Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:1063

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-01-2019
Datum publicatie
01-04-2019
Zaaknummer
NL18.4799
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

KEI-zaak. Onrechtmatige daad. Poging doodslag in café. Geen onrechtmatige daad jegens exploitant horecazaak waar steekpartij plaatsvond. Relativiteitseis 6:162 en 6:163 BW. Stelplicht. Geen onderbouwing van schending wet of norm die mede strekt tot bescherming belangen eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0554
NJF 2019/356
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer: NL18.4799

Vonnis van 15 januari 2019

in de zaak van

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
H.E.K.O. [naam eiser 1] ) B.V.,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HEIDI'S SKIHUT NIJMEGEN B.V.,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
STRETTO NIJMEGEN B.V.,
5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
EL SOMBRERO NIJMEGEN B.V.,
6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MALLE BABBE NIJMEGEN B.V.,
alle gevestigd te Nijmegen,
eiseressen, hierna samen te noemen: HEKO c.s.,
advocaat R.A. van Rooijen,

tegen

[naam verweerder] ,
wonende te Arnhem,
verweerder, hierna te noemen: [naam verweerder] ,
advocaat J.P. van Mulken.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de procesinleiding

- het verweerschrift

- het proces-verbaal van mondelinge behandeling op 3 december 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

HEKO c.s. exploiteert de horecagelegenheden De Groote Griet, De Drie Gezusters, [naam eiser 2] , Heidi’s Skihut, Stretto, El Sombrero en Malle Babbe, alle gelegen aan of nabij de Molenstraat te Nijmegen.

2.2.

In de nacht van 26 op 27 april 2016 (Koningsnacht), omstreeks 2.00 uur, heeft in De Drie Gezusters een steekpartij plaatsgevonden, waarbij twee studenten (verder: de studenten) zwaargewond zijn geraakt.

2.3.

Na de steekpartij zijn De Groote Griet, De Drie Gezusters en Heidi’s Skihut door de politie ontruimd. De Molenstraat werd deels afgezet. In [naam eiser 2] , Stretto, El Sombrero en Malle Babbe werden op last van de politie geen nieuwe bezoekers toegelaten.

2.4.

Op 27 april 2016 is [naam verweerder] aangehouden als verdachte. Bij vonnis van 7 april 2017 is [naam verweerder] door de rechtbank Gelderland veroordeeld wegens poging tot doodslag op de studenten. Bij arrest van 3 januari 2018 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van 7 april 2017 om proceseconomische redenen vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [naam verweerder] veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaar wegens, onder meer, poging tot doodslag, meermalen gepleegd. De door de studenten als benadeelde partijen ingestelde vorderingen tot betaling van een immateriële en materiële schadevergoeding zijn toegewezen tot bedragen van respectievelijk € 20.963,52 en € 26.548,48.

2.5.

Door het gerechtshof is bewezen verklaard dat [naam verweerder] op 27 april 2016 te Nijmegen ter uitvoering van het door [naam verweerder] voorgenomen misdrijf om de studenten opzettelijk van het leven te beroven, de studenten met kracht met een mes (links) in de buik en in de (linker)flank heeft gestoken/geprikt/gesneden door wild/woest/onverhoeds met voornoemd mes om zich heen te steken/prikken/snijden, bij gelegenheid van een ruzie in een (drukke) kroeg/bar/dancing, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3 Het geschil

3.1.

HEKO c.s. vordert om bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

“A. [naam verweerder] te veroordelen om aan HEKO c.s. te vergoeden, het bedrag aan schade geleden door HEKO c.s. als gevolg van gederfde winst, bestaande uit enerzijds een bedrag aan gederfde winst ad EUR 22.906,02 als gevolg van de onmogelijkheid tot het exploiteren van de horeca-onderneming en anderzijds uit een bedrag aan gederfde winst ad EUR 15.025,00 als gevolg van misgelopen entreegelden tijdens Koningsnacht, derhalve in totaal vergoeding van een bedrag van EUR 37.931,02, althans een door uw rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag.

B. [naam verweerder] te veroordelen om aan HEKO c.s. te vergoeden, het bedrag ad EUR 10.000,- aan immateriële schade geleden door HEKO c.s. als gevolg van de steekpartij, bestaande uit enerzijds negatieve publiciteit voor de onderneming De Drie Gezusters en anderzijds uit het door diverse werknemers ingediende ontslag, althans een door uw rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag.

C. [naam verweerder] te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente die verschuldigd is vanaf het moment dat de schade is ingetreden, zijnde 27 april 2016, tot en met de dag der algehele voldoening van de vordering, althans een door uw rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag.

D. [naam verweerder] te veroordelen in de (buitengerechtelijke en gerechtelijke) kosten zijdens HEKO c.s. in het geding (inclusief nakosten).”

3.2.

HEKO c.s. heeft haar vordering sub B ten tijde van de mondelinge behandeling verminderd tot een bedrag van € 4.481,25.

3.3.

HEKO c.s. heeft ter onderbouwing van haar vordering, kort weergegeven, het volgende aangevoerd en gesteld:

Nu [naam verweerder] door gerechtshof is veroordeeld wegens poging tot doodslag op de studenten staat vast dat hij in strijd met de wet en dus onrechtmatig heeft gehandeld. Als gevolg van dit onrechtmatig handelen zijn de horecazaken van HEKO c.s. ontruimd, is een deel van straat waaraan de horecazaken lagen afgesloten en heeft HEKO c.s. € 37.931,02 schade geleden, bestaande uit omzetverlies en winstderving. Daarnaast heeft HEKO c.s. als gevolg van het handelen van [naam verweerder] immateriële schade geleden, die naar billijkheid dient te worden begroot op € 4.481,25. Deze immateriële schade bestaat uit imagoschade en schade die is ontstaan doordat diverse medewerkers ontslag hebben genomen als gevolg van het incident, waardoor kosten gemaakt zijn voor het werven en inwerken van nieuwe medewerkers en het re-integreren van de bestaande medewerkers.

3.4.

[naam verweerder] voert verweer. Hij betwist dat hij onrechtmatig heeft gehandeld jegens HEKO c.s.. De door [naam verweerder] geschonden wet en normen strekken, aldus [naam verweerder] , niet ter bescherming van de belangen van HEKO c.s. [naam verweerder] betwist voorts de gestelde schade en de hoogte daarvan en het causaal verband tussen zijn handelen en die schade.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Geen punt van geschil is dat [naam verweerder] met een mes op de studenten heeft ingestoken, dat hij daarvoor onherroepelijk is veroordeeld wegens poging tot doodslag, dat hij daarmee heeft gehandeld in strijd met de wet, te weten artikel 287 (juncto artikel 45) van het Wetboek van Strafrecht (Sr), en dat hij daarmee jegens de studenten onrechtmatig heeft gehandeld. [naam verweerder] betwist echter dat hij met dit handelen ook onrechtmatig heeft gehandeld jegens HEKO c.s., nu, zo begrijpt de rechtbank zijn stellingen, niet is voldaan aan de in 6:162 en 6:163 BW neergelegde relativiteitseis.

4.2.

Bij de beantwoording van de vraag of aan het relativiteitsvereiste is voldaan, komt het aan op het doel en de strekking van de geschonden norm, aan de hand waarvan moet worden onderzocht tot welke personen en tot welke schade en welke wijzen van ontstaan van schade de daarmee beoogde bescherming zich uitstrekt (HR 24-03-2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7935, NJ 2009,485, Pharmacia/Cosmétique). De in artikel 287 Sr neergelegde norm, kort gezegd “gij zult niet doden”, strekt tot bescherming van het menselijk leven en de (lichamelijke) integriteit van de slachtoffers, in casu de studenten.

Er is geen reden te veronderstellen dat dit wetsartikel (mede) strekt tot bescherming van de (economische) belangen van derden, zoals HEKO c.s., die:

- nadeel ondervinden van politieoptreden dat het gevolg is van de (poging tot) doodslag,

- imagoschade lijden doordat de (poging tot) doodslag plaatsvindt in een door hen geëxploiteerde horecazaak of

- werkgever zijn van getuigen van de (poging) tot doodslag.

De wettelijke norm die [naam verweerder] heeft geschonden met zijn handelen in strijd artikel 287 (juncto artikel 45) Sr, strekt dus niet tot bescherming van de belangen waarin HEKO c.s. stelt te zijn getroffen. Anders dan HEKO c.s. stelt, brengt derhalve de enkele omstandigheid dat [naam verweerder] artikel 287 juncto 45 Sr heeft geschonden niet met zich dat [naam verweerder] jegens HEKO c.s. onrechtmatig heeft gehandeld.

Dat er naast de voornoemde schending van de wet nog verder sprake is van een inbreuk op een recht van HEKO c.s. of een doen of nalaten van [naam verweerder] in strijd met een (andere) wettelijke plicht of maatschappelijke norm, die wél mede strekt tot bescherming van de belangen van HEKO c.s., is niet gesteld, althans niet onderbouwd.

In zijn algemeenheid geldt niet dat iemand die een (strafrechtelijke) wetsbepaling overtreedt reeds daarom handelt in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt jegens een ieder die daar nadeel van ondervindt, bijvoorbeeld als gevolg van daaruit voortkomend politieoptreden. De enkele aangevoerde omstandigheid dat het handelen van [naam verweerder] heeft geleid tot schade bij HEKO c.s. maakt dan ook niet dat [naam verweerder] jegens haar een maatschappelijke norm heeft overtreden. Overigens heeft HEKO c.s. niet onderbouwd gesteld waarom sprake is van een normschending jegens haar en heeft zij noch schriftelijk noch desgevraagd bij de mondelinge behandeling feiten of omstandigheden aangevoerd die tot het oordeel kunnen leiden dat daar wel sprake van is.

4.3.

De conclusie is dat onvoldoende onderbouwd gesteld is dat [naam verweerder] jegens HEKO c.s. onrechtmatig heeft gehandeld. Dit brengt met zich dat de vordering van HEKO c.s., die onrechtmatig handelen van [naam verweerder] jegens HEKO c.s. als enige grondslag heeft, reeds om die reden dient te worden afgewezen.

4.4.

HEKO c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [naam verweerder] worden begroot op:

- griffierecht 0,00

- salaris advocaat 2.148,00 (2,0 punten × tarief € 1.074,00)

Totaal € 2.148,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt HEKO c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [naam verweerder] tot op heden begroot op € 2.148,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.P.E.E. van Groeningen en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2019.