Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:1071

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
13-03-2019
Datum publicatie
21-03-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 5085, 5101, 5104
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor het veranderen van een rioolwaterzuiveringsinstallatie.

De ontwikkeling voldoet voor wat betreft het aspect “geur” aan artikel 3.5b van het Activiteitenbesluit.

Het beroep is ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWA 2019/40 met annotatie van Meijden, D. van der
Omgevingsvergunning in de praktijk 2019/8064
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/5085, 18/5101 en 18/5104

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2019

in de zaak tussen

Rivafoam B.V., Koi- en vijvercentrum Tiel B.V. en Betuwse Motoren Revisie B.V.,

te Tiel, eisers,

en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Waterschap Rivierenland, te Tiel, vergunninghouder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan het waterschap een omgevingsvergunning verleend.

Eisers hebben beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2019. Namens eisers is gemachtigde [naam 1] verschenen, vergezeld door [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door ing. D. Mulder, ing. S.T. de Hingh, M. Mulders en P.H. Speé. Namens het waterschap is ing. L.H. Woltjes verschenen.

Overwegingen

1. Op 11 augustus 2017 heeft het waterschap een aanvraag ingediend voor het optimaliseren van de sliblijn en het uitbreiden van de slibvergistingscapaciteit bij de rioolwaterzuiveringsinstallatie op het perceel [adres] te [plaats] . Door het vergroten van de slibvergisting kan in de WKK-installatie meer biogas in elektrische energie en warmte worden omgezet, waardoor de rioolwaterzuiveringsinstallatie in de eigen energiebehoefte kan voorzien.

2. Het ontwerpbesluit heeft vanaf 11 april 2018 voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen. Eisers hebben (tijdig) een zienswijze ingediend.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten “bouwen” (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)) en “gebruik in strijd met het bestemmingsplan” (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, in samenhang met een binnenplanse afwijking van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1o, van de Wabo en artikel 5.3 van het bestemmingsplan “Bedrijventerrein”). Het bouwen en afwijken van het bestemmingsplan heeft betrekking op de bouw van installaties met een maximale hoogte van 20 meter.

Verweerder heeft ook een omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, onder 2o, van de Wabo voor het veranderen van de rioolwaterzuiveringsinstallatie (hierna: veranderingsvergunning).

4. Eisers zijn bedrijven welke zijn gevestigd op hetzelfde bedrijventerrein als de rioolwaterzuivering. De afstand van deze bedrijven tot de rioolwaterzuivering bedraagt ongeveer 120 meter. Eisers hebben in het beroepschrift en ter zitting aangegeven dat zij stankoverlast ervaren van zowel de rioolwaterzuivering als de daarnaast gelegen GMB.

5. Zoals ter zitting is aangegeven ligt in deze procedure bij de rechtbank alleen de omgevingsvergunning voor het veranderen van de rioolwaterzuiveringsinstallatie voor. Dit betekent dat in deze procedure enkel de geurhinder als gevolg van de rioolwaterzuivering aan bod kan komen, en niet geurhinder als gevolg van GMB. Ook het door de provincie – volgens eisers – niet afdoende reageren op klachten kan in deze procedure niet aan bod komen.

Tot slot merkt de rechtbank op dat verwerking van industrieel afval uit de voedselindustrie niet is vergund. Deze afvalverwerking is dus niet toegestaan, en ter zitting heeft het waterschap ook aangegeven dat verwerking van dit afval niet aan de orde is.

6. De rechtbank zal hierna achtereenvolgens ingaan op de door eisers aangevoerde beroepsgronden met betrekking tot afvalwater, explosiegevaar (externe veiligheid) en geurhinder.

Afvalwater

7.1.

In paragraaf 5.2 van de veranderingsvergunning staat onder het kopje “afvalwater” het volgende:

5.2 Beoordeling en conclusie Afvalwater

De in de aanvraag vermelde maatregelen ter voorkoming en beperking van lozing van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, zullen naar verwachting leiden tot een acceptabel lozingsniveau, dat in overeenstemming is met de in het Activiteitenbesluit opgenomen doelstellingen. Wij achten deze situatie vergunbaar. Aan deze vergunning zijn geen voorschriften opgenomen ten aanzien van het lozen van afvalwater. De voorschriften uit de vigerende vergunning zijn voldoende.”

7.2.

Eisers concluderen uit deze overweging dat verweerder niet zeker weet of sprake is van een acceptabel lozingsniveau. Eisers vragen zich af wat de mogelijke gevolgen zijn als wel verontreinigde afvalstoffen worden geloosd, welke sancties hierop staan en welk bevoegd gezag controles uitvoert op overtredingen.

7.3.

Eisers lezen deze overweging te letterlijk. Er bestaat op voorhand geen aanleiding om te veronderstellen dat de rioolwaterzuiveringsinstallatie niet zal voldoen aan de normen die gelden voor de lozing van afvalstoffen. Mochten toch een overtreding plaatsvinden, dan kan het bevoegd gezag hiertegen handhavend optreden. Zoals verweerder heeft aangegeven voert de omgevingsdienst Rivierenland de controles uit.

De beroepsgrond slaagt niet.

Externe veiligheid (explosiegevaar)

8.1.

Eisers stellen zich op het standpunt dat het explosieveiligheidsdocument in de voorschriften van de vergunning opgenomen dient te worden ter voorkoming van eventuele calamiteiten. Eisers vragen zich daarnaast af waarom de vergistingsinstallatie niet ingeterpt hoeft te worden en welke maatregelen zijn getroffen in het kader van mogelijke sabotage.

Eisers verwijzen ook naar de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 voor propaan en butaan (PGS 19).

8.2.

Binnen de rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt een biogasinstallatie met een inhoud 500 m³ opgericht. In verband met explosiegevaar is hiervoor een risicoanalyse opgesteld, namelijk de “Risicoanalyse biogasinstallatie RWZI Tiel” van adviesgroep AVIV B.V. van 31 oktober 2017. In het rapport is het plaatsgebonden risico en het groepsrisico als gevolg van deze installatie berekend. In het rapport wordt geconcludeerd dat de grenswaarde van het plaatsgebonden risico binnen het terrein van de rioolwaterzuivering ligt, en dat de installatie geen groepsrisico veroorzaakt.

8.3.

Eisers hebben de uitkomsten van dit onderzoek niet gemotiveerd betwist. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om de uitkomsten van deze risicoanalyse voor onjuist te houden.

Ter zitting hebben eisers gesteld dat voldaan moet worden aan een afstandseis van 50 meter tot de biogasinstallatie. Eisers hebben echter niet concreet aangegeven waar deze norm uit voortvloeit. Deze norm vloeit in ieder geval niet voort uit de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 voor propaan en butaan (PGS 19) waar eisers naar hebben verwezen, aangezien de deze publicatiereeks niet van toepassing is op biogas. Zoals verweerder heeft aangegeven zijn de fysische eigenschappen van biogas ook niet op één lijn te stellen met butaan of propaan.

Voor zover eisers hebben beoogd te verwijzen naar het rapport “Effect- en risicoafstanden bij de opslag van biogas” van het RIVM van 3 maart 2008 overweegt de rechtbank dat dit geen wettelijke regeling betreft. Bovendien vloeit hieruit, zoals verweerder ter zitting ook heeft aangegeven, niet een afstand voort van 50 meter, maar van 30 meter. De afstand tot het dichtstbijzijnde gebouw bedraagt meer dan 30 meter.

Omdat de beroepsgrond niet slaagt ziet de rechtbank geen aanleiding om in te gaan op het betoog van verweerder dat deze beroepsgrond niet strekt tot bescherming van de belangen van eisers (artikel 8:69a uit de Algemene wet bestuursrecht).

8.4.

De rechtbank is niet gebleken van wetgeving waaruit voortvloeit dat een biogasinstallatie ingeterpt hoeft te worden. Maatregelen met betrekking tot sabotage vallen daarnaast buiten het kader van deze vergunning. Dit geldt ook voor calamiteitenvoorschriften in verband met explosiegevaar. Zoals verweerder terecht heeft aangegeven is de Inspectie SZW (arbeidsinspectie) met betrekking tot deze voorschriften de toezichthoudende instantie.

De beroepsgrond slaagt niet.

Geur

9.1.

Eisers betogen dat niet wordt voldaan aan het aanvaardbare geurhinderniveau. Volgens eisers ondervinden zij regelmatig geurhinder van de rioolwaterzuivering. Zij vrezen dat zij door de uitbreiding meer geurhinder zullen gaan ondervinden.

9.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de bedrijven aan te merken zijn als “geurgevoelige objecten”. Het aanvaardbaar geurhinderniveau voor geurgevoelige objecten als gevolg van een rioolwaterzuiveringsinstallatie is bepaald in artikel 3.5b van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel 3.5b van het Activiteitenbesluit luidt als volgt:

“1 De geurbelasting als gevolg van een zuiveringtechnisch werk is ter plaatse van geurgevoelige objecten niet meer dan 0,5 odour unit per kubieke meter lucht als 98-percentiel.

2 In afwijking van het eerste lid is de geurbelasting als gevolg van een zuiveringtechnisch werk ter plaatse van geurgevoelige objecten gelegen op een gezoneerd industrieterrein, een bedrijventerrein danwel buiten de bebouwde kom, niet meer dan 1 odour unit per kubieke meter lucht als 98-percentiel.

3 Onverminderd het eerste en tweede lid, wordt bij een zuiveringtechnisch werk voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

4 Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een zuiveringtechnisch werk dat is opgericht voor 1 februari 1996 en waarvoor op dat tijdstip een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer in werking en onherroepelijk was.

5 Indien het vierde lid van toepassing is, dan is de geurbelasting als gevolg van een zuiveringtechnisch werk ter plaatse van geurgevoelige objecten ten hoogste 1,5 odour units per kubieke meter lucht als 98-percentiel.

6 In afwijking van het vijfde lid is de geurbelasting als gevolg van een zuiveringtechnisch werk ter plaatse van geurgevoelige objecten gelegen op een gezoneerd industrieterrein, een bedrijventerrein dan wel buiten de bebouwde kom ten hoogste 3,5 odour units per kubieke meter lucht als 98-percentiel.

7 Voor een zuiveringtechnisch werk waarvoor tot 1 januari 2011 een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, in werking en onherroepelijk was, zijn het eerste, tweede, vijfde en zesde lid niet van toepassing op de geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten die op het moment van verlening van de vergunning niet aanwezig waren of in de vergunning niet als geurgevoelig werden beschouwd.

8 Bij de verandering van een zuiveringtechnisch werk als bedoeld in het vierde en zevende lid is de geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten als gevolg van een zuiveringtechnisch werk niet hoger dan de geurbelasting voorafgaand aan de verandering, tenzij de waarden, bedoeld in het eerste en tweede lid niet worden overschreden.”

9.3.

Aan de veranderingsvergunning is het “Geuronderzoek RWZI Tiel in verband met verandering sliblijn” van Olfasense B.V. van november 2017 ten grondslag gelegd. In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat de geuremissie gering afneemt met ongeveer 1 % ten opzichte van de vergunde situatie. Ook de geurbelasting neemt zeer gering af met circa 0,01 – 0,02 ouE/m³ als 98 percentielwaarde.

9.4.

Eisers hebben de uitkomsten van dit onderzoek niet gemotiveerd betwist. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om de uitkomsten van dit geuronderzoek voor onjuist te houden.

Omdat de verandering niet leidt tot een hogere geurbelasting wordt voldaan aan artikel 3.5b, achtste lid, van het Activiteitenbesluit.

9.5.

Afhankelijk van de oprichtingsdatum van de rioolwaterzuiveringsinstallatie en de milieuvergunning kunnen naast de voorwaarde uit het achtste lid ook specifieke geurnormen van toepassing zijn. Voor oudere rioolwaterzuiveringsinstallaties gelden daarbij soepeler geurnormen dan voor nieuwe rioolwaterzuiveringsinstallaties.

Verweerder heeft naar aanleiding van vragen van de rechtbank over deze geurnormen toegelicht dat de rioolwaterzuivering vóór 1 februari 1996 is opgericht. Dit betekent dat voor de rioolwaterzuivering – in beginsel – de geurnormen van respectievelijk 1,5 odour units en 3,5 odour units uit artikel 3.5b, vijfde en zesde lid van het Activiteitenbesluit van toepassing zijn. Voor eisers – zijnde geurgevoelige objecten op een bedrijventerrein – betekent dit een maximale geurnorm van 3,5 odour units.

Ter zitting heeft verweerder een kaart overgelegd met geurcontouren. De geurcontour van 3,5 odour units ligt buiten de percelen van eisers, zodat hieraan wordt voldaan. Door verweerder is ter zitting aangegeven dat de geurbelasting ter plaatse van de percelen van eisers ongeveer 2,5 odour units zal bedragen.

9.6.

De geurnorm uit het zesde lid is echter niet van toepassing als eisers vallen onder de uitzondering van artikel 3.5b, zevende lid.

Voor de rioolwaterzuiveringsinstallatie zijn in 2001 en 2004 milieuvergunningen verleend. In deze milieuvergunning werden de bedrijven van eisers niet als geurgevoelig object beschouwd, aldus verweerder. Het voorgaande betekent dat eisers vallen onder artikel 3.5b, zevende lid, van het Activiteitenbesluit. Als gevolg hiervan zijn voor eisers geen geurnormen van toepassing.

Conclusie

9.7.

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat aan artikel 3.5b van het Activiteitenbesluit wordt voldaan.

De beroepsgrond slaagt niet.

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.S.T. Belt, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E. Mengerink, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 13 maart 2019

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.