernemer] aan [naam eiseres] in haar hoedanigheid van vennoot van [naam vof] en bij afwezigheid van [naam verweerder] wegens vakantie ter controle een offerte heeft voorgelegd die was bestemd voor de heer [naam 4] , die geen klant was van [naam vof] , dat nooit is geweest en ook nooit is geworden. Bovendien is de uiteindelijk uitgebrachte offerte door de heer [naam 4] niet aanvaard. Voorts, zo stelt [naam eiseres] , kan de heer [naam klant 2] niet worden aangemerkt als een klant c.q. relatie van [naam vof] . Er zijn namelijk tot en met december 2016 twee offertes uitgebracht die niet zijn aanvaard, terwijl het bovendien ging om een relatie die door [naam ondernemer] uit haar eigen netwerk was aangebracht. In september 2017 heeft [naam ondernemer] op verzoek van [naam klant 2] een derde offerte uitgebracht, maar dit gebeurde met medeweten en toestemming van [naam verweerder] . Zij verwijst daarbij naar verschillende producties. [naam verweerder] heeft daar tegenover in zijn antwoordakte eiswijziging en tijdens de mondeling behandeling onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld die ertoe leiden dat aan deze stellingen van [naam eiseres] moet worden getwijfeld.

4.16.

Ten slotte overweegt de rechtbank dat niet valt in te zien op welke wijze in deze zaak sprake is van schuldeisersverzuim. Ook tijdens de mondelinge behandeling heeft [naam verweerder] dit niet duidelijk kunnen maken, hoewel hem nadrukkelijk is gevraagd om aan de hand van concrete feiten aan te geven waaruit het schuldeisersverzuim precies bestaat. Daarop heeft de advocaat van [naam verweerder] niet meer verklaard dan hetgeen hiervoor onder 4.14 al is weergegeven, zij het in iets andere bewoordingen. Zo stelt zij dat [naam verweerder] geen toestemming nodig had om [naam ondernemer] op non-actief te stellen, maar dat hij die toestemming wel aan [naam eiseres] heeft gevraagd. Daarbij is ook een termijn gesteld. Toen [naam eiseres] niet binnen die termijn reageerde, verkeerde zij in verzuim. Wanneer je vervolgens je vordering baseert op het feit dat [naam ondernemer] zonder medeweten op non-actief is gesteld, is er sprake van schuldeisersverzuim, aldus de advocaat van [naam verweerder] . Voorts heeft de advocaat van [naam verweerder] verklaard dat het zonder toestemming van [naam verweerder] doen van betalingen aan [naam ondernemer] , terwijl zij het non-concurrentiebeding overtreedt, ook een tekortkoming oplevert. [naam verweerder] heeft vervolgens zijn daartegenover staande verplichtingen op grond van artikel 6:59 BW opgeschort. Een en ander wordt onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 4.9 en volgende is overwogen verworpen.

4.17.

[naam verweerder] voert ook nog aan dat hij gelet op artikel 6 lid 1 van de overeenkomst geen toestemming van [naam eiseres] nodig heeft om de gelden van de zakelijke rekening over te boeken naar een andere rekening. Hij heeft dit gedaan met als doel de gelden van [naam vof] veilig te stellen. Er is dan ook geen sprake van handelen in strijd met artikel 6 lid 2 sub j van de overeenkomst, aldus [naam verweerder] . Ook betwist hij dat het veiligstellen van het batige bedrijfssaldo een rechtshandeling betreft. Ten slotte voert [naam verweerder] aan dat uit de inhoud van de artikelen 2 en 6 lid 1 van de overeenkomst blijkt dat hij met het verzoek aan klanten om betalingen voortaan op een andere rekening te doen heeft gehandeld conform de inhoud en geest van die artikelen.

4.18.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Het stond [naam eiseres] op grond van artikel 6 lid 1 van de overeenkomst vrij om namens [naam vof] de facturen van [naam ondernemer] te voldoen. Ten aanzien van het overboeken van gelden naar een privérekening kan [naam verweerder] zich daarentegen niet op die bepaling beroepen. Iedere vennoot is bevoegd voor de vennootschap te handelen en gelden voor haar uit te geven, tenzij dit niet met het doel van de vennootschap in verband staat. Het moge duidelijk zijn dat het overboeken van gelden van de zakelijke rekening van [naam vof] naar een privérekening zonder medeweten van [naam eiseres] , en zonder enige noodzaak, niet strookt met het ‘voor gezamenlijke rekening exploiteren van een bedrijf gericht op het mobiel krijgen van personeel van werk naar werk en al hetgeen daartoe behoort en daarmee in verband staat’, zoals artikel 2 van de overeenkomst bepaalt. Bovendien heeft [naam verweerder] tot op heden geweigerd dat geld weer terug te boeken. Overigens valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien waarom het overboeken van gelden waarmee deze uit het vermogen van de vennootschap worden gehaald, geen rechtshandeling zou zijn, zoals [naam verweerder] heeft betoogd.

4.19.

Het voorgaande betekent dat de liquidatie van de vennootschap per 13 november 2017 zal moeten plaatsvinden. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 lid 2 van de overeenkomst is bij het eindigen van de vennootschap ieder van de vennoten in het vermogen van de vennootschap gerechtigd, voor de bedragen waarvoor hij in de boeken van de vennootschap is gecrediteerd, vermeerderd of verminderd met zijn aandeel in de winst of het verlies, gemaakt of geleden blijkens de overeenkomstig artikel 8 opgemaakte jaarrekening. Lid 3 van genoemd artikel bepaalt dat op de na het eindigen van de vennootschap op te maken balans de activa zullen worden gewaardeerd tegen de door de vennoten geschatte waarde. Ten slotte bepaalt lid 4 dat in de liquidatiewinst of het liquidatieverlies, casu quo de meerwaarde of de minderwaarde, door ieder der vennoten met toepassing van de onder de artikelen 9 en 10 weergegeven winstverdeling zal worden deelgenomen.

4.20.

Met inachtneming van deze bepalingen uit de overeenkomst zal [naam verweerder] moeten meewerken aan het opstellen van de jaarrekening 2016 alsook een liquidatiebalans c.q.

-jaarrekening per peildatum 13 november 2017. Partijen dienen vervolgens tot financiële afwikkeling over te gaan.

4.21.

Zoals hierna zal blijken, zal de tegenvordering van [naam verweerder] worden afgewezen. In de liquidatie behoeft dan ook niet te worden betrokken de resultaten van de tegenvordering van [naam verweerder] (een bedrag van € 100.000,00 aan verbeurde boetes ten aanzien van [naam eiseres] en/of een nader vast te stellen bedrag aan verbeurde boetes ten aanzien van [naam ondernemer] in een namens [naam vof] tegen [naam ondernemer] te starten gerechtelijke procedure).

4.22.

[naam verweerder] maakt bezwaar tegen accountant mevrouw [naam accountant] , omdat zij niet onafhankelijk is, want bevriend met [naam eiseres] . De rechtbank passeert dit bezwaar van [naam verweerder] . [naam eiseres] heeft gemotiveerd betwist dat er een vriendschapsrelatie bestaat tussen haar en [naam accountant] . Bovendien heeft [naam eiseres] onweersproken gesteld dat [naam accountant] tevens de accountant was van [naam verweerder] respectievelijk zijn eenmanszaak Meerconsult. Ten slotte is [naam accountant] bekend met de vennootschap en haar ondernemersactiviteiten.

4.23.

Een en ander betekent dat het gevorderde onder 3.1 sub 2, 3 en 4 zal worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd.

4.24.

Met betrekking tot de wijze van verdeling stelt [naam eiseres] dat [naam vof] uit de volgende vermogensbestanddelen bestaat (de eerste vijf zijn baten, de laatste zijn schulden):

- het huurrecht van de onroerende zaak aan de Vendelier 11 te Veenendaal,

- inventaris,

- debiteuren,

- liquide middelen (dit onderdeel komt hierna apart aan de orde),

- klanten,

- crediteuren, belastingen en overige schulden.

4.24.a. [naam eiseres] verzoekt de rechtbank in de eerste plaats te bepalen dat het huurrecht aan haar toekomt, nu zij haar onderneming vanuit het huidige kantoorpand zal voortzetten. Zij is bereid de verschuldigde huur in de periode 13 november 2017 tot en met 31 december 2017 als eigen schuld te voldoen, zonder nadere verrekening.

4.24.b. [naam eiseres] heeft als productie 40 een overzicht in het geding gebracht van de inventaris van [naam vof] , alsook een voorstel tot verdeling daartoe. [naam eiseres] verzoekt de rechtbank overeenkomstig dit voorstel tot verdeling van de inventaris over te gaan, zonder nadere verrekening.

4.24.c. Ten aanzien van de debiteuren verzoekt [naam eiseres] de rechtbank te bepalen dat ontvangen gelden van debiteuren na de peildatum, indien en voor zover niet reeds meegenomen in de liquidatiebalans c.q. de liquidatiejaarrekening, bij helfte tussen haar en [naam verweerder] dienen te worden verdeeld.

4.24.d. [naam eiseres] heeft als productie 41 een overzicht in het geding gebracht van de klanten van [naam vof] , alsook een voorstel tot verdeling daartoe. Zij verzoekt de rechtbank overeenkomstig dit voorstel tot verdeling van de klanten over te gaan, zonder nadere verrekening.

4.24.e. Voor wat betreft de openstaande schulden van [naam vof] per de peildatum dan wel de schulden na de peildatum welke voortvloeien uit het voor gezamenlijke rekening exploiteren van de vennootschap, verzoekt [naam eiseres] de rechtbank te bepalen dat deze schulden uit het vermogen van [naam vof] dienen te worden voldaan. Indien en voor zover dit vermogen ontoereikend mocht blijken te zijn, verzoekt [naam eiseres] de rechtbank te bepalen dat partijen ten aanzien van de overblijvende schulden beiden draagplichtig zijn, ieder voor de helft.

4.25.

[naam verweerder] kan zich niet vinden in de door [naam eiseres] voorgestelde verdeling van het vermogen van [naam vof] . In de eerste plaats dient bij de verdeling te worden betrokken de opbrengst van de nog lopende verplichtingen van [naam vof] , alsook de ten aanzien van [naam ondernemer] te incasseren boetes. Volgens [naam verweerder] vallen in beginsel alle schulden en baten voor 50% aan ieder der vennoten, maar dat is volgens hem anders ten opzichte van de vordering van [naam vof] op [naam ondernemer] . Indien uit een gerechtelijke procedure tegen [naam ondernemer] zou blijken dat [naam eiseres] medewerking heeft verleend aan de overtreding van de geheimhoudingsovereenkomst door [naam ondernemer] , dan dient het totaal aan verbeurde boetes in redelijkheid in zijn geheel aan [naam verweerder] ten goede te komen.

Voorts is [naam verweerder] van mening dat hij niet mede verantwoordelijk kan worden gehouden voor schulden die [naam eiseres] heeft gemaakt namens [naam vof] zonder zijn instemming.

[naam verweerder] betwist verder de voorgestelde verdeling van roerende zaken. Een aantal goederen betreft persoonlijke eigendommen van [naam verweerder] . Veel kantoortafels, bureaustoelen, loungestoelen en archiefkasten zijn in 2015 door [naam verweerder] persoonlijk gekocht van het bedrijf Keerpunt in Hilversum en zijn zijn eigendom. Voorts betreffen de door [naam eiseres] genoemde goederen van de verhuurder niet die van de verhuurder, maar die van [naam vof] . De genoemde kluis, telefooncentrale, verdeelkast computer, stellage, koelkast en vaatwasser zijn door [naam vof] van de vorige huurder overgenomen en dus geen eigendom van de verhuurder. Daarnaast wordt er een verkeerde indeling van de tafels gemaakt. Alle tafels met een licht blad heeft [naam verweerder] zelf aangekocht en zijn zijn eigendom. De tafels met een donker blad moeten tussen hem en [naam eiseres] worden verdeeld. [naam verweerder] stelt voor dat geïnventariseerd wordt welke roerende goederen tot het gezamenlijke eigendom van [naam vof] behoren. Aan elk van die roerende goederen wordt een waarde in euro’s toegekend. Vervolgens worden die roerende goederen op basis van de toegekende waarde om en om aan een der vennoten toegekend.

[naam verweerder] is het ook niet eens met de voorgestelde klantenverdeling. Veel klanten die door [naam eiseres] aan [naam verweerder] toebedeeld worden, zijn geen actieve klanten meer. Ook heeft [naam eiseres] zichzelf veel klanten met grote personeelsbestanden toebedeeld en [naam verweerder] kleine bedrijven waarmee [naam vof] al jaren geen zaken doet. Bovendien zou de wens van de klant belangrijk moeten zijn. Veel genoemde klanten/bedrijven komen voort uit het eigen zakelijk netwerk van [naam verweerder] . Die zullen nooit voor [naam eiseres] kiezen.

[naam verweerder] stelt de volgende verdeling voor:

- de bedrijven uit de lijst die door [naam verweerder] eerder vanuit zijn bedrijf Meerconsult zijn ingebracht worden uit de lijst gehaald,

- de resterende bedrijven worden onderverdeeld in actieve klanten en overige relaties (niet actief),

- de actieve klanten worden gevraagd voor wie zij de voorkeur hebben: [naam verweerder] of [naam eiseres] ,

- achter de resterende actieve klanten die geen keuze hebben gemaakt wordt het geschatte aantal fte genoteerd en op basis van het aantal daar werkzame personen gelijkelijk verdeeld.

4.26.

[naam eiseres] heeft in haar verweerschrift op tegeneis nog het volgende opgemerkt.

4.26.a. Ten aanzien van bepaalde verplichtingen richting de vennootschap zijn aanvullende kosten ontstaan doordat [naam verweerder] niet althans niet tijdig reageerde op verzoeken van [naam eiseres] . Zo moest een abonnement bij Telfort door [naam verweerder] worden opgezegd. [naam eiseres] heeft hem daarop in oktober 2017 gewezen. Pas in maart 2018 heeft [naam verweerder] de overeenkomst opgezegd. [naam eiseres] verzoekt de rechtbank dan ook te bepalen dat de schuld aan Telfort op basis van factuur 3091187 – voor zover deze ziet op een bedrag [naam verweerder] dan euro 30,60 – door [naam verweerder] als eigen schuld dient te worden voldaan, zonder verrekening.

4.26.b. [naam eiseres] betwist voorts de stellingen van [naam verweerder] met betrekking tot de roerende zaken. Wel is het juist dat zij per abuis een professioneel koffiezetapparaat niet heeft meegenomen in haar voorstel tot verdeling. [naam eiseres] verzoekt de rechtbank derhalve te bepalen dat zij dit apparaat overneemt, waarbij een bedrag van € 50,00 aan [naam verweerder] wordt voldaan uit hoofde van overbedeling.

4.26.c. Met betrekking tot de tafels stelt [naam eiseres] dat zij de vergaderopstelling (4 tafels met een donker blad) destijds privé heeft gekocht. Dit geldt ook voor de kantinetafels. Deze zaken vallen dus buiten de verdeling van de gemeenschappelijke vermogensbestanddelen. De tafels met een licht blad behoren in eigendom toe aan [naam verweerder] . De rest van de tafels met een donker blad dienen bij helfte tussen [naam eiseres] en [naam verweerder] te worden verdeeld, aldus [naam eiseres] .

4.26.d. Met betrekking tot de verdeling van de klanten stelt [naam eiseres] dat zij er geen bezwaar tegen heeft dat als eerste uitgangspunt wordt genomen wie van partijen de desbetreffende klant heeft ingebracht. Dit betreft dan klanten die één van partijen uit zijn/haar op het moment van starten van [naam vof] al bestaande netwerk heeft ingebracht in de beginperiode van de vennootschap, bedrijven waarmee hij/zij nauwe contacten onderhield voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst. Aan de zijde van [naam eiseres] gaat het daarbij om de navolgende klanten: [namen klanten] . De resterende klanten kunnen vervolgens worden onderverdeeld in actieve klanten en overige niet actieve klanten. De actieve klanten krijgen de gelegenheid aan te geven welke partij hun voorkeur heeft. Bij geen voorkeur wordt het geschatte aantal fte genoteerd en op basis van het aantal daar werkzame personen gelijkelijk verdeeld. Voor wat betreft de overige niet actieve klanten stelt [naam eiseres] voor geen verdeling te maken. Het staat partijen vrij voor zover van toepassing in de toekomst met deze klanten nieuwe samenwerkingsverbanden aan te gaan.

4.27.

De rechtbank stelt vast dat [naam verweerder] in zijn antwoordakte eiswijziging niet is ingegaan op het nadere voorstel tot verdeling van [naam eiseres] , zoals hiervoor weergegeven. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [naam verweerder] in dit verband nog wel een voorbehoud gemaakt, omdat [naam verweerder] niet de tijd heeft gehad om op het voorstel van [naam eiseres] in de antwoordakte te reageren, maar de rechtbank heeft daarop geantwoord dat er sinds het wisselen van de stukken volop gelegenheid is geweest om met [naam verweerder] de wijze van verdeling te bespreken. Vervolgens is [naam verweerder] tijdens de mondelinge behandeling meerdere malen uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld aan te geven welke verdeling volgens hem de juiste zou zijn. [naam verweerder] heeft slechts verwezen naar zijn voorstel op pagina 35 van het verweerschrift, maar daartegenover heeft [naam eiseres] een ander voorstel gedaan, geconcretiseerd met namen van klanten en het verzoek aan [naam verweerder] ook zo’n overzicht te maken. Dat heeft [naam verweerder] niet gedaan. Evenmin heeft hij het voorstel van [naam eiseres] gemotiveerd weersproken. Hij heeft zelfs aangegeven dat de klanten voor hem niet eens heel belangrijk zijn en dat zij uiteindelijk zelf maar moeten bepalen waar ze naar toe willen.

4.28.

Met inachtneming van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdeling van de vermogensbestanddelen van [naam vof] zal moeten plaatsvinden overeenkomstig het (aangepaste) voorstel van [naam eiseres] , een en ander zoals hiervoor in rechtsoverwegingen 4.24.a, 4.24.b, 4.24.c, 4.24.e, 4.26.a, 4.26.b, 4.26.c en 4.26.d is opgenomen. Het gevorderde onder 3.1 sub 5 ligt derhalve voor toewijzing gereed.

4.29.

Ten aanzien van de vordering onder 3.1 sub 6 om aan de vennootschap te restitueren een bedrag van € 37.244,51 wordt het volgende overwogen.

4.30.

[naam eiseres] stelt dat [naam verweerder] zonder medeweten en toestemming van [naam eiseres] op 7 en 8 november 2017 het saldo op de zakelijke betaalrekening van [naam vof] (met rekeningnummer [rekeningnr. 1] 749) heeft overgeboekt naar zijn privérekening. Ook heeft [naam verweerder] klanten van de vennootschap aangeschreven met de mededeling dat het bankrekeningnummer zou zijn gewijzigd en dat betalingen van op dat moment openstaande facturen dienden plaats te vinden op zijn privébankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 2] . Daarbij werd expliciet aangegeven dat het ging om een wijziging van de zakelijke rekening van de vennootschap. In ieder geval twee klanten hebben aan dit verzoek voldaan en op 10 november en 1 december 2017 een bedrag van in totaal € 3.009,88 overgemaakt op de privérekening van [naam verweerder] . [naam eiseres] stelt dat beide partijen echter zijn gerechtigd tot de saldi van de zakelijke rekeningen van [naam vof] . Zij verzoekt de rechtbank [naam verweerder] daarom te veroordelen aan de vennootschap te restitueren een bedrag van € 37.244,51 uit hoofde van de overgeboekte gelden van 8, 9 en 10 november 2017, alsook 1 december 2017, vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente.

4.31.

[naam verweerder] voert aan dat het batig bedrijfssaldo van [naam vof] nimmer buiten de vennootschap is gebracht. Ingevolge artikel 6 lid 1 van de overeenkomst is [naam verweerder] immers bevoegd gelden van de vennootschap voor haar te ontvangen en uit te geven, als dit met het doel van de vennootschap in verband staat. Volgens [naam verweerder] is dat het geval, nu hij het batig bedrijfssaldo heeft veiliggesteld in het belang van [naam vof] . Van restitutie kan dan ook geen sprake zijn, aldus [naam verweerder] .

4.32.

De rechtbank verwerpt dit verweer en verwijst daarvoor naar hetgeen zij hiervoor onder 4.18 heeft overwogen. Het gevorderde onder 3.1 sub 6 is toewijsbaar. Dit geldt ook voor de gevorderde wettelijke rente vanaf 18 november 2017, nu [naam verweerder] blijkens productie 32 van [naam eiseres] op 13 november 2017 is gesommeerd de gelden van [naam vof] uiterlijk 17 november 2017 te restitueren en gesteld noch gebleken is dat [naam verweerder] aan deze sommatie gehoor heeft gegeven.

4.33.

[naam eiseres] stelt verder dat ter bepaling van de omvang van de rechtstreekse betalingen van klanten van [naam vof] aan [naam verweerder] door [naam verweerder] inzage dient te worden verschaft in de bij- en afschrijvingen van zijn privérekening, respectievelijk alle overige door hem ten behoeve van de vennootschap ontvangen bedragen. Het gevorderde onder 3.1 sub 7 ziet hierop.

4.34.

Deze vordering is in het verlengde van het voorgaande eveneens toewijsbaar. [naam eiseres] heeft als medevennoot van [naam vof] recht op en belang bij bedoelde inzage. Dit geldt te meer nu [naam eiseres] onweersproken heeft gesteld dat [naam verweerder] sinds december 2017 op geen enkele wijze meer verantwoording heeft afgelegd en [naam verweerder] ook tijdens de mondelinge behandeling niet heeft willen aangeven waar het batig bedrijfssaldo is gebleven. De in dit verband gevorderde dwangsom is toewijsbaar en zal worden gemaximeerd. De rechtbank overweegt ten aanzien van het tweede deel van deze vordering nog dat bij een veroordeling tot betaling aan de zakelijke rekening van de VOF [naam eiseres] niet kan overgaan tot gewone executie door executoriaal beslag en zij mitsdien belang heeft bij de mogelijkheid door een indirect executiemiddel, oplegging van een dwangsom, die betaling af te dwingen.

4.35.

Ten slotte stelt [naam eiseres] dat [naam verweerder] begin 2018 de toegang van [naam eiseres] tot haar e-mailaccount alsook haar agenda van de vennootschap heeft geblokkeerd door haar wachtwoord eenzijdig te wijzigen. Hetzelfde heeft [naam verweerder] gedaan ten aanzien van de systeembeheerder van [naam vof] , te weten Vendeez B.V. te Nootdorp. Ook deze had vanaf begin januari 2018 ineens geen toegang meer tot het zakelijke account van [naam vof] bij Microsoft. [naam eiseres] verwijst naar productie 63. Dit betreft een e-mailbericht van 9 januari 2018 van de heer [naam werknemer klant] van [naam bedrijf] . alsook een screenshot van Microsoft. Uit het screenshot volgt dat [naam verweerder] het aan het account van [naam vof] gekoppelde e-mailadres heeft gewijzigd naar [e-mailadres] . Dit betreft het nieuwe e-mailadres van [naam verweerder] van zijn eenmanszaak Meerconsult. Als gevolg van de blokkering door [naam verweerder] kan [naam eiseres] niet meer bij haar e-mails van de vennootschap, ook niet die uit het verleden. E-mails die naar haar oude adres ( [naam eiseres] @ [naam vof] .nl) worden toegezonden, worden wel afgeleverd, maar daar kan [naam eiseres] niet bij. Hetzelfde geldt voor haar agenda. Een en ander is zeer onpraktisch in verband met het nalezen van eerdere rapportages. Bij e-mail van 13 januari 2018 heeft [naam eiseres] [naam verweerder] gesommeerd haar weer toegang te verschaffen tot haar e-mailaccount en agenda. [naam verweerder] heeft niet aan deze sommatie voldaan.

4.36.

[naam verweerder] erkent dat hij de e-mailaccounts alsook de agenda’s van [naam vof] per 1 januari 2018 heeft opgeheven, omdat, zo stelt hij, in ieder geval per 1 januari 2018 [naam vof] is opgezegd en onduidelijk is of en zo ja op welke wijze [naam vof] is voortgezet. Indien [naam eiseres] meent nog steeds aanspraak te kunnen maken op het gebruik van een en ander, zal zij eerst een duidelijk standpunt moeten innemen dat strookt met haar gedragingen. [naam verweerder] betwist verder dat de systeembeheerder van [naam vof] [naam bedrijf] . zou zijn. Dat blijkt nergens uit. Volgens [naam verweerder] volgt uit productie 12 van [naam eiseres] juist dat het bedrijf [naam bedrijf] van de heer [naam 5] de systeembeheerder is.

4.37.

De rechtbank is van oordeel dat [naam eiseres] recht heeft op en belang heeft bij toegang tot haar eigen e-mailaccount en agenda. In het midden kan daarbij blijven of het e-mailaccount en de agenda (tijdelijk) zijn opgeheven dan wel of het wachtwoord daarvan is gewijzigd, nu uit de stellingen van partijen in ieder geval volgt dat [naam verweerder] verantwoordelijk is voor het feit dat [naam eiseres] niet meer bij haar eigen e-mailaccount en agenda kan. Opmerkelijk – want anders dan uit de processtukken volgt – is dat [naam verweerder] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat hij op 2 november 2017 het wachtwoord heeft gewijzigd, dat hij [naam eiseres] daarop ook heeft gewezen en dat hij haar het nieuwe wachtwoord heeft toegestuurd. Dit zou moeten blijken uit enkele aan [naam eiseres] verzonden e-mails. Des te opmerkelijker is het dan ook dat ondanks een grote hoeveelheid in het geding gebrachte stukken deze e-mails ontbreken, te meer daar [naam eiseres] in de processtukken nadrukkelijk heeft gesteld dat zij steeds heeft gevraagd om het wachtwoord, maar dat zij die niet kreeg. Het voert te ver om in dit stadium van de procedure [naam verweerder] nog in de gelegenheid te stellen die bewuste e-mails alsnog over te leggen.

Met betrekking tot de systeembeheerder heeft [naam eiseres] ten slotte tijdens de mondelinge behandeling onweersproken gesteld dat het om twee verschillende dingen gaat. [naam bedrijf] . beheerde de accounts, terwijl [naam bedrijf] verantwoordelijk was voor de website van [naam vof] .

4.38.

Alles overziend dient [naam verweerder] naar het oordeel van de rechtbank [naam eiseres] en [naam bedrijf] . onbeperkte toegang te verlenen en te blijven verlenen tot het zakelijke (internet)account van de vennootschap. Het gevorderde onder 3.1 sub 8 zal derhalve worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd.

4.39.

De slotsom van al het voorgaande is dat alle vorderingen van [naam eiseres] zullen worden toegewezen, een en ander zoals hierna in het dictum is bepaald.

4.40.

[naam eiseres] vordert [naam verweerder] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 861,11 voor verschotten en € 695,00 voor salaris advocaat (1 rekest x

€ 695,00).

4.41.

[naam verweerder] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank ziet in de proceshouding of de standpunten die [naam verweerder] heeft betrokken geen aanleiding voor een veroordeling in de volledige proceskosten. De kosten aan de zijde van [naam eiseres] worden derhalve begroot op:

- procesinleiding € 101,05

- griffierecht € 883,00

- salaris advocaat € 1.737,50 (2,5 punt × tarief € 695,00)

Totaal € 2.721,55

van de tegenvordering

4.42.

[naam verweerder] stelt het volgende. Op 4 oktober 2017 heeft [naam ondernemer] aan [naam verweerder] medegedeeld dat zij (1) aan een toekomstige op te richten nieuwe vennootschap direct mededeling heeft gedaan over informatie waarvan zij in het kader van de inleenovereenkomst kennis heeft genomen betreffende [naam vof] en die als vertrouwelijk moet worden aangemerkt, en (2) het voornemen heeft geuit zonder schriftelijke toestemming van [naam verweerder] per 1 januari 2018 door middel van een – in samenwerking met [naam eiseres] – op te richten nieuwe vof, in enigerlei vorm diensten aan te bieden die [naam vof] op dat moment aan haar (potentiële) klanten aanbood en/of heeft aangeboden. Voorts heeft [naam ondernemer] met toestemming van [naam eiseres] aantoonbaar op 24 september 2017 en 18 oktober 2017 op haar eigen bedrijfsnaam en ten behoeve van haar eigen onderneming offertes uitgebracht aan klanten van [naam vof] . Daarmee heeft [naam ondernemer] gehandeld in strijd met de geheimhoudingsovereenkomst en heeft zij boetes verbeurd ter hoogte van een bedrag van € 74.000,00. [naam eiseres] dient ingevolge artikel 6 lid 2 sub i van de overeenkomst medewerking te verlenen aan het starten en het voeren van een gerechtelijke procedure tegen [naam ondernemer] door [naam vof] , ter zake de incasso van deze door [naam ondernemer] verbeurde boetes.

Daarnaast, zo stelt [naam verweerder] , heeft [naam eiseres] met het vorenstaande tot vier maal toe gehandeld in strijd met artikel 16 lid 1 van de overeenkomst, door aan [naam ondernemer] toestemming te geven om vertrouwelijke bedrijfsinformatie van [naam vof] te gebruiken ten behoeve van een door haar op te richten onderneming in strijd met de tussen [naam vof] en [naam ondernemer] overeengekomen geheimhoudingsovereenkomst en door aan [naam ondernemer] toestemming te geven offertes aan klanten van [naam vof] te sturen ten behoeve van haar eigen onderneming. Ingevolge artikel 16 lid 3 van de overeenkomst heeft [naam eiseres] dan ook een bedrag van 4 x € 25.000,00 = € 100.000,00 aan boetes verbeurd.

4.43.

De rechtbank overweegt het volgende. Op 28 juni 2016 zijn [naam vof] en [naam ondernemer] de geheimhoudingsovereenkomst aangegaan. Er is dus gecontracteerd met de VOF en niet met de beide vennoten zelf. Zoals hiervoor is overwogen is [naam vof] echter per 13 november 2017 beëindigd. [naam vof] bestaat dus niet meer, anders dan ten behoeve van de vereffening. Voorstelbaar is dat in het geval de VOF ophoudt te bestaan, iemand in het verlengde van het met de VOF afgesproken concurrentiebeding onrechtmatig handelt als hij op onrechtmatige wijze concurrentie aangaat door klanten van de VOF te benaderen en daarmee in feite bij de individuele voormalige vennoten onder de duiven te schieten. Een en ander hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. In het onderhavige geval is sprake van een samenwerkingsverband tussen twee vennoten waarbij een duidelijke taakverdeling binnen de aangeboden mobiliteitstrajecten gold. Zo deed [naam verweerder] met name de HR, met onder meer de gehele afhandeling van het zogenoemde “tweede spoor”, terwijl [naam eiseres] en de door de VOF ingehuurde zzp-er [naam ondernemer] de individuele contacten/begeleiding in het kader van de mobiliteitstrajecten op zich namen. Na beëindiging van de VOF zijn [naam eiseres] en [naam ondernemer] een samenwerking aangegaan en het stond [naam eiseres] naar het oordeel van de rechtbank als voormalig vennoot vrij ten aanzien van de op basis van de verdeling aan haar toekomende klanten [naam ondernemer] in te schakelen. Het enkele feit dat [naam ondernemer] de finesses van het vak heeft meegekregen door haar werkzaamheden voor de VOF maakt dat oordeel niet anders. Wel zou sprake kunnen zijn van onrechtmatige concurrentie in voornoemde zin indien [naam ondernemer] klanten van [naam verweerder] na beëindiging van de VOF heeft benaderd, maar daarover is onvoldoende concreet gesteld of gebleken, anders dan waarover reeds hiervoor in rechtsoverweging 4.15 is overwogen.

4.44.

Met het voorgaande valt ook niet in te zien waarom [naam eiseres] boetes heeft verbeurd. Bovendien vallen de aan [naam eiseres] verweten gedragingen (toestemming geven aan [naam ondernemer] om vertrouwelijke bedrijfsinformatie van [naam vof] te gebruiken ten behoeve van een door haar op te richten onderneming en toestemming geven aan [naam ondernemer] om offertes aan klanten van [naam vof] te sturen ten behoeve van haar eigen onderneming) niet zonder meer onder artikel 16 lid 1 van de overeenkomst. Volgens dit artikel is het ieder der vennoten verboden tijdens de duur van de vennootschap bij een andere onderneming werkzaam te zijn of daarbij rechtstreeks of zijdelings betrokken te zijn. Vast staat dat [naam eiseres] niet bij een andere onderneming werkzaam is geweest, anders dan dat zij betrokken was bij de eenmanszaak van [naam ondernemer] , binnen het kader van de door de VOF met [naam ondernemer] gesloten freelanceovereenkomst. Dat sprake zou zijn van het geven van toestemming aan een ander om informatie te gebruiken ten behoeve van een nog op te richten onderneming, dan wel offertes aan klanten te sturen ten behoeve van de onderneming van die ander is door [naam verweerder] onvoldoende nader geconcretiseerd. Het maakt overigens niet dat daarmee zonder meer sprake zou zijn van het ‘betrokken zijn bij een andere onderneming’.

4.45.

De slotsom is dat de tegenvorderingen van [naam verweerder] zullen worden afgewezen.

4.46.

[naam verweerder] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Ook hier geldt dat de rechtbank in de proceshouding of de standpunten die [naam verweerder] heeft betrokken geen aanleiding ziet voor een veroordeling in de volledige proceskosten. De kosten aan de zijde van [naam eiseres] worden derhalve begroot op

€ 1.707,00 aan salaris advocaat (2 punten x factor 0,5 x tarief € 1.707,00).

van de vordering en de tegenvordering

4.47.

De door [naam eiseres] gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

op de vordering

5.1.

verklaart voor recht dat de vennootschap per 13 november 2017 rechtsgeldig is ontbonden,

5.2.

veroordeelt [naam verweerder] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis zijn volledige medewerking te verlenen aan het opstellen van de jaarrekening 2016 alsook een liquidatiebalans c.q. -jaarrekening per peildatum van 13 november 2017 door de accountant van de vennootschap mevrouw [naam accountant] ,

5.3.

veroordeelt [naam verweerder] om aan [naam eiseres] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij met de nakoming van de onder 5.2. uitgesproken hoofdveroordeling geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,

5.4.

bepaalt dat de kosten voor het opstellen van de jaarrekening 2016, alsook de liquidatiebalans c.q. -jaarrekening voor rekening komen van de vennootschap en bij onvoldoende vermogen voor rekening van partijen zelf, ieder voor de helft,

5.5.

bepaalt dat partijen overeenkomstig de nader op te stellen liquidatiebalans c.q.

-jaarrekening binnen 14 dagen na totstandkoming tot financiële afwikkeling dienen over te gaan,

5.6.

gelast de wijze van verdeling ex artikel 3:185 BW met inachtneming van de standpunten van [naam eiseres] , een en ander zoals hiervoor is weergegeven in rechtsoverwegingen 4.24.a, 4.24.b, 4.24.c, 4.24.e, 4.26.a, 4.26.b, 4.26.c en 4.26.d,

5.7.

veroordeelt [naam verweerder] aan de vennootschap te restitueren een bedrag van

€ 37.244,51 uit hoofde van de overgeboekte gelden van 8, 9 en 10 november 2017, alsook

1 december 2017, te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente ex artikel 6:119 BW over voornoemd bedrag vanaf 18 november 2017 tot aan de dag van voldoening,

5.8.

veroordeelt [naam verweerder] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis:

( a) te overleggen zijn rekeningafschriften respectievelijk de bij- en afschrijvingen op zijn privérekening met nummer [rekeningnummer 2] vanaf 7 november 2017 ter

vaststelling van de ontvangst van en de omvang van de aan de vennootschap toekomende gelden afkomstig van klanten zoals vermeld in productie 41 bij procesinleiding, en

( b) op de zakelijke rekening van de vennootschap met nummer [rekeningnummer 3] te storten alle aan de vennootschap toekomende gelden zoals die kunnen worden vastgesteld aan de hand van de onder (a) genoemde rekeningafschriften,

5.9.

veroordeelt [naam verweerder] om aan [naam eiseres] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij met de nakoming van de onder 5.8. (a) en/of (b) uitgesproken hoofdveroordeling geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,

5.10.

veroordeelt [naam verweerder] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis [naam eiseres] , alsook de systeembeheerder van de vennootschap, te weten [naam bedrijf] . te Nootdorp, onbeperkte toegang te verlenen en te blijven verlenen tot het zakelijke (internet)account van de vennootschap, en wel op een zodanige wijze dat alle opgeslagen informatie vanaf 1 januari 2015 ten aanzien van de vennootschap in het algemeen en ten aanzien van [naam eiseres] en [naam ondernemer] toegankelijk wordt,

5.11.

veroordeelt [naam verweerder] om aan [naam eiseres] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij met de nakoming van de onder 5.10 uitgesproken hoofdveroordeling geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,

5.12.

veroordeelt [naam verweerder] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 1.556,11,

5.13.

veroordeelt [naam verweerder] in de proceskosten, aan de zijde van [naam eiseres] tot op heden begroot op € 2.721,55, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.14.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.15.

wijst het meer of anders gevorderde af,

op de tegenvordering

5.16.

wijst de vorderingen af,

5.17.

veroordeelt [naam verweerder] in de proceskosten, aan de zijde van [naam eiseres] tot op heden begroot op € 1.707,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.18.

verklaart dit vonnis op de tegenvordering wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

op de vordering en de tegenvordering

5.19.

veroordeelt [naam verweerder] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 246,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [naam verweerder] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.20.

verklaart dit vonnis wat betreft de nakostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.M.I. de Waele en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2019.