Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:1213

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-03-2019
Datum publicatie
22-03-2019
Zaaknummer
19-1345
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Sluiting café; intrekking drank- en horecawetvergunning; strijd met openbare orde, veiligheid en zedelijkheid; geen strijd met artikel 1 van het Protocol bij het EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/1345

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. F.E.J. Janzing),

en

de burgemeester van de gemeente Nijmegen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2019 heeft verweerder de aan verzoeker verleende Drank- en Horecawetvergunning voor de inrichting [bedrijf] , [locatie] in [woonplaats] , met onmiddellijke ingang ingetrokken. Tevens heeft verweerder verzoeker gelast het café met ingang van 18 maart 2019 voor het publiek gesloten te houden. Voldoet verzoeker niet aan deze last, dan treft verweerder op kosten van verzoeker de vereiste maatregelen om betreding van het café onmogelijk te maken door het pand te verzegelen of dicht te timmeren.

Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2019. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. C.J.T. Brunenberg en mr. C. van der Meijden.

Ter zitting heeft verweerder toegezegd de daadwerkelijke sluiting van het café op te schorten tot de uitspraak van de voorzieningenrechter.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Op 6 juli 2017 heeft verweerder verzoeker een Drank- en Horecawetvergunning verleend voor de exploitatie van inrichting [bedrijf] . Aan deze vergunning is onder meer het voorschrift verbonden dat [verzoeker] (broer van verzoeker) geen adviserende, beleidsbepalende of overige betaalde dan wel onbetaalde werkzaamheden mag verrichten binnen de inrichting. Ook mag hij zich niet bevinden in niet voor het publiek toegankelijke ruimten zoals achter de toonbank en in de keuken van de inrichting. Deze vergunning heeft na uitspraak van de rechtbank op 7 december 2018 (AWB 17/5695) formele rechtskracht en staat daarom vast.

3. Op 27 december 2018 heeft verweerder een bestuurlijke rapportage ontvangen van de politie. In deze bestuurlijke rapportage worden incidenten beschreven die zich in of nabij de horeca inrichting hebben voorgedaan.

4. Verweerder heeft in de incidenten aanleiding gezien de drank- en horecawetvergunning van verzoeker in te trekken en hem te gelasten het café met ingang van 18 maart 2019 te sluiten voor het publiek. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat de openbare orde en veiligheid in gevaar zijn door het van kracht blijven van de Drank- en Horecavergunning. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat aan dit standpunt ten grondslag is gelegd dat op 16 december 2018 een steekpartij in het café heeft plaatsgevonden, de overlast van de klanten en signalen van geweld en alcoholmisbruik. Verder is meegewogen dat de broer van verzoeker werkzaam is in de inrichting dan wel een adviserende of beleidsbepalende rol heeft. Hiermee wordt het aan de vergunning verbonden voorschrift dat de broer van verzoeker hier geen werkzaamheden in ruime zin mag verrichten, overtreden. Dat voorschrift was daaraan verbonden op grond van een advies van het Landelijk Bureau BIBOB. Bovendien weegt verweerder mee dat de verkoop van grote hoeveelheden lachgas in ballonnen aan klanten als kleinhandel moet worden aangemerkt. Dit is in strijd met de Drank- en Horecawet en heeft ook nadelige gevolgen voor de openbare orde, gelet op de aantrekkingskracht op jongeren en de overlast die dit oplevert voor de omgeving.

Gevaar voor de openbare orde en veiligheid

5. Verzoeker voert aan dat verweerder ten onrechte niet motiveert waarom de vrees gewettigd is dat het van kracht blijven van de vergunning (nieuw) gevaar voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid zal opleveren. Verwijzing naar een bestuurlijke rapportage waarin wordt gesproken van ‘vermoedens’ is niet voldoende. Verzoeker voert verder aan dat op grond van het beleid van verweerder (de beleidsregel handhaving Drank en Horecawet) bij een eerste overtreding van de voorschriften van de vergunning een waarschuwing wordt opgelegd. Verweerder heeft ten onrechte niet gemotiveerd waarom van het beleid wordt afgeweken.

5.1.

Op grond van artikel 31, eerste lid, aanhef en onder c, van de Drank- en Horecawet wordt een vergunning door de burgemeester ingetrokken, indien zich in de betrokken inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven der vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid. Ten aanzien van de vraag de incidenten de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de drank- en horecavergunning gevaar oplevert voor de openbare orde en veiligheid, komt aan de burgemeester beoordelingsruimte toe. Het ligt daarbij wel op de weg van de burgemeester om te motiveren waarom in dit geval op grond van de genoemde incidenten de vrees bestaat dat het in stand blijven van de drank- en horecavergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde en veiligheid. De rechter dient die beoordeling enigszins afstandelijk te toetsen.1

5.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de inhoud van de bestuurlijke rapportage die verweerder aan het besluit ten grondslag heeft gelegd. Wat verzoeker heeft aangevoerd, levert onvoldoende aanknopingspunten op voor de conclusie dat de hierin opgenomen waarnemingen onjuist zijn. Dit betekent dat verweerder de bestuurlijke rapportage bij de besluitvorming mocht betrekken.

Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat in de inrichting een steekpartij is geweest, waarbij een bezoeker ernstig werd verwond. Verder blijkt hieruit dat verzoeker ballonnen met lachgas verkocht aan klanten, hetgeen verzoeker ook erkend heeft. Zoals verzoeker ter zitting heeft erkend trok deze verkoop bepaald publiek aan. Doordat verzoeker niet heeft voorkomen dat de bezoekers de lachgasballonnen mee naar buiten namen, ontstond ook buiten de inrichting veel overlast, hetgeen ook blijkt uit de meldingen van buurtbewoners over aanhoudende overlast. Reeds daarom heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bevindingen zoals neergelegd in de bestuurlijke rapportage voldoende aannemelijk maken dat zich feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de drank- en horecavergunning gevaar voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid zou opleveren. Dat verzoeker – zoals hij ter zitting stelde – gestopt zou zijn met de verkoop van lachgasballonnen maakt dat niet anders.
Gelet op de imperatieve formulering van artikel 31, eerste lid, aanhef en onder c, van de DHW was verweerder dan ook gehouden de drank- en horecavergunning in te trekken. Voor een belangenafweging is in de DHW daarom geen ruimte.

Artikel 1 van het eerste Protocol bij het EVRM

6. Verzoeker betoogt verder dat intrekking van de vergunning in strijd is met artikel 1 van het Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het Protocol). Op grond van dit artikel dienen inbreuken op het eigendomsrecht evenredig en proportioneel te zijn. De economische belangen van verzoeker zijn groot en er zijn andere, minder ingrijpende, mogelijkheden om een sanctie op te leggen. Het imperatieve karakter van de DHW moet daarom wijken voor de toetsing inclusief de verplichte belangenafweging op grond van artikel 1 van het Protocol, aldus verzoeker.

6.1.

Ingevolge artikel 1 van het Protocol heeft iedere natuurlijke of rechtspersoon recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. Deze bepalingen tasten ingevolge dit artikel, voor zover hier verder van belang, op geen enkele wijze het recht aan, dat een staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

6.2.

Hieruit volgt dat inmengingen in het recht op het ongestoord genot van eigendom zijn toegestaan, mits deze "bij wet" zijn voorzien en door het algemeen belang worden gerechtvaardigd. De intrekking van de vergunning ingevolge de DHW is een inmenging in het recht van verzoeker op het ongestoord genot van zijn eigendom, te weten de uitoefening van zijn bedrijf en de daarmee gepaard gaande economische belangen, aangezien dit gebruik door de intrekking wordt beperkt. De bevoegdheid tot intrekking van een horecavergunning is neergelegd in artikel 31 van de DHW en is aldus bij wet voorzien. Voorts is het algemeen belang gediend met de toepassing van deze bevoegdheid in dit geval, aangezien, zoals hiervoor is overwogen, de burgemeester zich op het standpunt mocht stellen dat ernstig vrees bestaat dat zich in de betrokken inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde. Geen grond bestaat voor het oordeel dat geen redelijk evenwicht bestaat tussen het met de intrekking van de horecavergunning gediende algemeen belang en de nadelige gevolgen daarvan voor verzoeker. Naar voorlopig oordeel is daarom geen sprake van strijd met artikel 1 van het Protocol. Het betoog faalt.

Overige gronden

7. De overige gronden, te weten te betwisting dat verzoekers broer, [verzoeker] , feitelijk leidinggevende is en dat hij werkzaamheden voor [bedrijf] heeft verricht en dat het verbod van kleinhandel is overtreden, behoeven gelet op de overwegingen 5 en 6 niet te worden beoordeeld.

Conclusie:

8. Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding te veronderstellen dat het bestreden besluit in bezwaar niet in stand zal blijven. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is daarom geen reden. Het verzoek om voorlopige voorziening zal dan ook worden afgewezen. Dit betekent dat het café niet voor publiek geopend mag zijn.

9. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.H.Y. Snoeren-Bos, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Zie hiervoor onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX0286.