Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:862

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
14-02-2018
Datum publicatie
26-02-2018
Zaaknummer
C/05/268463 / HA ZA 14-431 / 546 / 560
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:RBGEL:2017:3925. Civiele aansprakelijkheid van strafrechtelijk veroordeelde gewoonteopzetheler. Bewijs van betaling van verzekeringspenningen door alle middelen (artikel 152 lid 1 Rv).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/268463 / HA ZA 14-431 / 546 / 560

Vonnis van 14 februari 2018

in de zaak van

de stichting

STICHTING VERZEKERINGSBUREAU VOERTUIGCRIMINALITEIT,

gevestigd te Apeldoorn,

eiseres,

advocaat mr. R.R. Schuldink te Hardenberg,

tegen

1 vennootschap onder firma [gedaagde sub 1],

gevestigd te Millingen aan de Rijn,

2. [gedaagde sub 2],

[woonplaats],

3. [gedaagde sub 3],

[woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. J.J.H. Siebelt te Best.

Eiseres wordt hierna VbV genoemd. Gedaagden worden gezamenlijk [gedaagden] genoemd en afzonderlijk de V.O.F., [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3]

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 26 juli 2017,

- de akte van VbV van 4 oktober 2017,

- de antwoordakte van de V.O.F. en [gedaagde sub 3] van 29 november 2017.

1.2.

Ten slotte is opnieuw vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In het tussenvonnis van 14 december 2016 heeft de rechtbank onder meer overwogen dat het geding is geschorst voor zover het ziet op de vordering tegen [gedaagde sub 2] In het tussenvonnis van 26 juli 2017 heeft de rechtbank als volgt geoordeeld. VbV heeft haar vordering verminderd tot bedragen van € 1.757.602,00 plus € 25.214,00 overeenkomstig een nieuw schadelastoverzicht. Op dat schadelastoverzicht staan 140 auto’s vermeld, verdeeld in categorieën die zijn aangeduid met kleuren. Met betrekking tot 61 van deze 140 auto’s heeft VbV haar vordering laten vallen. VbV heeft voldoende toegelicht dat verzekeringspenningen zijn uitgekeerd, maar zij heeft vooralsnog niet bewezen dat de in het schadelastoverzicht genoemde bedragen in de concrete gevallen zijn betaald. De rechtbank heeft haar in de gelegenheid gesteld bij akte toe te lichten dat de bedragen die voor de afzonderlijke auto’s worden genoemd op het schadelastoverzicht daadwerkelijk zijn uitgekeerd en wel door een overzichtelijke lijst van daadwerkelijk verrichte betalingen in het geding te brengen voorzien van verwijzingen naar onderliggende stukken. De rechtbank heeft VbV voorts op de voet van artikel 22 Rv bevolen bij die stukken ook betalingsbewijzen te voegen, bij voorkeur bankafschriften.

2.2.

VbV heeft een akte genomen en daarbij weer een nieuw schadelastoverzicht in het geding gebracht. Bij de auto’s ter zake waarvan de vordering tot schadevergoeding is afgewezen, heeft zij het schadebedrag op nihil gesteld. Er resteren dan 54 auto’s in verband waarmee VbV schadevergoeding vordert, voor een bedrag van in totaal € 1.129.172,64. VbV vermindert haar vordering tot dat bedrag.

2.3.

In het tussenvonnis van 14 december 2016 heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen. [gedaagde sub 3] is schuldig aan de heling van 26 auto’s omdat hij zich heeft neergelegd bij het strafvonnis van 7 oktober 2015, waarin hij onder meer daarvoor is veroordeeld (4.7). Aangenomen dat bij [gedaagden] aangetroffen onderdelen afkomstig zijn van de andere 115 auto’s op lijst deel 1, waarop het strafvonnis dus niet ziet, is hij ook schuldig aan de heling van deze auto’s omdat hij de vordering in dat opzicht niet voldoende gemotiveerd heeft betwist met de stellingen die hij heeft ingenomen over de inkoop van de aangetroffen onderdelen en de administratie daarvan (4.9). Het verweer van [gedaagde sub 3] dat hij niet aansprakelijk is voor schade die is ontstaan voordat hij toetrad tot de V.O.F. is verworpen (4.10). In zijn antwoordakte van 29 november 2017 heeft [gedaagde sub 3] voor een aantal gevallen erop gewezen dat hij ten tijde van de diefstal minderjarig was. De rechtbank overweegt daarover als volgt. Het strafvonnis en de daarin opgenomen, door [gedaagde sub 3] niet bestreden, overweging dat [gedaagde sub 3] ook voor de oprichting van de V.O.F. een belangrijke rol in het bedrijf had, zoals door de rechtbank in het tussenvonnis van 14 december 2016 aangehaald (4.10), zien alleen op de periode dat [gedaagde sub 3] meerderjarig was. Dat daarvan ook reeds sprake was in de periode vóórdat [gedaagde sub 3] meerderjarig werd kan daaruit niet worden afgeleid, terwijl VbV daarvan ook geen onderbouwing heeft gegeven. Het had op de weg van VbV gelegen uitdrukkelijk te stellen op grond waarvan zij [gedaagde sub 3] aansprakelijk houdt voor schade als gevolg van heling die is gepleegd toen [gedaagde sub 3] minderjarig was. VbV heeft dat niet gedaan. De rechtbank ziet geen aanleiding haar in dit vergevorderde stadium van de procedure daartoe alsnog in de gelegenheid te stellen. Dat leidt tot het oordeel dat de vordering van VbV wordt afgewezen voor zover zij ziet op auto’s die zijn geheeld toen [gedaagde sub 3] minderjarig was. De auto’s genummerd 6, 12, 15, 21, 28, 33, 35, 39, 46, 58, 73, 75, 79, 81, 82, 87, 94, 95, 96, 100 en 104, derhalve in totaal 21 auto’s, zijn gestolen in de periode dat [gedaagde sub 3] minderjarig was. De rechtbank gaat er bij gebreke van concrete daarop gerichte verweren van uit dat deze auto’s ook zijn geheeld toen [gedaagde sub 3] minderjarig was. Dat geldt voor de 20 van deze 21 auto’s die zijn gestolen in 2010 of daarvoor en ook voor auto nr. 96 die is gestolen op 6 april 2011, derhalve tweeëneenhalve week voordat [gedaagde sub 3] achttien jaar werd. De vordering wordt dus afgewezen voor zover zij ziet op deze auto’s. Dit oordeel wordt niet anders doordat de rechtbank in het tussenvonnis van 26 juli 2017 reeds conclusies heeft getrokken over de toewijsbaarheid van de vordering in verband met de heling van onder meer deze auto’s. Die conclusies zijn immers niet getrokken uit overwegingen in verband met de leeftijd van [gedaagde sub 3] ten tijde van de heling van de desbetreffende auto’s, maar uit overwegingen over de samenstellingen, dat wil zeggen over de herleiding van bij [gedaagden] aangetroffen onderdelen tot gestolen auto’s.

2.4.

[gedaagde sub 3] is aldus aansprakelijk voor de schade als gevolg van heling van 33 auto’s (54 -/- 21). De rechtbank zal van deze 33 auto’s beoordelen of de schade waarvan VbV vergoeding vordert inderdaad is geleden, dat wil zeggen of de verzekeraars inderdaad uitkeringen hebben gedaan als door VbV gesteld en gevorderd. Het gaat over de auto’s genummerd 8, 9, 10, 13, 14, 17, 19, 22, 24, 25, 26, 49, 64, 72, 74, 83, 85, 90, 93, 98, 103, 110, 112, 117, 120, 121, 124, 125, 127, 129, 131, 134 en 135.

2.5.

VbV heeft niet of nauwelijks bankafschriften in het geding gebracht, maar wel andere documenten. Zij betoogt dat het betalingsverkeer de laatste decennia is veranderd en dat veel betalingen elektronisch worden uitgevoerd, al dan niet in ‘batches’ (verzamelbetalingen). De rechtbank overweegt dat bewijs kan worden geleverd door alle middelen, tenzij de wet anders bepaalt (artikel 152 lid 1 Rv). De wet bepaalt voor het bewijs van betalingen niet dat deze slechts door bankafschriften kunnen worden bewezen. Hieronder zal worden beoordeeld of VbV de gestelde betalingen genoegzaam heeft aangetoond met de documenten die zij in het geding heeft gebracht.

2.6.

Bij veertien van de 33 auto’s heeft VbV als bewijs van betaling hetzij een bankafschrift van de verzekerde in het geding gebracht waarop het desbetreffende bedrag wordt vermeld (8, 10), hetzij een schriftelijke verklaring waarin de verzekerde de ontvangst van de betaling bevestigt (19, 24, 26, 64, 72, 74, 83, 85, 131), hetzij zowel een bankafschrift als een verklaring (14, 117, 121). Daarmee heeft VbV naar het oordeel van de rechtbank deze betalingen genoegzaam aangetoond. De vordering met betrekking tot die auto’s is daarom toewijsbaar tot bedragen van:

8) € 42.792,25

10) € 13.939,44

14) € 11.718,86

19) € 39.671,14

24) € 23.365,00

26) € 16.425,60

64) € 7.300,00

72) € 20.695,00

74) € 16.155,73

83) € 45.140,66

85) € 19.163,81

117) € 6.060,00

121) € 20.210,00

131) € 12.460,52

subtotaal: € 295.098,01

2.7.

Bij vijftien van de 33 auto’s heeft VbV als bewijs van betaling stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat de betalingen zijn verricht in batches, vergezeld van schriftelijke verklaringen waarin de banken die de betalingen hebben uitgevoerd bevestigen dat de desbetreffende bedragen deel uitmaken van die batches (9, 13, 17, 25, 49, 93, 98, 103, 110, 120, 124, 127, 134 en 135). Ook met deze gegevens heeft VbV naar het oordeel van de rechtbank afdoende aangetoond dat de betalingen zijn verricht. De vordering met betrekking tot die auto’s is daarom toewijsbaar tot bedragen van:

9) € 25.312,00

13) € 7.700,00

17) € 10.390,00

25) € 13.315,00

49) € 13.756,83

93) € 26.779,54

98) € 21.462,00

103) € 9.600,00

110) € 69.471,00

120) € 55.885,00

124) € 17.026,38

127) € 12.380,11

134) € 12.295,10

135) € 11.184,99

subtotaal: € 306.557,95

2.8.

Bij de auto met nummer 64 is zowel een verklaring van de verzekerde gevoegd als stukken waaruit blijkt dat het desbetreffende bedrag is uitgekeerd in een batch. Deze auto is hierboven alleen opgenomen in de opsomming van auto’s waarvan de betaling is aangetoond met een verklaring van de verzekerde en dus niet in de opsomming van auto’s waarvan de betaling is aangetoond op basis van stukken over de batch.

2.9.

Bij de auto met nummer 125 is een bankafschrift gevoegd waaruit blijkt dat een betaling in een batch is gedaan en voorts een ‘borderel’ waarin de schadeuitkering van € 7.500,00 wordt vermeld als deel van deze batch. Daarmee is deze betaling afdoende aangetoond. De vordering is daarom toewijsbaar tot een bedrag van:

125) € 7.500,00

2.10.

Bij de auto met nummer 22 is een bankafschrift gevoegd waaruit blijkt dat de tussenpersoon de schadevergoeding aan de verzekerde heeft betaald. Daarmee is deze betaling afdoende aangetoond. De vordering is daarom toewijsbaar tot een bedrag van:

22) € 61.861,07

2.11.

Bij de auto’s met nummers 90, 112 en 129 zijn verklaringen gevoegd van respectievelijk een bank, een tussenpersoon en een bank waarin deze partijen bevestigen dat de schadeuitkeringen aan de verzekerden daadwerkelijk zijn gedaan. Daarmee zijn ook deze betalingen afdoende aangetoond. De vordering is daarom toewijsbaar tot bedragen van:

90) € 20.657,00

112) € 7.615,00

129) € 6.600,00

subtotaal: € 34.872,00

2.12.

In vijf gevallen maakt VbV niet alleen aanspraak op vergoeding van de uitkeringen die zijn gedaan als waardevergoeding van de gestolen en geheelde auto’s, maar ook op vergoeding van gestelde expertisekosten (10, 83, 125, 129 en 135).

2.13.

Bij de auto’s met nummers 10, 83, 129 en 135 duidt slechts de vermelding op interne documenten van de verzekeraars erop dat deze niet alleen de waarde van de gestolen en geheelde auto’s hebben vergoed, maar ook expertisekosten hebben betaald. Uit het oordeel dat de waardevergoedingen inderdaad zijn uitgekeerd, kan niet worden afgeleid dat ook de expertisekosten zijn betaald. Als VbV wel de betaling van de waardevergoedingen met onderliggende documenten kan aantonen, valt niet in te zien dat zij dat niet zou kunnen met de betaling van expertisekosten. Nu zij dat niet heeft gedaan, zal de vordering worden afgewezen voor zover deze ziet op expertisekosten in verband met deze auto’s.

2.14.

In het geval van auto nummer 125 heeft VbV een brief van 15 augustus 2017 overgelegd waarin ING-bank aan TVM Verzekeringen bevestigt dat op 3 oktober 2012 € 1.084,00 is bijgeschreven op een rekening ten name van TVM Zakelijk NV. Daaruit kan niet worden afgeleid dat dit bedrag aan een derde is uitgekeerd en daarom als schade van de verzekeraar kan worden beschouwd. De vordering tot vergoeding van dit bedrag zal daarom ook worden afgewezen.

2.15.

VbV wordt niet in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat de expertisekosten zijn betaald, omdat zij over de auto’s met nummers 10, 83 en 129 heeft verklaard geen betalingsbewijzen van deze posten in het geding te kunnen brengen (akte 4 oktober 2017 onder 7) en zij in verband met de auto’s met nummers 125 en 135 geen bewijsaanbod heeft gedaan.

2.16.

De conclusie is dat de rechtbank [gedaagde sub 3] zal veroordelen schade te vergoeden tot een bedrag van € 705.889,03 (€ 295.098,01 + € 306.557,95 + € 7.500,00 + € 61.861,07 + € 34.872,00) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2014 (de datum van de dagvaarding) tot aan de dag der algehele voldoening.

2.17.

In het tussenvonnis van 26 juli 2017 is onder 2.28 overwogen dat de V.O.F. mede aansprakelijk is voor de gevolgen van de illegale activiteiten van [gedaagde sub 3] voor zover die hebben plaatsgevonden na het aangaan van de V.O.F., dat was op 1 januari 2012. De auto’s met de nummers 26, 49, 103, 121, 124, 127 en 135 zijn voor die datum gestolen. Er zijn geen aanwijzingen dat deze zeven auto’s pas na die datum zijn geheeld. De schade in verband met deze auto’s bedraagt € 100.583,91. De V.O.F. is hoofdelijk aansprakelijk voor schade in verband met de overige 26 auto’s, dus tot een bedrag van € 605.305,12 (€ 705.889,03 -/- € 100.583,91).

2.18.

VbV maakt na vermeerdering van eis aanspraak op vergoeding van € 368.926,14 aan buitengerechtelijke kosten. Bij dagvaarding (17 – 19) stelt zij daartoe dat zij schade lijdt doordat zij kosten heeft moeten maken om schade en aansprakelijkheid vast te stellen en om voldoening buiten rechte te verkrijgen. Zij brengt daarbij als productie 8 een overzicht in het geding waarin 26,43 door een advocaat bestede uren zijn gespecificeerd, waaraan zij een bedrag verbindt van € 7.357,07 (uurtarief van € 215,00, vermeerderd met 7% kantoorkosten en btw) + p.m. Bij antwoord brengt [gedaagde sub 3] hiertegen in dat het gevorderde bedrag niet in verhouding staat tot de bij dagvaarding gevorderde hoofdsom en voorts dat VbV een rapport van het Openbaar Ministerie in het geding heeft gebracht en dat verder niet blijkt van andere werkzaamheden. Daarop betoogt VbV bij repliek dat het argument over de verhouding tussen de hoogte van de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten en de gevorderde hoofdsom niet meer opgaat nu zij haar vordering bij repliek vermeerdert van € 484.193,25 naar € 4.650,189,00 en voorts dat de omvang en de complexiteit van de zaak, waarbij niet alleen verzekeraars zijn betrokken maar ook de politie en het Openbaar Ministerie, veel (extra) werkzaamheden met zich meebrengen vanwege logistiek en afstemming van handelingen. Zij vermeerdert vervolgens haar vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten met een factor 50 en brengt daarbij als concretisering van de post p.m. als productie 34 een aanvulling op het bij dagvaarding overgelegde overzicht in het geding waarop zij kosten opsomt als bedoeld in artikel 6:96 lid 1 onder b BW (de rechtbank begrijpt: lid 2 aanhef en onder b). Daarop staan, naast de post CED Expertise, posten vermeld als: inhuur arbeid, projectleiding, brutolonen, reiskosten, kantinekosten, sociale lasten, huur materieel, palletkosten en overige verpakkingskosten, afvoerkosten schroot/grofvuil, kleine aanschaffingen, afschrijvingen.

2.19.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft VbV, gezien de betwisting van [gedaagde sub 3], met de enkele verwijzing naar het in het geding gebrachte urenoverzicht de advocaatkosten onvoldoende toegelicht. Het had op haar weg gelegen naar aanleiding van de betwisting door [gedaagde sub 3] nader toe te lichten dat de gestelde werkzaamheden zijn verricht en dat de kosten op het overzicht in rekening zijn gebracht. Dat heeft zij niet gedaan. Van de kosten die VbV opvoert in de concretisering van de post p.m. valt niet in te zien dat deze zijn te beschouwen als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Zij lijken veeleer te zien op de ontruiming van de bedrijfsruimte van [gedaagden]. Het had op de weg van VbV gelegen toe te lichten waarom deze posten naar haar mening zijn te beschouwen als kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Ook dat heeft zij niet gedaan. Zij heeft evenmin voldoende gesteld dat toewijzing op een andere grondslag dan artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder b rechtvaardigt. De conclusie is dat de vordering tot betaling van € 368.926,14 zal worden afgewezen.

2.20.

Omdat VbV enerzijds en [gedaagde sub 3] en de V.O.F. anderzijds over en weer deels in het ongelijk worden gesteld, mede gezien de tussentijdse eiswijzigingen, worden de kosten van de procedure met betrekking tot [gedaagde sub 3] en de V.O.F. gecompenseerd zo dat deze partijen de eigen kosten dragen. Dat betekent dat ook de gevorderde beslagkosten voor rekening blijven van VbV.

2.21.

[gedaagde sub 3] verzoekt de rechtbank een (gedeeltelijk) toewijzend vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren (conclusie van dupliek 52 – 54). Daartoe stelt hij dat hij gedetineerd is en geen middelen heeft om schadevergoeding te betalen of zekerheid te stellen, zodat executie slechts kan leiden tot zijn faillissement. Hij acht dat niet wenselijk omdat hij van een toewijzend vonnis in appel zal gaan.

2.22.

Of het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard, moet worden beoordeeld aan de hand van een belangenafweging in het licht van de omstandigheden van het geval. De kans van slagen van een door [gedaagde sub 3] in te stellen hoger beroep wordt daarbij buiten beschouwing gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank is het belang van VbV bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het onderhavige vonnis, waarbij een geldbedrag wordt toegewezen, gegeven. Dat de gevolgen van executie, waartoe VbV op eigen risico kan overgaan, voor [gedaagde sub 3] ingrijpend en mogelijk onomkeerbaar zijn, weegt niet tegen dat belang op. Het vonnis zal daarom uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

voorts ten aanzien van [gedaagde sub 2]

2.23.

Zoals hiervoor overwogen is de procedure geschorst voor zover deze ziet op de vordering tegen [gedaagde sub 2] (tussenvonnis 14 december 2016 onder 4.1). De zaak zal met het oog hierop worden verwezen naar de parkeerrol van 4 april 2018.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

veroordeelt [gedaagde sub 3] en de V.O.F hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover de een betaalt, ook de ander daardoor zal zijn gekweten tot betaling aan VbV van € 605.305,12 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2014 (de datum van de dagvaarding) tot aan de dag der algehele voldoening,

3.2.

veroordeelt [gedaagde sub 3] tot betaling aan VbV van € 100.583,91 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2014 tot aan de dag der algehele voldoening,

3.3.

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.4.

wijst het meer of anders met betrekking tot [gedaagde sub 3] en de V.O.F. gevorderde af,

3.5.

compenseert de kosten van de procedure met betrekking tot [gedaagde sub 3] en de V.O.F. zo dat deze partijen de eigen kosten dragen,

3.6.

verstaat dat de zaak is geschorst voor zover de vordering is ingesteld tegen [gedaagde sub 2] en verwijst de zaak met het oog daarop naar de parkeerrol van 4 april 2018.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Veerman, mr. J.D.A. den Tonkelaar en mr. T.P.E.E. van Groeningen en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2018.