Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:865

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
27-02-2018
Zaaknummer
C/05/319169 / HA ZA 17-211
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid, toewijzing

Vennootschap bij verstek veroordeeld tot betaling openstaande facturen, vervolgens geen executie mogelijk wegens ontbinding en uitschrijving vennootschap door KvK ivm niet deponeren jaarrekeningen, bestuurder als vereffenaar laat schulden vervolgens op beloop.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2018-0093
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/319169 / HA ZA 17-211

Vonnis van 21 februari 2018

in de zaak van

[Eiser] ,

[woonplaats],

eiser,

advocaat mr. A.A. Bart te Veenendaal,

tegen

[gedaagde]

in hoedanigheid van middellijk bestuurder c.q. vereffenaar van de vennootschap Mijn Servicepunt B.V. ,

[woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. H. den Besten te Almere.

Partijen zullen hierna [Eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 20 september 2017

- het proces-verbaal van comparitie van .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[Eiser] verricht, soms onder de naam [naam A], onder meer in opdracht werkzaamheden bestaande uit met name het ontwikkelen, produceren en uitgeven van software.

2.2.

[gedaagde] noemt zichzelf ook [naam B]. [gedaagde] was enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap Labora Sustinens B.V. (hierna: Labora Sustinens), welke vennoorschap op haar beurt enig aandeelhouder en bestuurder was van de vennootschap Mijn Servicepunt B.V. (hierna: Mijn Servicepunt). Mijn Servicepunt heeft bij de Kamer van Koophandel ingeschreven gestaan, met vermelding van de volgende activiteiten: de exploitatie van een dienstverlenend en faciliterend bedrijf, met name voor ondernemers, ZZP-ers en freelancers, op het gebied van automatisering, telecommunicatie, mobiliteit administratie, advisering, detachering, (collectieve) in- en verkoop, verzekeringen en financiering.

2.3.

[Eiser] is met Mijn Servicepunt op 4 maart 2013 een op schrift gestelde overeenkomst van opdracht aangegaan. De opdracht behelsde het vertalen van functionele ontwerpen naar technische ontwerpen ten behoeve van het online Mijn servicepunt CRM/ERP systeem, het helpen uitdenken van nieuwe technieken en deze implementeren, het uitvoeren van unittests en het onderhouden van programma-, systeem- en gebruikersdocumentatie.

2.4.

[Eiser] heeft in de periode van 26 februari 2014 tot en met 25 juni 2015 in totaal 17 facturen aan Mijn Servivepunt gezonden, telkens met een vervaldatum die vier weken na de factuurdatum is gelegen, met een totaal beloop van € 119.064,00. Deze facturen heeft Mijn Servicepunt, ondanks betalingsherinneringen, onbetaald gelaten.

2.5.

Bij schrijven van de gemachtigde van [Eiser] van 20 mei 2016 is Mijn Servicepunt in gebreke gesteld terzake van de openstaande facturen, met laatste sommatie tot betaling binnen acht dagen en aanzegging van rente, buitengerechtelijke kosten en kosten derden.

2.6.

Bij vonnis van deze rechtbank van 26 oktober 2016 (C/05/308689/ HA ZA 16/475 / 389) is Mijn Servicepunt bij verstek veroordeeld om aan [Eiser] te betalen € 140.160,39 aan hoofdsom, verschenen rente, buitengerechtelijke kosten en kosten derden, alsmede in de proceskosten (hierna: het verstekvonnis).

2.7.

[Eiser] is vervolgens overgegaan tot betekening en heeft gepoogd het verstekvonnis te executeren, maar stuitte daarbij op de uitschrijving door de Kamer van Koophandel van Mijn Servicepunt en Labora Sustinens. In het handelsregister is op 10 november 2016 geregistreerd dat deze vennootschappen zijn ontbonden en uitgeschreven per diezelfde datum.

2.8.

Op 12 december 2016 heeft [gedaagde] aan de Kamer van Koophandel een schrijven gestuurd met als opschrift ‘bezwaarschrift’, gericht tegen het besluit van de Kamer van Koophandel van 10 november 2016 (de ontbinding en uitschrijving van Labora Sustinens).

2.9.

Op 17 juli 2017 is Mijn Servicepunt in verzet gekomen tegen het verstekvonnis.

3 Het geschil

3.1.

[Eiser] vordert samengevat - veroordeling bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, van [gedaagde] tot betaling aan [Eiser] van hetgeen [Eiser] thans, althans per datum van ontbinding van Mijn Servicepunt B.V. opeisbaar te vorderen heeft van [gedaagde] op grond van het verstekvonnis, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

[Eiser] legt aan het gevorderde - samengevat - het volgende ten grondslag.[gedaagde] heeft jegens [Eiser] onrechtmatig gehandeld. Hij heeft als (middellijk) bestuurder zijn kerntaak van het voeren van een adequate boekhouding verzaakt. Jaarrekeningen van Mijn Servicepunt en Labora Sustinens zijn niet gedeponeerd, waarmee voor [Eiser] het zicht is ontnomen op de verhaalspositie van deze vennootschappen. Ondanks aankondiging van de Kamer van Koophandel heeft [gedaagde] het laten gebeuren dat Mijn Servicepunt werd ontbonden en uitgeschreven vanwege het verzuim om jaarrekeningen te deponeren. Als gevolg daarvan zijn de vorderingen onbetaald gebleven, terwijl deze bovendien onverhaalbaar zijn op de vennootschap. De schade is gelijk aan het in het verstekvonnis toegewezen maar onbetaald gelaten bedrag. Aan [gedaagde] kan terzake van dit onbehoorlijk bestuur persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt en hij is dus hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. Voorts heeft [gedaagde] als bestuurder de vorderingen van [Eiser] laten ontstaan en steeds verder laten oplopen, wetende dat de vennootschap deze niet kon voldoen en terwijl er bij [gedaagde] ook geen wil tot betalen bestond. Ook daarom is hij persoonlijk aansprakelijk voor de schade. Als vereffenaar heeft [gedaagde] vervolgens ook zijn taak onbehoorlijk vervuld. Na het verstekvonnis is de vordering onbetaald gelaten en heeft [gedaagde] de vereffening niet ter hand genomen, maar heeft hij evenmin het faillissement van Mijn Servicepunt aangevraagd. Feitelijk laat [gedaagde] als vereffenaar de schulden geheel op hun beloop en ook daarvan kan hem een ernstig verwijt worden gemaakt. Aldus - steeds - [Eiser].

3.3.

[gedaagde] voert verweer, dat zich laat samenvatten als volgt. Tegen het verstekvonnis is verzet aangetekend, dus het verstekvonnis is niet onherroepelijk en kan niet dienen als basis voor het gevorderde in deze procedure. De vordering van [Eiser] zal in de verzetprocedure worden betwist: [Eiser] heeft slecht werk geleverd en uren geschreven die hij niet heeft gewerkt. Het systeem dat [Eiser] zou ontwerpen en leveren kwam niet af door gebrek aan kennis van zaken bij [Eiser] en het feit dat hij geruime tijd niet verscheen. Het bedrijf van Mijn Servicepunt heeft daardoor financiële problemen gekregen omdat, zolang [Eiser] het systeem niet af had, niet kon worden gestart met het in de markt zetten van producten. Er kwamen dus geen inkomsten binnen. Dat leidde er weer toe dat er geen jaarstukken konden worden opgemaakt, omdat de accountant niet kon worden betaald. [gedaagde] treft in het licht van dit wanpresteren door [Eiser] dus geen verwijt ten aanzien van het niet deponeren van de jaarrekeningen. Tegen de uitschrijving door de Kamer van Koophandel heeft Mijn Servicepunt bezwaar gemaakt, maar dat is nog niet behandeld. Omdat de ontbinding nog voorwerp was van bezwaar is [gedaagde] niet overgegaan tot vereffening of faillissementsaanvrage. Er is dus geen sprake van vereffening en taakvervulling in dat kader. [Eiser] heeft de enige (grote) vordering, dus faillissement ligt niet voor de hand. Aldus - steeds - [gedaagde].

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Volgens [Eiser] is hij als schuldeiser van Mijn Servicepunt benadeeld door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van zijn vorderingen en is [gedaagde] als (middellijk) bestuurder daarvoor persoonlijk aansprakelijk.

4.2.

Op zichzelf is de gestelde benadeling van [Eiser] in zoverre niet weersproken dat de facturen van [Eiser] niet door Mijn Servicepunt zijn betaald en dat evenmin door Mijn Servicepunt aan het verstekvonnis is voldaan, terwijl verhaal thans niet meer mogelijk is vanwege de ontbinding van Mijn Servicepunt. Voor zover [gedaagde] betoogt dat aan [Eiser] geen vordering toekomt omdat hij slecht werk heeft geleverd of onjuiste facturen heeft opgesteld gaat de rechtbank hieraan voorbij, reeds gelet op de veroordeling in het verstekvonnis. Voor zover Mijn Servicepunt in dat verzet zal worden ontvangen, zal in die procedure over de betreffende weren kunnen worden geoordeeld. Voor de onderhavige beoordeling kan met vorenstaande rekening worden gehouden als nader te overwegen en beslissen.

4.3.

Ter beoordeling ligt voor of, naast de aansprakelijkheid van Mijn Servicepunt zoals vastgesteld in het verstekvonnis, ook grond bestaat voor aansprakelijkheid van [gedaagde] als (middellijk) bestuurder van Mijn Servicepunt voor de bedoelde benadeling van [Eiser]. De rechtspraak onderscheidt twee situaties waarin de bestuurder van een vennootschap persoonlijk aansprakelijk is ter zake van benadeling van schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaald blijven van diens vordering. In de eerste situatie is de bestuurder namens de vennootschap verplichtingen cq. een overeenkomst aangegaan, terwijl hij wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet of niet binnen redelijke termijn aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de als gevolg van niet-nakoming door de wederpartij te lijden schade. In het algemeen treft de bestuurder dan een zodanig (ernstig) verwijt dat hij persoonlijk jegens de wederpartij van de vennootschap aansprakelijk is. De persoonlijke verwijtbaarheid die ook in deze situatie is vereist kan echter worden ontzenuwd met de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. In de tweede situatie heeft de bestuurder bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt en het handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat de bestuurder daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet of niet binnen redelijke termijn zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.

Met inachtneming van deze maatstaven overweegt de rechtbank als volgt.

4.4.

[gedaagde] was als (middellijk) bestuurder gehouden tot het nakomen van de boekhoudplicht (artikel 2:10 BW) betreffende Mijn Servicepoint, waaronder het opmaken van de jaarlijkse balans en staat van baten en lasten. Vast staat dat de jaarrekeningen van Mijn Servicepunt niet zijn opgemaakt en dus ook niet openbaar gemaakt op de voet van artikel 2:394 BW. [gedaagde] heeft (in elk geval aanvankelijk) weersproken dat dit tot de ontbinding en uitschrijving heeft geleid. Daarbij heeft hij evenwel niet toegelicht welke andere grond voor deze beslissing van de Kamer van Koophandel heeft gegeven (zie het bepaalde in artikel 2:19a, eerste lid, BW). Uit het voornemen en de beslissing die aan Mijn Servicepunt bekend moet zijn gemaakt met mededeling in de Staatscourant (zie het bepaalde in artikel 2:19a, tweede lid, BW) zou deze grond moeten zijn gebleken. Kortom: als een andere grond voor ontbinding door de Kamer van koophandel is gehanteerd, dan kan dit bij [gedaagde] bekend worden verondersteld en dan had het op zijn weg gelegen dat nader uiteen te zetten. De rechtbank houdt het dan ook voor dat Mijn Servicepunt is ontbonden vanwege het in gebreke blijven met de nakoming van de verplichting tot openbaarmaking van de jaarrekening of de balans en de toelichting.

4.5.

Volgens [gedaagde] treft hem geen blaam ten aanzien van het niet opmaken en niet openbaar maken van de jaarrekeningen, omdat [Eiser] geen werkend systeem had opgeleverd waarmee hij de nodige stukken kon opmaken, terwijl bovendien door Mijn Servicepunt wegens het ontbreken van een deugdelijk systeem geen inkomsten werden gegenereerd, waardoor de accountant niet kon worden betaald. [Eiser] heeft dit alles betwist. Daargelaten de vragen of de opdracht aan [Eiser] ook het ontwerpen en leveren van een systeem voor financiële administratie behelsde en zo ja, of dit systeem al dan niet deugdelijk is opgeleverd door [Eiser], dient de eigen verantwoordelijkheid voor degene die de onderneming drijft voorop te staan. Met andere woorden: de wettelijke plichten betreffende administratie, boekhouding en jaarstukken liggen bij Mijn Servicepunt, niet bij [Eiser]. Voorts heeft [gedaagde] ook in deze procedure geen enkel inzicht gegeven in de financiële situatie (baten en lasten) van Mijn Servicepunt, zodat iedere toetsbaarheid van zijn stellingen en weren ontbreekt. Het verweer dat hem geen verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van het niet deponeren van de jaarstukken is dan ook van de nodige onderbouwing verstoken gebleven en wordt om die reden gepasseerd. Dit leidt tot het oordeel dat het door [gedaagde] gevoerde bestuur over Mijn Servicepunt als onbehoorlijk heeft te gelden (vergelijk het bepaalde in artikel 2:248 BW).

4.6.

Ook het verwijt van [Eiser] dat [gedaagde] bij het namens Mijn Servicepunt aangaan van verbintenissen waarvan hij, [gedaagde], wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat die vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden heeft [gedaagde] niet althans onvoldoende gemotiveerd weersproken, nu hij heeft nagelaten (toetsbaar) inzicht te geven in de financiële situatie van Mijn Servicepunt. Zonder openbaargemaakte jaarstukken ontbreken immers ijkpunten om het handelen van een bestuurder te controleren, en die situatie heeft zich jarenlang voorgedaan bij Mijn Servicepunt. Aan contractspartijen/schuldeisers als [Eiser] is voorts geen mogelijkheid geboden om zich een beeld te vormen van de gegoedheid van Mijn Servicepunt.

4.7.

Voorts staat vast dat [gedaagde] niet is opgekomen tegen de ontbinding en uitschrijving van Mijn Servicepoint, nu de brief van 12 december 2016 (daargelaten termijnen en adressant) slechts ziet op Labora Sustinens. Daarmee dient bij de beoordeling van deze ontbinding te worden uitgegaan. Op grond van het bepaalde in de wet (artikelen 2:23 en 2:23a BW) is [gedaagde] de vereffenaar geworden van het vermogen van Mijn Servicepunt en in die hoedanigheid gehouden om, indien blijkt dat de baten de schulden vermoedelijk zullen overtreffen, aangifte te doen tot faillietverklaring. Volgens [Eiser] heeft [gedaagde] dat echter nagelaten, hetgeen [gedaagde] weerspreekt door te stellen dat de wet geen termijn verbindt aan de vervulling van de taken van een vereffenaar en dat hij thans doende is om een aanvang te maken met de vereffening. [gedaagde] heeft tot aan de onderhavige procedure geen kenbare uitvoering heeft gegeven aan zijn taken als vereffenaar. Hetgeen [gedaagde] aanvoert over het ter hand nemen van de vereffening is verstoken van enige concrete toelichting, bijvoorbeeld ten aanzien van de baten en lasten. Naar het oordeel van de rechtbank is [gedaagde], door zo lang na de ontbinding na te laten om te vereffenen (en de vordering van [Eiser] te betalen uit de baten) dan wel aangifte tot faillietverklaring te doen, tekortgeschoten in zijn taken van vereffenaar en heeft hij de schulden te lang op hun beloop gelaten en daarmee [Eiser] benadeeld.

4.8.

Gelet op al het voorgaande heeft [gedaagde] als bestuurder en vereffenaar onrechtmatig gehandeld jegens [Eiser] en is [gedaagde] aansprakelijk voor de schade aan de zijde van [Eiser] die het gevolg is van het niet voldoen aan het verstekvonnis door Mijn Servicepunt en het niet bieden van verhaal door Mijn Servicepunt.

4.9.

Op het verzet tegen het verstekvonnis is - naar in deze procedure thans bekend is - nog niet beslist. De onder 4.8 bedoelde schade laat zich, gelet op hetgeen in onderhavige procedure is gevorderd, bepalen op hetgeen waartoe Mijn Servicepunt in de procedure die door [Eiser] is geëntameerd en die tot het verstekvonnis heeft geleid, onherroepelijk is of zal worden veroordeeld. Indien en voor zover Mijn Servicepunt aan de veroordeling zal voldoen, zal [gedaagde] zijn bevrijd. De vordering zal dan ook in die zin (hoofdelijk) worden toegewezen als hierna te bepalen.

4.10.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. [Eiser] heeft niet (voldoende onderbouwd) gesteld dat hij deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

4.11.

De gevorderde rente ten aanzien van de veroordeling zal, zoals gevorderd, slechts worden toegewezen met ingang van de datum van dagvaarding.

4.12.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [Eiser] worden begroot op € 1.888,05, zijnde explootkosten ad € 101,05, griffierecht ad € 883,00 en salaris advocaat ad € 904,00 (2 punten × tarief € 452,00).

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [Eiser] te betalen hetgeen waartoe Mijn Servicepunt in de procedure waarin deze rechtbank 26 oktober 2016 een verstekvonnis heeft gewezen (C/05/308689/ HA ZA 16/475 / 389) onherroepelijk is of zal worden veroordeeld te betalen aan [Eiser], vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over bedoeld bedrag met ingang van 5 april 2017 tot de dag van volledige betaling, zijnde deze veroordeling van [gedaagde] hoofdelijk in die zin dat als Mijn Servicepunt aan de veroordeling in bedoelde procedure zelf voldoet, [gedaagde] zal zijn bevrijd;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [Eiser] tot op heden begroot op € 1.888,05,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Mans en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2018.