Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:863

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
07-02-2018
Datum publicatie
26-02-2018
Zaaknummer
C/05/316915 / HA ZA 17-109
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling, toewijzing conventie en reconventie in een samenhangende beslissing

Jarenlange onverdeeldheid vanwege niet uitvoeren arrest, resterende overwaarde betalen tegenover gelijktijdige medewerking levering, rentevorderingen en schadevergoeding afgewezen, eigenaarslasten verrekend met gebruikersvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/316915 / HA ZA 17-109

Vonnis van 7 februari 2018

in de zaak van

[eiser] ,

[woonplaats]

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. M.J. Hoogendoorn te Utrecht,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

[woonplaats] ,

2. [gedaagde sub 2],

[woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. M.W.J. van der Horst te Nijmegen.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 juni 2017;

- het proces-verbaal van comparitie van 2 november 2017 en

- de conclusie van antwoord in reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn sinds 1994 gezamenlijk eigenaar van een onverdeeld woonhuis met onder meer erf, tuin en weiland aan de [straatnaam, nummer, plaats] (hierna: het woonhuis). Het aandeel van [gedaagden] in deze gemeenschap is 72% en het aandeel van [eiser] is 28%.

2.2.

De verstandhouding tussen partijen is in de loop der tijd ernstig verstoord geraakt. De geschillen ontstonden aanvankelijk met name over het onderhoud en het gebruik van het woonhuis. De conflicten liepen zodanig uit de hand dat het voortzetten van gezamenlijk eigendom en gebruik van het woonhuis niet meer mogelijk was. Partijen zijn vervolgens met elkaar in juridische procedures verwikkeld geraakt, waarbij de feitelijke en juridische verdeling van het woonhuis (en de financiële afwikkeling daarvan) centraal is komen te staan.

2.3.

Bij vonnis van 22 december 2004 van de Rechtbank Arnhem is [eiser] onder meer veroordeeld om voor 22 februari 2005 mee te werken aan de verkoop en levering van haar aandeel in het woonhuis aan [gedaagden] , tegen betaling van een bedrag van € 115.000,00 door [gedaagden] aan [eiser] .

2.4.

[eiser] heeft tegen dat vonnis, dat uitvoerbaar bij voorraad was verklaard, hoger beroep ingesteld. [gedaagden] hebben genoemd vonnis hangende het hoger beroep ten uitvoer gelegd. In kort geding had [eiser] nog getracht deze executie te laten verbieden, maar haar daartoe strekkende vordering is bij vonnis in kort geding van de rechtbank Arnhem van 24 februari 2005 afgewezen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten (€ 816,00 voor salaris en € 244,00 voor verschotten).

2.5.

Op 14 maart 2005 heeft [eiser] haar aandeel in het woonhuis feitelijk ontruimd en aan [gedaagden] geleverd. Op de in het kader van deze levering opgestelde afrekening van de notaris van 14 maart 2005, gericht aan [gedaagden] staat een koopsom van € 115.000,00 vermeld, en voorts is onder meer vermeld:

- een verrekening van gemeentelijke belastingen 2005;

- een netto aflossingsbedrag (hypotheek Rabobank Betuwe) van € 105.302,89 en

- een per saldo te betalen bedrag van € 16.002,30.

2.6.

Sinds 14 maart 2005 bewonen en gebruiken uitsluitend [gedaagden] het woonhuis. [eiser] is door [gedaagden] niet meer toegelaten tot het woonhuis, ook niet bij gelegenheid van onderzoek/bezichtiging door (een) deskundige(n) in het kader van de waardebepaling van het woonhuis.

2.7.

Op 15 mei 2007 heeft het Gerechtshof Arnhem een tussenarrest gewezen in het door [eiser] ingestelde hoger beroep. In dat arrest is, voor zover van belang, het volgende overwogen:

“2.1 In het tussenarrest van 31 oktober 2006 heeft het hof overwogen dat destijds tussen partijen geen koopovereenkomst tot stand is gekomen en dat de primaire, op koop gebaseerde vordering van [gedaagden] moet worden afgewezen (rov. 4.3). Dat betekent dat het vonnis van de rechtbank, waarin [eiser] is veroordeeld tot verkoop en levering van haar aandeel aan [gedaagden] tegen een koopsom van € 115.000,00 niet in stand kan blijven. [gedaagden] hebben in hun akte

overlegging producties ten behoeve van de comparitie van partijen in hoger beroep in de toelichting op productie 14 betoogd dat artikel 7 van de akte van levering eraan in de weg staat dat het toenmalige gedeelte van [eiser] weer aan haar wordt teruggeleverd. Daarmee miskennen [gedaagden] echter dat geen teruglevering is vereist. Immers, van meet af aan heeft naar het oordeel van het hof een geldige titel voor de eigendomsoverdracht ontbroken. Het in artikel 3:84 lid 1 BW

verankerde causale stelstel brengt mee dat dan geen eigendomsoverdracht plaatsvindt en het perceel (onverdeeld) gemeenschappelijk eigendom van beide partijen is gebleven. [gedaagden] hebben ter gelegenheid van de comparitie van partijen aangevoerd dat zij in dat geval een probleem hebben met hun bank in verband met de hypotheek die op het gehele perceel rust. Dat kan echter aan het vorenstaande niet afdoen. De gevolgen van de tenuitvoerlegging door [gedaagden] van een niet onherroepelijk vonnis, dat in hoger beroep wordt vernietigd, komen immers voor hun risico.

2.8.

Bij arrest van 14 april 2009 heeft het Gerechtshof Arnhem het vonnis van de rechtbank van 22 december 2004 uiteindelijk vernietigd en is, opnieuw rechtdoende, in conventie en in reconventie het aandeel van [eiser] in het woonhuis toebedeeld aan [gedaagden] , tegen vergoeding van de overwaarde van dat aandeel van € 146.800,00 door [gedaagden] aan [eiser] . In conventie zijn [gedaagden] voorts veroordeeld tot vergoeding van de schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 22 december 2004, met verwijzing naar de schadestaatprocedure. De vorderingen van [gedaagden] in verband met schadevergoeding wegens beschadigingen aan het woonhuis door [eiser] zijn afgewezen. In genoemd arrest staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“2.10 [gedaagden] hebben bij memorie van antwoord hun eis vermeerderd in die zin dat zij vorderen een bedrag van ruim € 21.000,00 in verband met de beschadigingen die [eiser] op de dag dat zij haar woning heeft verlaten (14 maart 2005) volgens [gedaagden] moedwillig heeft aangericht. (…) Nu de taxatie van de deskundige hoger uitvalt dan het door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 115.000,00 (waarin nog geen rekening was gehouden met eventuele beschadigingen door [eiser] ), is er geen grond aan [gedaagden] enige vergoeding toe te kennen voor het feit dat [eiser] wellicht beschadigingen heeft aangericht. Voor zover daarvan sprake is geweest, moet het ervoor worden gehouden dat dit in de waardering van de woning tot uitdrukking is gebracht. Het rapport van de deskundige duidt daar ook op.

(…)

2.14

Primair heeft [eiser] onder meer gevorderd dat haar reconventionele vordering alsnog moet worden toegewezen. Die vordering strekt tot een feitelijke verdeling. [gedaagden] hebben zich daartegen verzet. Zij hebben onder meer aangevoerd dat de [gemeente] niet zal meewerken aan een splitsing. Ook het bestemmingsplan lijkt in dat opzicht beperkingen op te werpen, nu uit het rapport van de deskundige blijkt dat een tweede zelfstandige woning op het perceel naar alle waarschijnlijkheid niet is toegestaan. Tegen die achtergrond oordeelt het hof het billijk om, overeenkomstig de subsidiaire vordering van beide partijen, het deel van [eiser] bij wijze van verdeling toe te delen aan [gedaagden] tegen vergoeding door [gedaagden] van hun overbedeling aan [eiser] .

(..)

2.16

Doordat het vonnis wordt vernietigd, zal ingevolge de tussenarresten van 31 oktober 2006 en 15 mei 2007 ook de titel aan de notariële levering van 14 maart 2005 komen te ontvallen. [eiser] zal in beginsel op de voet van artikel 3:186 lid 1 BW haar deel via een notariële akte aan [gedaagden] moeten leveren. Omdat partijen in dit verband verder geen vorderingen hebben ingesteld, ligt hier geen taak voor het hof.”

2.9.

Het arrest van 14 april 2009 is op 29 maart 2011 aan [gedaagden] betekend. Er is geen beroep in cassatie ingesteld tegen dit arrest.

2.10.

Levering op de voet van artikel 3:186, eerste lid, BW van het aandeel van [eiser] in het woonhuis aan [gedaagden] via een notariële akte als bedoeld in rechtsoverweging 2.16 van het arrest van 14 april 2009 heeft tot op heden niet plaatsgevonden.

2.11.

Op 6 mei 2016 heeft [eiser] doen verzoeken om een kennelijke omissie te verbeteren in genoemd arrest op de voet van artikel 31/32 Rv. Het ging daarbij om een vordering van [eiser] om [gedaagden] te veroordelen aan haar € 146.800,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van betekening van dat eindarrest. Dit verzoek is afgewezen bij beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 juni 2016, met de volgende overwegingen:

“In het arrest van 14 april 2009 heeft het hof in rov. 2.14 het billijk geoordeeld om, overeenkomstig de subsidiaire vorderingen van beide partijen (in conventie en in reconventie), het deel van [eiser] bij wijze van verdeling toe te delen aan [gedaagden] tegen vergoeding door [gedaagden] van hun overbedeling aan [eiser] . In rov. 2.16 heeft het hof uiteengezet dat door vernietiging van het vonnis de titel aan de notariële levering van 14 maart 2005 zou komen te ontvallen, dat [eiser] in beginsel op de voet van artikel 3:136 lid 1 BW haar deel via een notariële akte aan [gedaagden] zal moeten leveren en dat, omdat partijen in dit verband verder geen vorderingen hebben ingesteld, hier geen taak voor het hof ligt. In het dictum heeft het hof in conventie en in reconventie het aan [eiser] in eigendom toebehorende aandeel in de onroerende zaak toegedeeld aan [gedaagden] tegen vergoeding van de overwaarde van € 146.800. Naar het oordeel van het hof vloeit hieruit voort dat er geen sprake is van een kennelijke fout die zich voor eenvoudige verbetering leent, noch van een ommissie.”

2.12.

In kort geding heeft deze rechtbank bij vonnis van 9 februari 2017 de vordering van [eiser] , die grotendeels overeenkomt met de onderhavige vordering in conventie, afgewezen, waartoe kortgezegd is overwogen dat niet was voldaan aan de vereisten voor het toewijzen van een geldvordering in kort geding. [eiser] is in dit vonnis in de proceskosten veroordeeld (€ 1.699,00). De grosse is aan [eiser] betekend bij exploot van 22 februari 2017, waarbij aan [eiser] is bevolen om genoemde proceskosten plus nakosten ad € 199,00 en explootkosten ad € 95,54 te voldoen aan de gerechtsdeurwaarder.

2.13.

Bij brief van 2 maart 2017 heeft een notaris, verbonden aan het notariskantoor waar de levering van 15 maart 2005 had plaatsgevonden, aan [gedaagden] bericht dat de door de rechtbank vastgestelde koopsom ad € 115.000,00 door [gedaagden] destijds is voldaan en dat daarvan de aan [eiser] toekomende netto gelden (na aftrek hypotheek/kosten) zijn uitbetaald aan [eiser] .

3. Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser] vordert samengevat - veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 46.800,00, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

[eiser] baseert haar vordering - kort gezegd - op het navolgende. Uit het arrest van 14 april 2009 vloeit voort dat het aandeel van [eiser] in het woonhuis opnieuw moet worden geleverd aan [gedaagden] tegen vergoeding van een overwaarde van € 146.800,00. [eiser] is bereid om opnieuw te leveren en heeft dit ook steeds te kennen gegeven. Het verschil tussen de oorspronkelijk vastgestelde koopprijs uit 2005 en de bij genoemd arrest vastgestelde overwaarde, ten belope van € 31.800,00, dient dan ook te worden betaald, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 29 maart 2011, de datum van betekening van het arrest van 14 april 2009, behoudens het navolgende. Bij gelegenheid van de eerdere levering op 14 maart 2005 hebben [gedaagden] , door de aflossing van de hypothecaire schuld van [eiser] , slechts € 104.000,00 (of € 105.000,00) voldaan van de koopprijs van € 115.000,00. De resterende € 11.000,00 heeft [eiser] niet ontvangen en dient nog te worden voldaan door [gedaagden] , vermeerderd met wettelijke rente vanaf 15 maart 2005. De kosten voor de overdracht dienden hoe dan ook als “kosten koper” voor rekening van [gedaagden] te blijven. Aldus - steeds - [eiser] .

3.3.

[gedaagden] voeren verweer, dat zich laat samenvatten als volgt. [eiser] kan eerst na levering aanspraak maken op betaling van de overwaarde. Nu [eiser] nog niet heeft geleverd, heeft zij geen vordering. Van opeisbare, verschenen rente kan dus al helemaal geen sprake zijn. Subsidiair geldt dat [gedaagden] in 2005 het gehele bedrag van de toen vastgestelde koopsom van € 115.000,00 hebben voldaan, zoals blijkt uit de mededelingen van de notaris over de afrekening. Voor zover enig bedrag aan [eiser] kan worden toegewezen is dit ten hoogste € 31.800,00, zijnde het verschil tussen € 146.800,00 en € 115.000,00. Deze vordering gaat echter geheel teniet door verrekening met de vorderingen van [gedaagden] op [eiser] ad € 158.783,90, zoals gevorderd in reconventie. Aldus - steeds - [gedaagden]

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

[gedaagden] vorderen samengevat - :

- verklaring voor recht dat [gedaagden] gerechtigd is tot verrekening van de vorderingen in conventie met de vorderingen in reconventie;

- veroordeling van [eiser] tot betaling van € 126.983,90 + PM;

- veroordeling van [eiser] tot medewerking aan verkoop en levering van haar aandeel in het woonhuis tegen een koopprijs van nihil binnen een maand, met aanwijzing van een notaris om [eiser] , indien zij niet aan deze veroordeling voldoet, te vertegenwoordigen;

- kosten rechtens.

3.6.

[gedaagden] baseren hun vorderingen - kort gezegd - op het navolgende. Op 14 maart 2005 hebben [gedaagden] geheel voldaan de koopprijs van € 115.000,00, zoals vastgesteld door de rechtbank voor het aandeel van [eiser] in het woonhuis, terwijl achteraf blijkt dat daar geen levering aan hen tegenover heeft gestaan.Terugblikkend is die betaling, waarvoor [gedaagden] een hypothecaire lening zijn aangegaan, dus ten onterechte gedaan en beschikt [eiser] dus al sindsdien ten onrechte over het betaalde bedrag. Om die reden is [eiser] gehouden om aan [gedaagden] te vergoeden de wettelijke rente over het bedrag dat aan haar is voldaan sinds die betaling en de hypothecaire rente die [gedaagden] hebben moeten voldoen om de betaling te kunnen verrichten. Ook is er sprake van een aantal kosten, verbonden aan de eigendom van het woonhuis, dat sinds 2005 geheel ten laste is gekomen van [gedaagden] terwijl achteraf is gebleken dat [eiser] haar aandeel in eigendom heeft behouden en dat zij dus ook haar deel van die lasten moet voldoen. Voorts zijn er te vorderen posten die zien op kosten van herstel van het woonhuis na het vertrek van [eiser] , gemaakt vanwege de toestand waarin zij haar deel had achtergelaten, en andere noodzakelijke kosten, door [eiser] veroorzaakt of in elk geval door haar te dragen. Tenslotte is er een tweetal proceskostenveroordelingen waaraan [eiser] niet heeft voldaan. De vorderingen van [gedaagden] op [eiser] hebben een beloop van in totaal € 158.783,90 plus enkele posten pro memorie (PM). Na verrekening met het nog aan [eiser] uit hoofde van de overwaarde van haar aandeel in het woonhuis te betalen bedrag ad € 31.800,00 resteert een aan [gedaagden] toe te wijzen bedrag van € 126,983,90 plus de PM posten. De posten zijn opgebouwd als volgt, waarbij de betreffende bedragen, vermeerderd met wettelijke rente, veelal tot en met 2016 zijn berekend en voor het sindsdien verschuldigde als PM post zijn vermeld:

- verschenen rente over de in 2005 betaalde koopprijs : € 62.282,00;

- door [gedaagden] betaalde rente voor hypothecaire schuld : € 68.424,00;

- aandeel van [eiser] in kosten gezamenlijk eigendom sinds 2005

*eigen woning forfait : € 8.964,02;

*OZB en rioolrecht : € 2.774,90;

*lokale belastingen : € 4.988,33;

*verzekeringen : € 3.681,16;

*aanleg riool : € 1.345,45;

- herstel van schade/vergoeding van kosten, veroorzaakt door [eiser]

*herstel omheining : € 653,38;

*herstel gedeelte [eiser] : € 1.887,43;

*afvoerkosten mesthoop : € 117,86;

*eindafrekening NUON : € 703,66;

*afvoerkosten Avri vuilstort : € 196,44

- proceskostenveroordelingen

* vonnis 24 februari 2005 : € 1.060,00;

* vonnis 9 februari 2017 : € 1.993,54;

- kosten rechtens.

3.7.

[eiser] voert verweer, dat zich laat samenvatten als volgt. Tot medewerking aan levering is [eiser] steeds bereid geweest en nog altijd bereid. De vordering van wettelijke rente over het in 2005 betaalde bedrag (alsof de aankoop van het aandeel van [eiser] met eigen geld van [gedaagden] werd gefinancierd) naast de vordering van de hypothecaire rente wordt betwist: het is hoe dan ook het een of het ander. Bovendien heeft nooit enige ingebrekestelling ter zake van hetgeen in 2005 aan koopprijs is betaald plaatsgevonden en is dus er geen sprake van verzuim of verschenen rente. [gedaagden] hebben zich sinds 14 maart 2005 als enig eigenaar gedragen en het uitsluitend genot van het woonhuis gehad. Kennelijk denken [gedaagden] ten onrechte dat dit alles voor hen gratis moet blijven. Voor zover [gedaagden] de “eigenaarslasten” hebben gedragen (hetgeen grotendeels wordt betwist) is dit terecht, gelet op het feit dat zij zich als enig eigenaar hebben beschouwd en zich daarnaar hebben gedragen. Schade, herstel- en afvoerkosten worden betwist. Aldus - steeds - [eiser] .

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

Gelet op de samenhang tussen hetgeen over en weer is gevorderd en gesteld in conventie en in reconventie ziet de rechtbank aanleiding om een en ander ook als hierna volgt in samenhang te overwegen en te oordelen.

arrest 14 april 2009

4.2.

De voorliggende vorderingen en geschilpunten zien naar de kern op het effectueren van de wijze van verdeling van het gemeenschappelijk goed, zijnde het woonhuis, zoals die in het arrest van 14 april 2009 is bepaald: aan [gedaagden] is toegedeeld het aan [eiser] in eigendom toebehorende aandeel in het woonhuis, tegen vergoeding van de overwaarde van € 146.800,00. Deze beslissing, zo volgt uit het dossier en uit het gestelde over en weer, heeft inmiddels kracht van gewijsde en vormt dan ook het uitgangspunt bij de onderhavige beoordeling.

4.3.

Vast staat dat voor het effectueren van die beslissing nog een levering dient plaats te vinden op de voet van artikel 3:186, eerste lid, BW en eveneens staat vast dat de overwaarde reeds gedeeltelijk, maar nog niet geheel, door [gedaagden] aan [eiser] is voldaan. Partijen hebben immers over en weer de op 14 maart 2005 betaalde “koopprijs” al dan niet uitdrukkelijk aangemerkt als een betaling die op de overwaarde in mindering dient te worden gebracht, en dat komt ook de rechtbank geraden voor.

levering

4.4.

[gedaagden] vorderen van [eiser] medewerking aan de bedoelde levering, tegen welk onderdeel van de vorderingen van [gedaagden] door [eiser] geen verweer is gevoerd. Deze vordering kan dan ook in beginsel worden toegewezen, waarbij evenwel onder meer van belang is dat deze levering plaatsvindt tegen gelijktijdige voldoening door [gedaagden] van het eventueel resterende deel van het te betalen bedrag waarop de overwaarde in het arrest van 14 april 2009 is bepaald. Ten aanzien van dat laatste bestaan tussen partijen geschilpunten die hierna eerst zullen worden besproken. Het gaat dan om zowel de vraag hoeveel door [gedaagden] in 2005 aan [eiser] is betaald als de vraag of de resterende vordering ten aanzien van de overwaarde al dan niet (geheel of gedeeltelijk) kan worden weggestreept tegen vorderingen die [gedaagden] hebben op [eiser] .

betaling 14 maart 2005

4.5.

De afrekening van de notaris van 14 maart 2005 laat zien dat de hypothecaire schuld van [eiser] bij de Rabobank Betuwe, welke op dat moment € 105.288,46 beliep, geheel is afgelost met de door [gedaagden] aan de notaris verrichte betaling, evenals een bedrag van € 14,43 aan valutarente. Voorts blijkt dat een deel van de notariële kosten ziet op de inzagekosten van de hypotheek ad € 45,00 en het honorarium voor de doorhaling van de hypotheek ad € 95,00. Tenslotte blijkt dat de gemeentelijke belastingen over 2005 zijn afgerekend en dat daarvoor een bedrag van € 35,34 aan [eiser] ten goede is gekomen. In totaal is dan ook op 14 maart 2005 van de door [gedaagden] verrichte betaling aan [eiser] ten goede gekomen een bedrag van € 105.478,23.

4.6.

De overige kosten die op de afrekening zijn vermeld zien op overdrachtsbelasting, inschrijving van de levering, de kosten van hypotheekverstrekking aan [gedaagden] door [naam hypotheeknemer] (met inbegrip van inschrijvingskosten, afsluitprovisie en honorarium notaris), royement kadastraal recht en overige notariële kosten. Deze kosten zijn niet te beschouwen als een betaling die aan [eiser] ten goede is gekomen en evenmin als kosten van overdracht die [eiser] diende te dragen. Het betreffende notarieel transport heeft plaatsgevonden omdat [gedaagden] het vonnis van de rechtbank van 22 december 2004 ten uitvoer hebben gelegd. In dit vonnis was – kort gezegd – de verdeling in de vorm van een koopovereenkomst gegoten, overigens zonder bepaling ten aanzien van de kosten van overdracht en levering, zodat ook dit vonnis geen grondslag bood om die kosten (geheel of gedeeltelijk) ten laste van [eiser] te brengen. Gesteld noch gebleken is dat partijen onderling afspraken hebben gemaakt over deze kosten. In het arrest van 14 april 2009 is evenwel het vonnis vernietigd en geoordeeld dat op 14 maart 2005 geen levering had plaatsgevonden, omdat het een verdeling betrof en geen koopovereenkomst, waardoor een geldige titel aan de levering ontbrak. Gelet op de keuze van [gedaagden] om het genoemde vonnis, dat uitvoerbaar bij voorraad was verklaard, hangende het hoger beroep van [eiser] , ten uitvoer te leggen moet deze uitkomst (een per saldo mislukte levering) voor rekening en risico van [gedaagden] blijven, met inbegrip van de kosten van hypotheekverstrekking en het notariële transport (met alle genoemde kosten van dien) op 14 maart 2005.

4.7.

Dit betekent dat een gedeelte groot € 105.478,23 van de overwaarde van € 146.800,00 al op 14 maart 2005 door [gedaagden] aan [eiser] is voldaan, zodat in beginsel een bedrag van € 41.321,77 aan door [gedaagden] te betalen overwaarde voor het nog te leveren aandeel van [eiser] in het woonhuis resteert.

rente over reeds betaalde/nog niet betaalde overwaarde

4.8.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen ten aanzien van de keuze van [gedaagden] om het vonnis van 22 december 2004 hangende hoger beroep te executeren (zie rechtsoverweging 4.6 alsmede de onder de feiten aangehaalde overwegingen van het tussenarrest van 15 mei 2007), is er geen grond om de rente die [gedaagden] zouden zijn misgelopen over hetgeen door hen is betaald op 14 maart 2005 noch/of evenmin rente die in verband met hun hypothecaire geldlening sindsdien is betaald door [eiser] te laten vergoeden.

4.9.

Evenmin bestaat er grond om aan [eiser] toe te kennen een vergoeding van rente vanaf 14 maart 2005 over het verschil tussen de koopprijs van € 115.000,00 en hetgeen haar op die datum daadwerkelijk ten goede is gekomen, dan wel rente over de nog niet betaalde overwaarde vanaf de betekening van het arrest van 14 april 2009, nu zij haar aandeel in het woonhuis nog steeds niet geleverd heeft aan [gedaagden] en dit arrest geen veroordeling tot betaling van de overwaarde door [gedaagden] aan [eiser] behelst.

4.10.

Deze vorderingen betreffende rente in verband met hetgeen in 2005 wel of niet is betaald, zullen dan ook worden afgewezen.

verrekening, (overige) tegenvorderingen

4.11.

Gelet op voorgaande rechtsoverwegingen onder 4.8 – 4.10 komen de vorderingen van [gedaagden] die zien op verschenen rente over de in 2005 betaalde koopprijs ad € 62.282,00 en betaalde rente voor hypothecaire schuld ad € 68.424,00 voor toewijzing noch verrekening in aanmerking.

4.12.

Ten aanzien van het deel van de vordering van [gedaagden] dat ziet op regres op [eiser] voor haar deel van de te dragen kosten, verbonden aan het gezamenlijk eigendom van het woonhuis (zogenoemde eigenaarslasten), waarvan [gedaagden] stellen alles te hebben betaald, overweegt de rechtbank als volgt. Het gaat om zogenoemde eigenaarslasten, waarvan op zichzelf vast staat dat [eiser] sinds haar vertrek niet meer heeft bijgedragen. Het betreft, zo volgt uit het gevorderde, enkele fiscale kwesties als het eigenwoningforfait, OZB en rioolrecht, lokale belastingen, als ook de premies van verzekeringen betreffende het woonhuis en aanleg van een riool. Daargelaten - gelet op de betwisting op onderdelen door [eiser] - of al deze kosten daadwerkelijk geheel door [gedaagden] zijn betaald als opgegeven en of deze allemaal als gezamenlijk te dragen eigenaarslasten hebben te gelden, alsmede de vraag of bij de onderhavige vordering de juiste verdeelsleutel (72% voor [gedaagden] , 28 % voor [eiser] ) is gehanteerd, dient eerst een ander aspect van het verweer van [eiser] te worden beoordeeld. [eiser] voert immers aan dat het uitsluitend gebruik en genot van het woonhuis door [gedaagden] niet gratis zou moeten zijn en dat zij niet tot enige betaling is gehouden. Dat is niet anders te verstaan dan dat [eiser] betoogt dat [gedaagden] weliswaar mogelijk (enige) eigenaarslasten hebben gedragen, maar dat zij daartegenover het uitsluitend gebruik hebben genoten van het woonhuis zonder daarvoor een gebruiksvergoeding aan [eiser] te betalen. Ook begrijpt de rechtbank uit deze stellingname dat [eiser] meent dat een en ander tegen elkaar kan worden weggestreept en dat zij zich in zoverre op verrekening beroept, hetgeen zij ter zitting heeft bevestigd. Vast staat dat [gedaagden] aan [eiser] sinds haar vertrek op 14 maart 2005 niet meer hebben toegestaan het woonhuis te betreden. [gedaagden] hebben ter zitting desgevraagd toegelicht dat zij de ruimtes die voorheen bij [eiser] in gebruik waren, nauwelijks benutten, anders dan voor het opslaan van spullen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [gedaagden] echter, door [eiser] letterlijk van het erf te houden, het uitsluitend gebruik genoten van het woonhuis. Vast staat dat [eiser] daarvoor geen vergoeding heeft ontvangen. Alles overziend komt het de rechtbank geraden voor om enige toewijsbare vordering van [gedaagden] verrekend te achten met de vergoeding voor het uitsluitend gebruik. Dit onderdeel van de vordering [gedaagden] komt dan ook voor toewijzing noch verrekening met de vordering van [eiser] in conventie in aanmerking.

4.13.

Een aantal posten die door [gedaagden] als vordering op [eiser] worden voorgelegd vloeien voort uit hun stelling dat [eiser] de gedeeltes van het woonhuis die bij haar in gebruikelijk in slechte staat heeft achtergelaten of zelfs opzettelijk schade heeft veroorzaakt aan het woonhuis voorafgaand aan de ontruiming op 14 maart 2005, dan wel dat zij rekeningen betreffende haar gebruik van het woonhuis voorafgaand aan de ontruiming onbetaald heeft gelaten. [eiser] heeft dit alles gemotiveerd weersproken. Wat hier ook van zij, de rechtbank stelt vast dat op het overgrote deel van dit onderdeel van de vordering reeds in afwijzende zin is beslist in het arrest van 14 april 2009, op grond van de overwegingen zoals hierboven weergegeven onder de feiten: “ [gedaagden] hebben bij memorie van antwoord hun eis vermeerderd in die zin dat zij vorderen een bedrag van ruim € 21.000,00 in verband met de beschadigingen die [eiser] op de dag dat zij haar woning heeft verlaten (14 maart 2005) volgens [gedaagden] moedwillig heeft aangericht. (…) Nu de taxatie van de deskundige hoger uitvalt dan het door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 115.000,00 (waarin nog geen rekening was gehouden met eventuele beschadigingen door [eiser] ), is er geen grond aan [gedaagden] enige vergoeding toe te kennen voor het feit dat [eiser] wellicht beschadigingen heeft aangericht. Voor zover daarvan sprake is geweest, moet het ervoor worden gehouden dat dit in de waardering van de woning tot uitdrukking is gebracht. Het rapport van de deskundige duidt daar ook op.” In zoverre zijn [gedaagden] niet-ontvankelijk in hun vordering. Ten aanzien van de Nuon-rekeningen is onvoldoende uit de stellingen en stukken van [gedaagden] op te maken dat en zo ja, in hoeverre, het rekeningen betreft die op energieverbruik van [eiser] zien. Die post is dan ook onvoldoende onderbouwd gebleven. Ook deze onderdelen van het gevorderde komen dan voor toewijzing noch verrekening in aanmerking.

4.14.

Vast staat dat [eiser] tweemaal in kort geding in de proceskosten is veroordeeld (vonnis 24 februari 2005: € 1.060,00 en vonnis 9 februari 2017: € 1.699,00) en dat nasalaris en explootkosten van betekening van laatstgenoemd vonnis bij [eiser] in rekening zijn gebracht, hetgeen het totaal ten aanzien van die laatste proceskostenveroordeling brengt op € 1.993,54. [eiser] heeft niet weersproken dat zij een en ander onbetaald heeft gelaten en geen verweer gevoerd tegen dit onderdeel van de vorderingen van [gedaagden] Gelet hierop komt dit onderdeel van de vordering van [gedaagden] voor verrekening in aanmerking, in die zin dat de desbetreffende bedragen ad € 3.053,54 (€ 1.060,00 + € 1.993,54) op de nog te betalen overwaarde in mindering zullen worden gebracht. De rente, die overigens geen onderdeel uitmaakt van de proceskostenveroordeling in de betreffende vonnissen, is door [gedaagden] ongespecificeerd gelaten en zal om die reden reeds buiten beschouwing blijven bij de verrekening.

4.15.

Dit brengt mee dat na verrekening een door [gedaagden] aan [eiser] te betalen overwaarde resteert van € 38.268,23 (€ 41.321,77 - € 3.053,54).

overige vorderingen

4.16.

Gelet op deze verrekening, die in conventie zal plaatsvinden, ontvalt het belang aan de vorderingen in reconventie die zien op een verklaring voor recht en veroordeling tot betaling van een geldbedrag. Deze zullen dan ook worden afgewezen.

proceskosten

4.17.

In het feit dat de vorderingen over en weer voortvloeien uit de - door toedoen aan beide zijden - nog altijd niet geeffectueerde verdeling, waarbij partijen over en weer deels in het (on)gelijk worden gesteld ziet de rechtbank in een beslissing die zowel de conventie als de reconventie in samenhang omvat (zoals hierna overwogen vanaf 4.9), aanleiding om zowel in conventie als in reconventie de proceskosten te compenseren.

tussenconclusie

4.18.

De vordering van [eiser] met betrekking tot betaling aan van de overwaarde van haar aandeel in het woonhuis en de vordering van [gedaagden] met betrekking tot de levering zijn in beginsel toewijsbaar. Op het aan overwaarde te betalen bedrag dient een gedeelte van de door [gedaagden] opgevoerde vorderingen in mindering te worden gebracht, zodat nog € 38.268,23 aan overwaarde dient te worden voldaan. Voor het overige liggen de vorderingen in conventie en in reconventie voor afwijzing gereed, een en ander met compensatie van de proceskosten.

nadere overwegingen

4.19.

De vraag ligt voor hoe hetgeen hiervoor is overwogen en geoordeeld zich verhoudt met de vorderingen in conventie en reconventie. De vordering van [eiser] in conventie beperkt zich tot een betaling aan haar van de (resterende) overwaarde. [eiser] heeft niet gevorderd dat [gedaagden] worden veroordeeld tot medewerking aan de levering en ook overigens is haar vordering niet gekoppeld aan de levering die nog moet plaatsvinden. Toewijzing van betaling van het resterende deel van de overwaarde aan [eiser] zoals gevorderd zou er dan ook toe kunnen leiden dat (wederom) betaald wordt voor toedeling van het aandeel van [eiser] in het woonhuis aan [gedaagden] , zonder dat dit aandeel daadwerkelijk wordt geleverd aan [gedaagden] . Dit zou op zichzelf kunnen worden ondervangen met toewijzing van de in reconventie door [gedaagden] gevorderde veroordeling van [eiser] tot medewerking aan de levering (waarbij de rechtbank de door [gedaagden] gevorderde benoeming van de notaris mede verstaat als een verzoek tot de benoeming van een onzijdig persoon als bedoeld in artikel 3:181 en 677, tweede lid, Rv), zij het dat dan de levering dient te worden gekoppeld aan de betaling van de overwaarde. Die koppeling bevat de vordering van [gedaagden] op zichzelf wel, zij het dat [gedaagden] vorderen die betalingsplicht op nihil te stellen. Hoe dan ook zal betaling en levering moeten samengaan. Voorkomen dient te worden dat opnieuw een impasse ten aanzien van de tenuitvoerlegging kan ontstaan, bijvoorbeeld in het scenario dat wordt afgezien van tenuitvoerlegging van het vonnis ten aanzien van de levering zodat daarmee ook de verplichting tot betaling van de overwaarde niet kan worden tenuitvoergelegd. Dat zou immers tot gevolg hebben dat partijen niet uit onverdeeldheid kunnen geraken en gegevens ingeschreven blijven in de openbare registers die niet stroken met de vermogensrechtelijke situatie.

4.20.

Aangezien hetgeen partijen met hun vorderingen hebben voorgelegd in de kern ertoe strekt dat over en weer uitvoering wordt gegeven het arrest van 14 april 2009 en dus de effectuering van de verdeling betreft zal de rechtbank, met het oog op de na te streven finaliteit van de geschillenbeslechting, in conventie en in reconventie samenhangende beslissingen nemen die strekken tot veroordeling tot levering en tot betaling van de overwaarde, met enkele nadere bepalingen ter waarborging van de tenuitvoerlegging (voor zover het gevorderde over en weer daartoe een basis biedt), een en ander als hierna te bepalen, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie:

5.1.

veroordeelt [gedaagden] tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 38.268,23 (zegge: achtendertigduizendtweehonderdachtenzestig euro en drieëntwintig eurocent) uit hoofde van vergoeding van de overwaarde, welke betaling volgens de instructies van de notaris dient plaats te vinden van ter gelegenheid van het verlijden van de notariële akte van levering aan [gedaagden] van het aandeel van [eiser] van 28% in het gemeenschappelijk goed van partijen, zijnde het woonhuis met garage, schuren, ondergrond, erf, tuin en weiland aan de [straatnaam, nummer, plaats] ;

5.2.

veroordeelt [eiser] tot medewerking aan de onder 5.1 bedoelde levering, welke levering dient plaats te vinden ter gelegenheid van de onder 5.1 genoemde betaling aan [eiser] van de overwaarde en dient te worden ingeschreven in de daartoe bestemde registers;

5.3.

bepaalt dat partijen in gezamenlijk overleg een notaris kiezen, ten overstaan van wie de onder 5.1 en 5.2 bedoelde levering en betaling dienen plaats te vinden en die voor inschrijving in de daartoe bestemde openbare registers zal zorgdragen;

5.4.

benoemt, voor het geval partijen het over de keuze van de notaris niet eens kunnen worden, [naam notaris] , [straatnaam, nummer, plaats] ) tot notaris ten overstaan van wie de onder 5.1 en 5.2 bedoelde levering en betaling dienen plaats te vinden en die voor inschrijving in de daartoe bestemde openbare registers zal zorgdragen;

5.5.

bepaalt dat de onder 5.1 en 5.2 bedoelde levering en betaling en inschrijving uiterlijk binnen drie maanden na heden dienen plaats te vinden;

5.6.

benoemt, voor het geval [eiser] niet meewerkt aan de onder 5.1 bedoelde levering binnen de termijn, genoemd onder 5.5 (binnen drie maanden na heden, tegen gelijktijdige betaling van de overwaarde) [naam advocaat] tot onzijdig persoon op de voet van artikel 3:181 BW, om [eiser] bij de levering en betaling van de overwaarde te vertegenwoordigen;

5.7.

bepaalt dat de notariële kosten, verbonden aan de levering en inschrijving als hiervoor bepaald, door partijen bij helfte (de ene helft voor [eiser] , de andere helft voor [gedaagden] ) dienen te worden gedragen;

5.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

in conventie:

5.9.

compenseert de proceskosten, zodat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

5.10.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

in reconventie:

5.11.

compenseert de proceskosten, zodat ieder der partijen de eigen kosten draagt en

5.12.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Mans en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2018.