Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:991

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
06-03-2018
Datum publicatie
06-03-2018
Zaaknummer
05/841152-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor heling, het veroorzaken van gevaar en hinder op de weg en rijden zonder rijbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/841152-16

Datum uitspraak : 6 maart 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , [woonplaats] ,

raadsman: mr. W.K. Cheng, advocaat te Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 6 december 2017 en 20 februari 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 25 november 2016 te Beek en/of in de gemeente Montferland en/of te Waarle en/of te Eindhoven en/of elders in Nederland, een goed te weten een personenauto (van het merk Volkswagen en type Tiguan, kenteken [kenteken] ) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden

krijgen van dit goed wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 25 november 2016 te Waalre en/of Valksenswaard en/of Eindhoven, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto (Volkswagen Tiguan met kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen auto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een contactsleutel welke verdachte onrechtmatig onder zich had;

2.

hij op of omstreeks 25 november 2016 te Beek en/of in de gemeente Montferland, de verbalisanten [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge snelheid, in elk geval met aanmerkelijke

snelheid op die verbalisanten [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] afgereden;

3.

hij op of omstreeks 25 november 2016 op de A12 en/of A18 en/of N335 in het arrondissement Gelderland, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een (personen)auto (Volkswagen Tiguan), daarmee rijdende op/over de voor het

openbaar verkeer openstaande weg(en):
- op de A12 een stopteken van politieambtenaren heeft genegeerd en/of
- op de A12 abrupt naar rechts heeft gestuurd om via de vluchtstrook in de berm te rijden om vervolgens weer op het asfalt terecht te komen teneinde de toerit naar de A18 in de richting van Doetinchem te nemen waardoor een aantal weggebruikers krachtig moest remmen en verdachte hierdoor ternauwernood enkele palen van de matrixborden kon ontwijken en/of
- op de A12 met een snelheid tussen 180-200 km per uur heeft gereden, althans met een (te) hoge snelheid heeft gereden en/of een hogere snelheid dan aldaar is toegestaan en/of
- op de A18 met een snelheid boven 200 km per uur heeft gereden, althans met een (te) hoge snelheid heeft gereden en/of een hogere snelheid dan aldaar is toegestaan en/of
- op de A18 op het laatste moment naar rechts stuurde om de afrit Didam te nemen en/of
- op de afrit Didam met hoge snelheid een bocht heeft genomen en hierdoor slingerend gereden heeft en/of
- op de N335, met een (te) hoge snelheid heeft gereden, en/of een hogere snelheid dan aldaar is toegestaan en/of
- op de N335 een onbekend voertuig zodanig gedwongen heeft dat het voertuig naar rechts in de berm moest uitwijken en/of
- op de N335 slingerend gereden heeft en/of
- op de N335 met (te) hoge snelheid, in ieder geval geen snelheid geminderd heeft, terwijl hij op een politieblokkade afreed en/of
- op de N335 vlak voor de politieblokkade een slingerende beweging maakte naar links ten einde over de bermverhoging te rijden door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg(en) werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die wegen werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

4.

hij op of omstreeks 25 november 2016, in Beek en/of in de gemeente Montferland of (elders) in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (een Volkswagen Tiguan met het kenteken
[kenteken] ) heeft gereden op de weg, A50 en/of A12 en/of A18 en/of N335 en/of in Beek en/of in gemeente Montferland, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 primair tenlastegelegde. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.
Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, dan wel met zware mishandeling. Uit de processen-verbaal van bevindingen volgt dat bij verbalisanten, op basis van het rijgedrag van verdachte, de redelijke vrees kon bestaan dat hen iets vreselijks zou kunnen overkomen. Verdachte nam welbewust het risico dat hij de verbalisanten, dan wel de politieauto, zou kunnen raken. Hij had derhalve opzet op de bedreiging, ook al is hij langs de politieauto en verbalisanten gereden.

Op basis van de processen-verbaal van bevindingen is het tenlastegelegde onder feit 3 wettig en overtuigend te bewijzen. Verdachte heeft buitengewoon gevaarlijk gereden, namelijk met een hoge snelheid, slingerend, dicht op voorgangers, over de vluchtstrook, door de berm en rakelings langs matrixborden.

Ten slotte heeft verdachte erkend dat hij heeft gereden zonder een geldig rijbewijs, waardoor het tenlastegelegde onder feit 4 wettig en overtuigend te bewijzen is.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde onder feit 1. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat verdachte wist of moest vermoeden dat de auto van diefstal afkomstig was. Verdachte moest de auto enkel overbrengen. Het dossier bevat ook geen aanwijzingen dat verdachte iets te maken heeft gehad met de diefstal van de auto.

Ook ten aanzien van het tenlastegelegde onder feit 2 heeft de verdediging vrijspraak bepleit. Verdachte wilde niet dreigen, hij wilde enkel wegkomen. Niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat bij verdachte sprake was van opzet, ook niet in voorwaardelijke vorm, om verbalisanten te bedreigen met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling.

Over het tenlastegelegde onder feit 3 heeft verdachte verklaard dat hij hard heeft gereden, maar het verkeer niet in gevaar heeft gebracht. De verdediging refereert zich wat dit feit betreft aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 4 heeft de verdediging geen verweer gevoerd.

De beoordeling door de rechtbank

Feit 1

Op 23 november 2016 deed [slachtoffer] aangifte van diefstal van onder meer zijn Volkswagen Tiguan met kenteken [kenteken] . De diefstal vond plaats in de nacht van 22 op 23 november 2016.2 Op 25 november 2016 werd verdachte in Beek in deze gestolen auto aangetroffen als bestuurder.3

Verdachte heeft bij de politie een gedetailleerde verklaring afgelegd. [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) belde verdachte in de middag van 25 november 2016 op met de vraag of hij even mee kon gaan. Verdachte zou dan wat kunnen verdienen. [medeverdachte] had een Volkswagen gekocht die teruggereden moest worden. [medeverdachte] en verdachte zijn toen met de auto van de moeder van [medeverdachte] naar Eindhoven gereden waar [medeverdachte] had afgesproken met ene [naam] . Eenmaal in Eindhoven is door [medeverdachte] en verdachte een voor verdachte onbekende jongeman opgepikt bij een kerk met daarnaast een speelgelegenheid. De onbekende wees verdachte de weg naar Waalre. Daar kwamen ze bij twee rijen huizen waar overal auto’s geparkeerd stonden. Verdachte kreeg de sleutel van de Tiguan, is ingestapt en weggereden. [medeverdachte] en de jongeman zijn met de auto van de moeder van [medeverdachte] weggereden. [medeverdachte] had hem gezegd dat hij de Volkswagen Tiguan naar Zelhem moest rijden. Onderweg kreeg verdachte een sms van een onbekende dat hij naar de [straatnaam] in Doetinchem moest rijden.4 Verder heeft verdachte verklaard dat hij op de bijrijdersplaats van de Volkswagen Tiguan op de vloer een jas en een handdoek heeft zien liggen die niet van hem waren.5 Ook heeft verdachte verklaard dat hij weet dat [medeverdachte] een keer is gepakt met een gestolen vrachtwagen.6

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij enkel heeft gevraagd of de auto was verzekerd. Hij heeft [medeverdachte] niet gevraagd hoe hij aan de auto kwam en hij heeft niet gekeken naar een verzekerings- of kentekenbewijs in de auto.7

Verder heeft verdachte ter terechtzitting zijn verklaring dat hij weet dat [medeverdachte] is gepakt met een gestolen vrachtwagen afgezwakt door te verklaren dat hij dat niet precies weet, maar wel heeft gehoord dat het is gebeurd.

Op basis van het voorgaande had verdachte naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs moeten vermoeden dat de auto van diefstal afkomstig was. Verdachte is tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht, gelet op de schimmige omstandigheden waaronder hij de auto voorhanden heeft gekregen in een woonwijk. De Volkswagen Tiguan stond geparkeerd tussen twee rijen huizen waar verdachte naartoe moest rijden nadat ene [naam] was opgehaald. Verdachte heeft over deze gang van zaken geen vragen gesteld. Ook over de auto zelf heeft verdachte geen vragen gesteld. Er lagen daarnaast persoonlijke spullen in de auto die niet van verdachte waren. Ook dit gegeven had aanleiding moeten zijn tot het stellen van vragen. Bovendien was verdachte een gewaarschuwd man, blijkens zijn eerdere veroordelingen voor vermogensdelicten en zijn wetenschap dat [medeverdachte] al eens gepakt is met een gestolen vrachtwagen. Weliswaar heeft verdachte die wetenschap ter terechtzitting afgezwakt, maar de strekking van zijn verklaring is onveranderd gebleven. Verdachte had daarom zonder nader onderzoek de Volkswagen Tiguan niet moeten terugrijden. De primair ten laste gelegde schuldheling is dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

Voor een bewezenverklaring van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel zware mishandeling is onder meer vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan voor het misdrijf waarmee werd gedreigd. Het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte moet daarop gericht zijn.

Verdachte heeft verklaard dat hij doelbewust links, via de middenberm, langs de politieauto is gereden, omdat hij aan de rechterkant van de auto een persoon dacht te zien. Deze gedraging is naar haar uiterlijke verschijningsvorm niet gericht op het bedreigen van de verbalisanten die rechts van de auto stonden, maar op het ontkomen aan een confrontatie met verbalisanten. Door langs de auto en de verbalisanten te rijden, was het opzet van verdachte er niet op gericht bij verbalisanten een redelijke vrees voor een ernstig misdrijf op te wekken.

Op basis van het voorgaande kan de ten laste gelegde bedreiging van verbalisanten niet bewezen worden, waardoor verdachte zal worden vrijgesproken van feit 2.

Feit 3

Op 25 november 2016 kregen verbalisanten de melding dat er een gestolen voertuig, namelijk een Volkswagen Tiguan met kenteken [kenteken] , was gesignaleerd. Op de A12 gaven verbalisanten de bestuurder van het voertuig een volgteken, maar de bestuurder voldeed daar niet aan.8 De bestuurder nam de vluchtstrook en reed door de berm om zo de toerit naar de A18 richting Doetinchem te kunnen nemen. Verbalisanten zagen dat weggebruikers daardoor krachtig moesten remmen.9 De bestuurder kon ternauwernood enkele palen van de matrixborden ontwijken.10

Op de A18 zagen de verbalisanten die het voertuig achtervolgden dat zij snelheden behaalden van 200 kilometer per uur.11 Verdachte heeft verklaard dat dat kan kloppen, maar dat hij sowieso niet boven de 200 kilometer per uur is gekomen.12 Ter hoogte van de afrit Didam stuurde de bestuurder op het laatste moment naar rechts om die afrit te nemen.13 Bij het nemen van die afrit had de bestuurder veel moeite om het voertuig met de hoge snelheid op de weg te houden. Het voertuig slingerde heen en weer in de bocht.14 Aan het einde van de afrit sloeg de bestuurder linksaf de N335 op in de richting van Beek.

De achtervolging zette zich voort op de N335 en verbalisanten zagen dat de snelheid van hun voertuig opliep richting de 170 kilometer per uur, terwijl de maximum toegestane snelheid op die weg 80 kilometer per uur is.15 De bestuurder reed erg dicht op het voertuig voor hem, waardoor de bestuurder van dat voertuig gedwongen werd om rechts de berm in te gaan.16 Op de N335 hebben verbalisanten hun dienstvoertuig over dwars op de rijbaan gezet om de bestuurder van de Volkswagen Tiguan af te blokken. De bestuurder naderde de politieblokkade met hoge snelheid, minderde deze niet en maakte slingerende bewegingen.17 Vlak voor het dienstvoertuig maakte de bestuurder nog een slingerende beweging, wendde af naar links en vloog over de betonnen middenberm, waardoor hij rakelings langs het dienstvoertuig ging.18 Een ander dienstvoertuig reed achter de Volkswagen Tiguan aan en ramde het voertuig, waardoor het voertuig in de sloot terechtkwam. De bestuurder werd aangehouden en bleek verdachte te zijn.19

Uit het voorgaande trekt de rechtbank de conclusie dat er door het rijgedrag van verdachte een reële kans op een ongeval was. Ook heeft verdachte inbreuk gemaakt op de doorstroming van het verkeer op de weg omdat voertuigen moesten remmen en een ander voertuig van de weg is gedrukt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat, op basis van het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte door de hiervoor beschreven gedragingen gevaar op de wegen heeft veroorzaakt en het verkeer op die wegen heeft gehinderd.

Feit 4

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen, PL0600-2016578774-51;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 70-72;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 februari 2018.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 25 november 2016 te Beek en/of in de gemeente Montferland en/of te Waalre en/of te Eindhoven en/of elders in Nederland, een goed, te weten een personenauto (van het merk Volkswagen en type Tiguan, kenteken [kenteken] ) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden

krijgen van dit goed wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

3.

hij op of omstreeks 25 november 2016 op de A12 en/of A18 en/of N335 in het arrondissement Gelderland, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een (personen)auto (Volkswagen Tiguan)), daarmee rijdende op/over de voor het

openbaar verkeer openstaande weg(en):
- op de A12 een stopteken van politieambtenaren heeft genegeerd en/of
- op de A12 abrupt naar rechts heeft gestuurd om via de vluchtstrook in de berm te rijden om vervolgens weer op het asfalt terecht te komen teneinde de toerit naar de A18 in de richting van Doetinchem te nemen waardoor een aantal weggebruikers krachtig moest remmen en verdachte hierdoor ternauwernood enkele palen van de matrixborden kon ontwijken en/of
- op de A12 met een snelheid tussen 180-200 km per uur heeft gereden, althans met een (te) hoge snelheid heeft gereden en/of een hogere snelheid dan aldaar is toegestaan en/of
- op de A18 met een snelheid boven 200 km per uur heeft gereden, althans met een (te) hoge snelheid heeft gereden en/of een hogere snelheid dan aldaar is toegestaan en/of
- op de A18 op het laatste moment naar rechts heeft gestuurd om de afrit Didam te nemen en/of
- op de afrit Didam met hoge snelheid een bocht heeft genomen en hierdoor slingerend gereden heeft en/of
- op de N335, met een (te) hoge snelheid heeft gereden, en/of een hogere snelheid dan aldaar is toegestaan en/of
- op de N335 een onbekend voertuig zodanig gedwongen heeft dat het voertuig naar rechts in de berm moest uitwijken en/of
- op de N335 slingerend gereden heeft en/of
- op de N335 met (te) hoge snelheid, in ieder geval geen snelheid geminderd heeft terwijl hij, op een politieblokkade afreed en/of
- op de N335 vlak voor de politieblokkade een slingerende beweging heeft gemaakt naar links ten einde over de bermverhoging te rijden door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg(en) werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die wegen werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

4.

hij op of omstreeks 25 november 2016, in Beek en/of in de gemeente Montferland of (elders) in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (een Volkswagen Tiguan met het kenteken
[kenteken] ) heeft gereden op de weg, A50 en/of A12 en/of A18 en/of N335 en/of in Beek en/of in gemeente Montferland, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

Voor zover er in de bewezenverklaring kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Schuldheling

Ten aanzien van feit 3:

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Ten aanzien van feit 4:

Overtreding van artikel 107 eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van honderd dagen, waarvan vijftig dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Ter zake van het onder feit 3 tenlastegelegde heeft de officier van justitie drie weken hechtenis en ontzegging van de rijbevoegdheid voor een periode van zes maanden geëist. Ten aanzien van feit 4 heeft de officier van justitie één week hechtenis geëist.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte inmiddels een woning, dagbesteding, uitkering en bewindvoering heeft. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal negatieve gevolgen hebben voor wat verdachte nu op de rit heeft. Daarom moet aan verdachte een gevangenisstraf worden opgelegd die gelijk is aan de duur van het voorarrest met daarnaast een voorwaardelijke straf waaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld. Verdachte wil meewerken aan die voorwaarden. Het is ook mogelijk om een werkstraf op te leggen.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 10 januari 2018;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 23 november 2017.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich onder meer schuldig gemaakt aan schuldheling van een auto. Door zich schuldig te maken aan heling heeft verdachte bijgedragen aan het in stand houden van een afzetmarkt voor van misdrijf afkomstige goederen. Verdachte is blijkens zijn documentatie al meerdere malen veroordeeld voor vermogensdelicten tot (deels) voorwaardelijke gevangenisstraffen. De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Alles afwegende zal de rechtbank voor het bewezenverklaarde onder feit 1 aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van zes weken, waarvan vier weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met daaraan gekoppeld een meldplicht en de plicht tot het volgen van de CoVa-training. De tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, wordt op de gevangenisstraf in mindering gebracht. Gelet op het feit dat verdachte inmiddels een woning en dagbesteding heeft en rekening houdend met het tijdsverloop sinds dit feit is begaan, is de rechtbank van oordeel dat een locatiegebod dat wordt gecontroleerd met een elektronisch controlemiddel niet langer op zijn plaats is. Wel moet verdachte de CoVa-training volgen. Deze voorwaarde was al aan verdachte opgelegd bij de schorsing van de voorlopige hechtenis, maar verdachte heeft de training naar eigen zeggen niet afgerond.

Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan erg gevaarlijk rijgedrag waardoor ernstige ongelukken hadden kunnen worden veroorzaakt. Zo heeft hij slingerend en met een veel te hoge snelheid gereden, een andere weggebruiker van de weg gedwongen en is hij rakelings langs matrixborden en een politiewagen gereden. Dit alles om aan de politie te ontkomen. Gelet op de ernst van dit feit zal de rechtbank verdachte voor de overtreding van artikel 5 WVW veroordelen tot een werkstraf voor de duur van tachtig uur, subsidiair veertig dagen hechtenis. Daarnaast zal verdachte worden veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van twaalf maanden. Bijzonder kwalijk is het dat verdachte het beschreven gevaarlijke rijgedrag heeft vertoond terwijl hij niet in het bezit is van een rijbewijs voor het besturen van auto’s. Voor het rijden zonder geldig rijbewijs zal aan verdachte één week hechtenis worden opgelegd, nu dit niet de eerste keer is dat hij deze overtreding begaat.

De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 62, 63 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 5, 107, 177, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde onder feit 1 tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 4 (vier) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich uiterlijk binnen drie dagen volgend op het onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij de Reclassering Nederland, Houtwal 16D te Zutphen (telefoonnummer: 088-8041404) en gedurende de proeftijd zich zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht;

- deelneemt aan de CoVa-training;

- actief meewerkt aan het zoeken van dagbesteding of werk, ook wanneer dit onbetaald werk inhoudt;

 geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht);

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde onder feit 3 tot een werkstraf gedurende 80 (tachtig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 (veertig) dagen;

 ontzegt verdachte ten aanzien van het onder feit 3 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde onder feit 4 tot één (1) week hechtenis;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Zuil (voorzitter), mr. C.J.M. van Apeldoorn en
mr. C.H.M. Pastoors, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.R. van Damme, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 maart 2018.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 3] van de politie
Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2016578774, gesloten op 8 maart 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 60-61.

3 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 77.

4 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 134-135.

5 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 139.

6 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 134.

7 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 20 februari 2018.

8 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 78-79.

9 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 79.

10 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 71.

11 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 71.

12 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 20 februari 2018.

13 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 74.

14 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 71.

15 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 74.

16 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 74.

17 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 68-69; het proces-verbaal van bevindingen, p. 77; het proces-verbaal van bevindingen, p. 71.

18 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 69; het proces-verbaal van bevindingen, p. 71.

19 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 79.