Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:936

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-03-2018
Datum publicatie
02-03-2018
Zaaknummer
05/820079-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Fietsster met smartphone schuldig aan dodelijk verkeersongeval

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2018/174
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/820079-17

Datum uitspraak : 2 maart 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [woonplaats] .

Raadsvrouw: mr. E.M. Bosscher, advocaat te Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 februari 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

zij op of omstreeks 3 juni 2017 te Velp in de gemeente Rheden, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (fiets), komende uit de richting Arnhem en/of gaande in de richting Velp centrum, daarmede rijdende over de weg, de Arnhemsestraatweg,

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden,

hierin bestaande dat verdachte,

terwijl zij, verdachte tijdens het rijden een mobiele telefoon heeft vastgehouden en/of op die telefoon heeft gekeken en/of niet of in onvoldoende mate heeft gelet op het direct voor haar gelegen weggedeelte van die weg (de Arnhemsestraatweg) en/of terwijl op korte afstand voor haar, verdachte op een op die weg (de Arnhemsestraatweg) gesitueerde fietsstrook, althans op die weg (de Arnhemsestraatweg), zich een met een rollator voortbewegende voetgangster

bevond, de snelheid van dat door haar, verdachte bestuurde voertuig (fiets), in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, niet zodanig heeft geregeld dat zij, verdachte in staat was dat door haar, verdachte bestuurde voertuig (fiets) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij, verdachte die weg (de

Arnhemsestraatweg) kon overzien en waarover deze vrij was en/of is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die op die fietsstrook van die weg, althans op die weg (Arnhemsestraatweg) zich bevindende voetgangster (het slachtoffer [slachtoffer] ), ten gevolge waarvan die voetgangster vervolgens op het wegdek van die weg (de Arnhemsestraatweg) is

gevallen, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] )

werd gedood;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

zij op of omstreeks 3 juni 2017 te Velp in de gemeente Rheden, als bestuurder van een voertuig (fiets), komende uit de richting Arnhem en/of gaande in de richting Velp centrum, daarmede heeft gereden over de weg de Arnhemsestraatweg en terwijl zij, verdachte tijdens het rijden een mobiele telefoon heeft vastgehouden en/of op die telefoon heeft gekeken en/of terwijl op korte afstand voor haar, verdachte op een op die weg (de Arnhemsestraatweg) gesitueerde fietsstrook, althans op die weg (de Arnhemsestraatweg), zich een met een rollator voortbewegende voetgangster bevond, tegen die op die fietsstrook van die weg, althans op die weg

(Arnhemsestraatweg) zich bevindende voetgangster(het slachtoffer [slachtoffer] ) is gebotst, althans is aangereden, ten gevolge waarvan die voetgangster vervolgens op het wegdek van die weg (de Arnhemsestraatweg) is gevallen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 3 juni 2017 omstreeks 09:25 uur fietste verdachte op de fietsstrook van de Arnhemsestraatweg in Velp, gemeente Rheden, komende uit de richting Arnhem en gaande in de richting Velp centrum. Terwijl zij fietste, keek verdachte op haar mobiele telefoon, die zij in haar hand had. Ter hoogte van huisnummer 23 van de Arnhemsestraatweg is verdachte fietsend tegen de 83-jarige mevrouw [slachtoffer] gebotst, waarna zij beiden ten val zijn gekomen. Verdachte is daarbij met haar lichaam en haar fiets op [slachtoffer] gevallen.2 Direct na het ongeval is [slachtoffer] per ambulance naar het ziekenhuis gebracht, waar zij op 5 juni 2017 is overleden.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde, waarbij dient te worden uitgegaan van de lichtste schuldgradatie, te weten aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam. Gezien de verklaringen van een getuige, die heeft gezien dat er kort voor het ongeval iemand achter de voetgangster fietste, en gelet op het feit dat de voetgangster zich met een rollator voortbewoog, kan het niet anders dan dat de voetgangster zich enige tijd op de fietsstrook heeft bewogen in dezelfde rijrichting als verdachte. Hieruit volgt dat verdachte de voetgangster vóór haar tijdig had kunnen en moeten zien op de fietsstrook. Uit de verklaringen van verdachte volgt echter dat zij direct voorafgaand aan het ongeval tijdens het fietsen in de weer is geweest met haar mobiele telefoon. Geconcludeerd wordt dat zij hierdoor langere tijd geen zicht heeft gehad en gehouden op de weg en de verkeerdeelnemers vóór haar, waardoor zij de voetgangster niet heeft gezien. Hierdoor heeft zij onvoldoende afstand gehouden, haar snelheid onvoldoende aangepast en is zij tegen de voetgangster gebotst. Het ongeval is daarom aan haar schuld te wijten. Voorts volgt uit de lijkschouw dat de voetgangster als gevolg van de aanrijding en het daarbij opgelopen letsel is overleden zodat haar dood aan verdachte is toe te rekenen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, onder verwijzing naar diverse uitspraken van verschillende gerechtelijke instanties, integrale vrijspraak bepleit. Verdachte heeft verklaard dat zij, terwijl zij fietste, op haar telefoon heeft gekeken, maar bewijs dat zij hierdoor de voetgangster vóór haar op de fietsstrook niet heeft gezien, ontbreekt. Dat verdachte tijdens het fietsen een telefoon in haar handen heeft gehad, wordt bovendien niet ondersteund door andere bewijsmiddelen. Voorts bevat het dossier veel onduidelijkheden, zoals waarom en hoe lang de voetgangster al op de fietsstrook liep, of de voetgangster plotseling aan het oversteken was en of andere oorzaken verdachte het zicht op de voetgangster op de fietsstrook hebben ontnomen. Gelet hierop, kan niet worden geconcludeerd dat het ongeval niet zou zijn gebeurd als verdachte niet op haar telefoon had gekeken. Evenmin kan worden bewezen dat de voetgangster is overleden als gevolg van het ongeval. Ook overigens is niet vast te stellen dat het ongeval had kunnen worden voorkomen indien verdachte zich anders in het verkeer zou hebben gedragen.

Beoordeling door de rechtbank

Bewijsmiddelen

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat het een heldere dag was, dat het zicht goed was en de weg voor haar recht en overzichtelijk was.4

Politieagent [getuige 1] heeft verklaard dat zij samen met haar echtgenoot [getuige 2] , beiden in privétijd en in burger gekleed, kort na het ongeval ter plaatse was. Nadat [getuige 1] te kennen had gegeven dat zij politieagente is en daar in privétijd was, hoorde zij een van de twee vrouwelijke omstanders zeggen dat zij bij het ongeval betrokken was geweest. Toen
haar, zijnde verdachte, vroeg wat er was gebeurd, hoorde [getuige 1] verdachte zeggen dat zij even op haar mobiele telefoon had gekeken en vervolgens merkte dat zij ergens tegenaan was gebotst.5

[getuige 2] , politieagent, heeft verklaard dat hij hoorde dat een jongedame, de rechtbank begrijpt verdachte, omstanders vertelde dat zij met haar fiets tegen de oudere vrouw was aangereden. Zij was met haar telefoon bezig en had de vrouw daardoor niet gezien.6

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij op de plaats van het ongeval assistentie heeft verleend en hoorde dat de vrouwelijke politieagent in burger in gesprek was met de fietsster. Getuige hoorde de fietsster zeggen: “Ik keek op mijn telefoon hoe laat het was. Meer heb ik niet gehoord of gezien”.7

Getuige [getuige 4] heeft het volgende verklaard. Omstreeks 09:26 uur fietste zij op de Arnhemsestraatweg in Velp, komende uit de richting Velp, gaande in de richting van de Bachlaan (Arnhem). Zij zag dat er aan de overzijde van de Arnhemsestraatweg een mevrouw met een rollator op de fietsstrook liep in de richting van de [naam] in Velp. Achter de mevrouw fietste een fietser, de rechtbank begrijpt verdachte. Het volgende moment dat getuige keek zag zij dat zowel de oudere mevrouw als de fietser op de grond lagen.8

Bij de op 6 juni 2017 verrichte schouw heeft de forensische arts vastgesteld dat het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel, te weten een schedelfractuur en blauwe plekken, past bij het ongeval. De arts heeft haar doodsoorzaak omschreven als complicaties na het ongeval in samenloop met het letsel, waaronder de schedelfractuur, bekkenfractuur en longontsteking.9

Bewijsoverwegingen

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het ongeval waarbij verdachte met de fiets tegen [slachtoffer] is gebotst, is veroorzaakt door zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam verkeersgedrag van verdachte. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende is voor bewezenverklaring van schuld in bovenstaande zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en voorts naar de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met een of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in bovenstaande zin (vgl. HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:204:AO5822, NJ 205/252).

Uit bovenstaande verklaringen van getuige [getuige 4] leidt de rechtbank af dat [slachtoffer] reeds vóór de botsing met verdachte op de fietsstrook van de Arnhemsestraatweg liep in dezelfde richting als verdachte, te weten komende van de richting Arnhem, gaande in de richting Velp (centrum). De rechtbank ziet geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 4] te twijfelen. Weliswaar heeft verdachte (pas) ter zitting verklaard dat [getuige 4] na het afleggen van bovenstaande verklaring tegen haar heeft gezegd dat zij, evenals verdachte, als gevolg van de shock niet meer wist of de voetgangster al langer op de fietsstrook liep of daar aan het oversteken was, maar de rechtbank acht dit op geen enkele wijze aannemelijk geworden mede gezien de hiervoor aangehaalde verklaringen.

Voorts stelt de rechtbank op grond van de hierboven opgenomen bewijsmiddelen vast dat verdachte, terwijl zij fietste, bezig was met haar telefoon en haar aandacht – langere tijd dan zij stelt – kennelijk niet op de weg en de verkeerdeelnemers vóór haar heeft gehad en gehouden en daardoor tegen [slachtoffer] is gebotst. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit de verklaringen van verdachte volgt dat het helder weer was, dat zij goed zicht had en dat het ongeval heeft plaatsgevonden op een rechte en overzichtelijke fietsstrook c.q. weg.

Het is algemeen bekend dat het gebruik van een mobiele telefoon, vooral de smartphone, in het verkeer risico’s meebrengt. Het leidt af, kan leiden tot gevaarlijk weggedrag en verhoogt de kans op een ongeval. Dat geldt voor autobestuurders, maar in zekere zin ook voor fietsers. Als een fietser door het gebruik van een mobiele telefoon (vaak een smartphone) onvoldoende op het verkeer let, kan die fietser gevaarlijke situaties voor anderen veroorzaken, ook omdat het corrigeren van stuurbewegingen daardoor bemoeilijkt wordt.

Uit de verklaring van verdachte “ik dacht dit is niet veilig” blijkt ook dat zij zich van het risico van telefoongebruik in het verkeer bewust was.10

Het door verdachte geschetste alternatieve scenario, te weten dat [slachtoffer] mogelijk net van het trottoir op de fietsstrook was gestapt om de weg over te steken en dat zij [slachtoffer] daardoor niet meer kon ontwijken, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Deze lezing strookt namelijk niet met de verklaringen van getuige [getuige 4] , waaruit volgt dat de fietser kort vóór het ongeval achter de voetgangster op de fietsstrook fietste en dat de voetgangster in de richting van de [naam] (richting Velp) liep. Evenmin valt dit scenario te rijmen met hetgeen verdachte direct na het ongeval tegen omstanders heeft gezegd, zoals hierboven weergegeven, te weten dat zij met haar telefoon bezig was en [slachtoffer] daardoor niet - de rechtbank begrijpt in het geheel niet - heeft gezien. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat nergens uit blijkt dat verdachte direct nà het ongeval op welke wijze dan ook aan omstanders en/of de politie te kennen heeft gegeven dat [slachtoffer] net aan het oversteken was en dat zij haar daardoor niet heeft gezien of heeft kunnen zien. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van feiten en omstandigheden die maken dat verdachte [slachtoffer] niet tijdig op de fietsstrook had kunnen zien. Daarbij betrekt de rechtbank tevens dat [slachtoffer] zich voortbewoog met een rollator en zich ook om die reden dus langere tijd op de fietsstrook vóór verdachte moet hebben bevonden.

Samenvattend, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich tijdens het fietsen op de (fietsstrook van de) Arhemsestraatweg in Velp, naar algemeen bekend een drukke verkeersweg, langere tijd heeft laten afleiden door haar mobiele telefoon, waardoor zij de voetgangster vóór haar op de fietsstrook niet heeft gezien, haar snelheid onvoldoende heeft gematigd en onvoldoende afstand heeft gehouden. Door zich aldus te gedragen, heeft verdachte zich in een situatie gebracht waar een ongeval, zoals dat heeft plaatsgevonden, voorzienbaar was. Het gedrag van verdachte is dan ook verwijtbaar omdat de verkeersfout vermijdbaar was. Verdachte had als fietser haar aandacht op de weg, de fietsstrook en de verkeerdeelnemers vóór haar gericht moeten houden, in plaats van met haar telefoon bezig te zijn. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam heeft gereden. Dit betekent dat sprake is van een aanmerkelijke verkeersfout.

Voorts stelt de rechtbank vast dat uit bovenstaand forensisch onderzoek duidelijk blijkt dat [slachtoffer] is overleden ten gevolge van het verkeersongeval en het letsel dat zij daarbij heeft opgelopen. Dat [slachtoffer] COPD had, heft het causale verband tussen het ongeval en het overlijden en daarmee de schuld van verdachte niet op.

Gezien het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het ongeval en het latere overlijden van [slachtoffer] niet alleen door het handelen van verdachte is veroorzaakt, maar ook aan haar schuld is te wijten in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet, zoals primair ten laste gelegd.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

zij op of omstreeks 3 juni 2017 te Velp in de gemeente Rheden, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (fiets), komende uit de richting Arnhem en/of gaande in de richting Velp centrum, daarmede rijdende over de weg, de Arnhemsestraatweg,

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden,

hierin bestaande dat verdachte,

terwijl zij, verdachte tijdens het rijden een mobiele telefoon heeft vastgehouden en/of op die telefoon heeft gekeken en/of niet of in onvoldoende mate heeft gelet op het direct voor haar gelegen weggedeelte van die weg (de Arnhemsestraatweg) en/of terwijl op korte afstand voor haar, verdachte op een op die weg (de Arnhemsestraatweg) gesitueerde fietsstrook, althans op die weg (de Arnhemsestraatweg), zich een met een rollator voortbewegende voetgangster

bevond, de snelheid van dat door haar, verdachte bestuurde voertuig (fiets), in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, niet zodanig heeft geregeld dat zij, verdachte in staat was dat door haar, verdachte bestuurde voertuig (fiets) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij, verdachte die weg (de

Arnhemsestraatweg) kon overzien en waarover deze vrij was en/of is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die op die fietsstrook van die weg, althans op die weg (Arnhemsestraatweg) zich bevindende voetgangster (het slachtoffer [slachtoffer] ), ten gevolge waarvan die voetgangster vervolgens op het wegdek van die weg (de Arnhemsestraatweg) is

gevallen, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] )

werd gedood.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

In geval van strafoplegging heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de strafeis van de officier van justitie onevenredig hoog is en toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht bepleit. Zij heeft erop gewezen dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest en dat het ongeval veel impact op haar heeft gehad. Voorts heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat verdachte als zzp’er geen vast inkomen heeft en dat zij vanaf de tweede helft van 2018 mogelijk zes maanden in het buitenland gaat werken.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 15 januari 2018.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 3 juni 2017 als bestuurder van een fiets een ernstig verkeersongeval veroorzaakt doordat zij zich te lang heeft laten afleiden door haar mobiele telefoon. Hierdoor heeft verdachte het slachtoffer, een 83-jarige voetgangster met rollator, op de fietsstrook vόόr haar niet gezien en is zij fietsend tegen het slachtoffer gebotst, wat fatale gevolgen heeft gehad. Door de botsing is het slachtoffer namelijk ten val gekomen, waarna verdachte met haar fiets op het slachtoffer is gevallen. Het slachtoffer is daardoor ernstig gewond geraakt, per ambulance naar het ziekenhuis gebracht en als gevolg van haar verwondingen twee dagen later in het ziekenhuis overleden. Ter zitting heeft de dochter van het slachtoffer helder verwoord dat haar moeder nog vol in het leven stond en allerlei plannen voor de toekomst had, waaraan op bijzonder tragische wijze abrupt een einde is gekomen. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. Net als op iedere verkeersdeelnemer, rust ook op een fietser de plicht en de verantwoordelijkheid om zorgvuldig en oplettend te zijn in het verkeer.

Anderzijds houdt de rechtbank bij de strafoplegging rekening met de omstandigheid dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen wegens het plegen van een strafbaar feit en dat (ook) zij de rest van haar leven moet leven met de fatale gevolgen van haar onoplettend handelen, die zij nimmer heeft gewild.

Alles afwegend, is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 uur vervangende hechtenis, passend en geboden is. De straf valt wat lager uit dan de strafeis van de officier van justitie omdat voor de rechtbank zwaar weegt dat het ongeval is veroorzaakt is met een fiets en niet met een motorvoertuig, dat over het algemeen meer risico’s voor de verkeersveiligheid vormt.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6 en 175 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een werkstraf gedurende 150 (honderdvijftig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 (vijfenzeventig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y. Cenik (voorzitter), mr. M.C. van der Mei en mr. J. Wiersma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J.M. Fransen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 maart 2018.

mr. J. Wiersma is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost- Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2017252914, gesloten op 10 juli 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Verklaring van verdachte afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting, gelezen in samenhang met het proces-verbaal van verhoor verdachte p. 16 en uittreksel uit overlijdensakte p. 10.

3 Verklaring van verdachte afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting, gelezen in onderlinge samenhang met proces-verbaal van bevindingen, p. 11 en proces-verbaal overlijdensakte en lijkschouw PL0600-2017252914-9, p. 1.

4 Verklaring van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting.

5 Proces-verbaal van bevindingen p. 25.

6 Proces-verbaal van bevindingen p. 27.

7 Proces-verbaal verhoor getuige p. 24.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige p. 22.

9 Proces-verbaal overlijdensonderzoek bij lijkschouw PL0600-2017252914-9, p. 1.

10 Proces-verbaal verhoor verdachte p. 16.