Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:971

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-03-2018
Datum publicatie
05-03-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2027
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:978, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Haptotherapeut valt gelet op de jurisprudentie toch onder de vrijstelling. Verzoek teruggaaf deels afgewezen omdat de betreffende bezwaren enerzijds prematuur waren en anderzijds te laat. Verschoonbare termijnoverschrijding (artikel 6:11 van de Awb)? Ja, gezien het feit dat geen reactie kwam op bezwaarschrift voor toekomstige tijdvakken, gecombineerd met de overige omstandigheden van het geval (onderhandelingen met beroepsvereniging, partij bij vaststellingsovereenkomst en overtuigende verklaring van eiseres ter zitting).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/497
V-N 2018/26.2.5
Belastingadvies 2018/8.7
Viditax (FutD), 05-03-2018
FutD 2018-0645 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2018/839
NLF 2018/0587 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 17/2027, AWB 17/2028 en AWB 17/2029

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 2 maart 2018

in de zaken tussen

[X] , te [Z] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft op 30 januari 2014 de verschuldigde omzetbelasting over het vierde kwartaal 2013 (zaaknummer AWB 17/2027) voldaan, op 22 april 2014 de verschuldigde omzetbelasting over het eerste kwartaal 2014 (zaaknummer 17/2028) en op 21 juli 2014 de verschuldigde omzetbelasting over het tweede kwartaal 2014 (zaaknummer 17/2029).

Op 23 november 2016, ontvangen door verweerder op 24 november 2016, heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen deze voldoeningen van omzetbelasting op aangifte.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 7 maart 2017 de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft de bezwaarschriften aangemerkt als verzoeken om ambtshalve teruggaven en heeft deze verzoeken afgewezen.

Eiseres heeft tegen de uitspraken op bezwaar op 13 april 2017 digitaal beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2018.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] , [A] en [B] .

Overwegingen

Feiten

  1. Eiseres is werkzaam als haptotherapeut en lid van de Vereniging van Haptotherapeuten (hierna: VvH). Tot 1 januari 2013 gold voor de dienstverlening door eiseres de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onder g, van de Wet op de omzetbelasting 1968. Vanaf die datum is de vrijstelling gewijzigd en werd onder meer de dienstverlening van eiseres in de heffing van omzetbelasting betrokken. Uit het arrest van de Hoge Raad van 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:744 blijkt dat de dienstverlening van eiseres wel onder het bereik van de vrijstelling valt.

  2. Op 17 juni 2013 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de opgelegde naheffingsaanslag over het eerste halfjaar van 2013. In het bezwaarschrift heeft eiseres vermeld dat zij ook bezwaar maakt tegen alle daaropvolgende periodes (kwartalen).

  3. Verweerder heeft niet gereageerd op de bezwaren van eiseres gericht tegen de toekomstige tijdvakken.

  4. Op 3 september 2014 is mede namens eiseres een vaststellingsovereenkomst gesloten tussen verweerder en de VvH.

  5. Bij brief van 14 november 2016 heeft verweerder een overzicht gegeven van de tijdvakken waartegen eiseres bezwaar heeft gemaakt. In dit overzicht zijn het vierde kwartaal van 2013 en het eerste en tweede kwartaal van 2014 niet vermeld.

  6. Eiseres heeft bij brief van 23 november 2016, door verweerder ontvangen op 24 november 2016, bezwaar gemaakt tegen de voldoeningen op aangifte voor het vierde kwartaal van 2013 en het eerste en tweede kwartaal van 2014.

  7. In de uitspraak op bezwaar van 7 maart 2017 heeft verweerder de bezwaren van eiseres van 23 november 2016 wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Deze bezwaren heeft verweerder aangemerkt als verzoeken om ambtshalve vermindering en afgewezen. Verweerder heeft wel teruggaaf verleend over het eerste halfjaar van 2013 en over de tijdvakken vanaf 3 september 2014, de datum van de vaststellingsovereenkomst.


    Geschil

  8. In geschil is of de bezwaren van eiseres terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard. Meer specifiek is in geschil of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, zoals bedoeld in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Niet in geschil is dat het bezwaarschrift van eiseres van 23 november 2016 buiten de bezwaartermijn is ingediend.

Beoordeling van het geschil

9. Eiseres heeft ter zitting overtuigend verklaard dat zij echt dacht dat zij geen bezwaar meer hoefde te maken. Zodra bleek dat dit toch nodig was, heeft zij dit alsnog direct gedaan. De rechtbank zal op basis daarvan beoordelen of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding in de zin van artikel 6:11 van de Awb.

10. Eiseres heeft op 17 juni 2013 bezwaar gemaakt tegen toekomstige tijdvakken. Dit bezwaarschrift heeft eiseres ontleend aan een voorbeeld dat zij van de VvH heeft ontvangen. Verweerder was met de VvH in onderhandeling over een vaststellingsovereenkomst waarin is bepaald dat de VvH geen bezwaren hoefde in te dienen tegen tijdvakken die eindigen na de datum van ondertekening van de vaststellingsovereenkomst. Eiseres was bij de vaststellingsovereenkomst aangesloten. Op het bezwaarschrift van 17 juni 2013 heeft eiseres geen reactie van verweerder gekregen. Gelet op deze omstandigheden mocht eiseres er vanuit gaan dat zij niet voor elk kwartaal apart bezwaar moest maken na de voldoening op aangifte. Daaraan doet niet af dat de brief van 17 juni 2013 premature bezwaarschriften bevatte en dat bij gebreke van voldoening op aangifte geen bezwaar kan worden gemaakt tegen toekomstige tijdvakken (zie Hoge Raad van 21 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BG5375). Toen eiseres bij brief van 14 november 2016 van verweerder vernam dat hij er van uitging dat over drie kwartalen geen bezwaar was gemaakt, heeft zij dit onmiddellijk in haar brief van 23 november 2016 alsnog gedaan. Onder deze omstandigheden is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. Dit betekent dat niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren over het vierde kwartaal van 2013 en het eerste en tweede kwartaal van 2014 achterwege had moeten blijven.

11. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat eiseres zich professioneel heeft laten bijstaan. De kennis van de gemachtigde over de bezwaartermijn en dat geen bezwaar kan worden gemaakt tegen toekomstige tijdvakken kan volgens verweerder worden toegerekend aan eiseres (waarbij hij verwijst naar Hoge Raad van 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3441). Een situatie van toerekening van kennis van de gemachtigde aan eiseres doet zich naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet voor. Zowel eiseres als de gemachtigde mochten er gezien de omstandigheden vanuit gaan dat reeds op voorhand geldig bezwaar was gemaakt over de in geschil zijnde kwartalen en dat geen aparte bezwaarschriften nodig waren.

12. Gelet op het voorgaande dienen de beroepen gegrond te worden verklaard. Ter zitting hebben partijen ingestemd met een inhoudelijke beoordeling door de rechtbank. De rechtbank wijst de zaak daarom niet terug naar verweerder, maar voorziet zelf in de zaak. De uitspraak op bezwaar zal worden vernietigd voor zover de bezwaren over het vierde kwartaal van 2013 en het eerste en het tweede kwartaal van 2014 niet-ontvankelijk zijn verklaard. De rechtbank verklaart deze bezwaren ontvankelijk. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat eiseres in dat geval recht heeft op teruggaven van € 2.975 (€ 3.028 – € 53), € 2.808 en € 1.050 over respectievelijk het vierde kwartaal van 2013 en het eerste en het tweede kwartaal van 2014. De rechtbank zal deze teruggaven toewijzen.

13. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.002 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover deze de niet-ontvankelijkheid betreffen voor het vierde kwartaal van 2013 en het eerste en het tweede kwartaal van 2014;

- verklaart de bezwaren ontvankelijk en voorziet zelf in de zaak door te bepalen dat verweerder de betaalde omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2013 en het eerste en het tweede kwartaal van 2014 ten bedrage van respectievelijk € 2.975, € 2.808 en € 1.050 aan eiseres zal restitueren;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de uitspraken op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.002;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 168 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, rechter, in tegenwoordigheid van S. Lensink MSc, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 2 maart 2018

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.