Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:1151

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-01-2019
Datum publicatie
18-03-2019
Zaaknummer
C/05/340419/HA ZA 18-36
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. IPR. Heling aluminium oplegger door recyclingbedrijf. Koop en sloop zonder nader onderzoek onrechtmatig. Causaliteit. Schadebegroting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/340419 / HA ZA 18-36

Vonnis van 9 januari 2019

in de zaak van

naamloze vennootschap naar Belgisch recht

KATOEN NATIE KEMPEN N.V.,

gevestigd te (B-2030) Antwerpen (België),

eiseres,

advocaat mr. R.W.J.M. te Pas te Rotterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RECYCLING DE BETUWE B.V.,

gevestigd te Tiel,

gedaagde,

advocaat mr. S.A. Lang te Amsterdam,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te Tiel,

gedaagde,

voormalig advocaat: mr. S.A. Lang te Amsterdam, die zich op 3 oktober 2018 heeft onttrokken als advocaat van [gedaagde sub 2]; thans niet langer vertegenwoordigd.

Eiseres zal hierna Katoen Natie genoemd worden en gedaagden De Betuwe en [gedaagde sub 2].

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 2 november 2016 in de zaak C/05/306705 / HA ZA 16-394

  • -

    de comparitie van 25 januari 2017

  • -

    de doorhaling op de rol

  • -

    de akte tot opbrengen van 22 augustus 2018, met als productie het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 7 december 2017 met parketnummer 21-004789-16 (verder : het arrest van 7 december 2017)

  • -

    de akte van 19 september 2018 aan de zijde van De Betuwe en [gedaagde sub 2], waarin mr. Lange verklaart dat De Betuwe en [gedaagde sub 2] failliet zijn en zijn telefonische mededeling aan de griffier op 20 september 2018 dat dit alleen geldt voor De Betuwe en niet voor [gedaagde sub 2]

  • -

    de onttrekking van mr. De Lange als advocaat van [gedaagde sub 2].

1.2.

Bij vonnis van 14 november 2017 is het faillissement van De Betuwe uitgesproken. De procedure tussen Katoen Natie en De Betuwe is door het faillissement van De Betuwe geschorst.

1.3.

Nadat de advocaat van [gedaagde sub 2] zich heeft onttrokken en zich geen andere advocaat heeft gesteld, is vonnis bepaald.

2 De feiten.

2.1.

Tussen 4 augustus 2014 om 16:00 uur en 5 augustus 2014 om 08:00 uur zijn een aan Katoen Natie in eigendom toebehorende Scania trekker (verder: de trekker) en Spitzer tankoplegger (verder: de oplegger) gestolen vanaf haar terrein te Laakdal in België. De trekker en oplegger waren in grote witte letters voorzien van de naam van Katoen Natie. Katoen Natie had de oplegger op 10 november 2011 aangeschaft voor een bedrag van € 58.000,00.

2.2.

Nadat de diefstal op 5 augustus 2014 was geconstateerd, is daarvan aangifte gedaan. De politie heeft daarop, met behulp van zich op/in de trekker en oplegger bevindende ‘track and trace’-systemen, de trekker aangetroffen op een terrein aan de Overbroekstraat te Ochten en, op 7 augustus 2014, de oplegger op het terrein van De Betuwe te Tiel.

2.3.

Op het moment dat de politie de oplegger aantrof was deze al door De Betuwe gedemonteerd en in stukken gesneden. Door de daardoor ontstane schade is hij niet meer te gebruiken.

2.4.

Voor de reparatie van de trekker heeft Katoen Natie op 8 oktober 2014 een factuur ontvangen van € 4.863,82.

2.5.

Bij vonnis van 1 september 2016 van de politierechter van deze rechtbank is [gedaagde sub 2] veroordeeld tot een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf wegens schuldheling van de oplegger. Tegen dit vonnis heeft [gedaagde sub 2] hoger beroep ingesteld. Bij het arrest van 7 december 2017 is het vonnis van de politierechter vernietigd en heeft het hof, opnieuw rechtdoende, [gedaagde sub 2] veroordeeld wegens schuldheling tot een geldboete van € 5.000,00 waarvan € 2.000,00 voorwaardelijk. Het door [gedaagde sub 2] ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van 7 december 2017 is bij arrest van de Hoge Raad van 19 juni 2018 niet-ontvankelijk verklaard, waarmee het arrest van 7 december 2017 in kracht van gewijsde is gegaan.

2.6.

Het hof heeft bewezenverklaard dat [gedaagde sub 2] in de periode van 5 augustus 2014 tot en met 7 augustus 2014 te Tiel een oplegger heeft verworven terwijl hij ten tijde van het verwerven van die oplegger redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

2.7.

Het hof heeft voor de bewezenverklaring de volgende onderbouwing gegeven, waarin [gedaagde sub 2] wordt aangeduid als ‘verdachte’.

Op 5 augustus 2014 is in België aangifte gedaan van diefstal van een trekker opleggercombinatie. Op 7 augustus 2014 trof de politie de oplegger (in gedeelten) aan op het terrein van Recycling Betuwe BV te Tiel. Verdachte heeft verklaard dat er op 5 augustus 2014 ‘s morgens om 07:30 uur drie voor hem onbekende mannen bij zijn bedrijf (Recycling De Betuwe BV) te Tiel kwamen. De mannen reden in een auto met Belgisch kenteken en met een trekker-opleggercombinatie, waarvan de trekker eveneens was voorzien van een Belgisch kenteken. Aanvankelijk werd de oplegger te koop aangeboden, later ook de trekker. Verdachte had echter alleen belangstelling voor de oplegger. Verdachte heeft niet gecontroleerd of de oplegger voorzien was van een chassisnummer en of daar mee geknoeid was en de oplegger was niet voorzien van een kenteken. Het kenteken was volgens de man die het woord voerde ingenomen omdat de oplegger in verband met haarscheurtjes in het aluminium was afgekeurd. De oplegger is vervolgens voor een bedrag van € 3.366,- door het bedrijf van verdachte van deze mannen gekocht. Het hof is van oordeel dat het, gelet op de hiervoor weergegeven omstandigheden waarbij vroeg in de ochtend een op het oog nog bruikbare oplegger zonder kenteken wordt aangeboden door drie onbekende Belgische mannen, op de weg van verdachte had gelegen nader onderzoek te doen naar de herkomst van de oplegger. Verdachte heeft evenwel geen enkel onderzoek gedaan; hij heeft zelfs niet gekeken of de oplegger was voorzien van een chassisnummer en of daar mee geknoeid was. Verdachte heeft zich er tijdens de zitting in hoger beroep voor het eerst op beroepen dat hij via de Metaal Recycling Federatie meldingen krijgt over diefstal van metalen voorwerpen. Over de trekker met oplegger had hij geen melding ontvangen op het moment dat de mannen de trekker met oplegger aanboden dus er was voor hem geen reden over de herkomst van de oplegger te twijfelen of nader onderzoek te doen. Deze stelling kan evenwel niet slagen en het hof overweegt daarover als volgt. Indien verdachte inderdaad in augustus 2014 dergelijke meldingen ontving kan het hof niet inzien waarom hij deze stelling voor het eerst ter zitting in hoger beroep (en niet eerder tijdens zijn politieverhoor of, door zijn raadsman, bij de zitting in eerste aanleg) naar voren heeft gebracht. Desgevraagd heeft hij daar ook geen logische verklaring voor kunnen geven. Daarbij komt dat verdachte de stelling dat hij dergelijke mails reeds in augustus 2014 ontving onvoldoende heeft onderbouwd. Het ter zitting in hoger beroep overleggen van mailberichten van deze federatie gedateerd 17 november 2017 kan niet als onderbouwing gelden voor de stelling dat verdachte deze ook al in augustus 2014 ontving.

Maar zelfs als de stelling van verdachte voor juist wordt aangenomen, is het hof van oordeel dat de omstandigheid dat verdachte op de ochtend na de diefstal van de trekker met oplegger (nog) geen mail had ontvangen dat de hem aangeboden trekker-opleggercombinatie was gestolen, onvoldoende is om te oordelen dat verdachte aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan. Het is immers zeer wel mogelijk dat de diefstal zeer recent was gepleegd of nog niet ontdekt was en een melding daarvan dus nog niet gedaan was. Hij had zo’n melding zelfs nog na de koop af kunnen wachten of contact met de federatie op kunnen nemen, in ieder geval voordat hij de oplegger daadwerkelijk liet verwerken. Maar in plaats daarvan liet hij de oplegger direct op dezelfde dag door zijn zoon slopen. Verdachte heeft zich derhalve op geen enkele wijze ervan vergewist dat deze oplegger zonder papieren te goeder trouw aan hem werd aangeboden.

2.8.

[gedaagde sub 2] is enig aandeelhouder en bestuurder van De Betuwe

3 De vordering en het verweer daartegen

3.1.

Katoen Natie vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad

  1. voor recht verklaart dat De Betuwe en [gedaagde sub 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade van Katoen Natie en

  2. De Betuwe en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, in de zin dat als de een betaalt de ander tot het betaalde gedeelte zal zijn gekweten, veroordeelt tot betaling van bedragen van € 49.300,00, € 20.720,00 en € 4.019,69 aan hoofdsom en € 1.195,15 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten, waaronder nakosten.

3.2.

Katoen Natie voert ter onderbouwing van haar vordering - kort weergegeven - aan dat De Betuwe en [gedaagde sub 2] jegens haar onrechtmatig hebben gehandeld en dat zij de daardoor ontstane schade dienen te vergoeden. Zij stelt dat [gedaagde sub 2] bij het kopen van de oplegger niet de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen en willens en wetens een oplegger met aanzienlijke waarde afkomstig van diefstal heeft gekocht en gedemonteerd en verzaagd. Katoen Natie heeft daardoor, zo stelt zij, schade ondervonden bestaande uit de waarde van de oplegger van € 49.300,00 (85 % van de aanschafwaarde), en een bedrag van € 20.720,00 (€ 112,00 per dag x 185 dagen) voor de dagen vanaf de diefstal dat ze de oplegger niet heeft kunnen gebruiken. De Betuwe en [gedaagde sub 2] zijn, aldus Katoen Natie, ook aansprakelijk voor de herstelkosten van de trekker, te weten € 4.019,69, gelet op de samenhang tussen diefstal van trekker en oplegger, en omdat zij er, naar eigen zeggen, van uit gaat dat sprake was van “samenwerking”.

3.3.

De Betuwe en [gedaagde sub 2] voeren verweer. Ze betwisten dat [gedaagde sub 2] bij het kopen van de oplegger niet de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen en willens en wetens een gestolen oplegger, of een oplegger waarvan hij redelijkerwijs kon weten dat die gestolen was, heeft gekocht en verzaagd. Hij betwist voorts de causaliteit en de hoogte van de schade. Ten aanzien van de diefstal van en de schade aan de trekker betwisten De Betuwe en [gedaagde sub 2] dat hen daar een verwijt voor kan worden gemaakt.

3.4.

Voor zover nodig wordt hierna nader op de stellingen van partijen ingegaan.

4 De beoordeling

bevoegdheid

4.1.

In dit geding met internationale aspecten heeft deze rechtbank reeds rechtsmacht op grond van art. 4 lid 1 van de herschikte EEX-Verordening (nr. 1215/2012), nu De Betuwe en [gedaagde sub 2], die overigens voor de rechtbank Gelderland zijn verschenen zonder de bevoegdheid te betwisten, woonplaats hebben in Nederland.

schorsing

4.2.

De rechtbank constateert dat de procedure tussen Katoen Natie en De Betuwe op grond van artikel 29 Faillissementswet (Fw) is geschorst nu De Betuwe op 14 november 2017 in staat van faillissement is verklaard. Deze procedure zal naar de parkeerrol worden verwezen.Gelet daarop blijft het geschil tussen Katoen Natie en de Betuwe thans verder onbesproken.

comparitie

4.3.

Katoen Natie heeft in de akte tot opbrengen gevraagd een comparitie van partijen te bepalen. Echter, direct voor de doorhaling op de rol op 25 januari 2017 heeft nog een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarin partijen hun standpunten hebben toegelicht en een schikking hebben beproeft. Nu na het opnieuw aanbrengen van de zaak bij akte alleen het arrest van 7 december 2017 is ingebracht, waarop [gedaagde sub 2] heeft kunnen reageren, maar dat – na onttrekking van zijn advocaat – niet heeft gedaan, en het verzoek tot het houden van een nieuwe comparitie niet is gemotiveerd heeft de rechtbank onvoldoende aanleiding gezien een nieuwe comparitie te bevelen en is, mede gelet op het belang van de voortgang van de zaak, direct vonnis bepaald.

ten aanzien van de oplegger:

het toepasselijk recht

Katoen Natie stelt dat [gedaagde sub 2] aansprakelijk is voor de schade door het verloren gaan van de oplegger, omdat [gedaagde sub 2] de oplegger in Tiel in Nederland zou hebben geheeld en daar vervolgens vrijwel direct zou hebben laten demonteren en in stukken laten snijden, waardoor de oplegger niet meer te gebruiken was. De gestelde (directe) schade heeft zich derhalve in Nederland voorgedaan, zodat de op onrechtmatige daad gegronde vordering tot vergoeding van die schade gelet op artikel 4 van de verordening (EG) nr. 864/2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II), moet worden beoordeel naar Nederlands recht.

de aansprakelijkheid

4.4.

[gedaagde sub 2] betwist niet dat hij de oplegger na de diefstal heeft gekocht en kort daarop heeft laten demonteren en in stukken laten snijden, waarmee hij onherstelbaar is vernield. Hij betwist echter dat hij daarmee onrechtmatig heeft gehandeld.

4.5.

Niet in geschil is dat met de in rov. 2.6. geciteerde bewezenverklaring op de voet van art. 161 Rv in dit civiele geding dwingend is bewezen dat [gedaagde sub 2] in de periode van 5 augustus 2014 tot en met 7 augustus 2014 te Tiel een oplegger heeft verworven, terwijl hij ten tijde van het verwerven van die oplegger redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Hiertegen staat tegenbewijs vrij, zo volgt uit art. 151 lid 2 Rv.

4.6.

[gedaagde sub 2] heeft echter de navolgende feiten die het hof aan de bewezenverklaring ten grondslag heeft gelegd, zoals aangehaald in rov. 2.7., niet betwist:

  • -

    Op 5 augustus 2014 ‘s morgens om 07:30 uur kwamen drie voor [gedaagde sub 2] onbekende mannen bij zijn bedrijf.

  • -

    De mannen reden in een auto met Belgisch kenteken en met een trekker-opleggercombinatie, waarvan de trekker eveneens was voorzien van een Belgisch kenteken. De oplegger was niet voorzien van een kenteken.

  • -

    Aanvankelijk werd de oplegger te koop aangeboden, later ook de trekker. [gedaagde sub 2] had alleen belangstelling voor de oplegger.

  • -

    [gedaagde sub 2] heeft niet gecontroleerd of de oplegger voorzien was van een chassisnummer en of daar mee geknoeid was

  • -

    De oplegger is vervolgens voor een bedrag van € 3.366,00 door het bedrijf van [gedaagde sub 2] (De Betuwe) van de mannen gekocht.

  • -

    [gedaagde sub 2] heeft de trekker nog diezelfde dag door zijn zoon laten slopen, zonder af te wachten of er nog een melding kwam via de Metaal Recycling Federatie (MRF) of een dergelijke oplegger als gestolen is gemeld.

4.7.

[gedaagde sub 2] heeft evenmin betwist dat de oplegger duidelijk voorzien was van de naam ‘Katoen Natie’, dat de oplegger ten tijde van diefstal nog geen drie jaar oud was en dat hij, volgens [gedaagde sub 2] zelf, er nog netjes en betrekkelijk nieuw uitzag en dat hij er niet uitzag dat hij rijp was voor de sloop. Hij heeft niet betwist dat de oplegger is gekocht tegen de kiloprijs van het aluminium waarvan hij gemaakt was en dat hij geen legitimatie heeft gevraagd van de verkopers.

4.8.

Ten aanzien van deze niet betwiste feiten is tegenbewijslevering niet aan de orde.

4.9.

Vast staat dus dat aan [gedaagde sub 2], vroeg in de ochtend, een op het oog nog bruikbare oplegger zonder kenteken tegen een sloopprijs is aangeboden door drie onbekende Belgische mannen. Evenals het hof in de strafzaak is de rechtbank van oordeel dat het in deze omstandigheden op de weg van [gedaagde sub 2] had gelegen om, voor hij tot koop overging en in ieder geval voor hij de oplegger liet slopen, nader onderzoek te doen naar de herkomst van de oplegger. [gedaagde sub 2] heeft evenwel naar eigen zeggen geen ander onderzoek gedaan dan het meldpunt van de MRF te raadplegen of er op dat moment al een truck met oplegger als gestolen was gemeld. Met het eenmalig raadplegen van het meldpunt heeft [gedaagde sub 2] in de genoemde omstandigheden niet aan zijn onderzoeksplicht voldaan. [gedaagde sub 2] heeft immers niet betwist dat het zeer wel mogelijk is dat de diefstal zeer recent was gepleegd of nog niet ontdekt was en een melding daarvan dus nog niet gedaan was, of dat een melding, temeer omdat het om een Belgische oplegger ging, nog niet bij het meldpunt was verwerkt. Hij had zo’n melding zelfs nog na de koop af kunnen wachten of contact met de federatie op kunnen nemen, in ieder geval voordat hij de oplegger daadwerkelijk liet verwerken. Dit heeft hij niet gedaan. Hij heeft niet gekeken of de oplegger voorzien was van een chassisnummer en of daar mee geknoeid was en heeft geen legitimatie gevraagd van de verkopers. Hij heeft geen onderzoek gedaan naar de op de oplegger en trailer vermelde bedrijfsnaam. [gedaagde sub 2] heeft zich derhalve er onvoldoende van vergewist dat de oplegger zonder papieren te goeder trouw aan hem werd aangeboden. Hij heeft de oplegger direct op dezelfde dag door zijn zoon laten slopen, waarmee het voor de rechtmatig eigenaar van de oplegger, Katoen Natie, onmogelijk werd deze zonder of met beperkte schade terug in haar bezit te krijgen. Met deze gedragingen, die in de strafzaak zijn gekwalificeerd als het misdrijf schuldheling, heeft [gedaagde sub 2] gehandeld in strijd met de wet en met wat in het maatschappelijk verkeer betaamt. Deze daad is te wijten aan zijn schuld en kan hem worden toegerekend.

4.10.

[gedaagde sub 2] heeft nog als verweer het volgende aangevoerd:

  • -

    Het opkopen van metaal is de normale bedrijfsactiviteit van zijn bedrijf.

  • -

    De (overigens nog verder belastende, maar in voornoemde overwegingen niet betrokken) omstandigheid dat in zijn opkoopregister als verkoper van de oplegger de naam stond vermeld van een persoon die met die verkoop niets mee te maken had, is te verklaren doordat de mannen deze naam valselijk hebben opgegeven.

  • -

    Alleen bij het aanbieden van koper, en dus niet bij het aanbieden van aluminium, is het wettelijk verplicht naar legitimatie te vragen.

  • -

    Hij heeft de oplegger gekocht voor een marktconforme metaal(-kilo)prijs.

  • -

    De winstmarge was beperkt.

  • -

    Hij heeft de mannen nog gevraagd waarom ze een op het oog nog goede oplegger aanboden voor de sloop. Hun antwoord, dat er haarscheurtjes in het aluminiumchassis zaten waarvan de reparatiekosten te hoog waren en de oplegger was afgekeurd, kwam hem plausibel over. Hij heeft nog met een magneet gecontroleerd of het chassis inderdaad van aluminium was.

  • -

    De mannen zeiden dat je in België met een oplegger met een ingetrokken kenteken mocht rijden.

  • -

    Hij heeft het aanbod van de mannen om ook de trekker te kopen afgewezen en verkopers daarvoor verwezen naar vrachtwagenhandelaren.

De rechtbank overweegt dat, in het midden gelaten of deze door [gedaagde sub 2] gestelde feiten en omstandigheden kunnen worden vastgesteld, deze niet af doen aan de overwegingen en conclusies als weergegeven onder rov 4.9. In de gegeven omstandigheden had [gedaagde sub 2] niet zonder nader onderzoek mogen afgaan op de door [gedaagde sub 2] genoemde verhalen van de mannen. Dat Jansen de trekker naar eigen zeggen niet heeft willen slopen en de mannen daarvoor heeft doorverwezen naar een vrachtwagenhandelaar maakt het wel kopen en slopen van de oplegger niet minder onrechtmatig. In tegendeel, dat de mannen ook een trekker aan het recyclingbedrijf hebben aangeboden, terwijl voor [gedaagde sub 2] duidelijk was dat die trekker voor een betere prijs aan een vrachtwagenhandelaar te verkopen was, zou voor hem des temeer reden moeten zijn voor nader onderzoek. Nu het oordeel dat [gedaagde sub 2] onrechtmatig heeft gehandeld dus niet beïnvloed wordt door de voornoemde feiten kan bewijslevering op dat punt achterwege blijven.

4.11.

[gedaagde sub 2] heeft verder nog de causaliteit tussen zijn onrechtmatig handelen en de schade aan de oplegger betwist. In dat verband is het volgende van belang. Vast staat dat de locatie van de oplegger, relatief kort nadat aangifte was gedaan van de diefstal, door middel van een track and trace-systeem is achterhaald. Vast staat dat de oplegger toen al door De Betuwe en [gedaagde sub 2] in stukken was gezaagd. Niet betwist is dat de oplegger vóórdat hij in stukken was gezaagd nog bruikbaar was en hij door dit het demonteren en zagen voor Katoen Natie verloren is gegaan. Daarmee staat het causaal verband tussen dit verloren gaan en de onrechtmatige daad van [gedaagde sub 2] vast. Daaraan doet niet af de door [gedaagde sub 2] opgeworpen stelling dat indien de oplegger niet door De Betuwe en [gedaagde sub 2] was gekocht en stuk gezaagd, deze door toedoen van een ander recycling- of oud ijzer en metaalhandel-bedrijf zou zijn vernietigd, nog vóórdat hij zou zijn getraceerd, waarbij [gedaagde sub 2] er op wijst dat de politie de oplegger uiteindelijk pas op 7 augustus 2014 omstreeks 12:00 uur, 52,5 uur na het aanbieden van de oplegger op 5 augustus 2014 om 7:30 uur bij De Betuwe heeft aangetroffen. Immers, de door [gedaagde sub 2] veronderstelde latere vernietiging van de oplegger als gevolg van heling en demontage door een ander bedrijf, verbreekt het causaal verband tussen de onrechtmatige daad van [gedaagde sub 2] en de schade niet (zoals volgt uit de vaste jurisprudentie, vergelijk HR 04-03-1966, ECLI:NL:HR:1966:AB6812, NJ 1966, 268; HR 23-06-1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0832 (bedrijfs-verplaatsing Budel), NJ 1990,441 en HR 07-12-2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2795, NJ 2002,576 rov. 3.4.). Door het onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 2] was reeds het resultaat, het onbruikbaar worden van de oplegger, ingetreden, waarmee de door Katoen Natie geleden schade vaststond. Dat zonder dat handelen wellicht door toedoen van een ander bedrijf dezelfde schade zou zijn ontstaan is dan zonder belang. Dit nog daargelaten dat er, anders dan [gedaagde sub 2] stelt, in zijn algemeenheid, zonder nadere onderbouwing, die niet is gegeven, niet van kan worden uitgegaan dat binnen 52,5 uur een (recycling- of oud metaalhandel)bedrijf bereid zou zijn gevonden een oplegger waarvan vermoed kon worden dat die gestolen was te kopen en te vernietigen, waarmee dat bedrijf dan hetzelfde misdrijf zou plegen, als waarvoor [gedaagde sub 2] is veroordeeld, schuldheling.

de schadebegroting

4.12.

Het vorenstaande betekent dat [gedaagde sub 2] aansprakelijk is voor de schade die Katoen Natie als gevolg van zijn onrechtmatige daad leidt. Partijen verschillen van standpunt wat de hoogte daarvan is. Katoen Natie stelt dat de schade door het verloren gaan van de trailer bestaat uit de waarde van de verloren oplegger, volgens Katoen Natie € 49.300,00, zijnde 85% van de aanschafwaarde, en een schadepost wegens het gedurende 185 dagen niet kunnen beschikken over de oplegger, totdat een nieuwe oplegger was aangeschaft, waarvoor zij een forfaitair bedrag van €185,00 per dag vraagt. Een en ander wordt door [gedaagde sub 2] bestreden.

4.13.

Bij de bepaling van die hoogte geldt het uitgangspunt dat de schadevergoeding de benadeelde, Katoen Natie, zoveel mogelijk in de toestand moet brengen waarin zij zou verkeren indien de onrechtmatige daad niet zou hebben plaatsgevonden. Ten aanzien van het bestaan en de omvang van de schade gelden weliswaar in beginsel de gewone bewijsregels, maar daarbij is de rechter ingevolge art. 6:97 BW bevoegd de schade te begroten op de wijze die met de aard van deze schade in overeenstemming is, of de schade te schatten indien deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld (HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1483, NJ 2017/262). In gevallen van zaaksbeschadiging is uitgangspunt dat de eigenaar van de beschadigde zaak door die beschadiging een nadeel in zijn vermogen lijdt dat gelijk is aan de waardevermindering die de zaak heeft ondergaan. Vast staat dat de oplegger niet meer economisch verantwoord hersteld kon worden. Evenmin is punt van geschil dat het gaat om een oplegger zonder eigen, individueel bepaalde kenmerken, van een soort waarvoor een voor het publiek toegankelijke markt bestaat. In een dergelijk geval zal de rechthebbende door dit verlies een nadeel in zijn vermogen lijden dat in het algemeen kan worden gesteld op de waarde in het economisch verkeer van de zaak ten tijde van het verlies (de ‘marktwaarde’, vgl. HR 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO2786, NJ 2005/76).

4.14.

Ten aanzien van de waarde van de oplegger is niet betwist dat deze op 10 november 2011 nieuw is aangeschaft voor een bedrag van € 58.000,00, zoals door Katoen Natie met een aankoopfactuur is onderbouwd. Op het moment van het verloren gaan van de trailer was deze dus 2 jaar en bijna 9 maanden oud. Katoen Natie stelt dat de waarde van de trailer op dat moment 15% minder was dan de nieuwwaarde. Een onderbouwing van dat percentage heeft ze echter niet gegeven. De toepasselijkheid van dit (afschrijvings-) percentage wordt door [gedaagde sub 2] betwist, die echter ook geen onderbouwing heeft gegeven van een volgens hem wel reëel afschrijvingspercentage. Wel heeft [gedaagde sub 2] een uitdraai gegeven van een website met 30 aangeboden tweedehands tankopleggers met prijzen variërend van € 5.850,00 tot € 30.950,00. Deze opleggers en prijzen acht de rechtbank echter niet representatief, nu het gaat om tankopleggers waarvan het bouwjaar meestal ligt (ruim) vóór het jaar 2000 en ook de jongste, waarvoor € 30.950,00 wordt gevraagd, dateert uit juli 2007 en dus ruim vier jaar ouder is dan de oplegger. De rechtbank zal, bij gebrek aan verder informatie, op basis van de voornoemde vaststaande gegevens een schatting maken. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat de marktwaarde van een oplegger ongeveer gelijk zal zijn aan de nieuwwaarde van een oplegger, verminderd met de afschrijving. Daarbij gaat de rechtbank er verder van uitgaat dat een oplegger in het economisch verkeer in 10 jaar wordt afgeschreven, waarna nog een restwaarde van 10% resteert. Dit betekent dat in 10 jaar € 52.200,00 (€58.000,00 - €5.800,00) wordt afgeschreven, wat neer komt op een afschrijving van € 5.220,00 per jaar en derhalve een afschrijving in 2 jaar en 9 maanden van € 14.355,00. (2 ¾ x € 5.220,00). De marktwaarde van de oplegger op het moment van het onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 2] en daarmee de schade door het daardoor verloren gaan van de oplegger wordt daarom begroot op (€ 58.000,00 - € 14.355,00 =) € 43.645,00.

4.15.

Katoen Natie stelt verder dat zij schade heeft geleden door gebruiksderving, gedurende 185 dagen. Dat er sprake is geweest van gebruiksderving en dat dit tot schade heeft geleid is niet betwist. Hoe Katoen Natie tot de periode van 185 dagen is gekomen heeft zij echter niet onderbouwd, anders dan dat zij ter zitting heeft gesteld dat een vervangende oplegger “ook niet zomaar weer is gekocht”. Een onderbouwing had, gelet op het verweer op dit punt van [gedaagde sub 2] wel van haar mogen worden verwacht, zodat de rechtbank de gestelde duur van de gebruiksderving niet als uitgangspunt kan overnemen. De stelling dat met het kiezen, aanschaffen en leveren van een vervangende tankoplegger vanaf het moment dat het voor Katoen Natie duidelijk was dat de gestolen oplegger verloren was, wel enige tijd gemoeid is, is echter door [gedaagde sub 2] niet gemotiveerd weersproken. De rechtbank acht, in het kader van de schadebegroting, daarvoor een termijn van 6 weken reëel. Het bedrag van Katoen Natie per dag gebruiksderving vordert, € 112,00, heeft zij, zo voert zij aan, gebaseerd op een in België gehanteerde “indicatieve tabel met vaste dagvergoedingen”. Zij heeft echter de stelling van [gedaagde sub 2] niet betwist dat, zoals Jansen van een verhuurder van tankopleggers heeft vernomen, de huur van een tankoplegger slechts € 60,00 per dag kost. De rechtbank gaat daarom bij haar begroting daarvan uit, zodat de schade wegens gebruiksderving wordt begroot op (€ 60,00 x 42 =) € 2.520,00. De totale schade vanwege het verlies van de oplegger als gevolg van het handelen van [gedaagde sub 2] komt daarmee op (€ 2.520,00 + € 43.645,00 =) € 46.165,00. Dit bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de gevorderde en niet afzonderlijk betwiste wettelijke rente, vanaf de datum dat de schade is ingetreden, 5 augustus 2014..

ten aanzien van de trekker:

4.16.

Katoen Natie vordert vergoeding van de schade aan de trekker en de reparatiekosten die zij in dat verband heeft moeten maken. Zij heeft echter niet concreet onderbouwd hoe en waar deze schade zou zijn ontstaan en door welke door [gedaagde sub 2] gepleegde en toe te rekenen onrechtmatige daad deze zou zijn veroorzaakt. Voor zover zij stelt dat de schade reeds in België door de diefstal is ontstaan heeft zij niet onderbouwd wat de betrokkenheid van [gedaagde sub 2] bij die diefstal was. De ter comparitie geuite enkele veronderstelling dat er sprake zou zijn van samenwerking tussen [gedaagde sub 2] en de dieven, heeft zij in het geheel niet onderbouwd. De eveneens ter comparitie ingenomen stelling dat de heling van de oplegger niet plaats kon vinden zonder de diefstal van de trekker, leidt, wat er daar ook van zij, nog niet tot de conclusie dat er ook omgekeerd een causaal verband bestaat tussen de heling door [gedaagde sub 2] en die diefstal. Voor zover Katoen Natie stelt dat de schade pas later, in Nederland, is ontstaan, misschien pas nadat de trekker aan De Betuwe en [gedaagde sub 2] aangeboden, heeft zij evenmin onderbouwd door welke aan [gedaagde sub 2] toe te schrijven onrechtmatige gedraging die schade dan zou zijn ontstaan. Verdere grondslagen voor aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] zijn niet gegeven.

4.17.

De vordering met betrekking tot de trekker zal daarom als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen. Nu een deugdelijke feitelijke onderbouwing ontbreekt kan in het midden blijven naar welk recht de aansprakelijkheidsvraag in deze zou moeten worden beoordeeld, nog daargelaten dat door gebrek aan duidelijke stellingen daaromtrent niet zonder meer kan worden vastgesteld waar de directe schade zich zou hebben voorgedaan en welk rechtstelsel dus van toepassing is.

buitengerechtelijke incassokosten:

4.18.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. Katoen Natie heeft niet (voldoende onderbouwd) gesteld dat zij deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

4.19.

Nu [gedaagde sub 2] wordt veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding wegens de bij Katoen Natie ontstane schade aan de oplegger, ontbreekt het belang voor een afzonderlijke verklaring voor recht daaromtrent.

4.20.

[gedaagde sub 2] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Katoen Natie worden begroot (voor de procedures C/05/306705 / HA ZA 16-394 en C/05/340419 / HA ZA 18-36) op:

- dagvaarding € 111,04

- griffierecht 1.929,00

- salaris advocaat 2.685,00 (2,5 punten × tarief € 1.074,00)

Totaal € 4.725,04

5 De beslissing

De rechtbank

in de procedure tussen Katoen Natie en De Betuwe

5.1.

verwijst de procedure tussen Katoen Natie en De Betuwe naar de parkeerrol van 3 april 2019,

in de procedure tussen Katoen Natie en [gedaagde sub 2]

5.2.

veroordeelt [gedaagde sub 2] om aan Katoen Natie te betalen een bedrag van € 46.165,00 (zesenveertigduizend honderdvijfenzestig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 5 augustus 2014 tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [gedaagde sub 2] in de proceskosten, aan de zijde van Katoen Natie tot op heden begroot op € 4.725,04,

5.4.

veroordeelt [gedaagde sub 2] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Katoen Natie niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.P.E.E. van Groeningen en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2019.