Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:1138

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
13-02-2019
Datum publicatie
15-03-2019
Zaaknummer
7311826 eindvonnis 13-2-2019
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Bemiddelingskosten; dienen van twee heren. Website van bemiddelaar is geen ‘elektronisch prikbord’. Afscherming huurder en verhuurder.

Artikelen 7:417 jo 7:427 BW, 7:425 BW en 6:205 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 7311826 \ CV EXPL 18-11948 \ 520 \ 858

uitspraak van

vonnis

in de zaak van

1 [eiser 1]

2. [eiser 2]

3. [eiser 3]

4. [eiser 4]

5. [eiser 5]

6. [eiser 6]

7. [eiser 7]

8. [eiser 8]

9. [eiser 9]

allen wonende te [woonplaats eisers]

eisende partijen

gemachtigde Wezelman Advies

tegen

[gedaagde partij]

wonende te [woonplaats eisers]

gedaagde partij

procederend in persoon

Partijen worden hierna [gezamenlijke eisers] en [gedaagde partij] genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 31 oktober 2018 en de daarin genoemde processtukken

- de comparitie van partijen van 8 januari 2019.

2 De feiten

2.1.

[gezamenlijke eisers] huren sinds 1 juli 2018, dan wel 1 augustus 2018, ieder een kamer in het pand aan de [adres huurders] . Eigenaar en verhuurder van het pand is de [naam verhuurder] (hierna: [naam verhuurder] ). De huurovereenkomsten tussen [gezamenlijke eisers] en [naam verhuurder] zijn namens [naam verhuurder] ondertekend door de beheerder Resoluut Vastgoed, in de persoon van [gedaagde partij] .

2.2.

[gedaagde partij] heeft in het kader van de totstandkoming van de huurovereenkomsten per e-mail aan [gezamenlijke eisers] verzocht om betaling van huur en borg en om een eenmalige contante betaling van € 150,00 aan administratiekosten.

2.3.

[gezamenlijke eisers] hebben elk € 150,00 betaald aan [gedaagde partij] .

3 De vordering en het verweer

3.1.

[gezamenlijke eisers] vorderen dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde partij] veroordeelt tot betaling van alle in rekening gebrachte administratiekosten, te weten € 1.350,00, dan wel een redelijk deel hiervan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling daarvan, dan wel vanaf 22 oktober 2018. [gezamenlijke eisers] vorderen tevens de veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten, waaronder het nasalaris voor de gemachtigde te grootte van een half salarispunt met een maximum van € 100,00.

3.2.

[gezamenlijke eisers] leggen aan hun vordering ten grondslag de stelling dat zij elk een bedrag van € 150,00 aan administratiekosten hebben betaald aan [gedaagde partij] , terwijl [gedaagde partij] daar geen recht op had. [gezamenlijke eisers] stellen dat [gedaagde partij] , die voor het vinden van woonruimte voor [gezamenlijke eisers] als lasthebber heeft opgetreden, tevens heeft opgetreden als lasthebber van de verhuurder. Door administratiekosten in rekening te brengen bij [gezamenlijke eisers] , heeft [gedaagde partij] gehandeld in strijd met artikel 7:417 lid 4, aldus [gezamenlijke eisers]

3.3.

[gedaagde partij] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van [gezamenlijke eisers]

3.4.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[gedaagde partij] heeft, kort samengevat, aangevoerd dat Resoluut Vastgoed optreedt als beheerder voor [naam verhuurder] en dat Resoluut Verhuur heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de huurovereenkomsten in kwestie. Volgens [gedaagde partij] hebben [gezamenlijke eisers] niet gereageerd op een advertentie, maar hebben zij hem persoonlijk benaderd met de opdracht om voor ieder van hen een kamer te zoeken. [gedaagde partij] heeft bij antwoord aangevoerd dat [gezamenlijke eisers] de mogelijkheid hadden om direct, dus zonder zijn tussenkomst, contact op te nemen met [naam verhuurder] en met hem de huurovereenkomsten aan te gaan. [gedaagde partij] heeft verder aangevoerd dat [naam verhuurder] hem niet heeft ingeschakeld en hem niet heeft betaald voor het bemiddelen bij de totstandkoming van de huurovereenkomst. Volgens [gedaagde partij] is er dan ook geen sprake van het dienen van twee heren.

4.2.

De kantonrechter overweegt als volgt.

Indien sprake is van een bemiddelingsovereenkomst is de opdrachtgever op grond van artikel 7:425 BW (in beginsel) loon verschuldigd aan de opdrachtnemer, voor werkzaamheden die de opdrachtnemer verricht voor de totstandkoming van een overeenkomst tussen de opdrachtgever en een derde.

Ingevolge artikel 7:417 leden 2 en 4 BW heeft, in geval van huur van (een gedeelte van) een onroerende zaak, de lasthebber geen recht op loon van de lastgever, indien deze lastgever (de huurder) een natuurlijk persoon is die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf en de lasthebber ook als lasthebber van de wederpartij optreedt, zonder dat de huurder daarvoor zijn schriftelijke toestemming heeft gegeven. Uit artikel 7:427 BW volgt dat artikel 7:417 BW ook van toepassing is op bemiddelingsovereenkomsten als bedoeld in artikel 7:425 BW.

4.3.

Niet in geschil is dat [gezamenlijke eisers] natuurlijke personen zijn die niet handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf, dat zij door tussenkomst van [gedaagde partij] een kamer hebben gehuurd van [naam verhuurder] en dat ieder van hen [gedaagde partij] daarvoor € 150,00 aan bemiddelingskosten – door [gedaagde partij] aangeduid als ‘administratiekosten’ – heeft betaald. De kantonrechter is daarom van oordeel dat sprake is van een bemiddelingsovereenkomst, waarop artikel 7:417 BW jo artikel 7:427 BW van toepassing is.

4.4.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 16 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3099) geoordeeld dat, ook wanneer een huurbemiddelaar woonruimte op zijn website aanbiedt zonder dat de verhuurder hem daarvoor loon verschuldigd is en ongeacht of de huurbemiddelaar de verhuurder daarvoor zelf heeft benaderd, in beginsel sprake is van een bemiddelingsovereenkomst tussen de huurbemiddelaar en de verhuurder.

4.5.

Dat [gedaagde partij] de studentenkamers op de Facebookpagina “StudentenkamersEde” te huur heeft aangeboden is niet in geschil. [gedaagde partij] heeft ter zitting erkend dat hij toestemming van [naam verhuurder] had om de studentenkamers op de Facebookpagina te plaatsen. Dat [naam verhuurder] hem daarvoor niet heeft betaald, zoals [gedaagde partij] aanvoert, is niet van belang. Naar het oordeel van de kantonrechter is, gelet op voormelde uitspraak van de Hoge Raad, ook sprake van een bemiddelingsovereenkomst tussen [gedaagde partij] en [naam verhuurder] .

4.6.

Uit voormeld arrest van de Hoge Raad volgt dat een beroep op artikel 7:417 lid 4 BW jo artikel 7:427 BW niet slaagt, indien de beheerder van de website stelt, en zo nodig bewijst, dat de website alleen als ‘elektronisch prikbord’ fungeerde, met ander woorden, dat de aspirantverhuurder en -huurder de mogelijkheid hadden om zonder tussenkomst van de bemiddelaar met elkaar in contact te treden om over de totstandkoming van een huurovereenkomst te onderhandelen.

De kantonrechter is van oordeel dat [gezamenlijke eisers] voldoende hebben gesteld en onderbouwd dat zij hebben gereageerd op advertenties van studentenkamers en dat daarbij de contactgegevens van [gedaagde partij] (althans Resoluut Vastgoed) stonden vermeld en niet tevens de naam en contactgegevens van [naam verhuurder] . Tijdens de zitting is dit ook erkend door [gedaagde partij] . Van een ‘elektronisch prikbord’, zoals bedoeld door de Hoge Raad, is dan ook geen sprake.

4.7.

Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde partij] niet slaagt in zijn verweer. [gedaagde partij] had geen recht op de bemiddelingskosten die [gezamenlijke eisers] aan hem betaald hebben. Nu [gezamenlijke eisers] zonder rechtsgrond hebben betaald aan [gedaagde partij] , zal de kantonrechter de gevorderde bemiddelingskosten ad € 1.350,00 (negen betalingen van elk € 150,00) als onverschuldigd betaald toewijzen.

4.8.

De gevorderde wettelijke rente is niet betwist, zodat deze toewijsbaar is.

[gezamenlijke eisers] vorderen de wettelijke rente vanaf de dag dat zij de bemiddelingskosten aan [gedaagde partij] hebben betaald.

Uit de onverschuldigde betalingen door [gezamenlijke eisers] vloeit een verbintenis tot terugbetaling voort. Ingevolge artikel 6:205 BW is de ontvanger zonder ingebrekestelling in verzuim, indien hij de betaling te kwader trouw heeft ontvangen. Indien hij de betalingen te goeder trouw heeft ontvangen, dient hij eerst in gebreke te zijn gesteld om in verzuim te komen en is hij de wettelijke rente verschuldigd vanaf de datum waarop het verzuim intreedt.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde partij] de betalingen van [gezamenlijke eisers] niet te kwader trouw ontvangen, nu moet worden aangenomen dat hij wist noch vermoedde dat [gezamenlijke eisers] de betalingen hebben verricht zonder dat daarvoor een rechtsgrond bestond.

Dat [gedaagde partij] had behoren te weten dat de door hem ontvangen betalingen onverschuldigd waren verricht, maakt dit niet anders. Dit betekent dat [gedaagde partij] niet reeds in verzuim was op het moment dat hij de betalingen ontving.

Volgens artikel 6:82 BW treedt het verzuim in na een schriftelijke aanmaning, waarbij een redelijke termijn voor nakoming wordt verleend en nakoming binnen die termijn uitblijft. Onweersproken is gesteld onder randnummer 10 van de dagvaarding dat de gemachtigde van [gezamenlijke eisers] [gedaagde partij] bij aangetekende brief van 27 september 2018 heeft gesommeerd tot terugbetaling van de door [gezamenlijke eisers] betaalde bedragen (productie 23b). Uit deze brief blijkt dat aan [gedaagde partij] een termijn van zeven dagen na dagtekening is gegeven om tot betaling over te gaan. Nu betaling binnen deze (redelijke) termijn is uitgebleven, is [gedaagde partij] de wettelijke rente verschuldigd vanaf 5 oktober 2018 tot aan de dag van volledige betaling.

4.9.

De kantonrechter acht voldoende gesteld en onderbouwd dat [gezamenlijke eisers] buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. Ten aanzien van de aan [gedaagde partij] verzonden aanmaningen overweegt de kantonrechter dat de eisen die artikel 6:96 lid 6 BW daaraan stelt niet aan de orde zijn, nu [gedaagde partij] geen consument is in de zin van dat artikel.

Gelet op de hoogte van de toegewezen hoofdsom wordt, conform de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en die geacht worden redelijk te zijn, een bedrag van € 245,03 aan buitengerechtelijke incassokosten toegewezen.

4.10.

[gedaagde partij] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld tot betaling van de proceskosten, waaronder het gevorderde nasalaris.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde partij] om aan [gezamenlijke eisers] te betalen een bedrag van € 1.595.03, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.350,00 vanaf 5 oktober 2018 tot aan de dag van volledige betaling;

5.2.

veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [gezamenlijke eisers] begroot op € 101,89 aan dagvaardingskosten, € 226,00 aan griffierecht, € 360,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 90,00 aan nasalaris;

5.3.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken op